JBS Haldane

Daedalus, of: wetenschap en de toekomst


Geschreven: 4 februari 1923
Bron: Lezing gehouden voor de Heretics Society, Cambridge, 4 februari 1923. Getranscribeerd door Cosma Rohilla Shalizi, 10 april 1993
Vertaling: “Daedalus, or, Science and the Future”, in MIA-Engelstalig, het Haldane Archive
Opmerking: Dit kan de eerste tekst zijn waar sprake is van transhumanisme
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !

Qr-MIA

       


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


Verwant
Van het oude gezin naar het nieuwe
Antropogenese
De mens is het hoogste wezen voor de mensen

Inleiding

Ik heb sommige gedeeltes van dit artikel enigszins uitgebreid sinds ik de lezing heb gegeven. Daardoor is wellicht de samenhang verloren die het ooit misschien had. Er zal kritiek op komen vanwege de overdreven nadruk op bepaalde onaangename onderwerpen. Dit is echter noodzakelijk om mensen aan te zetten erover na te denken, en het is juist de taak van een universitair docent om mensen aan te zetten tot nadenken.

Daedalus, of: wetenschap en de toekomst

Terwijl ik ga zitten om deze pagina’s te schrijven, zie ik voor mij twee scènes uit mijn ervaringen tijdens de laatste oorlog. De eerste is een glimp van een vergeten veldslag uit 1915. Het doet op een merkwaardige wijze denken aan een slechte bioscoopfilm. Door een waas van stof en rook verschijnen er plotseling enorme zwarte en gele rookwolken die het aardoppervlak lijken te verscheuren en de bouwwerken van de mens met een bijna tastbare haat lijken te vernietigen. Deze vormen het grootste deel van het tafereel, maar ergens halverwege zijn enkele onbeduidende menselijke figuren te zien, en al snel worden het er minder. Het is moeilijk te geloven dat dit de hoofdrolspelers in de veldslag zijn. Men zou eerder kiezen voor die enorme, massieve, glanzend zwarte massa’s die zo veel opvallender zijn, en veronderstellen dat die mensen in werkelijkheid hun dienaren zijn en een roemloze, ondergeschikte en fatale rol spelen in de strijd.

Als ik het voorrecht had gehad om drie jaar later een veldslag te aanschouwen, zou het algemene beeld zeer vergelijkbaar zijn geweest, maar zouden er minder mannen en meer granaatinslagen zijn geweest. Maar er zou waarschijnlijk één zeer belangrijke toevoeging zijn geweest. De mannen zouden dan, met waanzinnige angst in hun ogen, op de vlucht zijn geslagen voor gigantische stalen projectielen, die hen doelbewust, meedogenloos en met succes achtervolgden.

Het andere beeld is dat van drie Europeanen in India, kijkend naar een grootte nieuwe ster in de Melkweg. Blijkbaar gasten op een groot bal en in dergelijke zaken geïnteresseerd. Onder degenen die enigszins bekwaam waren om zich een oordeel te vormen over de oorsprong van deze kosmische explosie, werd deze in de meest gangbare theorie toegeschreven aan een botsing tussen twee sterren, of tussen een ster en een nevel. Er lijken echter minstens twee mogelijke alternatieven voor deze hypothese te zijn. Misschien was het het laatste oordeel over een bewoonde wereld, misschien een té succesvol experiment met geïnduceerde radioactiviteit door enkele van de bewoners daar. En misschien zijn deze twee hypothesen ook identiek, en was wat we die avond zagen de ontploffing van een wereld waarop te veel mensen naar buiten waren gekomen om naar de sterren te kijken terwijl ze hadden moeten dansen.

Deze twee scènes geven, heel kort, een beeld van een deel van de argumentatie tegen de wetenschap. Heeft de mensheid uit de schoot van de materie een Demogorgon losgelaten die zich nu al tegen hem begint te keren en hem elk moment in de bodemloze leegte kan storten? Of is het nog gruwelijkere visioen van Samuel Butler juist, waarin de mens een parasiet van de machinerie wordt, een aanhangsel van het voortplantingssysteem van enorme en ingewikkelde machines die achtereenvolgens zijn activiteiten zullen overnemen en hem uiteindelijk de heerschappij over deze planeet zullen ontnemen? Is de machinebewaker die zich bezighoudt met repetitief werk het doel en ideaal waarnaar de mensheid streeft? Misschien kan een overzicht van de huidige trends in de wetenschap enig licht werpen op deze vragen.

Maar laten we eerst stilstaan bij de vraag of er enige hoop is om de vooruitgang van het wetenschappelijk onderzoek te stoppen. Het is immers een zeer recente vorm van menselijke activiteit, en een krachtig algemeen protest van de mensheid zou het zelfs nu nog kunnen stoppen. In de middeleeuwen maakte de publieke opinie het zo gevaarlijk dat het praktisch onmogelijk was, en ik ben geneigd te vermoeden dat bijvoorbeeld de heer Chesterton niet afkerig zou zijn van een herhaling van deze toestand. Wijlen M. Joseph Reinach, een bekwaam en niet geheel illiberale denker, pleitte er publiekelijk voor.

Ik denk echter dat, zolang onze huidige economische en nationale systemen verdergaan, wetenschappelijk onderzoek weinig te vrezen heeft. Het kapitalisme zal, hoewel het de wetenschappelijke werker misschien niet altijd een leefbaar inkomen geeft, hem altijd beschermen, als een van de ganzen die zijn gouden eieren produceren. En competitief nationalisme zal, zelfs als oorlog geheel of grotendeels wordt voorkomen, nauwelijks afzien van de nationale voordelen die voortvloeien uit wetenschappelijk onderzoek.

Als we kijken naar het andere meest waarschijnlijke alternatief, is het vooruitzicht nauwelijks hoopvoller. In dit land is Labour de enige politieke organisatie die het bevorderen van onderzoek in haar officiële programma heeft opgenomen. Wat biologisch onderzoek betreft, zou Labour inderdaad een betere meester kunnen blijken te zijn dan het kapitalisme, en er kan weinig twijfel over bestaan dat zij even vriendelijk zou zijn tegenover natuurkundig en chemisch onderzoek, mochten deze onmiddellijk leiden tot kortere werktijden in plaats van tot werkloosheid. Er is met name wellicht reden om aan te nemen dat die vorm van sentimentalisme die het medisch onderzoek in dit land door middel van wetgeving belemmert, minder kans zou hebben om tot bloei te komen in een robuuste en egoïstische arbeiderspartij naar Australisch model dan in partijen waarvan de leden beschikken over de vrije tijd die nodig lijkt voor de ontwikkeling van dergelijke emotionele luxe.

Het is natuurlijk mogelijk dat de beschaving wereldwijd instort, zoals dat deels in Rusland is gebeurd, en daarmee ook de wetenschap, maar een dergelijke gebeurtenis zou het probleem naar alle waarschijnlijkheid maar een paar duizend jaar uitstellen. En zelfs in Rusland mogen we niet vergeten dat er nog steeds eersteklas wetenschappelijk onderzoek wordt verricht.

Er is gesuggereerd – ik weet niet hoe serieus – dat de wetenschappelijke vooruitgang zou kunnen stilvallen door een gebrek aan nieuw onderzoekswerk. De heer Chesterton voorspelde in The Napoleon of Notting Hill, een boek dat zo’n vijftien jaar geleden is geschreven, dat de hansom-cabs [Een tweewielige koets] over honderd jaar nog steeds zouden bestaan vanwege een stilstand in de uitvindingen. Binnen zes jaar stond er een hansom in een museum, en nu is dat romantische maar trage voertuig een herinnering, net als de trireem, de vélocipède en de Voisin-tweedekker uit 1907. Ik wil niet suggereren dat de heer Chesterton – een zwaardere Hector – achter de laatste hansom moet worden gesleept, maar ik beweer wel dat, voor zover hij beweert een profeet te zijn in plaats van de stem van iemand die in de woestijn roept, hij voor onze discussie als onbeduidend kan worden beschouwd. Ik zal straks proberen aan te tonen hoe ver alle takken van de wetenschap op dit moment nog verwijderd zijn van volledigheid.

Maar eerst is een opmerking over de heer H.G. Wells wellicht niet misplaatst. Alleen al de vermelding van de toekomst veronderstelt hem. Er zijn twee punten die ik over de heer Wells wil maken. Om te beginnen is hij, wanneer men hem beschouwt als een serieuze profeet – in tegenstelling tot een fantasierijke romanschrijver – opvallend bescheiden. In 1902 bijvoorbeeld gaf hij in een boek getiteld Anticipaties als zijn persoonlijke mening te kennen dat er tegen 1950 vliegtuigen zouden bestaan die zwaarder waren dan lucht en geschikt voor praktisch gebruik in oorlogssituaties. Dat, zo zei hij, was zijn eigen mening, hoewel hij zich er terdege van bewust was dat dit tot aanzienlijke spot zou leiden. Ik stel voor in dit artikel geen voorspellingen te doen die onbezonnener zijn dan het bovenstaande.

Het tweede en belangrijkste punt is dat hij een generatie achterloopt. Toen zijn wetenschappelijke ideeën vorm kregen, waren bijvoorbeeld vliegen en radiotelegrafie nog wetenschappelijke vraagstukken, en lag het zwaartepunt van de wetenschappelijke belangstelling nog steeds bij de natuurkunde en scheikunde. Nu zijn dit commerciële vraagstukken, en ik geloof dat het zwaartepunt van de wetenschappelijke belangstelling bij de biologie ligt. Over een generatie ligt het misschien elders en zullen de standpunten in dit artikel verwoord even bescheiden, conservatief en fantasieloos overkomen als veel van die van de heer Wells vandaag de dag.

Ik zal slechts kort ingaan op de toekomst van de natuurkunde, aangezien dit onderwerp onvermijdelijk technisch is. Op dit moment bevindt de natuurkunde zich in een toestand van grote onzekerheid. Dit is in de eerste plaats te wijten aan Einstein – de grootste Jood sinds Jezus. Ik twijfel er niet aan dat Einsteins naam nog zal worden herinnerd en vereerd wanneer Lloyd George, Foch en Willem Hohenzollern samen met Charlie Chaplin de onontkoombare vergetelheid zullen delen die de oncreatieve geest te wachten staat. Ik hoop dat men mij vergeeft als ik even afwijk van het strikte onderwerp van mijn betoog om mijn steentje bij te dragen aan de nogal talrijke onjuiste voorstellingen van Einsteins opvattingen die de afgelopen jaren zijn verschenen.

Al sinds de tijd van Berkeley is het gebruikelijk dat de meeste metafysici de idealiteit van de tijd, de ruimte, of beide, verkondigen. Maar al snel maakten ze duidelijk dat de tijd desondanks op niemand zou blijven wachten en de ruimte geliefden zou blijven scheiden. De enige praktische consequentie die ze hier trokken, was dat hun eigen ethische en politieke opvattingen op de een of andere manier inherent waren aan de structuur van het universum. Het is moeilijk om dergelijke gevolgtrekkingen experimenteel te bewijzen of te weerleggen, en – als de recente oorlog kan worden beschouwd als een experimenteel bewijs tegen bepaalde politieke stellingen van Hegel – kostbaar en onbevredigend.

Einstein heeft, verre van een nieuwe decaloog af te leiden, zich tevreden gesteld met het deduceren van de gevolgen voor ruimte en tijd zelf van hun idealiteit.[1] Deze zijn meestal te klein om meetbaar te zijn, maar sommige, zoals de afbuiging van licht door het zwaartekrachtveld van de zon, zijn vatbaar voor verificatie en zijn geverifieerd. De meerderheid van de wetenschappers wordt nu door het bewijs van deze experimenten gedwongen een zeer extreme vorm van kantiaans idealisme aan te nemen. Het kantiaanse Ding-an-sich is een eeuwige vierdimensionale veelvormigheid, die wij waarnemen als ruimte en tijd, maar wat wij als ruimte beschouwen en wat als tijd, dat is min of meer toevallig.

Het is wellicht interessant om na te denken over de praktische gevolgen van Einsteins ontdekking. Ik twijfel er niet aan dat men hem zal geloven. Een profeet die tekenen aan de hemel kan geven, wordt altijd geloofd. Niemand heeft Newtons theorie ooit serieus in twijfel getrokken na de terugkeer van de komeet van Halley. Einstein heeft ons verteld dat ruimte, tijd en materie schaduwen zijn van de vijfde dimensie, en de hemelen hebben zijn glorie verkondigd. Bijgevolg zal het kantiaanse idealisme de fundamentele werkhypothese worden van de natuurkundige en uiteindelijk van alle ontwikkelde mensen, net zoals het materialisme dat werd na Newton. We noemen onszelf misschien geen materialisten, maar we interpreteren de activiteiten van de maan, de Theems, griep en vliegtuigen wel in termen van materie. Onze voorouders deden dat niet, en onze nakomelingen zullen dat naar alle waarschijnlijkheid ook niet doen. Het materialisme (of het nu bewust of onbewust is, doet er niet zoveel toe) van de laatste paar generaties heeft geleid tot diverse resultaten van praktisch belang, zoals volksgezondheid, het marxisme en het recht van een verdachte om voor zichzelf te getuigen. De heerschappij van het kantiaanse idealisme als de fundamentele werkhypothese, eerst van de natuurkunde en vervolgens van het dagelijks leven, zal naar alle waarschijnlijkheid enkele eeuwen duren. Aan het einde van die periode zal een vergelijkbare stap voorwaarts worden gezet. Einstein toonde aan dat ondervinding niet kan worden geïnterpreteerd in termen van ruimte en tijd. Dit was een bekend feit, maar zolang ruimte en tijd niet faalden in hun eigen specifieke domein, namelijk het verklaren van de feitelijke beweging, bleven natuurkundigen erin geloven, of in ieder geval, wat veel belangrijker was, denken in termen van praktische doeleinden.

Er zal echter een tijd komen (zoals ik geloof) waarin de fysiologie de wiskundige fysica zal binnendringen en vernietigen, zoals deze laatste de meetkunde heeft vernietigd. De fundamentele metafysische werkhypothese van de wetenschap en het praktische leven zal dan, denk ik, iets zijn als het bergsoniaanse activisme. Ik suggereer geen moment dat dit of enig ander metafysisch systeem ook maar enige aanspraak maakt op definitiefheid.

Ondertussen staan ons enkele eeuwen te wachten waarin veel praktische activiteiten waarschijnlijk niet op basis van materialisme, maar op basis van het kantiaanse idealisme zullen worden uitgevoerd. Welke invloed zal dit hebben op onze omgangsvormen, moraal en politiek? Eerlijk gezegd weet ik het niet, hoewel ik denk dat het effect even groot zal zijn als dat van het werk van Newton, dat de drijvende kracht was achter het grootste deel van de intellectuele ontwikkelingen in de 18e eeuw. De Condorcets, Benthams en Marxen van de toekomst zullen naar mijn mening even meedogenloos kritisch zijn over de metafysica en ethiek van hun tijd als hun voorgangers, maar niet zo zeker van hun eigen standpunten; er zal een gewicht in de toon ontbreken die we wel terugvinden in het utilitarisme en het socialisme. Zij zullen inzien dat er in de ethiek, net als in de natuurkunde, als het ware een vierde en vijfde dimensie bestaat, die zich openbaren door effecten die, net als de verstoringen van de planeet Mercurius, zelfs binnen één generatie moeilijk waarneembaar zijn, maar die in de loop der eeuwen wellicht net zo belangrijk zijn als de driedimensionale verschijnselen.

Als de kwantumhypothese algemeen wordt aanvaard, zullen er nog radicalere veranderingen in ons denken nodig zijn. Maar ik vind het voorbarig om zelfs maar de richting daarvan te suggereren in de huidige onbevredigende staat van de kwantummechanica. Het kan zijn dat we, zoals Poincaré (de andere Poincaré) suggereerde, gedwongen zullen worden om alle veranderingen te beschouwen als plaatsvindend in een reeks sprongen, en alle ruimte als bestaande uit afzonderlijke punten. Hoe het ook zij, men kan gerust stellen dat een betere kennis van straling ons in staat zal stellen deze op een bevredigender wijze te produceren dan thans mogelijk is. Bijna al onze huidige lichtbronnen zijn hete lichamen, waarvan 95 % van de straling onzichtbaar is. Een lamp als lichtbron laten branden is ongeveer even verspillend aan energie als het in brand steken van je huis om je varkensvlees te braden. Het is vrij zeker te voorspellen dat licht over 50 jaar ongeveer een vijftigste van de huidige prijs zal kosten en dat er in onze steden geen nacht meer zal zijn. De alternatie van dag en nacht vormt een beperking van de vrijheid van menselijke activiteit, die dezelfde weg moet gaan als andere ruimtelijke en temporele beperkingen. Op de lange termijn denk ik dat het enige wat de toegepaste natuurkunde voor ons kan doen, is deze beperkingen opheffen. Het stelt ons in staat meer te bezitten, meer te reizen en meer te communiceren. Ik zal niet proberen de toekomstige ontwikkelingen op het gebied van vervoer en communicatie in detail te voorspellen. Ze worden alleen beperkt door de snelheid van het licht. We werken toe naar een situatie waarin twee willekeurige personen op aarde in niet meer dan 1/24 van een seconde volledig bij elkaar aanwezig kunnen zijn. We zullen dat nooit bereiken, maar dat is de grens waar we oneindig dichtbij zullen komen.[2]

Ontwikkelingen in deze richting brengen de mensheid steeds dichter bij elkaar, maken het leven steeds complexer, onnatuurlijk en rijk aan mogelijkheden – en vergroten de mogelijkheden van de mens om zowel goed als kwaad te doen tot in het oneindige.

Maar er zijn twee voorwaarden voor alle vooruitgang van deze aard, namelijk een continue aanvoer van menselijke en mechanische kracht. Naarmate industrieën steeds nauwer met elkaar verweven raken, zodat een verstoring in één ervan een dozijn andere lamlegt (en dat is de situatie waar we snel naartoe gaan), zal het ideaal van de managers, ongeacht het economische systeem, steeds minder gericht zijn op de onbeperkte toename van de productie in de periodes tussen dergelijke verstoringen, en steeds meer op stabiele en regelmatige productie, zelfs ten koste van lagere winsten en een lagere output terwijl de industrie normaal functioneert.[3] Het is heel goed mogelijk dat het kapitalisme zelf zal eisen dat de controle over bepaalde sleutelindustrieën volledig wordt overgedragen aan de arbeiders in die industrieën, simpelweg om het aantal sporadische stakingen daarin te verminderen. En naarmate de industriële vooruitgang voortgaat, zal een steeds groter aantal – misschien wel de meerderheid – van de industrieën, sleutelindustrieën worden. De oplossing kan heel anders zijn – we kunnen best een terugkeer naar het feodalisme zien. Maar de kans is groot dat het probleem wordt opgelost. Deze visie lijkt misschien optimistisch, maar is waarschijnlijker dan de alternatieve stelling die kort als volgt kan worden samengevat: “Geen enkele menselijke samenleving zal er ooit in slagen een stabiele organisatie tot stand te brengen waarin de meerderheid van de bevolking ander werk verricht dan landbouw, veeteelt, jacht of visserij.” Het heeft enkele duizenden jaren geduurd om de stabiele agrarische samenleving te creëren die de basis vormt van het Europese leven en waarvan we de moraal maar al te graag als eeuwige waarheden beschouwen. Het zou minder tijd moeten kosten om een stabiele industriële samenleving te ontwikkelen. De mensen die dat doen, zullen de aarde erven. Kortom, ik ben van mening dat de vooruitgang van de wetenschap er uiteindelijk toe zal leiden dat onrechtvaardigheid in de industrie even zelfvernietigend wordt als internationale onrechtvaardigheid dat nu is.

Wat de voorraden mechanische energie betreft, staat het buiten kijf dat de uitputting van onze kolen- en olievelden een kwestie van slechts enkele eeuwen is. Aangezien vaak wordt aangenomen dat de uitputting daarvan zou leiden tot de ineenstorting van de industriële beschaving, mag men mij wellicht vergeven dat ik enkele redenen aanvoer die mij ertoe brengen aan deze stelling te twijfelen.

Waterkracht is naar mijn mening geen waarschijnlijk alternatief, vanwege de geringe hoeveelheid, de seizoensgebonden schommelingen en de sporadische verspreiding. Het kan echter wel het zwaartepunt van de industrie verplaatsen naar bergachtige gebieden met veel water, zoals de uitlopers van de Himalaya, British Columbia en Armenië. Uiteindelijk zullen we gebruik moeten maken van die intermitterende maar onuitputtelijke energiebronnen: wind en zonlicht. Het probleem is simpelweg het opslaan van hun energie in een vorm die even handig is als steenkool of benzine. Als een windmolen in iemands achtertuin dagelijks een hundredweight [honderd oude ponden; honderd kilogram – MIA] steenkool zou kunnen produceren (en het equivalent daarvan aan energie produceren), zouden onze steenkoolmijnen morgen worden gesloten. Zelfs morgen kan er een goedkope, foolproof en duurzame accu worden uitgevonden, die ons in staat stelt de intermitterende energie van de wind om te zetten in continue elektrische stroom.

Persoonlijk denk ik dat de energiekwestie in Engeland over vierhonderd jaar ongeveer als volgt opgelost kan zijn: het land zal bedekt zijn met rijen metalen windmolens die elektromotoren aandrijven, die op hun beurt stroom met een zeer hoge spanning leveren aan grote elektriciteitsnetten. Op geschikte afstanden zullen er grote elektriciteitscentrales staan waar tijdens winderig weer de overtollige stroom zal worden gebruikt voor de elektrolytische ontleding van water in zuurstof en waterstof. Deze gassen zullen worden vloeibaar gemaakt en opgeslagen in enorme reservoirs met vacuümmantel, waarschijnlijk ondergronds. Als deze reservoirs groot genoeg zijn, zal het verlies aan vloeistof door inkomende warmte niet groot zijn; zo zou de hoeveelheid die dagelijks verdampt uit een reservoir van 100 bij 100 meter en 18 meter diep niet 1/1000 bedragen van het verlies uit een tank van 60 bij 60 cm. In rustige tijden zullen de gassen opnieuw worden samengevoegd in explosiemotoren die dynamo’s aandrijven die opnieuw elektrische energie produceren, of waarschijnlijker in oxidatiecellen. Vloeibare waterstof is, op gewichtsbasis, de meest efficiënte bekende methode om energie op te slaan, aangezien het ongeveer drie keer zoveel warmte per pond levert als benzine. Aan de andere kant is het erg licht en heeft het, volume voor volume, slechts een derde van de efficiëntie van benzine. Dit zal echter geen afbreuk doen aan het gebruik ervan in vliegtuigen, waar gewicht belangrijker is dan volume. Deze enorme reservoirs van vloeibaar gemaakte gassen zullen het mogelijk maken windenergie op te slaan, zodat deze naar wens kan worden gebruikt voor industrie, transport, verwarming en verlichting. De initiële kosten zullen zeer aanzienlijk zijn, maar de exploitatiekosten lager dan in ons huidige systeem. Een van de meer voor de hand liggende voordelen is dat energie in het ene deel van het land even goedkoop zal zijn als in het andere, waardoor de industrie sterk gedecentraliseerd zal worden; en dat er geen rook of as zal worden geproduceerd.

Ik denk dat het probleem op deze wijze zal worden opgelost. Het is een praktisch probleem en de uitputting van onze steenkoolmijnen zal de nodige impuls geven voor de oplossing van deze kwestie. Zelfs nu zou Italië wellicht economische onafhankelijkheid kunnen bereiken door een paar miljoen pond uit te geven aan onderzoek volgens de hier gegeven suggestie. Ik wil hier terzijde aan toevoegen dat ik, op thermodynamische gronden, die ik nauwelijks kort kan samenvatten, niet veel geloof hecht aan de commerciële haalbaarheid van geïnduceerde radioactiviteit.

Voordat ik overga tot het hoofdgedeelte van mijn onderwerp, wil ik kort ingaan op de invloed op kunst en literatuur van onze geleidelijke verovering van ruimte en tijd. Ik denk dat de schuld voor het verval van bepaalde kunsten in de eerste plaats ligt bij de gebrekkige opleiding van de kunstenaars. Een kunstenaar moet zijn onderwerp begrijpen. Op dit moment begrijpt geen enkele bekwame dichter en slechts een handvol schilders en etsers buiten de Glasgow School het industriële leven, en ik geloof dat er slechts één architect van enige echte originaliteit is die de mogelijkheden van gewapend beton begrijpt. Ik ken zijn naam niet, maar hij ontwierp vóór de oorlog in Soissons een marktplein met de waardigheid en durf van een oude Egyptische tempel. Als ik had geweten dat hem de heropbouw van Soissons was toevertrouwd, zou ik de verwoesting ervan niet kunnen betreuren.

Nu, als we willen dat dichters de natuurwetenschappen interpreteren zoals Milton en Shelley dat deden (Shelley en Keats waren de laatste Engelse dichters die op het gebied van scheikunde nog enigszins bij waren), dan moeten we ervoor zorgen dat onze toekomstige dichters, net als hun voorgangers, onderricht krijgen in wetenschap en economie. Ik ben er absoluut van overtuigd dat de wetenschap de verbeelding veel meer prikkelt dan de klassieken,[4] maar de vruchten van deze prikkel die zien normaal gesproken het daglicht niet, omdat de wetenschappers als groep verstoken zijn van enig begrip van literaire vorm. Wanneer ze zich kunnen uitdrukken, krijgen we een Butler of een Norman Douglas. Pas wanneer onze dichters weer uit de geschoolde klassen komen (ik spreek als wetenschapper), zullen ze de gemiddelde man aanspreken door hem de schoonheid in zijn eigen leven te tonen, zoals Homerus en Vergilius de straatkinderen aanspraken die hun verzen op de muren van Pompeii krabbelden.

En als we onze dichters en kunstenaars moeten onderwijzen in de wetenschap, moeten we onze heren, arbeid en kapitaal, onderwijzen in de kunst. Persoonlijk geloof ik dat we op beide vlakken goede hoop mogen koesteren. Het idee dat de kapitalist momenteel heeft van kunst in de industrie beperkt zich in bepaalde gevallen tot het schilderen van groene en witte strepen op de gevel van zijn fabrieken. Dit is een primitieve vorm van decoratie, maar ik denk dat de kern van de zaak erin zit. Het zal niet lang duren voordat iemand ontdekt dat fresco’s in een fabriek de gemiddelde efficiëntie van de arbeider met 1,03 % verhogen, en dan zal kunst weer een commercieel ding worden. Zelfs nu al wordt ontdekt dat artistieke reclame vaak loont. Evenzo twijfel ik er niet aan dat de arbeiders zullen ontdekken dat ze niet van brood (of laten we zeggen brood en bier) alleen kunnen leven. Maar we kunnen nauwelijks verwachten dat ze deze ontdekking doen voordat ze verzekerd zijn van hun voorraad brood en bier.

De toegepaste chemie heeft geen radicale vernieuwing in het menselijk leven gebracht die even belangrijk is als de warmtemotor of de telegraaf. Ze heeft de productie van verschillende soorten stoffen enorm vergroot, waarvan metalen de belangrijkste zijn. Maar er waren al explosieven, kleurstoffen en medicijnen voordat de chemie een wetenschap was, en de vooruitgang ervan in de huidige richting zal het leven vooral op kwantitatieve wijze veranderen. Misschien zijn de grootste problemen waar de metallurgie voor staat het gebruik van laagwaardig ijzererts en de productie van aluminium uit klei, die tot 24 % van dat metaal bevat. Ik denk niet dat aluminium, zelfs als dit wordt bereikt, ijzer en staal zal verdringen zoals die brons en vuursteen hebben verdrongen, maar het zal met zijn legeringen zeker de tweede, en mogelijk de eerste plaats innemen als industriële metalen. Er is slechts de hoop, hoewel ik vrees dat het niet veel meer is, dat een grootschalige productie van parfum de basis zou kunnen vormen voor een heropvoeding van ons nogal rudimentaire reukvermogen, maar de meest interessante mogelijkheden van chemische uitvindingen liggen duidelijk in de biologische chemie, en wel om de volgende redenen.

Gewenste stoffen vallen over het algemeen in twee klassen uiteen. De eerste zijn gewenst vanwege hun fysische of chemische eigenschappen, bv. ijzer, hout of glas, die we gebruiken als onderdeel van zaken zoals haarden, huizen of scheermessen, die ons bepaalde voordelen opleveren. De tweede zijn gewenst vanwege hun fysiologische eigenschappen. Tot dergelijke stoffen behoren voedingsmiddelen, dranken, tabak en geneesmiddelen. Kleuren en geuren nemen een tussenpositie in. De waarde van deze tweede categorie stoffen berust op een heel bijzondere relatie met het menselijk organisme, die op de meest intieme wijze afhangt van de constitutie van dat laatste, en die in het algemeen nog helemaal niet volledig is verklaard in termen van fysica en chemie. Vuur kan bijvoorbeeld worden gemaakt van steenkool of turf in plaats van hout, maar geen enkele andere chemische stof heeft hetzelfde effect als water of alcohol. Tenzij een chemische stof dus nieuwe fysiologische eigenschappen heeft, zal de productie ervan slechts dienen om een apparaat te verbeteren of mogelijk te maken waarvan het gebruik binnen de sfeer van de toegepaste fysica ligt. In de loop van de geschiedenis zijn er in Europa slechts twee stoffen van de tweede categorie in algemeen gebruik geraakt, namelijk cafeïne en nicotine, die in de zestiende en zeventiende eeuw in dit land werden geïntroduceerd. Er zijn andere stoffen van enorm belang, zoals chloroform en kinine, maar het gebruik daarvan is niet algemeen. Koffie, thee en tabak, samen met alcohol, maken echter evenzeer deel uit van het normale leven als voedsel en water. Er is geen reden om aan te nemen dat de lijst van dergelijke stoffen volledig is. Tijdens de oorlog ontdekte Embden,[5] hoogleraar fysiologie aan de Universiteit van Frankfurt, dat een dosis van ongeveer 7 gram natriumfosfaat het vermogen van een man tot langdurige spierinspanning met ongeveer 20 % verhoogde en waarschijnlijk ook helpt bij langdurig mentaal werk. Het kan gedurende zeer lange perioden worden ingenomen. Een groep mijnwerkers nam het negen maanden lang in, met zeer grote effecten op hun productiviteit. Het heeft geen nawerkingen zoals die van alcohol, en men kan geen ernstige overdosis nemen, aangezien het slechts als laxeermiddel werkt. (Ze gaven bepaalde Stosstruppen te veel!) Duizenden mensen in Duitsland nemen het regelmatig. Het is mogelijk dat het een even normale drank wordt als koffie of thee. Het kost 1/9 per pond, of 1/3d. per dosis.

De overgrote meerderheid van chemische stoffen met fysiologische eigenschappen is ongeschikt voor dagelijks gebruik, zoals ricinusolie, of gevaarlijk, zoals morfine; waarschijnlijk zijn er geen die in bepaalde gevallen geen nadelige effecten hebben. Degenen die geschikt zijn voor dagelijks gebruik zijn van het grootste maatschappelijke belang. Tabak heeft lichte maar duidelijke effecten op het karakter. Koffiehuizen in Londen in de zeventiende en achttiende eeuw en cafés in het moderne Europa waren en zijn beschavende invloeden van onschatbare waarde. Maar deze stoffen zijn voor een bepaald type geest uiterst verfoeilijk. Het zou wellicht een fascinerende gedachte zijn om te stellen dat Sir Walter Raleigh zijn dood deels te wijten had aan de afkeer van zijn vorst voor tabak. Maar zelfs als hij niet de eerste martelaar op dit gebied is, is het in ieder geval aannemelijk dat er meer mensen zijn omgekomen vanwege het roken van tabak door toedoen van sikhs, senussi’s en wahabieten – wier religies deze praktijk verbieden – dan er onder het Romeinse Rijk zijn omgekomen vanwege hun belijdenis van het christendom. Mocht men zich ooit algemeen realiseren dat matigheid een deugd is, dan kunnen we verwachten dat de mensheid uiteindelijk zal beschikken over een breed scala aan stoffen zoals wijn, koffie en tabak, waarvan het verstandig gebruik kan bijdragen aan de aangename kanten van het leven en de ontplooiing van de hogere vermogens van de mens kan bevorderen.

Maar voordat die dag aanbreekt, zal de chemie worden toegepast op de productie van een nog belangrijkere groep fysiologisch actieve stoffen, namelijk voedingsmiddelen. De feiten over voedsel zijn nogal merkwaardig. Iedereen weet dat voedsel uiteindelijk door planten wordt geproduceerd, hoewel we het uit tweede of derde hand krijgen als we dieren of hun producten eten. Maar de gemiddelde plant zet het grootste deel van zijn suiker niet om in zetmeel, dat verteerbaar is, maar in cellulose, dat niet verteerbaar is, maar het houtachtige skelet van de plant vormt. De hoefdieren hebben dit probleem op hun eigen manier opgelost door hun maag om te vormen tot een enorme kolonie bacteriën die cellulose afbreken en waarvan zij zich voeden met de bijproducten. Wij moeten hetzelfde doen, maar buiten ons lichaam. Dit kan op chemische wijze worden gedaan. Irvine heeft een opbrengst van 95 % suiker uit cellulose verkregen, maar tegen onbetaalbare kosten. Of we kunnen micro-organismen gebruiken, maar in ieder geval zullen suiker en zetmeel binnen de komende eeuw ongeveer even goedkoop zijn als zaagsel. Veel van onze voedingsmiddelen, inclusief de eiwitten, zullen we waarschijnlijk opbouwen uit eenvoudigere bronnen zoals steenkool en atmosferische stikstof. Ik ben geneigd te denken dat het 120 jaar zal duren, niet veel langer, voordat op deze manier op commerciële schaal een volledig bevredigend dieet kan worden geproduceerd.

Dit betekent dat landbouw een luxe zal worden en dat de mensheid volledig verstedelijkt zal zijn. Persoonlijk heb ik geen spijt van het waarschijnlijke verdwijnen van de landarbeider ten gunste van de fabrieksarbeider, die mij in de meeste opzichten een hoger type mens lijkt. De vooruitgang van de mensheid door de geschiedenis heen is de vooruitgang geweest van steden die het weerbarstige platteland in hun kielzog meeslepen. Kunstmatig voedsel zal de bloementuin en de fabriek in de plaats stellen van de mesthoop en het slachthuis, en de stad eindelijk zelfvoorzienend maken.

There’s many a strong farmer whose heart would break in two
If he could see the townland that we are riding to.
Boughs have their fruit and blossom at all times of the year,
Rivers are running over with red beer and brown beer,
An old man plays the bagpipes in a golden and silver wood,
Queens, their eyes blue like the ice, are dancing in a crowd.

Ik had graag, als de tijd het had toegestaan, mijn steentje bijgedragen aan de gemaakte speculaties met betrekking tot interplanetaire communicatie. Of dit mogelijk is, kan ik niet inschatten; dat het zal worden geprobeerd, daar twijfel ik geen moment aan.

Wat betreft de toepassing van de biologie op het menselijk leven lijkt de gemiddelde voorspeller genoegen te nemen met aanzienlijke, zij het nogal rudimentaire vooruitgang in de geneeskunde en chirurgie, enkele verbeteringen bij dieren en gewassen, en mogelijk de introductie van een beetje eugenetica. De eugenetische ambtenaar, een mengeling, zo lijkt het, van politieagent, priester en pooier, moet ons met gepaste tussenpozen naar de plaatselijke tempel van Venus Genetrix slepen met een partner die, zo begrijpt men, door een soort veredelde medische commissie is uitgekozen. Op deze voorspelling zou ik willen antwoorden dat zij voortkomt uit een geest die evenzeer aan originaliteit ontbreekt als aan kennis van de menselijke natuur. Het huwelijk “op basis van cijfers”, om het zo te zeggen, was een relatief nieuw idee toen het 2300 jaar geleden door Plato werd voorgesteld, maar het is in feite al op verschillende plaatsen in praktijk gebracht, met name bij de onderdanen van de jezuïeten in Paraguay. Het is bovendien waarschijnlijk, zoals we zullen zien, dat de door de eugeneticus voorgestelde doelen op een heel andere manier zullen worden bereikt.

Maar voordat we overgaan tot voorspellingen, wil ik graag terugkeren naar het verleden en summier de ongeveer zes belangrijke biologische uitvindingen bespreken die al zijn gedaan. Met een biologische uitvinding bedoel ik het tot stand brengen van een nieuwe verhouding tussen de mens en andere dieren of planten, of tussen verschillende mensen, op voorwaarde dat een dergelijke verhouding in de eerste plaats onder het domein van de biologie valt en niet onder dat van de natuurkunde, de psychologie of de ethiek. Van de biologische uitvindingen uit het verleden zijn er vier gedaan vóór het begin van de geschiedenis. Ik doel op de domesticatie van dieren, de domesticatie van planten, de domesticatie van schimmels voor de productie van alcohol, en naar een vierde uitvinding, die naar mijn mening van groter en diepgaand belang was dan al deze andere, aangezien zij het verloop van de seksuele selectie veranderde, de aandacht van de man als minnaar heeft gericht op het gezicht en de borsten van de vrouw, en ons idee van schoonheid veranderde van de steatapygische Hottentot naar de moderne Europeaan, van de Venus van Brassempouy naar de Venus van Milo. Er zijn volkeren die deze laatste uitvinding nog niet hebben gedaan. En in onze tijd zijn er nog twee gedaan, namelijk het bacteriedodend middel en de kunstmatige anticonceptie.

Het eerste wat ons opvalt aan deze uitvindingen is dat ze allemaal een diepgaande emotionele en ethische impact hebben gehad. Van de vier eerder genoemde is er niet één die niet de basis heeft gevormd voor een religie. Ik weet niet welke vreemde god het lef zal hebben om Charles Bradlaugh en Annie Besant in de plaats van Triptolemus en Noach te stellen, maar men kan wel opmerken dat het onmogelijk is om religie buiten beschouwing te laten bij elke discussie over de praktijken die zij populair hebben gemaakt.

Het tweede punt is misschien moeilijker onder woorden te brengen. De chemische of fysische uitvinder is altijd een Prometheus. Er is geen enkele grote uitvinding, van vuur tot aviatiek, die niet is onthaald als een belediging voor een of andere god. Maar als elke fysische en chemische uitvinding godslastering is, dan is elke biologische uitvinding een perversie. Er is er nauwelijks een die, wanneer deze voor het eerst onder de aandacht wordt gebracht van een waarnemer uit een land dat nog niet eerder van het bestaan ervan heeft gehoord, hem niet onfatsoenlijk en onnatuurlijk zou lijken.

Denk eens aan een zo eenvoudig en aloude handeling als het melken van een koe. De melk, die een intieme en bijna sacramentele band tussen moeder en kind had moeten zijn, wordt door de behendige vingers van een melkmeid verkregen en gedronken, gekookt of zelfs tot kaas gefermenteerd. We hoeven ons alleen maar voor te stellen dat we een van haar andere afscheidingen drinken, om ons de radicale indecentie van onze relatie met de koe te realiseren.[6]

Niet minder walgelijk a priori is het proces van bederf dat wijn en bier ons oplevert. Maar in werkelijkheid lijken het melken en het brouwen en drinken van bier ons volkomen natuurlijk; ze hebben zelfs de neiging gehad een eigen ritueel te ontwikkelen waarvan de overtreding tegenwoordig een zekere sfeer van ongepastheid heeft. Er is iets lichtelijk walgelijks aan het idee om een koe elektrisch te melken of bier uit theekopjes te drinken. En dit alles geldt natuurlijk nog veel sterker voor de seksuele daad.

Ik vermoed dat de sentimentele belangstelling voor Prometheus onze aandacht te veel heeft afgeleid van de veel interessantere figuur van Daedalus. Het is met een enorme opluchting dat de student Griekse mythologie, temidden van een wirwar van helden, gewapend met gorgonenkoppen of beschermd door Stygische doopselen, de eerste moderne mens tegenkomt. Aangezien hij zijn carrière begon als realistisch beeldhouwer (hij was de eerste die beelden vervaardigde waarvan de voeten los van elkaar stonden), was het niet meer dan logisch dat hij vervolgens overging tot de vervaardiging van een beeld van Aphrodite waarvan de ledematen werden gemaakt met kwik [activated by quicksilver]. Hierna richtte zijn interesse zich onvermijdelijk op biologische problemen, en men kan gerust stellen dat het nageslacht zijn enige gedocumenteerde succes op het gebied van de experimentele genetica nooit heeft geëvenaard. Als de huisvesting en het voeden van de Minotaurus minder kostbaar waren geweest, is het waarschijnlijk dat Daedalus Mendel zou zijn voorgegaan. Maar Minos vond dat een labyrint en een jaarlijkse toewijzing van 50 jongemannen en 50 maagden buitensporig waren als subsidie voor onderzoek, en om aan zijn meedogenloze bezuinigingen te ontsnappen, werd Daedalus gedwongen de kunst van het vliegen uit te vinden. Minos achtervolgde hem naar Sicilië en werd daar gedood. Afgezien van zijn waardevolle uitvinding van lijm is er weinig anders bekend over Daedalus. Maar het is veelzeggend dat hij, hoewel hij verantwoordelijk was voor de dood van Zeus’ zoon Minos, noch door een bliksemschicht werd getroffen, noch aan een rots werd geketend, noch door de furies achtervolgd. En al helemaal ontdekte geen van de talrijke bezoekers van Hades hem in het Elysium of de Tartarus. We kunnen ons hem nauwelijks voorstellen als een van de schimmen die de veerboot van Charon belegerden als schapen bij een pas. Hij was de eerste die aantoonde dat de wetenschapper zich niet bezighoudt met goden.

Het onbewuste van de oude Grieken, die in deze verbazingwekkende figuur de vage tradities van de Minoïsche wetenschap samenbrachten, was zich vermoedelijk van dit feit bewust. De meest monsterlijke en onnatuurlijke daad in alle menselijke legendes bleef ongestraft, zowel in deze wereld als in het hiernamaals. Zelfs de dood van Icarus moet licht hebben gewogen bij een man die al uit Athene was verbannen wegens de moord op zijn neef. Maar hoewel hij aan de wraak van de goden ontsnapte, is hij blootgesteld aan de universele en eeuwenoude afkeuring van een mensheid voor wie biologische uitvindingen weerzinwekkend zijn, met één zeer belangrijke uitzondering. Socrates was er trots op hem als voorvader te kunnen claimen.

De biologische uitvinding neigt er dan toe te beginnen als een perversie en te eindigen als een ritueel dat wordt ondersteund door onbetwiste overtuigingen en vooroordelen. Zelfs nu ontwikkelt chirurgische hygiëne haar rituelen en dogma’s, die, zo kan worden opgemerkt, het meest religieus door vrouwen worden aanvaard. Met bovenstaande feiten in gedachten zou ik u willen vragen om begrip te hebben voor wat op het eerste gezicht onwaarschijnlijk of onfatsoenlijk lijkt in de speculaties hieronder, en om de overtuiging uit uw gedachten te bannen dat de biologie louter zal bestaan uit fysische en chemische ontdekkingen toegepast op mensen, dieren en planten.

Ik zeg bewust “zal bestaan”, want we zijn op dit moment bijna volledig onwetend over de biologie, een feit dat vaak aan de aandacht van biologen ontsnapt en hen te aanmatigend maakt in hun inschattingen van de huidige stand van hun wetenschap, en te bescheiden in hun claims voor de toekomst. Als we bijvoorbeeld een typisch geval van toegepaste biologie nemen, zoals de detectie en vernietiging van de cholerabacil, zien we dat er veel wetenschap bij komt kijken, maar het enige puur biologische principe is het zeer belangrijke maar niet erg diepzinnige principe dat sommige bacteriën sommige mensen doden. De werkelijk wetenschappelijke onderdelen van het proces zijn de optische en chemische methoden die worden gebruikt voor het vergroten, kleuren en doden van de bacillen. Wanneer we daarentegen kijken naar immunisatie tegen tyfus, zien we dat er bepaalde puur biologische principes in het spel zijn die noch eenvoudig zijn, noch volledig worden begrepen.

Eigenlijk bestaat de biologische theorie uit enkele oude maar niet erg gemakkelijk te verwoorden waarheden over organismen in het algemeen, grotendeels te danken aan Aristoteles, Hippocrates en Harvey, een paar grote principes zoals die geformuleerd door Darwin, Mayer, Claude Bernard en Mendel, en een enorme hoeveelheid feiten over individuele organismen en delen daarvan, die nog steeds wachten op een adequate generalisatie.

Darwins resultaten beginnen gewaardeerd te worden, met alarmerende gevolgen voor sommige religiën; die van Weismann en Mendel zullen in de loop van deze eeuw worden ontsloten en zullen politieke en filosofische theorieën bijna even ingrijpend beïnvloeden. Ik hoef nauwelijks te zeggen dat deze laatste betrekking hebben op de kwestie van voortplanting en erfelijkheid. We mogen bovendien verwachten dat, naarmate de tijd vordert, een reeks schokken van het type darwinisme zal worden toegebracht aan gevestigde opvattingen over allerlei onderwerpen. Men kan niet in detail aangeven wat deze schokken zullen inhouden, maar aangezien de opvattingen waarop zij zullen inwerken diepgeworteld en irrationeel zijn, zullen zij ons en onze nakomelingen overvallen met dezelfde air van aanmatiging en onfatsoenlijkheid als waarmee de opvatting dat wij van apen afstammen, onze grootvaders overviel. Maar dankzij het gelukkige vermogen van de mens om in waterdichte (of liever gezegd idee-dichte) compartimenten te denken, zullen ze waarschijnlijk niet meer onmiddellijke en ontwrichtende effecten op de samenleving hebben dan het darwinisme had.

Veel ingrijpender zal het effect zijn van de praktische toepassingen van de biologie. Ik geloof dat de vooruitgang van de geneeskunde een bijna, zo niet even diepgaand effect heeft gehad op de samenleving in West-Europa als de industriële revolutie. Afgezien van de belangrijke sociale gevolgen uit de gedeeltelijke vervanging van de priester door de arts, is het netto resultaat dat, terwijl vierhonderd jaar geleden de meeste mensen in hun kindertijd stierven, ze nu gemiddeld (afgezien van de recente oorlog) tot hun vijfenveertigste leven. Hoe slecht onze stedelijke omstandigheden ook zijn, er is geen enkele sloppenwijk in het land waar het kindersterftecijfer ook maar een derde bedraagt van dat van de koninklijke familie in de middeleeuwen. Grotendeels als gevolg hiervan is de nadruk in de religie steeds minder komen te liggen op een goede dood, en steeds meer op een goed leven, en haar hele visie is daardoor geleidelijk veranderd. De dood is zo ver naar de achtergrond van onze normale gedachten geweken dat toen we er tijdens de oorlog nauw mee in aanraking kwamen, de meesten van ons er geen serieuze aandacht aan schonken.

Evenzo zijn instellingen die op een kortstondig bestaan waren gebaseerd, vrijwel volledig ingestort. Het Engelse grondsysteem ging er bijvoorbeeld van uit dat de landeigenaar op ongeveer veertigjarige leeftijd zou overlijden en opgevolgd door zijn oudste zoon, die dan ongeveer twintig was. De zoon had het grootste deel van zijn leven op het landgoed doorgebracht en had daarbuiten weinig interesses. Hij beheerde het minstens zo goed als iemand anders dat had kunnen doen. Tegenwoordig strompelt de vader voort tot hij ongeveer tachtig is, en is hij over het algemeen al tien jaar voor zijn dood niet meer bij zijn volle verstand. Zijn zoon volgt hem op als hij een jaar of vijftig is; tegen die tijd is hij misschien een redelijk bekwame kolonel of effectenmakelaar, maar kan hij niet hopen de kunst van het beheer van een landgoed te leren. Bijgevolg draagt hij het ofwel over aan een agent die vaak corrupt is, ofwel beheert hij het op onwetenschappelijke wijze, behaalt hij een laag rendement en schrijft hij het bolsjewisme toe wat hij in werkelijkheid aan de vaccinatie zou moeten toeschrijven.

Maar om, als ik het zo mag zeggen, terug te keren naar de toekomst, wil ik enkele voor de hand liggende ontwikkelingen naar voren brengen die in de huidige stand van de biologische wetenschap waarschijnlijk lijken, zonder daarbij uit te gaan van grote nieuwe generalisaties in de trant van het darwinisme. Ik beschik over de allerbeste voorbeelden om op dit moment een mythe te introduceren, dus wellicht mag men mij vergeven als ik enkele fragmenten citeer uit een essay over de invloed van de biologie op de geschiedenis in de 20e eeuw, dat (hopelijk) over 150 jaar door een nogal domme student van deze universiteit aan zijn begeleider zal worden voorgelezen tijdens zijn eerste semester.

“Al in het eerste decennium van de twintigste eeuw zien we een bewuste poging om de biologie toe te passen op de politiek in de zogenaamde eugenetische beweging. Een aantal ijverige personen, die het bestaan van de biologie hadden ontdekt, probeerden deze in haar toen nog zeer ruwe staat toe te passen op de voortbrenging van een ras van supermensen, en slaagden er in bepaalde landen in om een flink aantal wetten door te voeren. Ze lijken erin geslaagd te zijn de overdracht van een groot deel van syfilis, krankzinnigheid en dergelijke te voorkomen, ze zijn er zeker in geslaagd de meest heftige tegenstand en haat te wekken onder de klassen die zij enigszins onterecht als ongewenste ouders beschouwden (er was zelfs een opstand in Nebraska). Zij hebben de publieke opinie echter ongetwijfeld voorbereid op wat zou komen en hebben tot nu toe een nuttige rol vervuld. Veel belangrijker was de vooruitgang in de geneeskunde, die infectieziekten praktisch uitroeide in die landen die bereid waren de nodige staatsinmenging in het privéleven te tolereren, en uiteindelijk, na de verordening in 1958[7] van de Liga, wereldwijd; hoewel delen van India door hindoeïstische tegenstand tot ongeveer 1980 nog steeds behoorlijk ongezond waren.

Maar vanuit een breder perspectief vond het belangrijkste biologische onderzoek in het eerste derde deel van de eeuw plaats op het gebied van de experimentele zoölogie en plantkunde. Als we bedenken dat Morgan in 1912 verschillende Mendeliaanse factoren in de celkern van de Drosophila had gelokaliseerd en de geslachtsverhouding ervan had gewijzigd, terwijl Marmorek een onschadelijke bacil had geleerd cavia’s te doden, en ten slotte Brachet in 1913 konijnenembryo’s enkele dagen in serum had gekweekt, dan is het opmerkelijk hoe weinig de wetenschappelijke medewerkers van die tijd, en a fortiori het grote publiek, de praktische betekenis van dergelijke resultaten voorzagen.

Het was pas in 1940 dat Selkovski de paarse alg Porphyrococcus fixator ontdekte, die zo’n grote invloed op de wereldgeschiedenis zou hebben. In de 50 jaar voorafgaand aan deze datum was de gemiddelde tarweopbrengst per hectare wereldwijd ongeveer verdubbeld, deels door de toepassing van diverse chemische meststoffen, maar vooral door de resultaten van systematisch kruisingswerk met verschillende rassen; er was echter weinig uitzicht op verdere vooruitgang op deze gebieden. Porphyrococcus is een enorm efficiënte stikstofbinder en groeit in vrijwel elk klimaat waar water en sporen van kalium en fosfaten in de bodem aanwezig zijn, waarbij het zijn stikstof uit de lucht haalt. Het heeft in vier dagen ongeveer hetzelfde effect als een wikke-gewas in een jaar zou hebben gehad. Het had natuurlijk niet op natuurlijke wijze kunnen ontstaan, aangezien zijn directe voorlopers in kunstmatige milieus groeiden en buiten een laboratorium niet hadden kunnen overleven. Overal waar stikstof de belangrijkste beperkende factor voor de plantengroei was, verdubbelde het de tarweopbrengst en verviervoudigde het de waarde van grasland voor begrazing. De enorme daling van de voedselprijzen en de ondergang van puur agrarische staten was natuurlijk een van de belangrijkste oorzaken van de rampzalige gebeurtenissen van 1943 en 1944. Het voedseloverschot werd ook versterkt toen in 1942 de Q-stam van Porphyrococcus in zee ontsnapte en zich met enorme snelheid vermenigvuldigde. Twee maanden lang veranderde het oppervlak van de tropische Atlantische Oceaan inderdaad in een gelei, met rampzalige gevolgen voor het weer in Europa. Toen bepaalde planktonorganismen enzymen ontwikkelden die dit konden verteren, was de toename van de vispopulatie in de zeeën zo groot dat vis het universele voedsel werd dat het nu is, en zelfs Engeland zelfvoorzienend maakte op het gebied van voedsel. De welvaart in Engeland was zo groot dat de mijnwerkersvakbond in dat jaar zijn eerste paard inschreef voor de Derby (een paardenrace die in die tijd nog jaarlijks plaatsvond).

Het was natuurlijk het gevolg van de invasie door Porphyrococcus dat de zee de intense paarse kleur aannam die ons zo natuurlijk lijkt, maar die onze meer esthetisch ingestelde overgrootouders, die getuige waren van de verandering, zo verontrustte. Het is voor ons zeker merkwaardig om te lezen dat de zee vroeger groen of blauw was. Ik hoef het werk van Ferguson en Rahmatullah niet in detail te beschrijven, die in 1957 het korstmos produceerden dat het stuifzand van de woestijnen over de hele wereld heeft gebonden (want het was slechts een voortzetting van dat van Selkovski), noch het verhaal van hoe de agrarische landen hun werkloosheid aanpakten met enorme socialistische windenergieprojecten.

In 1951 produceerden Dupont en Schwarz het eerste ectogenetische kind. Al in 1901 had Heape konijnenembryo’s van het ene vrouwtje naar het andere overgebracht, in 1925 had Haldane rattenembryo’s tien dagen lang in serum gekweekt, maar hij was er niet in geslaagd het proces tot een goed einde te brengen, pas in 1946 slaagde Clark erin met het varken, waarbij hij de oplossing van Kehlmann als medium gebruikte. Dupont en Schwarz verkregen een verse eierstok van een vrouw die het slachtoffer was van een vliegtuigongeluk en hielden deze vijf jaar lang in leven in hun medium. Ze verkregen er verschillende eicellen uit en bevruchtten deze met succes, maar het probleem van de voeding en ondersteuning van het embryo was moeilijker en werd pas in het vierde jaar opgelost. Nu de techniek volledig is ontwikkeld, kunnen wij een eierstok van een vrouw nemen en deze tot wel twintig jaar lang in een geschikte vloeistof laten groeien, waarbij elke maand een verse eicel wordt geproduceerd, waarvan 90 procent bevrucht kan worden, en de embryo’s gedurende negen maanden met succes kunnen worden gekweekt, waarna zij in de open lucht worden gebracht. Schwarz heeft nooit zulke goede resultaten behaald, maar het nieuws van zijn eerste succes veroorzaakte een ongekende sensatie over de hele wereld, want het geboortecijfer lag in de meeste beschaafde landen al lager dan het sterftecijfer. Frankrijk was het eerste land dat ectogenese officieel invoerde en produceerde in 1968 jaarlijks 60.000 kinderen met deze methode. In de meeste landen was de tegenstand veel sterker en werd deze nog versterkt door de pauselijke bul “Nunquam prius audito” en door de soortgelijke fatwa van de kalief, die beide in 1960 verschenen.

Zoals we weten is ectogenese nu algemeen aanvaard, en in dit land wordt minder dan 30 procent van de kinderen nog door een vrouw gebaard. De gevolgen voor de menselijke psychologie en het sociale leven van de scheiding tussen seksuele liefde en voortplanting, die in de 19e eeuw in gang werd gezet en in de 20e eeuw werd voltooid, zijn geenszins volledig bevredigend. Het oude gezinsleven had zeker veel goeds te bieden, en hoewel we tegenwoordig bij vrouwen routinematig borstvoeding opwekken door middel van een injectie met placentine, en zo veel van het beste uit de vroegere instinctieve cyclus behouden, moeten we toegeven dat onze overgrootouders in bepaalde opzichten een voorsprong op ons hadden. Anderzijds wordt algemeen erkend dat de effecten van selectie deze nadelen ruimschoots hebben gecompenseerd. Het kleine aantal mannen en vrouwen dat als voorouders voor de volgende generatie wordt geselecteerd, is zo onbetwistbaar superieur aan het gemiddelde dat de vooruitgang in elke generatie op welk afzonderlijk aspect dan ook – van de toegenomen productie van eersteklas muziek tot het afgenomen aantal veroordelingen voor diefstal – zeer opvallend is.[8] Zonder ectogenese zou er weinig twijfel over bestaan dat de beschaving binnen een meetbare tijd zou zijn ingestort als gevolg van de hogere vruchtbaarheid van de minder gewenste leden van de bevolking in vrijwel alle landen.

Het is misschien een geluk dat het proces om een ectogenetische moeder van de volgende generatie te worden, een operatie impliceert die enigszins onaangenaam is, hoewel deze tegenwoordig niet langer ontsierend of gevaarlijk is en nooit fysiologisch schadelijk, en daarom een eer maar geenszins een genoegen is. Was dit niet het geval geweest, dan is het heel goed mogelijk dat de weerstand van het volk te groot zou zijn gebleken voor de selectiebeweging. Zoals het was, was de tegenstand hevig, en kenmerkend genoeg heeft dit land zijn huidige, vrij strenge selectienorm pas een generatie later dan Duitsland ingevoerd, hoewel het nu in dit opzicht misschien verder staat dan enig ander land. De voordelen van grondige selectie zijn echter enorm. De kwestie van de ideale geslachtsverhouding is nog steeds onderwerp van heftige discussie, maar de moderne reactie in de richting van gelijkheid is zeker sterk.”

Onze essayist zou dan misschien verder gaan met het bespreken van enkele veel radicalere ontwikkelingen rond 1990, maar ik heb alleen zijn verslag van eerdere toepassingen van de biologie geciteerd. Het tweede lijkt mij noch onmogelijk, noch onwaarschijnlijk, maar het heeft die kenmerken die we hierboven als typerend voor biologische uitvindingen hebben gezien. Als de voortplanting volledig gescheiden is van seksuele liefde, zal de mensheid vrij zijn in een geheel nieuwe zin. Op dit moment verandert het nationale karakter langzaam volgens volstrekt onbekende wetten. Het probleem van de politiek is, instellingen te vinden die daarbij passen. In de toekomst is het misschien mogelijk om door selectieve veredeling het karakter even snel te veranderen als de instellingen. Ik kan me de verkiezingsaffiches van over 300 jaar voorstellen, als zulke ouderwetse politieke methoden nog bestaan, wat misschien onwaarschijnlijk is: “Stem op Smith en meer muzikanten”, “Stem op O’Leary en meer meisjes”, of misschien “Stem op Macpherson en een grijpstaart voor je achterkleinkinderen”. We kunnen diersoorten nu al in enorme mate veranderen, en het lijkt slechts een kwestie van tijd voordat we dezelfde principes op onszelf kunnen toepassen.

Ik vermoed dan ook dat de biologie waarschijnlijk op een manier zal worden toegepast die grofweg overeenkomt met het bovenstaande. Er liggen wellicht even grote mogelijkheden op het gebied van de directe verbetering van het individu, naarmate wij meer te weten komen over de fysiologische belemmeringen voor de ontwikkeling van verschillende vermogens. Maar op dit moment kunnen we alleen maar gissen naar de aard van deze obstakels, en de aanpak die in het verzinsel wordt gesuggereerd, is dat wat voor een darwinist het meest voor de hand liggend lijkt. We weten echter al dat veel van onze spirituele vermogens zich alleen kunnen manifesteren als bepaalde klieren, met name de schildklier en de geslachtsklieren, goed functioneren, en dat zeer kleine veranderingen in dergelijke klieren het karakter sterk beïnvloeden. Naarmate onze kennis hierover toeneemt, zullen we wellicht in staat zijn om bijvoorbeeld onze hartstochten te beheersen door middel van een directere methode dan vasten en geseling, onze verbeelding te prikkelen met een middel dat minder nawerkingen heeft dan alcohol, en perverse instincten aan te pakken met fysiologie in plaats van gevangenisstraf. Omgekeerd zullen er onvermijdelijk mogelijkheden ontstaan voor nieuwe ondeugden die vergelijkbaar zijn met, maar nog ingrijpender dan die welke zijn ontstaan door de farmacologische ontdekkingen van de 19e eeuw.

De recente geschiedenis van de geneeskunde is als volgt. Tot ongeveer 1870 was de geneeskunde grotendeels gebaseerd op fysiologie, of, zoals de Schotten het noemden, “Institutes of medicine”. Ziekte werd bekeken vanuit het standpunt van de patiënt, zoals dat bij verwondingen nog steeds het geval is. Pasteurs ontdekking van de aard van infectieziekten veranderde de hele visie en maakte het mogelijk om een groep ziekten uit te roeien. Maar het leidde de wetenschappelijke geneeskunde ook af van haar vroegere pad, en het is waarschijnlijk dat, als bacteriën onbekend waren geweest, hoewel dan meer mensen zouden sterven aan bloedvergiftiging en tyfus, we beter in staat zouden zijn om nierziekten en kanker het hoofd te bieden. Bepaalde ziekten, zoals kanker, zijn waarschijnlijk niet te wijten aan specifieke organismen, terwijl andere, zoals tuberculose, te wijten zijn aan soorten die voor de gemiddelde persoon vrij onschadelijk zijn, maar anderen om onbekende redenen aanvallen. Het is onwaarschijnlijk dat we deze effectief kunnen aanpakken volgens de methoden van Pasteur; we moeten onze aandacht verleggen van het micro-organisme naar de patiënt. Wanneer de arts het eerste niet kan verhelpen, kan hij de patiënt vaak lang genoeg in leven houden om dit zelf te kunnen. En hier moet hij grotendeels vertrouwen op kennis van de fysiologie. Ik zeg niet dat een fysioloog zal ontdekken hoe kanker te voorkomen is. Pasteur begon zijn carrière als kristallograaf. Maar wie dat ook doet, zal waarschijnlijk op zijn minst op grote schaal gebruik maken van fysiologische gegevens.

Door het uitbannen van ziekte zal de dood een fysiologische gebeurtenis worden, net als slaap. Een generatie die samen heeft geleefd, zal samen sterven. Ik vermoed dat het verlangen van de mens naar een hiernamaals grotendeels te wijten is aan twee oorzaken: het gevoel dat de meeste levens onvoltooid zijn, en het verlangen om vrienden te ontmoeten van wie we voortijdig zijn gescheiden. Een rustige overgang naar het graf aan het einde van een voltooid leven zal het eerste grotendeels wegnemen, en onze tijdgenoten zullen ons zelden lang in rouw achterlaten.

Ouderdom is misschien zwaarder voor vrouwen dan voor mannen. Ze leven langer, maar hun leven wordt te vaak ontsierd door de plotselinge verandering die hen doorgaans tussen de veertig en vijftig overvalt en hen soms ten prooi laat vallen aan ziekte, hoewel het hun gezondheid kan verbeteren. Deze verandering lijkt te wijten te zijn aan een plotseling tekort aan een chemische stof die door de eierstok wordt geproduceerd. Wanneer we deze stof kunnen isoleren en synthetiseren, zullen we in staat zijn de jeugd van een vrouw te verlengen en haar net zo geleidelijk te laten verouderen als de gemiddelde man.

De psychologie is nog nauwelijks een wetenschap te noemen. Net als biologie is zij tot generalisaties gekomen die nogal abstract en filosofisch van aard zijn, maar deze zijn nog steeds tot op zekere hoogte omstreden. En hoewel een groot aantal uiterst belangrijke empirische feiten bekend zijn, zijn daaruit tot nu toe slechts enkele grote generalisaties afgeleid – zoals het bestaan van het onderbewustzijn. Maar iedereen die een voorbeeld heeft gezien van de kracht van hypnose en suggestie, moet zich realiseren dat het aanzien van de wereld en de mogelijkheden van het bestaan totaal zullen veranderen wanneer we de effecten ervan kunnen beheersen en de toepassing kunnen standaardiseren, zoals bijvoorbeeld mogelijk is geweest met medicijnen die ooit als even magisch werden beschouwd. Oneindig veel groter zouden natuurlijk de resultaten zijn van het ontsluiten van systematische communicatie met spirituele wezens in een andere wereld, wat als een wetenschappelijke mogelijkheid wordt aangemerkt. Het spiritisme is nu de grootste vijand van het christendom, en we beschikken niet over de data waarmee we het waarschijnlijke effect op de mens kunnen inschatten, van een religie waarvan de dogma’s een kwestie van experiment zijn, waarvan de mysteries even prozaïsch zijn als elektrische verlichting, en waar de ethiek is gebaseerd op de waargenomen resultaten in een hiernamaals van een goed of slecht leven hier. Toch is dat het vooruitzicht dat ons te wachten staat als het spiritisme de wetenschappelijke verificatie krijgt waar het nu om vraagt, zij het misschien zonder veel succes.

In de tijd die mij ter beschikking stond, heb ik een klein aantal mogelijke gebieden van wetenschappelijke vooruitgang kunnen verkennen. Als ik ook maar één aanwezige heb kunnen overtuigen dat de wetenschap nog heel wat in petto heeft, en dat van voldoende verrassende aard, ben ik ruimschoots beloond. Mocht iets van wat ik heb gezegd onnodig weerzinwekkend lijken, dan zou ik willen antwoorden dat bepaalde verschijnselen van het normale leven voor velen inderdaad van dien aard lijken, en dat deze verschijnselen van het grootste wetenschappelijke en praktische belang zijn.

Ik heb geprobeerd aan te tonen waarom ik geloof dat de bioloog tegenwoordig de meest romantische figuur op aarde is. Op het eerste gezicht lijkt hij maar een arme, onbeduidende, onderbetaalde man te zijn, die blindelings rondtast in de doolhoven van het ultramicroscopische, verwikkeld in bittere en levenslange ruzies over de nefridia van platwormen, en die misschien op een ochtend wakker wordt om te ontdekken dat iemand wiens naam hij nog nooit heeft gehoord, met een paar cruciale experimenten het werk heeft vernietigd waarvan hij had gehoopt dat het hem onsterfelijk zou maken. Er schuilt een ware tragedie in zijn leven, maar hij weet dat hij een verantwoordelijkheid draagt die hij niet durft af te wijzen, en hij wordt, los van alle utilitaire overwegingen, aangespoord door iets of iemand die hij als hoger dan zichzelf ervaart.

De conservatief heeft weinig te vrezen van de man wiens rede de dienaar is van zijn passies, maar laat hem op zijn hoede zijn voor hem in wie de rede de grootste en meest verschrikkelijke van de hartstochten is geworden. Dit zijn de vernietigers van achterhaalde rijken en beschavingen, twijfelaars, ontwrichters, godsmoordenaars.[9] In het verleden waren dit over het algemeen mannen als Voltaire, Bentham, Thales, Marx, en zeer waarschijnlijk de goddelijke Julius,[10] maar ik denk dat Darwin een voorbeeld is van dezelfde meedogenloosheid van de rede op het gebied van de wetenschap. Ik vermoed dat naarmate het duidelijk wordt dat de rede momenteel niet alleen vrijer is in de wetenschap dan elders, maar via de wetenschap even grote effecten op de wereld kan hebben als de politiek, de filosofie of de literatuur, en er meer Darwins zullen komen. Dergelijke mannen zijn in de eerste plaats geïnteresseerd in de waarheid op zich, maar het is nauwelijks voorstelbaar dat zij volkomen onverschillig staan tegenover wat er zal gebeuren wanneer zij hun drakentanden uitzaaien in de wereld.

Ik zeg niet dat sommige biologen proberen zich in detail de toekomstige toepassingen van hun wetenschap voor te stellen. De centrale problemen van het leven zijn voor hen wellicht de relatie tussen de stekelhuidigen en de armpotigen, en de poging om van hun salaris te leven. Ze zien zichzelf niet als sinistere en revolutionaire figuren. Ze hebben geen tijd om te dromen. Maar ik vermoed dat er meer van hen dromen dan ze willen toegeven.

Hierboven heb ik een kleine selectie uit mijn dromen weergegeven. Misschien zijn het nare dromen. Het is natuurlijk bijna hopeloos om exacte voorspellingen te doen over hoe wetenschappelijke kennis het menselijk leven in detail zal revolutioneren, maar ik geloof dat dit zal blijven gebeuren, en zelfs ingrijpender dan ik heb gesuggereerd. En hoewel ik persoonlijk in mijn sympathieën Victoriaans genoeg ben om te hopen dat bijvoorbeeld het gezinsleven uiteindelijk gespaard zal blijven, kan ik alleen maar herhalen dat geen van de praktische voorspelde vorderingen, niet al wordt voorspeld door recent wetenschappelijk werk. Als men een chemicus of natuurkundige die aan het einde van de zeventiende eeuw leefde, had gevraagd om de toekomstige toepassing van zijn wetenschap te voorspellen, zou hij ongetwijfeld vele lachwekkende fouten hebben gemaakt in de beste Laputaanse stijl, maar hij zou er zeker van zijn geweest dat deze op de een of andere manier zou worden toegepast, en zijn vertrouwen zou gerechtvaardigd zijn geweest.

We moeten de wetenschap dan ook vanuit drie gezichtspunten beschouwen. Ten eerste is het de vrije activiteit van de goddelijke vermogens van de mens: de rede en de verbeelding. Ten tweede is het het antwoord van enkelen op de eisen van velen om rijkdom, comfort en overwinning, en voor νόσων τ᾽ ἀπείρους καὶ μακραίωνας βίους, (een lang leven vrij van pijn en ziekte, Plato, De Republiek, 383b) gaven die de wetenschap slechts zal verlenen in ruil voor vrede, veiligheid en stagnatie. Ten slotte is het de geleidelijke verovering door de mens, eerst van ruimte en tijd, vervolgens van de materie als zodanig, daarna van zijn eigen lichaam en dat van andere levende wezens, en ten slotte de onderwerping van de duistere en kwade elementen in zijn eigen ziel.

Geen van deze veroveringen zal ooit voltooid zijn, maar ze zullen, naar ik geloof, allemaal progressief zijn. De vraag wat hij met deze krachten zal doen, is in wezen een vraag voor de religie en de esthetica. Men zou kunnen aanvoeren dat ze alleen geschikt zijn om in de handen te worden gelegd van een wezen dat zichzelf heeft leren beheersen, en dat de mens, gewapend met wetenschap, als een baby is die gewapend is met een doos lucifers.

Het antwoord op deze strijd is, denk ik, te vinden in de dagbladen. Eeuwenlang hebben idealisten erop aangedrongen dat de oorlogen moesten ophouden en dat de hele aarde onder één heerschappij verenigd moest worden. Zolang er nog een ander alternatief mogelijk was, werd daaraan vastgehouden. De gebeurtenissen van de afgelopen negen jaar vormden een reductio ad absurdum van oorlog, maar als we ons afvragen wie hiervoor verantwoordelijk is, zullen we ontdekken dat het niet de visionairs waren, maar mannen als Black, Kekulé en Langley, die de macht van de mens over de natuur zodanig hebben vergroot dat hij door de onverbiddelijke logica van de feiten gedwongen werd de kern van een internationale regering te vormen.

We hebben al gereageerd tegen de mentaliteit die de Volkenbond heeft voortgebracht, maar we hebben nog lang niet volledig gereageerd. De Volkenbond bestaat en functioneert, en in elk land zijn er veel mensen, gewone, normale mensen, die in een of andere vorm voorstander zijn van een wereldstaat. Ik suggereer niet dat er uit de huidige Volkenbond – of wat dat betreft uit de Derde Internationale – een wereldstaat zal ontstaan. Ik constateer slechts dat er een wijdverbreid en georganiseerd verlangen naar een dergelijke instelling bestaat en dat er daarvoor verschillende mogelijke kernen zijn. Er zijn wellicht nog één of twee wereldoorlogen nodig om de meerderheid te bekeren. Het vooruitzicht van de volgende wereldoorlog heeft in ieder geval dit bevredigende element. In de laatste oorlog waren de meest fanatieke nationalisten ver achter de frontlinie te vinden. In de volgende oorlog zal er niemand achter de frontlinie zijn. Het zal iedereen die ermee te maken heeft duidelijk worden gemaakt, dat oorlog een zeer smerige zaak is.

Het lijdt geen twijfel dat de kans groot is dat een dergelijke oorlog de mogelijkheid van een menselijke organisatie op planetaire schaal onmogelijk zou maken. Als dat het geval is, zal de mensheid waarschijnlijk een paar duizend jaar moeten wachten op een nieuwe kans. Maar voor de geoloog is een dergelijke periode verwaarloosbaar. Het kostte de mens 250.000 jaar om de jachtgroep te overstijgen. Het zal hem niet zo lang kosten om de natie te overstijgen.

Ik denk dan ook dat de neiging van de toegepaste wetenschap erin bestaat onrechtvaardigheden uit te vergroten totdat ze te ondraaglijk worden, en de gewone man, die door geen enkele profeet of dichter tot actie kon worden bewogen, komt uiteindelijk in actie en roeit het kwaad bij de wortel uit. Marx’ theorie van de industriële evolutie is een specifiek voorbeeld van deze tendens, hoewel daar geenszins uit volgt dat zijn ietwat kunstmatige oplossing van het probleem zal worden aangenomen.

Waarschijnlijk is het zo dat de biologische vooruitgang even onverenigbaar zal zijn met bepaalde sociale kwalen, als de industriële vooruitgang dat is gebleken te zijn met oorlog of bepaalde systemen van privé-eigendom. Een concreet voorbeeld: het is duidelijk dat de tweede biologische uitvinding die door mijn toekomstige essayist wordt besproken, onaanvaardbaar zou zijn in combinatie met ons huidige systeem van relaties tussen klassen en sekse. Morele vooruitgang is zo moeilijk dat ik van mening ben dat elke ontwikkeling die deze vooruitgang presenteert als het enige alternatief voor vernietiging, moet worden toegejuicht, hoe afschuwelijk de prikkel ook moge zijn die nodig is voordat de mens de betreffende morele stap zet.

Samenvattend: de wetenschap staat nog in de kinderschoenen en we kunnen weinig over de toekomst voorspellen, behalve dat wat nog niet is geweest, ook zal zijn; dat geen enkele overtuiging, geen enkele waarde en geen enkele instelling veilig is. De Eerste Wereldoorlog is verre van een op zichzelf staand fenomeen, maar een voorbeeld van het ontwrichtende resultaat dat we voortdurend mogen verwachten van de vooruitgang van de wetenschap. De toekomst zal geen rozengeur en maneschijn zijn. Ze zal haar eigen problemen hebben. Enkele zijn eeuwenoude problemen uit het verleden, reusachtige bloemen van het kwaad die uiteindelijk tot hun eigen ondergang bloeien. Andere zullen geheel nieuw zijn. Of de mens uiteindelijk zijn klim naar macht zal overleven, kunnen we niet zeggen. Maar het probleem is niet nieuw. Het is de oude paradox van de vrijheid, opnieuw opgevoerd met de mensheid als acteur en de aarde als podium. Voor degenen die geloven in de goddelijkheid van dat deel van de mens dat streeft naar kennis omwille van de kennis, die, in de woorden van Boethius:

te cernere finis
Principum, vector, dux, semita, terminus idem

zal het vooruitzicht hoopvol zijn. Maar het is alleen hoopvol als de mensheid haar moraal kan aanpassen aan haar macht. Als we hierin slagen, dan heeft de wetenschap ten minste één van de sleutels in handen tot het netelige en moeizame pad van de morele vooruitgang, dan:

Per cruciamina leti
Via panditur ardua justis,
Et ad astra doloribus itur
.

Dat is wellicht een juist beeld op grote schaal, maar slechts gedurende korte perioden kan men de geschiedenis vanuit een voldoende breed perspectief bekijken om het lot van de eigen generatie irrelevant te maken. De wetenschapper is opgegroeid met de morele waarden van zijn omgeving. Hij mag zich misschien gelukkig prijzen als hij zich niet realiseert dat het zijn lot is om het goede in het kwade te veranderen. De morele en fysieke (maar niet de intellectuele) deugden vormen een middenweg tussen twee uitersten. Ze zijn in wezen kwantitatief. Hieruit volgt dat een verandering in de omvang van de menselijke macht handelingen slecht zal maken die voorheen goed waren. Onze toegenomen kennis van hygiëne heeft berusting en passiviteit in het aangezicht van epidemische ziekten getransformeerd van een religieuze deugd tot een terecht strafbaar delict. We hebben onze bewapening verbeterd, en patriottisme, dat eens een vlam op het altaar was, is een wereldverslindende vuurzee geworden.

De tijd is voorbij dat een Huxley kon geloven dat, hoewel de wetenschap de traditionele mythologie weliswaar kon hervormen, de traditionele moraal daarvoor onneembaar en onaantastbaar was. We moeten leren de traditionele moraal niet al te serieus te nemen. En juist omdat zelfs de minst dogmatische religies de neiging hebben zich te verbinden met een of andere onveranderlijke morele traditie, kan er geen wapenstilstand bestaan tussen wetenschap en religie.

Er lijkt geen specifieke reden te zijn waarom er geen religie zou kunnen ontstaan met een ethiek die even flexibel is als de hindoeïstische mythologie, maar die is er nog niet. Het christendom heeft waarschijnlijk de meest flexibele morele voorschriften van alle religies, omdat Jezus geen wetboek achterliet zoals Mozes of Mohammed, en zijn morele voorschriften zo verschillen van die van het gewone leven dat geen enkele samenleving ooit een serieuze poging heeft ondernomen om ze uit te voeren, zoals dat wel mogelijk was in het geval van Israël en de islam. Maar elke christelijke kerk heeft geprobeerd een of andere morele code op te leggen waarvoor zij goddelijke goedkeuring heeft geclaimd. Aangezien deze codes altijd in strijd zijn geweest met die van de evangeliën, is er een opening voor morele vooruitgang zoals die in andere religies nauwelijks bestaat. Dit is ongetwijfeld een argument voor het christendom ten opzichte van andere religies, maar niet ten opzichte van helemaal geen religie, of ten opzichte van een religie die openlijk toegeeft dat haar mythologie en moraal voorlopig zijn. Dat is het enige soort religie dat de wetenschappelijke geest zou bevredigen, en het is zeer twijfelachtig of het überhaupt wel een religie genoemd zou kunnen worden.

Ongetwijfeld hopen veel mensen dat zo’n religie zich uit het christendom kan ontwikkelen. Het menselijk intellect is zwak, en er zijn momenten waarop het de oneindigheid van zijn aanspraken niet laat gelden. Maar zelfs dan:

Though in black jest it bows and nods
* * * *
I know it is roaring at the gods
Waiting for the last eclipse.

De wetenschapper van de toekomst zal steeds meer gaan lijken op de eenzame figuur van Daedalus, naarmate hij zich bewust wordt van zijn gruwelijke missie, en er trots op is.

Black is his robe from top to toe,
His flesh is white and warm below,
All through his silent veins flow free
Hunger and thirst and venery,
But in his eyes a still small flame
Like the first cell from which he came
Burns round and luminous, as he rides
Singing my song of deicides.

_______________
[1] Als natuurkundige, en met alle respect voor Haldane, zijn Einsteins theorieën niet afhankelijk van enige “idealiteit” van ruimte of tijd, noch impliceren ze hun idealiteit. Zie Russells The ABC of Relativity, of Wheelers Spacetime Physics.
[2] Vgl. Arthur C. Clarke, The City and the Stars en Stewart Brands The Media Lab: Inventing the Future at MIT.
[3] Zie ook John Kenneth Galbraiths The Affluent Society en The New Industrial State.
[4] Haldane behaalde als student de hoogste onderscheiding in zowel wiskunde als klassieke talen.
[5] Embden, Grafe en Schmitz. Zeitschrift fur physiologische Chemie, Vol. 113, p. 67, 1921. [Noot van Haldane.]
[6] De hindoes hebben de bijzondere en fysiologische relatie tussen de mens en de koe erkend door dit dier heilig te verklaren. Een goede hindoe zou een koe net zo min doden als zijn pleegmoeder. Maar de heiligheid van de koe heeft zich helaas uitgebreid tot al haar producten, en het uitgebreide gebruik van koeienmest in Indiase religieuze ceremonies is weerzinwekkend voor de doorsnee Europeaan. Deze laatste is echter ongevoelig voor de even walgelijke voorschriften van de katholieke kerk met betrekking tot het menselijk huwelijk. Het zou misschien beter zijn als zowel het huwelijk als het melken geseculariseerd zouden kunnen worden. [Noot van Haldane.]
[7] Alle verwijzingen naar “de liga” hebben betrekking op de Volkenbond.
[8] Het is onduidelijk of Haldane bedoelde dat er minder dieven waren, of slechts minder dieven die dom genoeg waren om zich te laten veroordelen.
[9] Dat wil zeggen, godenmoordenaars.
[10] Dat wil zeggen: Julius Caesar.