Karl Marx

Aantekeningen bij Adolph Wagners “Lehrbuch der politischen Ökonomie”


Geschreven: 2e helft 1879 tot november 1880.
Bron: Randglossen zu Adolph Wagners “Lehrbuch der politischen Ökonomie” in Duitstalig MIA.
Deze versie: In de Duitstalige versie zijn er twee soorten voetnoten. In deze vertaling staan de voetnoten tussen rechte haken. Het veelvuldige “de heer” bij de naam Wagner (en andere namen) zijn weggelaten.

Toelichting: Deze tekst is belangrijk, omdat deze Aantekeningen laten zien dat het getuigt van een ‘overspannenheid’ om te spreken van een ‘jonge en een oude Marx’, of over een ‘ecologische wending’ van Marx. De betreffende Marx-tekst is wellicht des te interessanter, omdat hij laat geschreven is. Een “late Marx” dus. Zijn denken over waren en goederen moeten dan nog meer gerijpt zijn dan in 1867.
Het is belangrijk te weten, dat Marx (en Engels) het begrip van de “waar” versus “goederen” heel hun leven hebben gehandhaafd. Deze Aantekeningen getuigen dat. Over de begrippen “waren” en “goederen” kan men meer lezen in de Grundrisse, zie: “Bedenkingen bij een vertaling” van Hugo Buyssens. Het begrip “waar” is belangrijk. De allereerste zin van Het Kapitaal, deel 1 laat dit zien: “De rijkdom van de maatschappijen, waarin de kapitalistische productiewijze heerst, heeft de vorm van een ‘kolossale opeenhoping van waren’, waarvan de afzonderlijke waar de elementaire vorm is.” Deze vaststelling impliceert specifieke menselijke verhoudingen en wetmatigheden, verschillend aan de verhoudingen in de eertijdse middeleeuwse subsistentie-economie (men bestelde bijvoorbeeld toen zijn goed bij de ambachtsman), later het mercantilisme en in de toekomst (bij het uitblijven van een socialistische planeconomie) de implosie van de kapitalistische productiewijze door de alsmaar verdergaande automatisering (zie: Vast kapitaal en de ontwikkeling van de productiekrachten van de samenleving in de Grundrisse), dat de arbeidswaarde van een waar ondergraaft. Het onderscheid tussen een “waar” en een “goed” en de mate dat die al dan niet ‘heersen’ in een maatschappij, is de demarcatielijn tussen de productiewijzen.

| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !

Qr-MIA

       


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


Verwant
• Eleanor Marx: Karl Marx
Het concept van het ideële
Inleiding tot het marxisme

Deze Aantekeningen werden door Marx in de tweede helft van 1879 tot november 1880 in Londen geschreven in zijn notitieboek uit de jaren 1879-1881. De kritische opmerkingen van Marx hebben betrekking op het boek van Adolph Wagner Allgemeine oder theoretische Volkswirthschaftslehre. Erster Theil. Grundlegung, 2e uitgave, Leipzig en Heidelberg 1879, dat verscheen als deel 1 van een Lehrbuch der politischen ökonomie. Marx bekritiseert Wagners verdraaiing van de waardetheorie in Het kapitaal en zet nogmaals de grondstellingen van zijn economische leer uiteen. In Marx’ notitieboekje worden de opmerkingen voorafgegaan door een literatuurlijst van 54 titels, die hij heeft samengesteld op basis van de bibliografische gegevens in Wagners boek.

* * *

Info:
Einzelwirtschaft, dit oude Duitse woord betekent volgens www.zeno.org het volgende: individuele economie, particuliere economie, de geplande aankoop en het gebruik van economische goederen voor rekening van een (fysieke of juridische) persoon.
Tegengesteld aan: een gemeenschappelijke economie, een som van economieën die in een organische verbinding staan, of een economie die wordt geleid door gemeenschappen (staat, gemeente, corporaties).



1. De opvatting van Wagner is een “sociaalrechtelijke opvatting” (p. 2). Daarmee bevindt hij zich “in overeenstemming met Rodbertus, Lange en Schäffle” (p. 2). Voor de “belangrijkste fundamentele punten” verwijst hij naar Rodbertus en Schäffle. Wagner zegt zelfs over piraterij als een “onwettige toe-eigening” door gehele volkeren, dat het alleen diefstal is als er “een echt jus gentium [volkenrecht] wordt verondersteld te bestaan” (p. 18, noot 3).

Hij onderzoekt vooral de “Voorwaarden van het economische samenleven” en “bepaalt op basis daarvan de sfeer van economische vrijheid van het individu” (p. 2).

“De ‘drang tot bevrediging’ ... werkt niet en mag niet werken als een pure natuurkracht, maar staat, zoals elke menselijke drang, onder de sturing door het verstand en het geweten. Elke handeling die daaruit voortvloeit, is dus een verantwoordelijke handeling en is altijd onderworpen aan een moreel oordeel, dat echter zelf (!) onderhevig is aan historische veranderingen” (p. 9).

Wat “arbeid” betreft (p. 9, § 2), maakt Wagner geen onderscheid tussen het concrete karakter van elke arbeid en de inzet van arbeidskrachten die al deze concrete soorten arbeid gemeen hebben (pp. 9, 10).

“Zelfs het loutere beheer van rijkdom met het oog op het verkrijgen van inkomsten vereist altijd activiteiten die onder het begrip arbeid vallen, evenals het gebruik van het verkregen inkomen om de behoeften te bevredigen” (p. 10, noot 6).

Volgens Wagner zijn de historisch-juridische categorieën de “sociale categorieën” (noot 6, p. 13).

“Met name natuurlijke monopolies door de ligging, vooral in stedelijke” (!Natuurlijk monopolie van de ligging in de City of London!) “omstandigheden, onder invloed van het klimaat voor de landbouwproductie van gehele landen, verder natuurlijke monopolies door de specifieke bodemvruchtbaarheid, bv. bijzonder goede wijngaarden, en ook wel tussen verschillende volkeren, bv. bij de verkoop van tropische producten aan landen in de gematigde zone” {“De uitvoerrechten op producten van een soort natuurlijk monopolie, die in sommige landen (Zuid-Europa, tropische landen) worden geheven in de veronderstelling dat ze op buitenlandse consumenten kunnen worden afgewenteld” (noot 11, p. 15). Als Wagner hieruit de uitvoerrechten in de Europese zuidelijke landen afleidt, toont dit aan dat hij niets weet van de “geschiedenis” van deze rechten} – “dat ten minste gedeeltelijk vrije natuurlijke goederen worden omgezet in puur economische goederen, die bij de verkoop zo hoog mogelijk worden vergoed” (p. 15).

Het gebied met een frequente ruil (verkoop) van goederen is hun markt (p. 21).

Onder economische goederen: “Verhoudingen tot personen en zaken (res incorporales) waarvan de objectieve voltooidheid berust op een abstractie: a) uit het volledig vrije handelsverkeer: zaken met betrekking tot klanten, bedrijven en dergelijke, waarbij gunstige relaties met andere mensen, die door menselijke activiteiten zijn ontstaan, tegen betaling kunnen worden overgedragen en verworven; b) op grond van bepaalde wettelijke handelsbeperkingen: exclusieve handelsrechten, zakelijke rechten, privileges, monopolies, octrooien enz.” (pp. 22, 23).

Wagner subsummeert “diensten” onder “economische goederen” (p. 23, noot 2 en p. 28). Wat hem daarbij drijft, is zijn drang om geheimraad Wagner als “productieve arbeider” af te schilderen; want, zegt hij,

“Het antwoord is nadelig voor de beoordeling van alle klassen die beroepsmatig persoonlijke diensten verlenen, zoals bedienden, leden van vrije beroepen en bijgevolg ook van de staat. Alleen als de diensten ook tot de economische goederen worden gerekend, zijn de genoemde klassen in economische zin productief” (p. 24).

Het volgende is zeer kenmerkend voor de denkwijze van Wagner en consorten:
Rau had opgemerkt dat het afhangt van de “definitie van vermogen en ook van economische goederen” of “de diensten daar ook toe behoren of niet”. Wagner antwoordde daarop: “dat een dergelijke definitie” van “rijkdom” moest worden gegeven “die de diensten in de economische goederen omvat” (p. 28).

Doorslaggevend” is echter “dat de middelen om aan deze behoeften te voldoen onmogelijk alleen uit materiële goederen kunnen bestaan, omdat de behoeften niet alleen betrekking hebben op dergelijke goederen, maar ook op persoonlijke diensten (met name ook van de staat, zoals rechtsbescherming enz.)” (p. 28).

Vermogen:

1. “Puur economisch ... op een bepaald moment aanwezige voorraad economische goederen als reëel fonds voor de bevrediging van de behoeften”, is “rijkdom op zich”, “Delen van de totale, volks- of nationale rijkdom”.

2. “Als historisch-juridisch concept ... voorraad economische goederen in het bezit of eigendom van een persoon”, “vermogensbezit” (p. 32). Dit laatste is een “historisch-juridisch relatief eigendomsbegrip. Het eigendom geeft maar bepaalde beschikkingsbevoegdheden en bepaalde uitsluitingsbevoegdheden ten opzichte van anderen. De omvang van deze bevoegdheden verandert” {d.w.z. historisch} (p. 34). “Elk vermogen in de tweede betekenis is individueel vermogen, vermogen van een natuurlijke of rechtspersoon” (l.c.).

Publieke rijkdom,

“in het bijzonder de rijkdom van de verplichte gemeenschappelijke economieën, met name staats-, districts- en gemeentelijke rijkdom. Deze rijkdom [is] bestemd voor algemeen gebruik (zoals wegen, rivieren enz.) en wordt aan de staat enz., toegewezen ... eigendom als de wettelijke vertegenwoordiger van het geheel (volk, inwoners van een plaats enz.) of het is eigenlijk een staats- en gemeentelijk vermogen, namelijk administratief vermogen, dat dient voor het verrichten van staatsdiensten, en financieel vermogen, dat door de staat wordt gebruikt voor het verwerven van inkomsten, als middelen voor het verrichten van zijn diensten” (p. 35).

Kapitaal, capitale, een vertaling van κεφλειον, waarmee men de vordering van een geldbedrag in tegenstelling tot de rente (τκο) aanduidde. In de middeleeuwen kwam caput pecuniae in gebruik als hoofdzaak, essentieel, oorspronkelijk (p. 37). In het Duits gebruikte men het woord Hauptgeld (p. 37).

Kapitaal, bron van inkomsten, voorraad goederen die rente opleveren: een voorraad roerende middelen om inkomsten te verwerven.” In tegenstelling tot: “voorraad voor gebruik: een hoeveelheid roerende consumptiegoederen die op wat voor manier dan ook zijn samengesteld” (p. 38, noot 2).

Circulerend en vast kapitaal (p. 38, 2 (a) en 2 (b)).

Waarde. Volgens Wagner is de waardetheorie van Marx “de hoeksteen van zijn socialistische systeem” (p. 45). Aangezien ik nooit een “socialistisch systeem” heb opgezet, is dit een fantasie van Wagner, Schäffle e tutti quanti [en alle andere].

Verder: volgens Marx

“vindt de gemeenschappelijke maatschappelijke substantie van de ruilwaarde, de enige waarde waar hij zich hier mee bezig houdt, in arbeid, de omvang van de ruilwaarde in de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd” enz.

Ik spreek nergens over “de gemeenschappelijke maatschappelijke substantie van de ruilwaarde”, maar zeg veeleer dat de ruilwaarden (ruilwaarde zonder ten minste twee bestaat niet) iets gemeenschappelijks vertegenwoordigen dat volledig onafhankelijk is van “hun gebruikswaarden” {d.w.z. hier hun natuurlijke vorm}, namelijk de “waarde”. Er staat dus: “Het gemeenschappelijke dat zich in de ruilverhouding of ruilwaarde van de waren manifesteert, is dus hun waarde. Het vervolg van het onderzoek zal ons terugvoeren naar de ruilwaarde als de noodzakelijke uitdrukkingswijze of verschijningsvorm van de waarde, die echter eerst onafhankelijk van deze vorm moet worden beschouwd” (p. 13 [Zie Karl Marx, Das Kapital, deel I, p. 53 – Het paginanummer verwijst naar de tweede uitgave van het eerste deel van Het kapitaal, Hamburg 1872]).

Ik zeg dus niet dat de “gezamenlijke maatschappelijke substantie van de ruilwaarde” “arbeid” is; en aangezien ik in een apart hoofdstuk uitgebreid inga op de waardevorm, d.w.z. de ontwikkeling van de ruilwaarde, zou het vreemd zijn om deze “vorm” te reduceren tot de “gezamenlijke maatschappelijke substantie”, de arbeid. Wagner vergeet ook dat noch “de waarde” noch “de ruilwaarde” bij mij het onderwerp is, maar de waar.

Verder:

“Deze” (marxistische) “theorie is echter niet zozeer een algemene waardetheorie als wel een kostentheorie, aansluitend bij Ricardo.” (l.c.)

Wagner had zowel uit Het Kapitaal als uit het werk van Sieber (als hij Russisch kende) het verschil tussen mij en Ricardo kunnen kennen, die zich inderdaad alleen bezig hield met arbeid als maatstaf voor de waarde en daarom geen verband vond tussen zijn waardetheorie en het wezen van het geld.

Als Wagner zegt dat dit “geen algemene waardetheorie” is, heeft hij in zijn opvatting volkomen gelijk, aangezien hij onder algemene waardetheorie het speculeren over het woord “waarde” verstaat, wat hem ook in staat stelt om bij de traditionele Duitse professorale verwarring tussen “gebruikswaarde” en “waarde” te blijven, aangezien beide het woord “waarde” gemeen hebben. Maar als hij verder zegt dat het een “kostentheorie” is, komt dat neer op een tautologie: de waren vertegenwoordigen, voor zover ze waarden zijn, alleen iets maatschappelijks, namelijk arbeid, en voor zover de waarde van een goed volgens mij wordt bepaald door de hoeveelheid arbeid die erin is gestoken, dus door de normale hoeveelheid arbeid die de productie van een voorwerp kost, enz.; Wagner bewijst het tegendeel door te verzekeren dat deze enz. waardetheorie niet “de algemene” is, omdat dit niet de opvatting van Wagner over de “algemene waardetheorie” is. Of hij zegt iets onjuist: Ricardo (in navolging van Smith) gooit waarde en productiekosten op één hoop; ik heb er in Bijdrage tot de kritiek op de politieke economie en ook in de noten bij Het Kapitaal al uitdrukkelijk op gewezen dat waarden en productieprijzen (die alleen in geld de productiekosten uitdrukken) niet samenvallen. Waarom niet? Dat heb ik Wagner niet gezegd.

Bovendien “handel” ik “willekeurig” als ik

“deze kosten alleen terugvoer naar de in de engste zin van het woord zogenaamde arbeidsprestatie. Dat veronderstelt altijd eerst een bewijsvoering, die tot nu toe ontbreekt, namelijk dat het productieproces volledig mogelijk is zonder tussenkomst van de kapitaalvormende en aangewende activiteit van particuliere kapitalisten” (p. 45).

In plaats van mij met dergelijke toekomstigheden te belasten, had Wagner eerst moeten aantonen dat een maatschappelijk productieproces, om nog maar te zwijgen van het productieproces in het algemeen, niet bestond in de talrijke gemeenschappen die bestonden vóór de opkomst van particuliere kapitalisten (het oude Indiase gemeenschapsleven, de Zuid-Slavische familiegemeenschap, enz.) Bovendien kon Wagner alleen maar zeggen: de uitbuiting van de arbeidersklasse door de kapitalistenklasse, kortom, het karakter van de kapitalistische productie zoals Marx die beschrijft, is juist, maar hij vergist zich door deze economie als tijdelijk te beschouwen, terwijl Aristoteles zich vergiste door de slaveneconomie als niet tijdelijk te beschouwen.

“Zolang een dergelijk bewijs niet is geleverd” {oftewel, zolang de kapitalistische economie bestaat}, “is inderdaad ook” {hier komt de klompvoet of het ezelsoor} “de kapitaalwinst, een “constitutief” element van de waarde, volgens de socialistische opvatting niet alleen een aftrek of “roof” van de arbeider” (pp. 45, 46).

Wat een “aftrek van de arbeider” is, het vel afstropen enz., is niet te bedenken. Nu is in mijn uiteenzetting inderdaad ook de kapitaalwinst niet “alleen maar een aftrek of “roof” van de arbeider.” Ik stel daarentegen de kapitalist voor als een noodzakelijke functionaris van de kapitalistische productie en laat heel uitgebreid zien dat hij niet alleen “aftrekt” of “steelt”, maar ook de productie van meerwaarde afdwingt, dus helpt om eerst datgene te creëren wat kan worden afgetrokken; ik toon verder uitvoerig aan dat, zelfs als bij de ruil van waren alleen equivalenten werden geruild, de kapitalist – zodra hij de arbeider de werkelijke waarde van zijn arbeidskracht betaalt – met het volste recht, d.w.z. het recht dat overeenkomt met deze productiewijze, de meerwaarde zou verkrijgen. Maar dit alles maakt de “kapitaalwinst” niet tot een “constitutief” element van de waarde, maar bewijst alleen dat er in de waarde die niet door de arbeid van de kapitalist wordt “geconstrueerd”, een deel zit dat hij “rechtmatig” kan verwerven, d.w.z. zonder het recht dat overeenkomt met de warenruil te schenden.

“Die theorie houdt te eenzijdig rekening met dit ene waardebepalende moment” {1. Tautologie. De theorie is onjuist omdat Wagner een “algemene waardetheorie” heeft die daarmee niet overeenkomt, zijn “waarde” wordt daarom bepaald door de “gebruikswaarde”, zoals met name het salaris van professoren bewijst; 2. Wagner onderwerpt de waarde aan de telkens geldende “marktprijs” of de daarvan afwijkende warenprijs, wat iets heel anders is dan de waarde}, “de kosten, niet het andere, de bruikbaarheid, het nut, het moment van behoefte” {d.w.z. hij gooit “waarde” en gebruikswaarde niet op één hoop, wat toch zo wenselijk is voor een geboren Confucius als Wagner}.

“Het komt niet alleen niet overeen met de ruilwaardevorming in het huidige verkeer

{hij bedoelt de prijsvorming, die absoluut niets verandert aan de waardebepaling: overigens vindt in de huidige handel zeker ruilwaardevorming plaats, zoals elke speculant, warenvervalser enz. weet, die niets gemeen heeft met waardevorming, maar wel een scherp oog heeft voor “gevormde” waarden; overigens ga ik er bij het bepalen van de waarde van de arbeidskracht bv. vanuit dat hun waarde ook daadwerkelijk wordt betaald, wat in werkelijkheid niet het geval is. Schäffle bedoelt in “Kapitalismus” enz. dat dit “grootmoedig” is of iets dergelijks. Hij bedoelt alleen een wetenschappelijk noodzakelijke procedure},

“maar ook, zoals Schäffle in “Quintessenz” [Quintessenz – boek van Albert Schäffle, Die Quintessenz des Socialismus, dat in 1875 anoniem in Gotha verscheen] en vooral in “Socialen Körper” uitstekend en goed onderbouwd (!) aantoont, niet de omstandigheden “zoals die zich in de hypothetische sociale staat van Marx noodzakelijkerwijs moeten voordoen”.

{De sociale staat die Schäffle zo vriendelijk was voor mij te “ontwerpen”, verandert dus in “die van Marx” (niet de “sociale staat” en in Schäffles hypothese aan Marx toegeschreven).}

“Dit kan met name worden aangetoond aan de hand van het voorbeeld van graan en dergelijke, waarvan de ruilwaarde vanwege de invloed van de wisselende oogsten bij vrijwel gelijke behoefte noodzakelijkerwijs ook in een systeem van “sociale belastingen” anders moet worden gereguleerd dan louter op basis van de kosten.”

Zoveel woorden, zoveel onzin. Ten eerste heb ik nergens gesproken over “sociale belastingen” en bij het onderzoek naar de waarde heb ik het over burgerlijke verhoudingen gehad, niet over de toepassing van deze waardetheorie op de “sociale staat”, die niet eens door mij, maar door Schäffle voor mij is geconstrueerd. Ten tweede: als bij een mislukte oogst de graanprijs stijgt, stijgt ten eerste de waarde ervan, omdat een bepaalde hoeveelheid arbeid in minder product wordt gerealiseerd; ten tweede stijgt de verkoopprijs nog veel meer. Wat heeft dit met mijn waardetheorie te maken? Hoe meer het graan boven zijn waarde wordt verkocht, [in het manuscript: de graanprijs] worden andere waren, hetzij in natura, hetzij in geldvorm, onder hun waarde verkocht, zelfs als hun eigen geldprijs niet daalt. De waardesom blijft dezelfde, zelfs als de uitdrukking van deze totale waardesom in geld zou zijn gestegen, dat wil zeggen de som van de “ruilwaarde” volgens Wagner. Dit is het geval als we aannemen dat de prijsdaling van de som van de andere waren de overprijs (prijsoverschot) van het graan niet dekt. Maar in dit geval is de ruilwaarde van het geld pro tanto onder zijn waarde gedaald; de totale waarde van alle waren blijft niet alleen gelijk, maar blijft zelfs hetzelfde uitgedrukt in geld, als geld bij de waren wordt gerekend. Verder: de prijsstijging van het graan boven de stijging van zijn waarde als gevolg van de misoogst zal in ieder geval in de “sociale staat” kleiner zijn dan bij de huidige graanwoekerij. Maar dan zal de “sociale staat” de productie van meet af aan zo inrichten dat de jaarlijkse graantoevoer slechts minimaal afhankelijk is van weersveranderingen, en dat de omvang van de productie – de toevoer en het gebruik ervan – rationeel wordt gereguleerd. Wat zou de “sociale belasting”, als de fantasieën van Schäffle hierover werkelijkheid zouden worden, uiteindelijk voor of tegen mijn waardetheorie bewijzen? Net zo min als de dwangmaatregelen die bij voedseltekorten op schepen of in forten of tijdens de Franse Revolutie enz. werden genomen en zich niets aantrekken van de waarde; en het vreselijke voor de “sociale staat” om de waardewetten van de “kapitalistische (burgerlijke) staat” te schenden, dus ook de waardetheorie! Niets dan kinderachtige onzin!};

Dezelfde Wagner citeert welwillend Rau:

“Om misverstanden te voorkomen, is het noodzakelijk vast te stellen wat er onder waarde wordt verstaan, en het is in overeenstemming met het Duitse taalgebruik om hiervoor de gebruikswaarde te kiezen” (p. 46).

Afleiding van het begrip waarde (p. 46 e.v.).

Uit het begrip waarde moet d’abord [eerst en vooral] de gebruikswaarde en de ruilwaarde van Wagner worden afgeleid, niet zoals bij mij uit een concrete waar. Het is interessant om deze scholastiek in zijn nieuwste “grondlegging” te volgen.

“Het is een natuurlijke neiging van de mens om zich duidelijk bewust te worden van en inzicht te krijgen in de verhouding tussen de innerlijke en uiterlijke goederen en zijn behoeften. Dit gebeurt door middel van schatting (waardering), waarbij waarde wordt toegekend aan de goederen, respectievelijk de dingen van de buitenwereld, en deze waarde wordt gemeten” (p. 46), en op p. 12 staat: “Alle middelen om in de behoeften te voorzien, worden goederen genoemd.”

Als we in de eerste zin het woord “goed” vervangen door de Wagneriaanse betekenis ervan, luidt de eerste zin van de aangehaalde passage:

“Het is een natuurlijke drang van “de” mens om de verhouding tussen de innerlijke en uiterlijke middelen om zijn behoeften te bevredigen en zijn behoeften duidelijk te beseffen en te begrijpen.” We kunnen deze zin enigszins vereenvoudigen door “de innerlijke middelen” enz. weg te laten, zoals Wagner in de direct daaropvolgende zin onmiddellijk doet met “oftewel”.

“De” mens? Als hier de categorie “mens” wordt bedoeld, dan heeft hij helemaal “geen” behoeften; als de mens geïsoleerd tegenover de natuur staat, dan moet hij worden opgevat als een niet-kuddedier; als een mens die al in een of andere vorm van samenleving verkeert – en dat veronderstelt Wagner, aangezien “de” mens bij hem, ook al heeft hij geen universitaire opleiding genoten, in ieder geval taal bezit – dan moet als uitgangspunt het bepaalde karakter van deze maatschappelijke mens worden voorgesteld, d.w.z. het bepaalde karakter van de gemeenschap waarin hij leeft, aangezien hier de productie, dus zijn levensverrichtingsproces, al een bepaald maatschappelijk karakter heeft.

Maar bij een professor-schoolmeester zijn de verhoudingen van de mensen tot de natuur van meet af aan geen praktische, dus door de daad gegronde verhoudingen, maar theoretische, en 2 verhoudingen van dit soort zijn al in de eerste zin in elkaar verweven.

Ten eerste: aangezien in de volgende zin de “externe middelen om zijn behoeften te bevredigen” of “externe goederen” veranderen in “dingen van de buitenwereld”, krijgt de eerste verhouding in het eerste deel de volgende vorm: de mens staat in relatie tot dingen van de buitenwereld als middelen om zijn behoeften te bevredigen. Maar mensen beginnen geenszins “in deze theoretische verhouding tot dingen van de buitenwereld te staan”. Ze beginnen, net als elk dier, met eten, drinken enz., dus niet met “staan”, maar met actief gedrag, met het zich bepaalde dingen van de buitenwereld toe te eigenen door middel van handelen, en zo hun behoeften te bevredigen. (Ze beginnen dus met de productie.) Door de herhaling van dit proces wordt de eigenschap van deze dingen om hun “behoeften te bevredigen” in hun hersenen ingeprent en leren mensen, net als dieren, ook “theoretisch” de externe dingen te onderscheiden die dienen om hun behoeften te bevredigen, boven alle andere. Op een bepaald niveau van ontwikkeling, nadat ondertussen ook hun behoeften en de activiteiten waarmee ze worden bevredigd, zijn toegenomen en verder ontwikkeld, zullen ze ook in die hele groep van deze dingen, die ze op basis van ervaring onderscheiden van de rest van de buitenwereld, ze een naam geven. Dit gebeurt noodzakelijkerwijs omdat zij in het productieproces – d.w.z. het proces van zich deze dingen toe te eigenen – voortdurend in een arbeidende omgang met elkaar en met deze dingen staan en al snel ook met anderen moeten strijden om deze dingen. Maar deze verbale aanduiding drukt alleen maar als idee uit wat herhaalde bevestiging tot ervaring heeft gemaakt, namelijk dat bepaalde uiterlijke dingen dienen om de behoeften te bevredigen van mensen die al in een bepaalde maatschappelijke context leven (dit is een noodzakelijke voorwaarde vanwege de taal). De mensen geven deze dingen alleen een speciale (generieke) naam omdat ze al weten dat ze dienen om hun behoeften te bevredigen, omdat ze ze door min of meer vaak herhaalde activiteiten in handen krijgen en ze daarom ook in hun bezit willen houden; ze noemen ze misschien “goed” of iets anders dat uitdrukt dat ze deze dingen praktisch gebruiken, dat deze dingen nuttig voor hen zijn, en geven het ding dit nuttige karakter als iets dat het bezit, hoewel het voor een schaap nauwelijks een “nuttige” eigenschap is dat het eetbaar is voor mensen.

Dus: de mensen begonnen inderdaad bepaalde dingen uit de buitenwereld toe te eigenen als middelen om hun eigen behoeften te bevredigen, enz. enz.; later gaan ze deze dingen ook verbaal aanduiden als wat ze in de praktijk voor hen zijn, namelijk middelen om in hun behoeften te voorzien, als dingen die hen “bevredigen”. Als men nu het feit dat mensen dergelijke dingen niet alleen praktisch behandelen als middelen om in hun behoeften te voorzien, maar ze ook in hun verbeelding en, verder, verbaal aanduiden als hun behoeften, dus als dingen die hen zelf “bevredigen” {zolang de behoefte van de mens niet bevredigd is, is hij in onvrede met zijn behoeften, dus met zichzelf}, als men dit “volgens het Duitse taalgebruik”, er een “waarde aan toekennen”, dan heeft men bewezen dat het algemene begrip “waarde” voortkomt uit het gedrag van mensen ten opzichte van de dingen die zij in de buitenwereld aantreffen en die in hun behoeften voorzien, en dat dit dus het soortbegrip van “waarde” is en alle andere soorten waarde, zoals bijvoorbeeld de chemische waarde van de elementen, slechts een variant daarvan is.

[In het manuscript geschrapt:][In MEW is dit een voetnoot.] Bij Wagner wordt deze “deductie” nog mooier, omdat hij het heeft over “de” mens, niet over “de mensen”. Wagner drukt deze zeer eenvoudige “deductie” als volgt uit: “Het is een natuurlijk streven van de mens” (lees: van de Duitse hoogleraar economie) “dat de verhouding”, waarin dingen van de buitenwereld niet alleen middelen zijn om menselijke behoeften te bevredigen, maar ook als zodanig verbaal worden erkend en daarom ook dienen.

Het is “het natuurlijke streven” van een Duitse hoogleraar economie om de economische categorie “waarde” af te leiden uit een “begrip”, en dat bereikt hij door wat in de politieke economie vulgo “gebruikswaarde” wordt genoemd, “volgens het Duitse taalgebruik” kortweg om te dopen tot “waarde”. En zodra de “waarde” als zodanig is gevonden, dient deze op zijn beurt weer om “gebruikswaarde” af te leiden uit de “waarde als zodanig”. Hiervoor hoeft men alleen maar het fragment “gebruiks” dat men had weggelaten weer voor de “waarde” te zetten.

Het is inderdaad Rau (zie p. 88 [De paginaverwijzing verwijst naar Raus boek Grundsätze der Volkswirthschaftslehre; bij Wagner staat deze passage op p. 46.]) die ons eenvoudigweg zegt dat het “noodzakelijk is” (voor de Duitse professoren) “vast te stellen wat er precies onder waarde wordt verstaan”, en die er naïef aan toevoegt: “en het is in overeenstemming met het Duitse taalgebruik om hiervoor de gebruikswaarde te kiezen. {In de scheikunde wordt onder de chemische waarde van een element verstaan het aantal waarin de atomen zich kunnen verbinden met atomen van andere elementen. Maar ook het verbindingsgewicht [atoomgewicht? bindingsenergie? – MIA] van de atomen werd equivalentie genoemd, gelijkwaardigheid van verschillende elementen enz. enz. Men moet dus eerst het begrip “waarde als zodanig” definiëren enz. enz.}

Als de mens dingen beschouwt als “middelen om zijn behoeften te bevredigen”, dan beschouwt hij ze als “goederen”, zie Wagner. Hij kent ze het attribuut “goed” toe; de inhoud van deze handeling wordt op geen enkele wijze gewijzigd door het feit dat Wagner dit omdoopt tot “waarde toekennen”. Zijn eigen luie bewustzijn komt onmiddellijk “tot begrip” in de volgende zin:

“Dit gebeurt door middel van schatting (waardeschatting), waardoor aan de goederen, respectievelijk de dingen van de buitenwereld, waarde wordt toegekend en deze wordt gemeten.”

We willen er geen woorden aan verspillen, dat Wagner de waarde afleidt uit de waardeschatting (hij voegt zelf aan het woord schatting – om de zaak “duidelijk bewust en begrijpelijk te maken” – tussen haakjes “waardeschatting” toe). “De mens” heeft de “natuurlijke neiging” om dit te doen, om de goederen als “waarden” te “schatten”, en staat zo Wagner toe om de door hem beloofde prestatie van het “waardebegrip in het algemeen” af te leiden. Wagner smokkelt niet voor niets het woord “goederen” “respectievelijk” de “dingen van de buitenwereld” ertussen. Hij ging ervan uit dat de mens zich ten opzichte van “dingen van de buitenwereld”, die zijn behoeften bevredigen, zich verhoudt als “goederen”. Hij schat deze dingen dus juist doordat hij zich ten opzichte van hen als “goederen” gedraagt. En we hebben voor deze “schatting” al eerder een “omschrijving” gehad, die bijvoorbeeld luidt:

“De mens staat als behoeftig wezen voortdurend in contact met de buitenwereld die hem omringt en beseft dat daarin veel voorwaarden voor zijn leven en welzijn liggen” (p. 8).

Dit betekent niets anders dan dat hij “de dingen van de buitenwereld waardeert”, voor zover ze zijn “behoeftige wezen” bevredigen, d.w.z. de middelen zijn om zijn behoeften te bevredigen, en daarom, zoals we eerder hoorden, zich tot hen verhoudt als “goederen”.

Nu kan men, met name wanneer men het “natuurlijke streven” van professoren voelt, het begrip waarde in het algemeen afleiden, namelijk: aan “de dingen van de buitenwereld” het attribuut “goederen” toekennen en ze ook benoemen, ze “waarde toekennen”. Men had ook kunnen zeggen: door zich te verhouden tot de dingen van de buitenwereld die zijn behoeften bevredigen als “goederen”, “prijst” hij ze, legt hen dus een “prijs” op, en daarmee zou de afleiding van het begrip “prijs als zodanig” door de procedure “van de” mens aan de professor germanicus ready cut [op het lijf geschreven van de Duitse professor] geleverd zijn. Alles wat de professor zelf niet kan doen, laat hij “de” mens doen, die in feite zelf niets anders is dan de professorale mens die denkt de wereld te begrijpen wanneer hij haar onder abstracte rubrieken rangschikt. Maar voor zover “waarde toekennen” aan de dingen van de buitenwereld hier slechts een andere uitdrukking is voor het toekennen van het attribuut “goederen”, wordt daarmee geenszins, zoals Wagner wil doen geloven, aan de “goederen” zelf “waarde” toegekend als een andere bepaling van hun “goed-zijn”. Het is alleen het woord “waarde” dat aan het woord “goed” wordt toegevoegd. {Zoals we zien, zou ook het woord “prijs” kunnen worden toegevoegd. Het woord “schat” zou ook kunnen; want door bepaalde “dingen van de buitenwereld” als “goederen” te bestempelen, “waardeert” de mens ze en gedraagt hij zich daarom tegenover ze als een “schat”. Men ziet dus hoe de drie economische categorieën waarde, prijs en schat door Wagner in één klap tevoorschijn konden worden getoverd uit “het natuurlijke streven van de mens”, [door] de professor die zijn bekrompen begripswereld (voorstellingswereld) wilde overbrengen.} Maar Wagner heeft de duistere drang om aan zijn tautologie-labyrint te ontsnappen en “iets anders” of “iets meer” te bemachtigen. Vandaar de zin: “waardoor aan de goederen, respectievelijk de dingen van de buitenwereld, waarde wordt toegekend enz.”. Aangezien Wagner het bestempelen van “dingen van de buitenwereld” als goederen, d.w.z. het onderscheiden en vastleggen ervan (in de gedachte) als middel om de menselijke behoeften te bevredigen, ook zo heeft genoemd: “waarde toekennen aan deze dingen”, kan hij dit evenmin noemen: “waarde toekennen aan de goederen” zelf, als hij zou kunnen zeggen: waarde toekennen aan de “waarde” van de dingen van de buitenwereld. Maar de salto mortale wordt gemaakt in het woord “waarde toekennen aan goederen, respectievelijk aan de dingen van de buitenwereld”. Wagner had moeten zeggen: het bestempelen van bepaalde dingen van de buitenwereld als “goederen” kan ook worden genoemd: “waarde toekennen” aan deze dingen, en dit is de Wagneriaanse afleiding van het “waardebegrip” bij uitstek of in het algemeen. De inhoud wordt niet gewijzigd door deze verandering in de verbale uitdrukking. Het is altijd alleen het markeren of vastleggen in de voorstelling van de dingen van de buitenwereld, die middelen zijn om menselijke behoeften te bevredigen; in feite dus alleen het herkennen en erkennen van bepaalde dingen van de buitenwereld als middelen om de behoeften van “de” mens (die echter als zodanig inderdaad lijdt onder een “behoefte aan begrippen”).

Maar Wagner wil ons of zichzelf doen geloven dat hij, in plaats van twee namen dezelfde inhoud te geven, veeleer van de bepaling “goed” is overgegaan naar een daarvan verschillende, verder ontwikkelde bepaling “waarde”, en dit gebeurt eenvoudigweg doordat hij aan “dingen van de buitenwereld” “respectievelijk” het woord “goederen” toeschrijft, een proces dat weer wordt “verduisterd” doordat hij “de goederen” “respectievelijk” de “dingen van de buitenwereld” toeschrijft. Zijn eigen verwarring heeft zo het effect dat hij zijn lezers zeker in verwarring brengt. Hij had deze mooie “afleiding” ook als volgt kunnen omkeren: door de dingen van de buitenwereld, die zijn behoeften bevredigen, als zodanig te onderscheiden van de overige dingen van de buitenwereld en ze daarom te benadrukken, waardeert hij ze, hecht hij er waarde aan of geeft hij ze het kenmerk “waarde”; men kan dit ook uitdrukken door te zeggen dat hij ze het kenmerk “goed” toekent of ze als “goed” beschouwt of waardeert. Hierdoor wordt aan de “waarden”, of beter gezegd de dingen van de buitenwereld, het begrip “goed” toegekend. Bij dergelijke afleidingen gaat het er alleen om weg te leiden van de taak die men niet aankan.

Maar Wagner gaat in één adem over van de “waarde” van goederen naar het “meten” van deze waarde.

De inhoud blijft absoluut hetzelfde, ook al zou het woord waarde er helemaal niet in zijn gesmokkeld. Men zou kunnen zeggen: door bepaalde dingen van de buitenwereld, als “goederen” te bestempelen, gaat de mens deze “goederen” geleidelijk aan met elkaar vergelijken en, overeenkomstig de hiërarchie van zijn behoeften, in een bepaalde rangorde plaatsen, d.w.z. ze, zo men het wil, “meten”. Wagner mag hier zeker niet spreken over de ontwikkeling van de werkelijke afmetingen van deze goederen, d.w.z. de ontwikkeling van hun grootte, omdat dit de lezer er te sterk aan zou herinneren hoe weinig dit te maken heeft met wat anders onder “waardemeting” wordt verstaan.

{Dat het onderscheiden van (verwijzing naar) dingen uit de buitenwereld die middelen zijn om menselijke behoeften te bevredigen als “goederen” kan worden geduid als “het toekennen van waarde aan deze dingen” – dit kon Wagner niet alleen bewijzen aan de hand van het “Duitse taalgebruik”, zoals Rau deed, maar ook: er is het Latijnse woord dignitas = waardigheid, verdienste, rang, enz., dat wanneer het op dingen wordt toegepast ook “waarde” betekent; dignitas is afgeleid van dignus, en dit weer van dic, wijzen, tonen, onderscheiden; dignus betekent dus pointed out; vandaar ook digitus, de vinger, waarmee men iets aanwijst, erop wijst; Grieks: δεικ-νυμι, δακ-τυλο (vinger); Gotisch: ga-tecta (dico); Duits: zeigen; en we zouden nog veel meer “afleidingen” kunnen bedenken, gezien het feit dat δεκνυμι of δεικνω (zichtbaar maken, naar voren brengen, wijzen) met δχομαι de stam δεκ (uitsteken, nemen) gemeen heeft.}

Zoveel banaliteit, tautologische verwarring, woordspelletjes en bedrieglijke manoeuvres, dat weet Wagner in nog geen 7 regels te produceren.

Geen wonder dat deze duistere man (vir obscurus) na deze prestatie met veel zelfvertrouwen vervolgt:

“Het veelbesproken concept van waarde, dat nog steeds verduisterd wordt door vele onderzoeken die vaak maar schijnbaar diepgaand zijn, lost zichzelf op” (inderdaad) {veeleer “verstrikt”} “als we, zoals tot nu toe is gebeurd” namelijk door Wagner, “de behoeften en de economische aard van de mens als uitgangspunt nemen en bij het bereiken van het concept van goederen – dit koppelen aan het concept van waarde” (p. 46).

We hebben hier te maken met een begrippenstelsel, waarvan de vermeende ontwikkeling bij vir obscurus uitmondt in het “koppelen” en in zekere zin in het “ontkoppelen”.

Verdere afleiding van het waardebegrip:

Subjectieve en objectieve waarde. Subjectief en in de meest algemene zin van het woord is de waarde van het goed = belang dat “aan het goed wordt toegekend vanwege ... zijn bruikbaarheid ... geen eigenschap van de dingen op zich, ook al heeft het objectief gezien de bruikbaarheid van een ding als vereiste” {dus de “objectieve” waarde als voorwaarde} “... In objectieve zin verstaat men onder “waarde”, “waarden” dan ook de waardevolle goederen, waarbij (!) goed en waarde, goederen en waarden in wezen identieke begrippen worden” (pp. 46, 47).

Nadat Wagner wat gewoonlijk “gebruikswaarde” wordt genoemd, heeft uitgeroepen tot “waarde in het algemeen”, tot “waardebegrip” bij uitstek, kan hij niet nalaten te herinneren dat “de aldus” (zo! zo!) “afgeleide” (!) “waarde” de “gebruikswaarde” is. Nadat hij eerst de “gebruikswaarde” tot “waardebegrip” in het algemeen, tot “waarde als zodanig” heeft benoemd, ontdekt hij achteraf dat hij alleen maar over de “gebruikswaarde” heeft gebazeld, deze dus heeft “afgeleid”, aangezien bazelen en afleiden voor hem “in wezen” identieke denkoperaties zijn. Maar bij deze gelegenheid komen we te weten wat de subjectieve achtergrond is van de tot nu toe “objectieve” begripsverwarring van Wagner. Hij onthult ons namelijk een geheim. Rodbertus had hem een brief geschreven, te lezen in het Tübinger Tijdschrift, 1878, [Zeitschrift für die gesammte Staatswissenschaft – liberaal, politiek-economisch tijdschrift dat met onderbrekingen van 1844 tot 1943 in Tübingen werd uitgegeven. Rodbertus’ brief aan Wagner verscheen in deel 34 van het tijdschrift in Wagners essay “Einiges von und über Rodbertus-Jagetzow”.] waarin hij, Rodbertus, uiteenzet waarom er “maar één soort waarde” bestaat, namelijk de gebruikswaarde.

“Ik” (Wagner) “heb mij aangesloten bij deze opvatting, waarvan ik het belang al in de eerste druk heb benadrukt.”

Over wat Rodbertus zegt, zegt Wagner:

“Dat is volkomen juist en noopt tot een wijziging van de gebruikelijke onlogische “indeling” van de “waarde” in gebruikswaarde en ruilwaarde, zoals ik die ook in § 35 van de eerste druk had gemaakt” (p. 48, noot 4),

En diezelfde Wagner rangschikt mij (p. 49, noot) onder de mensen die vinden dat de “gebruikswaarde” volledig “uit de wetenschap” moet worden “verwijderd”.

Dat is allemaal “onzin”. In eerste instantie ga ik niet uit van “begrippen”, dus ook niet van het “begrip waarde”, en heb ik dit dus ook op geen enkele manier “in te delen”. Ik ga uit van de eenvoudigste maatschappelijke vorm waarin het arbeidsproduct zich in de huidige samenleving manifesteert, en dat is de “waar”. Ik analyseer dit, en wel in de vorm waarin het verschijnt. Hier stel ik vast dat het enerzijds in zijn natuurlijke vorm een gebruiksvoorwerp is, oftewel gebruikswaarde, en anderzijds drager van ruilwaarde, en vanuit dit oogpunt zelf “ruilwaarde”. Verdere analyse van dit laatste laat mij zien dat de ruilwaarde slechts een “verschijningsvorm” is, een zelfstandige weergave van de waarde die in de waar besloten ligt, en dan ga ik over tot de analyse van dit laatste. Daarom staat er uitdrukkelijk op p. 36, 2e druk [De door Marx genoemde noot staat in zijn werk Bijdrage tot de kritiek op de politieke economie.]: “Als er aan het begin van dit hoofdstuk op de gebruikelijke manier stond: “De waar is gebruikswaarde en ruilwaarde”, dan was dat, strikt genomen, onjuist. De waar is gebruikswaarde of gebruiksvoorwerp en “waarde”. Het presenteert zich als dit dubbele wat het is, zodra zijn waarde een eigen verschijningsvorm heeft die verschilt van zijn natuurlijke vorm, namelijk die van de ruilwaarde” [zie MEW deel 23, p. 75], enz. Ik deel dus niet de waarde in gebruikswaarde en ruilwaarde als tegenstellingen, waarin het abstracte, “de waarde”, zich splitst, maar de concrete maatschappelijke vorm van het arbeidsproduct; “Waren” zijn enerzijds gebruikswaarde en anderzijds “waarde”, niet ruilwaarde, aangezien de loutere verschijningsvorm niet hun eigen inhoud is.

Ten tweede: Alleen een vir obscurus die geen woord van Het Kapitaal heeft begrepen, kan concluderen: omdat Marx in een noot bij de eerste uitgave van Het Kapitaal alle Duitse professorale prietpraat over “gebruikswaarde” in het algemeen verwerpt en lezers die iets willen weten over echte gebruikswaarden verwijst naar “handleidingen voor warenkunde”, speelt gebruikswaarde bij hem geen rol. Natuurlijk speelt het niet de rol van zijn tegenpool, de “waarde”, die niets met de gebruikswaarde gemeen heeft, behalve dat “waarde” in de naam “gebruikswaarde” voorkomt. Hij had net zo goed kunnen zeggen dat de “ruilwaarde” bij mij terzijde wordt geschoven omdat het een verschijningsvorm van de waarde is, maar niet de “waarde” zelf, aangezien voor mij de “waarde” van een waar noch de gebruikswaarde, noch de ruilwaarde is.

Als men de “waar” – het eenvoudigste economische concretum – moet analyseren, moet men alle relaties buiten beschouwing laten die niets te maken hebben met het voorwerp van de analyse. Wat er over de waar te zeggen valt, voor zover het gebruikswaarde heeft, heb ik daarom in enkele regels uiteengezet, maar aan de andere kant heb ik de karakteristieke vorm benadrukt waarin de gebruikswaarde – het arbeidsproduct – hier verschijnt, namelijk: “Een ding [In het manuscript: product] kan nuttig zijn en een product van menselijke arbeid zijn, zonder een waar te zijn. Wie met zijn product in zijn eigen behoefte voorziet, creëert weliswaar gebruikswaarde, maar geen waar. Om een waar te produceren, moet hij niet alleen gebruikswaarde produceren, maar gebruikswaarde voor anderen, maatschappelijke gebruikswaarde” (p. 15). {Dit is de wortel van Rodbertus’ “maatschappelijke gebruikswaarde”.} Daarmee heeft de gebruikswaarde – als gebruikswaarde van de “waar”- zelf een historisch-specifiek karakter. In de primitieve gemeenschap, waar bv. voedsel gezamenlijk wordt geproduceerd en verdeeld binnen de gemeenschap, voorziet het gezamenlijke product rechtstreeks in de levensbehoeften van elk lid van de gemeenschap, elke producent, het maatschappelijke karakter van het product, de gebruikswaarde, ligt hier in het (gezamenlijke) gemeenschappelijke karakter ervan. {Rodbertus daarentegen verandert de “maatschappelijke gebruikswaarde” van de waar [klemtoon van MIA-Nederlands], kortweg in “maatschappelijke gebruikswaarde”, en praat daarom onzin.}

Zoals uit het bovenstaande blijkt, zou het pure wartaal zijn om bij de analyse van de waren – omdat ze zich enerzijds als gebruikswaarde of goederen en anderzijds als “waarde” presenteren – bij deze gelegenheid allerlei banale overpeinzingen over gebruikswaarden of goederen “er bij te halen” die niet tot de wereld van de waren behoren, zoals “staatsgoederen”, “gemeenschapsgoederen” enz., zoals Wagner en de Duitse professor in het algemeen doen, of over zaken als “gezondheid” enz. Waar de staat zelf een kapitalistische producent is, zoals de exploitatie van mijnen, bossen enz., zijn de producten “waren” en bezit het daarom het specifieke karakter van alle andere waren.

Anderzijds heeft vir obscurus over het hoofd gezien dat ik in mijn analyse van de waar niet stilsta bij de dubbele manier waarop deze zich voordoet, maar meteen verder ga met het feit dat in dit dubbele karakter van de waar het tweeledige karakter van het arbeid waaruit zij voortkomt tot uiting komt: de nuttige arbeid, d.w.z. de concrete vormen van arbeid die gebruikswaarden creëren, en de abstracte arbeid, de arbeid als bestede arbeidskracht, ongeacht op welke “nuttige” manier deze wordt aangewend (waarop later het productieproces is gebaseerd); dat in de ontwikkeling van de waardevorm van de waar, in laatste instantie haar geldvorm, dus het geld, de waarde van een waar zich manifesteert in de gebruikswaarde van de andere, d.w.z. in de natuurlijke vorm van de andere waar; dat de meerwaarde zelf wordt afgeleid uit een “specifieke” en haar exclusief toekomende gebruikswaarde van de arbeidskracht enz. enz., dat dus bij mij de gebruikswaarde een heel andere belangrijke rol speelt dan in de huidige economie, maar dat deze nota bene alleen in aanmerking komt wanneer een dergelijke beschouwing voortkomt uit de analyse van gegeven economische structuren, en niet uit heen en weer redeneren over de begrippen of de woorden “gebruikswaarde” en “waarde”.

Daarom worden bij de analyse van de waar ook niet meteen definities van het “kapitaal” aan de “gebruikswaarde” gekoppeld, wat natuurlijk onzin zou zijn zolang we nog bezig zijn met de analyse van de elementen van de waar.

Wat Wagner echter irriteert (schokt) aan mijn uiteenzetting, is dat ik hem niet de gunst bewijs om het Duitse patriottische streven van de professoren te volgen en gebruikswaarde en waarde door elkaar te halen. Hoewel de Duitse samenleving zeer post festum is, is zij toch geleidelijk aan van een feodale bestaanseconomie, of althans de overheersing daarvan, overgegaan naar de kapitalistische economie, maar de professoren staan nog steeds met één been in de oude modder, wat logisch is. Van lijfeigenen van de landeigenaren zijn zij veranderd in lijfeigenen van de staat, vulgo de regering. Daarom zegt ook onze vir obscurus, die niet eens heeft opgemerkt dat mijn analytische methode, die niet uitgaat van de mens, maar van de economisch gegeven maatschappelijke periode, niets gemeen heeft met de professorale Duitse begrips-verbands-methode (“met woorden kan men uitstekend twisten, met woorden een systeem voorbereiden”), daarom zegt hij:

“In overeenstemming met de opvattingen van Rodbertus en Schäffle stel ik de gebruikswaarde van alle waarden [voorop] en benadruk ik de gebruikswaarde des te meer omdat de ruilwaarde voor veel van de belangrijkste economische goederen simpelweg niet van toepassing is.” Wat dwingt hem tot deze uitvluchten? Als staatsdienaar voelt hij zich verplicht om gebruikswaarde en waarde door elkaar te halen! “dus niet de staat en zijn prestaties, noch andere gemeenschappelijke economische verhoudingen” (p. 49, noot).

{Dit doet denken aan de oude chemici vóór de wetenschap van de scheikunde: omdat kookboter, die in het dagelijks leven gewoon boter wordt genoemd (volgens noordse gewoonte), een zachte samenstelling heeft, noemden ze chloriden, zinkboter, antimoonboter enz. botersappen, en hielden ze dus, om met de vir obscurus te spreken, vast aan het boterkarakter van alle chloriden, zink-, antimoon-(verbindingen).} Het geklets komt neer op: omdat bepaalde goederen, namelijk de staat (een goed!) en zijn “prestaties” (namelijk de prestaties van zijn professoren in de politieke economie), geen “waren” zijn, moeten de tegengestelde karakters die in de “waren” vervat zijn {en die ook uitdrukkelijk tot uiting komen in de warenvorm van het arbeidsproduct} met elkaar worden verward! Bij Wagner en consorten is het overigens moeilijk te beweren dat zij meer winnen als hun “prestaties” worden bepaald op basis van hun “gebruikswaarde”, hun feitelijke “salaris”, dan wanneer zij worden geschat op basis van hun “salaris” (door middel van “sociale belasting”, zoals Wagner het uitdrukt), d.w.z. op basis van hun betaling.

{Het enige dat duidelijk ten grondslag ligt aan deze Duitse onzin, is dat de woorden waarde [Wert] of waardigheid [Würde] in de eerste plaats werden toegepast op de nuttige dingen zelf, die al lang bestonden, zelfs als “arbeidsproducten”, voordat ze waren werden. Maar dat heeft net zoveel te maken met de wetenschappelijke bepaling van de “waarde” van waren als het feit dat het woord zout bij de Ouden eerst werd gebruikt voor keukenzout, en daarom ook suiker enz., sinds Plinius als zoutsoorten worden aangeduid {inderdaad alle kleurloze vaste stoffen die in water oplosbaar zijn en een eigenaardige smaak hebben}, omdat de chemische categorie “zout” ook suiker enz. omvat.}

{Aangezien de goederen door de koper worden gekocht, niet omdat ze waarde hebben, maar omdat ze “gebruikswaarde” hebben en voor bepaalde doeleinden worden gebruikt, spreekt het vanzelf 1. dat de gebruikswaarden worden “geschat”, d.w.z. dat hun kwaliteit wordt onderzocht (net zoals hun hoeveelheid wordt gemeten, gewogen, enz.); 2. dat wanneer verschillende soorten waren voor hetzelfde gebruik onderling kunnen worden vervangen, de voorkeur aan deze of gene wordt gegeven, enz. enz.}

In het Gotisch slechts één woord voor Wert en Würde: vairths, τιμη, { τιμαω-schatten, dat is vaststellen; de prijs of waarde bepalen; taxeren; metaforisch beoordelen [würdigen], waarderen, in ere houden, onderscheiden. Τιμη-waardering, vandaar: bepaling van de waarde of prijs, taxeren, schatting. Vervolgens: waardering, ook waarde, de prijs zelf (Herodotus, Plato), αι τιμα-kosten bij Demosthenes. Vervolgens: waardering, eer, respect, ereplaats, erefunctie enz., Grieks-Duits woordenboek van Rost.}

Waarde, prijs (Schulze, Glossarium) Gotisch: vairths, bijvoeglijk naamwoord, ξιο, καν

Oudnoors: verdhr, waardig, verdh, waarde, prijs; Angelsaksisch: veordh, vurdh; Engels: worth, bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord. Waarde en waardigheid.

“Middelhoogduits: wert, gen. werdes, adj, dignus en ook pfennincwert. -wert, gen. werdes, waarde, waardigheid, heerlijkheid, aestimatio, waren van bepaalde waarde, bv. pfenwert, pennyworth -werde: meritum, aestimatio, dignitas, waardevolle eigenschap”. (Ziemann, Middelhoogduits woordenboek.)

Waarde en waardigheid hangen dus volledig samen, volgens etymologie en betekenis. Wat dit verbergt, is de in het Nieuwhoogduits gangbare onorganische (verkeerde) verbuiging van Wert: Werth, Werthes in plaats van Werdes, want het gotische th komt overeen met het Hoogduitse d, niet th = t, en dit is ook het geval in het Middelhoogduits (wert, gen. werdes, aldaar). Volgens de Middelhoogduitse regel zou d aan het einde van het woord t moeten worden, dus wert in plaats van werd, maar genit. werdes.

Dit alles heeft echter evenveel en even weinig te maken met de economische categorie “waarde” als met de chemische waarde van de chemische elementen (atomiciteit) of met de chemische equivalenten of gelijkwaardigheden (verbindingsgewichten van de chemische elementen).

Verder moet worden opgemerkt dat zelfs in deze verbale relatie – wanneer uit de oorspronkelijke identiteit van waardigheid en waarde vanzelfsprekend volgt, zoals uit de aard der zaak, dat dit woord ook betrekking had op dingen, arbeidsproducten in hun natuurlijke vorm – het later onveranderd rechtstreeks betrekking had op prijzen, d.w.z. de waarde in zijn ontwikkelde waardevorm – ruilwaarde, wat even weinig met de zaak te maken heeft als het feit dat hetzelfde woord voor waardigheid in het algemeen, voor erefuncties enz. in gebruik bleef. Er was hier dus taalkundig geen onderscheid tussen gebruikswaarde en waarde.

Laten we nu eens kijken naar de bron van vir obscurus, naar Rodbertus (wiens essay te vinden is in het Tübinger Zeitschrift). Wat vir obscurus van Rodbertus citeert, is het volgende:

In de tekst, p. 48:

“Er is maar één soort waarde en dat is de gebruikswaarde. Deze is ofwel individuele gebruikswaarde ofwel sociale gebruikswaarde. De eerste staat tegenover het individu en zijn behoeften, zonder rekening te houden met een sociale organisatie.”

{Dit is al onzin (zie Het Kapitaal, p. 171), waar wordt gezegd: dat het arbeidsproces als doelmatige activiteit voor de productie van gebruikswaarden enz., “alle” (van het menselijk leven) “maatschappijvormen gelijkelijk gemeenschappelijk” is en “van elk daarvan onafhankelijk is.” [Zie MEW deel 23, p. 198.] Ten eerste staat het individu niet tegenover het woord “gebruikswaarde”, maar tegenover concrete gebruikswaarden, en welke daarvan “tegenover” hem staan (bij deze mensen “staat” alles; alles is “standig”), hangt geheel af van het niveau van het maatschappelijke productieproces en komt dus ook overeen met “een sociale organisatie”. Maar als Rodbertus alleen maar het triviale wil zeggen dat de gebruikswaarde die werkelijk als gebruiksvoorwerp tegenover een individu staat, als individuele gebruikswaarde tegenover hem staat, dan is dat een triviale tautologie ofwel onjuist, aangezien het niet mogelijk is om over zaken als rijst, maïs of tarwe, of vlees {dat voor een hindoe geen voedingsmiddel is} niet te spreken, en is de behoefte van een individu aan een titel als professor of geheimraad of een orde, alleen mogelijk in een heel bepaalde “sociale organisatie”.}

“De tweede is de gebruikswaarde die een sociaal organisme bestaande uit vele individuele organismen (of individuen) heeft” (p. 48, tekst).

Mooi Duits! Gaat het hier om de “gebruikswaarde” van het “sociale organisme” of om een gebruikswaarde die in het bezit is van een “sociaal organisme” {zoals bv. land in de primitieve gemeenschappen}, of om de specifieke “sociale” vorm van de gebruikswaarde in een sociaal organisme, zoals bv. daar waar de warenproductie de boventoon voert, de gebruikswaarde die een producent levert, “gebruikswaarde voor anderen”, en in die zin “maatschappelijke gebruikswaarde” moet zijn? Met zulke oppervlakkigheid wil ik niets te maken hebben.

Dus naar de tweede zin van Wagners Faustus [Rodbertus]:

“De ruilwaarde is slechts de historische omhulling en toevoeging van de sociale gebruikswaarde uit een bepaalde historische periode. Door de gebruikswaarde tegenover een ruilwaarde als logisch tegenovergesteld te plaatsen, stelt men een logisch begrip tegenover een historisch begrip in een logische tegenstelling, wat logisch niet klopt” (p. 48, noot 4). “Dat is”, juicht ibidem Wagnerus, “dat is volkomen juist!”

Wie is het “men” dat dit doet? Dat Rodbertus mij daarmee bedoelt, zeker, want volgens R. Meyer, zijn famulus [dienaar – MIA], heeft hij een “groot dik manuscript” tegen Het Kapitaal geschreven. Wie plaatste de logische tegenstelling? Rodbertus, voor wie “gebruikswaarde” en “ruilwaarde” beide van nature louter “begrippen” zijn. In feite ondergaat elke afzonderlijke warensoort in elke prijslijst dit onlogische proces, waarbij het zich als goed, gebruikswaarde, als katoen, garen, ijzer, graan enz. van de andere onderscheidt, zich van de andere toto coelo [hemelsbreed] kwalitatief verschillend “goed” voordoet, maar tegelijkertijd zijn prijs als kwalitatief hetzelfde, maar kwantitatief verschillend van dezelfde aard weergeeft. Het presenteert zich in zijn natuurlijke vorm voor degene die het gebruikt, en in de waardevorm, die heel anders is dan het product zelf en “gemeenschappelijk” is voor alle andere waren, d.w.z. als ruilwaarde. Het gaat hier om een “logische” tegenstelling die alleen voorkomt bij Rodbertus en de aan hem verwante Duitse professoren, die uitgaan van het “begrip” waarde, niet van het “sociale ding”, de “waren”, en dit begrip in zichzelf splitsen (verdubbelen), en vervolgens discussiëren over de beide hersenspinsels, welke de ware Jakob is!

Maar wat in deze duistere wijdlopigheid schuilgaat, dat is simpelweg de onsterfelijke ontdekking dat de mens in alle omstandigheden moet eten, drinken enz. {men kan niet eens doorgaan met: zich te kleden, of messen en vorken of bedden en woningen hebben, aangezien dit niet in alle omstandigheden het geval is}; kortom, dat hij in alle omstandigheden externe dingen moet vinden in de natuur om zijn behoeften te bevredigen en zich deze moet toe-eigenen, of maken, uit wat hij in de natuur aantreft; in deze handelingen gedraagt hij zich dus altijd ten opzichte van bepaalde externe dingen als “gebruikswaarden”, d.w.z. hij behandelt ze altijd als gebruiksobjecten; daarom is de gebruikswaarde volgens Rodbertus een “logisch” begrip; aangezien de mens ook moet ademen, is “adem” dus een “logisch” begrip, maar zeker geen “fysiologisch” begrip. De hele oppervlakkigheid van Rodbertus komt echter naar voor in zijn tegenstelling tussen “logisch” en “historisch” begrip! Hij vat de “waarde” (de economische, in tegenstelling tot de gebruikswaarde van de waar) alleen op in haar verschijningsvorm, de ruilwaarde, en aangezien deze alleen voorkomt wanneer ten minste een deel van de arbeidsproducten, de gebruiksvoorwerpen, als “waren” functioneren, maar dit gebeurt niet vanaf het begin, maar pas in een bepaalde periode van maatschappelijke ontwikkeling, dus op een bepaald stadium van historische ontwikkeling, is de ruilwaarde een “historisch” begrip. Als Rodbertus – ik zal hieronder uitleggen waarom hij dat niet heeft gezien – de ruilwaarde van de waren verder had geanalyseerd – want deze bestaat alleen waar waren meervoudig voorkomen, dus verschillende soorten waren – dan had hij de “waarde” achter deze verschijningsvorm gevonden. Als hij de waarde verder had onderzocht, zou hij hebben ontdekt dat hierin het ding, de “gebruikswaarde”, geldt als louter objectivering van menselijke arbeid, als aangewende vergelijkbare menselijke arbeidskracht, en dat deze inhoud daarom wordt weergegeven als het objectieve karakter van het ding, als [karakter] dat het ding zelf objectief toekomt, hoewel deze objectiviteit in haar natuurlijke vorm niet verschijnt {wat echter een bijzondere waardevorm noodzakelijk maakt}. Hij zou dus hebben ontdekt dat de “waarde” van de waar alleen in een historisch ontwikkelde vorm uitdrukt wat ook in alle andere historische maatschappijvormen bestaat, zij het in een andere vorm, namelijk het maatschappelijke karakter van de arbeid, voor zover het bestaat als aanwending van “maatschappelijke” arbeidskracht. Als “de waarde” van de waar maar een bepaalde historische vorm is van iets dat in alle maatschappijvormen bestaat, dan geldt dat ook voor de “maatschappelijke gebruikswaarde”, zoals die de “gebruikswaarde” van de waar kenmerkt. Rodbertus hanteert de waardemaatstaf van Ricardo, maar net zo min als Ricardo heeft hij de essentie van de waarde zelf onderzocht of begrepen, bv. het “collectieve” karakter van het [arbeidsproces] in de primitieve gemeenschap als gemeenschappelijk organisme van de bij elkaar horende arbeidskrachten, dus van hun arbeid, d.w.z. de aanwending van deze krachten.

Meer over deze Wagner-kolder is in dit verband overbodig.

De waardemaatstaf. Wagner vermeld mij hier, maar constateert tot zijn spijt dat ik de “arbeid die gepaard gaat met de kapitaalvorming” heb “geëlimineerd” (p. 58, noot 7).

“In een door maatschappelijke organen gereguleerd verkeer moet de vaststelling van de taxatiewaarden resp. de taxatieprijzen plaatsvinden met inachtneming van dit kostenmoment” {zo noemt hij het in de productie bestede enz. hoeveelheid arbeid} “zoals dat in principe ook gebeurde bij de vroegere ambtelijke en commerciële taxaties, en bij een eventueel nieuw taxatiesysteem” {socialistisch! wordt bedoeld} “opnieuw zou moeten gebeuren. In het vrije verkeer zijn de kosten echter niet de enige bepalende factor voor de ruilwaarden en de prijzen en kunnen dat in geen enkele denkbare sociale situatie zijn. Want onafhankelijk van de kosten moeten er altijd schommelingen in de gebruikswaarde en de behoeften optreden, waarvan de invloed op de ruilwaarde en de prijzen (contract- en taxatieprijzen) dan de invloed van de kosten wijzigt en moet wijzigen” enz. (pp. 58, 59). “De” {namelijk deze!} “scherpzinnige correctie van de socialistische waardeleer ... is te danken aan Schäffle” (!), die in “Sociaal lichaam” III, p. 278 zegt: “Bij geen enkele vorm van maatschappelijke beïnvloeding van de behoeften en de productie kan worden voorkomen dat alle behoeften kwalitatief en kwantitatief in evenwicht blijven met de productie. Als dat echter het geval is, kunnen de sociale kostenwaardequotiënten niet tegelijkertijd proportioneel gelden als sociale gebruikswaardequotiënten” (p. 59, noot 9).

Dat dit alleen neerkomt op het stijgen en dalen van de marktprijzen boven of onder de waarde en op de voorwaarde dat in de “marxistische sociale staat” zijn voor de burgerlijke samenleving ontwikkelde waardetheorie doorslaggevend is, blijkt uit de zin van Wagner:

“Zij” (de prijzen) “zullen tijdelijk meer of minder daarvan {van de kosten} afwijken, stijgen bij de waren waarvan de gebruikswaarde groter is geworden, dalen bij de waren waarvan de gebruikswaarde kleiner is geworden. Alleen op de lange termijn zullen de kosten zich steeds weer als doorslaggevende regulator doen gelden” enz. (p. 59).

Recht. Voor de fantasie van de vir obscurus over de economisch creatieve invloed van het recht volstaat één zin, hoewel hij het absurde standpunt dat daarin vervat zit keer op keer uitkraamt:

“De individuele economie [Einzelwirtschaft] heeft aan haar top, als orgaan van de technische en economische activiteit daarin ... een persoon als rechts- en economisch subject. Ook dit is geen puur economisch verschijnsel, maar hangt tegelijkertijd af van de vormgeving van het recht. Want dit bepaalt wie als persoon geldt en daarmee ook wie aan de top van een economie kan staan”, enz. (p. 65).

Communicatie en transport (pp. 75-76), p. 80 (noot).

Op p. 82: waar de “verandering in de (natuurlijke) bestanddelen van de goederenmassa” {van een economie, door Wagner ook wel “goederenverandering” genoemd, wordt uitgelegd als Schäffles “sociale stofwisseling” – ten minste een geval daarvan; ik heb het woord echter ook gebruikt in verband met het “natuurlijke” productieproces als stofwisseling tussen mens en natuur} van mij ontleend is, waar de stofwisseling voor het eerst voorkomt in de analyse van W-G-W en onderbrekingen van de vormveranderingen, later ook aangeduid als interruptie van de stofwisseling.

Wat Wagner verder zegt over de “interne ruil” van de goederen in een bedrijfstak (in zijn geval een “particuliere economie”), deels met betrekking tot hun “gebruikswaarde”, deels met betrekking tot hun “waarde”, zoals ik ook heb besproken bij de analyse van de eerste fase van W-G-W, namelijk W-G, het voorbeeld van de linnenwever (Het Kapitaal, pp. 85, 86/87), waar het uiteindelijk heet: “Onze warenbezitters ontdekken dan ook dat dezelfde arbeidsverdeling, die hen tot onafhankelijke, individuele producenten maakte, ook het maatschappelijk productieproces en de verhoudingen binnen dit proces van hén onafhankelijk maakte, dat dus de onafhankelijkheid van de personen onderling wordt aangevuld door een stelsel van algemene, door de producten bepaalde afhankelijkheid.” (Het Kapitaal, p. 87).

Contracten voor de commerciële aankoop van goederen. Hier zet Dunkelmann (vir obscurus) de volgorde op zijn kop. Bij hem is er eerst het recht en dan de handel; in werkelijkheid is het omgekeerd: eerst is er de handel en dan ontwikkelt zich daaruit een recht. Bij de analyse van de warencirculatie heb ik aangetoond dat bij ontwikkelde ruilhandel de ruilende partijen elkaar stilzwijgend erkennen als gelijke personen en eigenaar zijn van de goederen die zij ruilen; zij doen dat al terwijl zij elkaar hun goederen aanbieden en overeenstemming bereiken over de handel. Deze feitelijke relatie, die pas door en in de ruil zelf ontstaat, krijgt later een juridische vorm in het contract enz.; maar deze vorm creëert noch de inhoud ervan, de ruil, noch de daarin aanwezige relatie tussen de personen onderling, maar vice versa. Daarentegen bij Wagner:

Deze verwerving” {van goederen door handel} “vereist noodzakelijkerwijs een bepaalde rechtsorde, op basis waarvan” (!) “de handel plaatsvindt” enz. (p. 84).

Krediet. In plaats van de ontwikkeling van geld als betaalmiddel te beschrijven, maakt Wagner van het circulatieproces, voor zover het plaatsvindt in een vorm waarbij de twee equivalenten niet tegelijkertijd tegenover elkaar staan in W-G, onmiddellijk een “kredietovereenkomst” (p. 85 sq.), waarbij wordt “aangevuld” dat dit vaak gepaard gaat met een “rentebetaling”; en het dient ook om “vertrouwen te geven” en daarmee het “vertrouwen” als basis van het “krediet”.

Over Puchta enz., de juridische opvatting van het begrip “vermogen”, volgens welke ook schulden daaronder vallen als negatieve componenten (p. 86, noot 8).

Krediet is “consumptief krediet” of “productief krediet” (p. 86). Het eerste overheerst op een lager cultuurniveau, het laatste op een “hoger” niveau.

Over de oorzaken van schuldenlast {oorzaken van pauperisme: schommelingen in de oogst, militaire dienst, concurrentie van slaven} in het oude Rome. (Jhering, 3e druk, p. 234, II, 2. Geist des römischen Rechts.)

Volgens Wagner is “consumentenkrediet” op “lager niveau” vooral gangbaar onder “minder welgestelde” klassen en de “hogere verkwistende” klassen. In feite: in Engeland en Amerika overheerst het “consumptief krediet” algemeen met de ontwikkeling van het depositobanksysteem!

“Met name blijkt ... het productief krediet een economische factor te zijn in een op privé-eigendom van grond en roerend kapitaal gebaseerde, vrije-concurrentie-economie. Het is gekoppeld aan het bezit van vermogen, niet aan vermogen als puur economische categorie”, en is daarom slechts een “historisch-juridische categorie” (!) (p. 87).

Afhankelijk van de individuele economie, het vermogen, de wereldeconomie, in het bijzonder de invloed van de conjunctuur op de volkshuishouding.

1. Veranderingen in de gebruikswaarde: verbeteren in sommige gevallen na verloop van tijd, als voorwaarde voor bepaalde natuurlijke processen (wijn, sigaren, violen enz.).

“Verslechteren in overgrote meerderheid ... vallen uiteen in hun materiële bestanddelen, allerlei toevalligheden”. Komt overeen met “verandering” van de ruilwaarde in dezelfde richting, “waardevermeerdering” of “waardevermindering” (pp. 96, 97). Zie de huurovereenkomst in Berlijn (p. 97, noot 2).

2. Veranderingen van de menselijke kennis van de eigenschappen van de goederen; hierdoor “meer vermogen” in positieve zin. (Het gebruik van steenkool voor het smelten van ijzer in Engeland rond 1620, toen de dalende voorraad van bossen het voortbestaan van de ijzerfabrieken bedreigde; chemische ontdekkingen, zoals jodium (gebruik van jodiumhoudende zoutbronnen). Fosforiet als meststof. Antraciet als brandstof. Materiaal voor gasverlichting, voor foto’s. Ontdekking van kleurstoffen en geneeskrachtige stoffen. Guttapercha, rubber. Plantaardig ivoor (van Phytelephas macrocarpa). Creosoot. Paraffinekaarsen. Gebruik van asfalt, sparrennaalden (boswol), gassen in hoogovens, steenkoolteer voor de bereiding van aniline, wollen lompen, zaagsel enz. enz.} In negatieve gevallen vermindering van de bruikbaarheid en dus van de waarde (zoals na de ontdekking van trichinen in varkensvlees, giftige stoffen in verf, planten enz.) (pp. 97, 98). Ontdekkingen van mijnbouwproducten in de aarde, nieuwe nuttige eigenschappen van deze producten, de ontdekking van nieuwe toepassingsmogelijkheden daarvan vergroten het vermogen van de grondeigenaar (p. 98).

3. Conjunctuur.

Invloed van alle externe “omstandigheden” die “in wezen bepalend zijn voor de productie van goederen voor handel, vraag en verkoop” ... dus ook hun “ruilwaarde”, ook die van “het afzonderlijke, reeds voltooide goed, in wezen mede bepalen ... “volledig of hoofdzakelijk onafhankelijk” van het “economische subject” of “eigenaars” (p. 98). De conjunctuur wordt een “bepalende factor” in het “systeem van vrije concurrentie” (p. 99). Zo verkrijgt iemand – “door middel van het beginsel van privé-eigendom” – “wat hij niet verdiend heeft”, en lijdt iemand anders een “verlies”, “economisch ongerechtvaardigde verliezen”.

Over speculatie (noot 10, p. 101). Woningprijzen (p. 102, noot 11). Kolen- en ijzerindustrie (p. 102, noot 12). Talrijke technologische veranderingen verminderen de waarde van industriële producten, zoals productiemiddelen (pp. 102, 103).

In “een economie met een groei van bevolking en welvaart ... overheersen de gunstige kansen, zij het met incidentele tijdelijke en lokale tegenslagen en schommelingen, in het geval van onroerend goed, [met name] in stedelijke (grootstedelijke) gebieden” (p. 102).

“Zo levert de conjunctuur vooral de grondbezitters een winst” (p. 103). “Deze winst, net als de meeste andere winsten uit de conjunctuur ... zijn maar pure spelwinsten”, die worden gecompenseerd door de “spelverliezen” (p. 103).

Dito over de “graanhandel” (p. 103, noot 15).

Zo moet “openlijk worden erkend: ... de economische situatie van het individu of het gezin” is “in wezen een product van de conjunctuur” en dit “verzwakt noodzakelijkerwijs het belang van een persoonlijke economische verantwoordelijkheid” (pp. 104, 105).

“Als dus “de huidige organisatie van de economie en de wettelijke basis daarvoor” (!) “dus privébezit van ... grond en kapitaal” enz. “voor hen vooral een onveranderlijke instelling” is, dan zijn er, na veel geklets, geen middelen “om ... de oorzaken te bestrijden” {van de daaruit voortvloeiende misstanden, zoals altijd stagnatie van de afzet, crises, ontslag van arbeiders, loonsverlagingen enz.} “en dus ook niet van dit kwaad zelf”, terwijl Wagner de “symptomen”, de “gevolgen van het kwaad” denkt te bestrijden door de “conjunctuurwinsten” te treffen met “belastingen” en de “verliezen”, die “economisch ongerechtvaardigd”, het product zijn van de conjunctuur, te bestrijden met een “rationeel ... verzekeringssysteem” (p. 105).

Dit, zegt Dunkelmann, is het resultaat wanneer men de huidige productiewijze met zijn “rechtsgrondslag” als “onveranderlijk” beschouwt; zijn onderzoek, dat dieper gaat dan het socialisme, zal echter de “zaak zelf” aanpakken. Nous verrons [We zullen zien], hoe?

Enkele belangrijke momenten in de conjunctuur.

1. Schommelingen in de oogstopbrengsten van de belangrijkste voedingsmiddelen onder invloed van het weer en politieke omstandigheden, zoals verstoringen van de teelt door oorlog. Producenten en consumenten worden hierdoor beïnvloed (p. 106). {Over graanhandelaren: Tooke, History of Prices; voor Griekenland: Böckh, Staatshaushalt der Athener, I. 1. § 15; voor Rome: Jhering, Geist, p. 238. De toegenomen sterfte onder de lagere bevolkingslagen tegenwoordig bij elke kleine prijsstijging, “is zeker een bewijs van hoe weinig het gemiddelde loon van de massa van de arbeidersklasse het bedrag overschrijdt dat absoluut noodzakelijk is om te leven” (p. 106, noot 19).} Verbeteringen in de communicatiemiddelen {“tegelijkertijd”, zo staat in voetnoot 20, “de belangrijkste voorwaarde voor een speculatieve graanhandel die de prijzen in evenwicht houdt”}, gewijzigde landbouwmethoden {“vruchtwisseling”, door middel van “de teelt van verschillende producten, die door de verschillende weersomstandigheden verschillend worden bevoordeeld of benadeeld”}; vandaar kleinere schommelingen in de graanprijzen binnen korte tijdspannes in vergelijking “met de middeleeuwen en de oudheid”. Maar ook nu nog zijn de schommelingen erg groot. (Zie voetnoot 22, p. 107; feiten aldaar.)

2. Veranderingen in de techniek. Nieuwe productiemethoden. Bessemerstaal in plaats van ijzer enz., p. 107 (zie ook noot 23). Invoering van machines in plaats van handarbeid.

3. Veranderingen in communicatie- en transportmiddelen, die van invloed zijn op het ruimtelijke verkeer van mensen en goederen: hierdoor met name ...
invloed op de waarde van de grond en van de artikelen met een lage specifieke waarde; hele productietakken gedwongen tot een lastige overgang naar andere bedrijfsmethoden (p. 107).

{Zie ook noot 24 ib. Stijging van de waarde van de grond in buurten met een goede communicatie, vanwege een betere afzet van de hier gewonnen producten; vergemakkelijking van de bevolkingsconcentratie in steden, waardoor de waarde van stedelijke grond en de waarde in de buurt van dergelijke plaatsen enorm stijgt. Gemakkelijk transport uit de gebieden met tot nu toe goedkope prijzen voor graan en andere landbouw- en bosbouwgrondstoffen, mijnbouwproducten naar gebieden met hogere prijzen; daardoor bemoeilijkte economische situatie van alle bevolkingsgroepen met een stabieler inkomen in de eerstgenoemde gebieden, daarentegen bevoordeling van de producenten en met name de grondbezitters aldaar. Omgekeerd heeft het vergemakkelijkte transport (import!) van graan en andere stoffen met een lage specifieke waarde een gunstig effect. Dit bevoordeelt consumenten, maar benadeelt producenten in het land van herkomst; dwingt tot overschakeling op andere producties, zoals in Engeland van graanteelt naar veeteelt in de jaren 40, als gevolg van de concurrentie van goedkoop Oost-Europees graan in Duitsland. Moeilijke situatie voor de Duitse boeren (nu) vanwege het klimaat, vervolgens vanwege de recente grote loonsverhogingen, die zij niet zo gemakkelijk als de industriëlen op de producten kunnen doorberekenen, enz.

4. Veranderingen van smaak! Modes enz., die zich dikwijls snel in korte tijd voltrekken.

5. Politieke veranderingen op nationaal en internationaal vlak (oorlog, revolutie enz.); waarbij vertrouwen en wantrouwen steeds belangrijker worden bij toenemende arbeidsverdeling, ontwikkeling van de internationale handel enz., invloed van de kredietfactor, enorme omvang van de moderne oorlogsvoering enz. (p. 108).

6. Veranderingen in de landbouw-, bedrijfs- en handelspolitiek. (Voorbeeld: hervorming van de Britse graanwetgeving.)

7. Veranderingen in de ruimtelijke spreiding en de algemene economische situatie van de gehele bevolking, zoals emigratie van het platteland naar de steden (p. 108, 109).

8. Verandering in de sociale en economische situatie van de afzonderlijke bevolkingsgroepen, zoals het verlenen van het recht op vrijheid van vereniging enz. (p. 109). {De Franse 5 miljard, noot 29 ib.} [Na de Frans-Duitse oorlog van 1870/71 moest Frankrijk volgens het vredesverdrag van Frankfurt, van 10 mei 1871, een bijdrage van 5 miljard frank aan Duitsland betalen.]

Kosten in de individuele economie. Onder de “waarde” producerende “arbeid”, waarin alle kosten oplossen, moet met name ook de “arbeid” in de juiste ruime zin worden opgevat, waarin deze “alles omvat wat aan menselijke doelbewuste activiteiten nodig is om de opbrengsten te verkrijgen”, dus ook met name “het intellectuele werk van de leidinggevende en de activiteit waardoor het kapitaal wordt gevormd en gebruikt”, “daarom” behoort ook de “kapitaalwinst” die deze activiteit betaalt tot de “constitutieve elementen van de kosten”. “Deze opvatting is in tegenspraak met de socialistische waarde- en kostentheorie en de kritiek op het kapitaal” (p. 111).

Dunkelmann verwijt mij dat “de door de arbeiders alleen geproduceerde meerwaarde op ongepaste wijze bij de kapitalistische ondernemers zou blijven” (noot 3, p. 114). Nu zeg ik net het tegenovergestelde, namelijk dat de warenproductie op een bepaald punt noodzakelijkerwijs “kapitalistische” warenproductie wordt en dat volgens de heersende waardewet de “meerwaarde” toekomt aan de kapitalist en niet aan de arbeider. In plaats van zich in te laten met dergelijke sofismen, bewijst het katheder-socialistische karakter viri obscuri zich door de volgende banaliteit, namelijk dat de

“onvoorwaardelijke tegenstanders van de socialisten” “de weliswaar talrijke gevallen van uitbuiting over het hoofd zien, waarin de netto-opbrengsten niet correct (!) worden verdeeld en de individuele economische productiekosten van de ondernemingen te veel ten nadele van de arbeiders (en soms ook van de leenkapitalisten) en ten gunste van de ondernemers worden verlaagd” (l.c.).

Het nationaal inkomen in Engeland en Frankrijk (p. 120, χ-φ).

Het jaarlijkse bruto-inkomen in een land:

1. Het totaal van de in het jaar nieuw geproduceerde goederen. De binnenlandse grondstoffen volledig op basis van hun waarde gebruiken; de uit deze en buitenlandse materialen vervaardigde voorwerpen {om dubbele boeking van de grondstoffen te voorkomen} voor het bedrag van de door de fabrieksarbeid gerealiseerde waardestijging; de in de handel verhandelde en vervoerde grondstoffen en halffabricaten voor het bedrag van de daardoor veroorzaakte waardestijging.

2. Invoer van geld en waren uit het buitenland uit hoofde van rente op vorderingen van binnenlandse kredietverrichtingen of van kapitaalbeleggingen van binnenlandse onderdanen in het buitenland.

3. Door de invoer van buitenlandse goederen werkelijk betaalde vrachtkosten van binnenlandse rederijen in het buitenlandse handelsverkeer en de tussenhandel.

4. Contant geld of waren geïmporteerd uit het buitenland als overboekingen voor buitenlanders die in het binnenland verblijven.

5. Invoer van onbetaalde zaken, zoals voortdurende tributen van het buitenland aan het binnenland, voortdurende immigratie en dus regelmatig immigratievermogen.

6. Waardeoverschot van de invoer van waren en geld in de internationale handel, {maar dan af te trekken, 1. de uitvoer naar het buitenland}.

7. Hoeveelheid waarde uit nuttig vermogen (zoals woonhuizen enz.) (pp. 121, 122).

Voor de netto-opbrengst moet onder andere de “uitvoer van goederen als betaling voor vrachtvervoer door buitenlandse rederijen” worden afgetrokken (p. 123). {De zaak is niet zo eenvoudig: productieprijs (binnenlands) + vracht = verkoopprijs. Indien het binnenland de eigen waren met eigen schepen uitvoert, betaalt het buitenland de vrachtkosten, als de daar geldende marktprijs enz.

“Naast permanente tributen moeten ook regelmatige betalingen aan buitenlandse onderdanen in het buitenland (smeergeld, zoals van Perzië aan de Grieken, salarissen van buitenlandse geleerden onder Lodewijk XIV, Peterspfennige [Peterspfennige – een jaarlijkse heffing die de paus van alle katholieken eiste (oorspronkelijk een zilveren penning van elk gezin op de feestdag van Petrus); tot op de dag van vandaag een belangrijke bron van inkomsten voor de pauselijke curie, waarmee de reactionaire katholieke propaganda wordt gefinancierd.] worden meegerekend” (p. 123, noot 9).

Waarom niet de subsidies die de Duitse vorsten regelmatig van Frankrijk en Engeland ontvingen?

Zie de naïeve soorten inkomstenbronnen van particulieren, die bestaan uit “staats- en kerkelijke uitkeringen” (p. 125, noot 14).

Individuele en economische waardering.

De vernietiging van een deel van een voorraad waren om de rest duurder te verkopen, noemt Cournot, “Recherches sur les principes mathématiques de la théorie des richesses”, 1838, “une véritable création de richesse dans le sens commercial du mot [een werkelijke creatie van rijkdom in de commerciële zin van het woord]” (p. 127, noot 3).

Vergelijken van de afname van de consumptievoorraden van particulieren of, zoals Wagner het noemt, hun “nutzkapitals”, in onze cultuurperiode, met name in Berlijn, p. 128, noot 5, p. 129, noot 8 en 10; daarnaast te weinig geld of eigen bedrijfskapitaal in de productie zelf, p. 130 en aldaar, noot 11.

Relatief groter belang van de buitenlandse handel momenteel, p. 131, noot 13, p. 132, noot 3.