Bron: The Age of Reason – Engelstalig MIA
Deze versie: De voetnoten staan tussen rechte haken [ ] in de tekst.
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !

AAN MIJN MEDEBURGERS VAN DE VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA
IK PLAATS het volgende werk onder uw bescherming. Het bevat mijn mening over religie. U zult mij recht doen door u te herinneren dat ik altijd krachtig het recht van ieder mens op zijn eigen mening heb verdedigd, hoezeer die mening ook van de mijne verschilt. Wie een ander dit recht ontzegt, maakt zichzelf tot slaaf van zijn huidige mening, omdat hij zichzelf het recht ontzegt die te veranderen.
Het meest formidabele wapen tegen fouten van welke aard dan ook is de rede. Ik heb nooit een ander wapen gebruikt en ik vertrouw erop dat ik dat ook nooit zal doen.
Uw toegewijde vriend en medeburger,
THOMAS PAINE
Luxemburg, 8th Pluviose,
Tweede jaar van de Franse Republiek, één en ondeelbaar.
27 januari 1794
Het is al enkele jaren mijn bedoeling om mijn denken over religie te publiceren. Ik ben mij terdege bewust van de moeilijkheden dat dit onderwerp met zich brengt en heb het daarom altijd uitgesteld. Ik wilde dat het mijn laatste bijdrage zou zijn aan mijn medeburgers van alle naties, en wel op een moment dat de zuiverheid van de motieven die mij daartoe bewogen niet in twijfel kon worden getrokken, ook niet door degenen die het werk misschien afkeurden.
De huidige omstandigheden in Frankrijk, namelijk de totale nationale afschaffing van het priesterdom en van alles wat verband houdt met de dwang van de religieuze systemen en geloofsartikelen, hebben niet alleen mijn voornemen versneld, maar ook een werk als dit uiterst noodzakelijk gemaakt, opdat we in de algemene ondergang van bijgeloof, foute regeringssystemen en onware theologie niet de moraal, de menselijkheid en de ware theologie uit het oog verliezen.
Aangezien verscheidene van mijn collega’s en andere medeburgers van Frankrijk mij het voorbeeld hebben gegeven door vrijwillig en individueel hun geloof te belijden, zal ik dat ook doen; en ik doe dit met alle oprechtheid en openhartigheid waarmee de menselijke geest met zichzelf communiceert.
Ik geloof in één God, en in niets meer; en ik hoop op geluk na dit leven. Ik geloof in de gelijkheid van de mens en ik geloof dat religieuze plichten bestaan uit rechtvaardigheid betrachten, barmhartigheid en liefhebben en ons best doen om onze medemensen gelukkig te maken.
Maar om te voorkomen dat men zou denken dat ik naast deze dingen nog in veel andere dingen geloof, zal ik in de loop van dit werk aangeven wat ik niet geloof en waarom ik dat niet geloof.
Ik geloof niet in de joodse belijdenis, de rooms-katholieke Kerk, de grieks-orthodoxe Kerk, de Turkse Kerk, de protestantse Kerk, noch in enig ander geloof dat ik ken. Mijn eigen geest is mijn eigen Kerk.
Alle nationale Kerkelijke instellingen, of ze nu joods, christelijk of Turks zijn, lijken mij niets anders dan menselijke verzinsels, opgezet om de mensheid te terroriseren en te onderwerpen en om macht en winst te monopoliseren.
Met deze verklaring wil ik niet degenen veroordelen die er anders over denken; zij hebben hetzelfde recht op hun geloof als ik op het mijne. Maar voor het geluk van de mens is het noodzakelijk dat hij trouw is aan zichzelf. Ontrouw bestaat niet uit geloven of niet geloven; het bestaat uit het zgn. belijden van het geloof dat men niet gelooft.
Het is onmogelijk om de morele schade te berekenen, als ik het zo mag uitdrukken, dat mentaal liegen in de samenleving heeft veroorzaakt. Wanneer een man zijn geestelijke integriteit zodanig heeft aangetast en verlaagd dat hij zijn professioneel geloof verbindt aan zaken waaraan hij niet gelooft, heeft hij zichzelf voorbereid op het plegen van elke andere misdaad. Hij neemt het priesterschap op zich omwille van het gewin, en om zich voor dat beroep te kwalificeren, begint hij met meineed. Kunnen we iets bedenken dat destructiever is voor de moraal dan dit?
Kort nadat ik het pamflet Common Sense in Amerika had gepubliceerd, zag ik dat de kans zeer groot was dat een revolutie in het regeringssysteem zou worden gevolgd door een revolutie in het religieuze systeem. De overspelige verbintenis tussen Kerk en Staat, waar die ook had plaatsgevonden, of het nu bij de joden, christenen of Turken was, had elke discussie over gevestigde geloofsovertuigingen en over de eerste beginselen van religie zo krachtig verboden door straffen en boetes, dat deze onderwerpen niet eerlijk en openlijk konden worden besproken totdat het regeringssysteem zou worden veranderd; maar dat wanneer dit zou gebeuren, er een revolutie in het religieuze systeem zou volgen. Menselijke verzinsels en priesterlijk bedrog zouden worden ontmaskerd en de mens zou terugkeren naar het zuivere, onvermengde en onvervalste geloof in één God, en niets meer.
Elke nationale Kerk of religie heeft zich gevestigd door te doen alsof zij een speciale missie van God had, die aan bepaalde personen was medegedeeld. De joden hebben hun Mozes, de christenen hun Jezus, hun apostelen en heiligen, de Turken hun Mohammed, alsof de weg naar God niet voor iedereen gelijkelijk openstaat.
Elk van deze Kerken hebben bepaalde boeken die zij de Openbaring of het Woord van God noemen. De joden zeggen dat hun Woord van God door God aan Mozes werd gegeven, van aangezicht tot aangezicht; de christenen zeggen dat hun Godswoord door goddelijke inspiratie kwam; en de Turken zeggen dat hun Woord van God (de Koran) door een engel uit de hemel werd gebracht. Elk van deze Kerken beschuldigt de andere van ongeloof; en wat mij betreft, ik geloof ze allemaal niet.
Aangezien het noodzakelijk is om woorden de juiste betekenis te geven, zal ik, voordat ik verder ga met dit onderwerp, enkele andere opmerkingen maken over het woord openbaring. Openbaring, wanneer toegepast op religie, betekent iets dat rechtstreeks van God aan de mens wordt medegedeeld.
Niemand zal de macht van de Almachtige om een dergelijke mededeling te doen, als Hij dat wil, ontkennen of betwisten. Maar stel dat iets aan een bepaalde persoon is geopenbaard en aan geen enkel ander persoon, dan is het alleen voor die persoon een openbaring. Wanneer hij het aan een tweede persoon vertelt, een tweede aan een derde, een derde aan een vierde, enzovoort, dan is het voor al die personen geen openbaring meer. Het is alleen een openbaring voor de eerste persoon en voor alle anderen is het een gerucht, bijgevolg zijn zij niet genoopt het te geloven.
Het is een contradictie in woorden en in ideeën om iets een openbaring te noemen dat ons via een tweede persoon bereikt, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk. Openbaring is noodzakelijkerwijs beperkt tot de eerste mededeling – daarna is het slechts een verslag van iets waarvan die persoon zegt dat het een openbaring aan hem was; en hoewel hij zich misschien verplicht voelt om het te geloven, kan het niet mijn plicht zijn om het op dezelfde manier te geloven; want het was geen openbaring aan mij, en ik heb alleen zijn woord dat het aan hem was.
Toen Mozes de kinderen van Israël vertelde dat hij de twee stenen tafelen met de geboden uit de handen van God had ontvangen, waren zij niet verplicht hem te geloven, omdat zij geen andere autoriteit hadden dan zijn woorden; en ik heb geen andere autoriteit dan een historicus die mij dat vertelt. De geboden geven geen bewijs van goddelijkheid op zich; ze bevatten enkele goede morele voorschriften, zoals elk wetgevend lichaam, of elke man die gekwalificeerd is om wetgever te zijn, zou kunnen produceren, zonder toevlucht te nemen tot een bovennatuurlijke tussenkomst. [Er moet echter een uitzondering worden gemaakt voor de bewering dat God de zonden van de vaderen doorschuift naar de kinderen; dit is strijdig met elk principe van morele rechtvaardigheid.]
Wanneer mij wordt verteld dat de Koran in de hemel is geschreven en door een engel aan Mohammed gebracht, lijkt dit verhaal te veel op hetzelfde soort geruchten en tweedehands autoriteit als het vorige. Ik heb de engel zelf niet gezien en daarom heb ik het recht om het niet te geloven.
Wanneer mij ook wordt verteld dat een vrouw genaamd de Maagd Maria zei of bekendmaakte dat zij zwanger was zonder met een man te hebben geslapen, en dat haar verloofde, Jozef, zei dat een engel hem dat had verteld, heb ik het recht om hen al dan niet te geloven; een dergelijke omstandigheid vereist veel sterker bewijs dan alleen hun woord; maar zelfs dat hebben we niet, want Jozef noch Maria hebben zelf iets dergelijks opgeschreven; het wordt alleen door anderen vermeld dat zij dat hebben gezegd – het is gerucht op gerucht, en ik verkies mijn geloof niet op dergelijk bewijs te funderen.
Het is echter niet moeilijk te verklaren waarom het verhaal dat Jezus Christus de zoon van God was, geloofwaardig werd gevonden. Hij werd geboren toen de heidense mythologie nog steeds in zwang was en aanzien had in de wereld, en die mythologie had de mensen voorbereid op het geloof in een dergelijk verhaal. Bijna alle buitengewone mannen die onder de heidense mythologie leefden, stonden bekend als zonen van een van hun goden. Het was in die tijd niet ongewoon te geloven dat een man door een god was verwekt; de omgang van goden met vrouwen was toen een algemeen aanvaarde opvatting. Volgens hun verhalen had Jupiter met honderden vrouwen samengeleefd: het verhaal bevatte dus niets nieuws, wonderbaarlijks of obsceens; het was in overeenstemming met de opvattingen die toen gangbaar waren onder de volkeren die heidenen of mythologen werden genoemd, en alleen die volkeren geloofden het. De Joden, die strikt vasthielden aan één God en niets meer, en die de heidense mythologie altijd hadden verworpen, geloofden het verhaal nooit.
Het is merkwaardig om zien hoe de theorie van de zogenaamde christelijke Kerk, voortkwam uit de heidense mythologie. In eerste instantie was er een directe inlijving, door de vermeende stichter als hemels verwekt te beschouwen. De drie-eenheid van de goden die daarop volgde, was niets anders dan een reductie van de vroegere veelheid, die ongeveer twintig- of dertigduizend goden telde: het beeld van Maria volgde het beeld van Diana van Efeze op; de vergoddelijking van helden veranderde in de heiligverklaring van heiligen; de mythologen hadden goden voor alles; de christelijke mythologen hadden heiligen voor alles; de Kerk raakte net zo vol met het ene als het Pantheon met het andere, en Rome was de plaats van beide. De christelijke theorie is weinig anders dan de afgoderij van de oude mythologen, aangepast aan de doeleinden van macht en inkomsten; en het is nog steeds aan de rede en de filosofie om deze dubbelzinnige fraude af te schaffen.
Niets van wat hier wordt gezegd kan, zelfs met grote minachting, van toepassing zijn op het werkelijke karakter van Jezus Christus. Hij was een deugdzame en beminnelijke man. De moraal die hij predikte en in praktijk bracht was van de meest welwillende soort; en hoewel soortgelijke morele systemen vele jaren eerder door Confucius en door sommige Griekse filosofen waren gepredikt, en sindsdien door de quakers en door vele goede mensen door de eeuwen heen, is het door niemand overtroffen.
Jezus Christus heeft niets over zichzelf geschreven, over zijn geboorte, afkomst of iets anders; geen enkele regel van wat het Nieuwe Testament wordt genoemd, is door hem geschreven. Zijn geschiedenis is volledig het werk van anderen; en wat betreft het verslag van zijn opstanding en hemelvaart, dat was de noodzakelijke tegenhanger van het verhaal van zijn geboorte. Zijn historici hadden hem op bovennatuurlijke wijze ter wereld gebracht en waren dus verplicht hem op dezelfde manier weer weg te toveren, anders zou het eerste verhaal in duigen vallen.
Het beroerde verzinsel waarmee dit laatste wordt verteld, overtreft alles wat ervoor kwam. Het eerste deel, dat van de wonderbaarlijke conceptie, was niet iets dat openbaar gemaakt kon worden; en daarom hadden de vertellers van dit deel van het verhaal het voordeel dat ze, hoewel ze misschien niet geloofd werden, ook niet ontmaskerd konden worden. Er kon niet van hen verwacht worden dat ze het zouden bewijzen, omdat het niet iets was dat bewezen kon worden, en het was onmogelijk dat de persoon over wie het verteld werd het zelf zou kunnen bewijzen.
Maar de opstanding van een dode uit het graf en zijn hemelvaart is iets heel anders wat betreft het bewijs dat ervoor kan worden geleverd, dan de onzichtbare conceptie in de baarmoeder. De opstanding en hemelvaart, aangenomen dat ze hebben plaatsgevonden, konden openbaar en met eigen ogen worden waargenomen, zoals het opstijgen van een ballon, of de zon op het middaguur, in ieder geval voor heel Jeruzalem. Iets wat iedereen moet geloven, vereist dat het bewijs en de bewijskracht ervan voor iedereen gelijk is en universeel; en aangezien de openbaarheid van deze laatste handeling het enige bewijs was dat het eerste kon bekrachtigen, valt het geheel in duigen, omdat dat bewijs nooit is geleverd. In plaats daarvan wordt een klein aantal personen, niet meer dan acht of negen, voorgesteld als vertegenwoordigers van de hele wereld, om te zeggen dat zij het hebben gezien, en wordt de rest van de wereld gevraagd om het te geloven. Maar het lijkt erop dat Thomas niet in de opstanding geloofde en, zoals ze zeggen, niet wilde geloven zonder zelf oog- en tastbaar bewijs te hebben. Dus ik ook niet, en de reden is voor mij en voor ieder ander even goed als voor Thomas.
Het is zinloos om te proberen dit te verdoezelen of te verhullen. Het verhaal, voor zover het betrekking heeft op het bovennatuurlijke, draagt alle kenmerken van bedrog en misleiding. Wie de auteurs waren is nu onmogelijk te achterhalen, net als het voor ons onmogelijk is om er zeker van te zijn dat de boeken waarin het verhaal wordt verteld, zijn geschreven door de personen wier namen erop staan; het beste bewijs dat we nu nog hebben met betrekking tot die zaak zijn de Joden. Zij stammen af van de mensen die leefden in de tijd waarin deze wederopstanding en de hemelvaart zou hebben plaatsgevonden, en zij zeggen dat het niet waar is. Het lijkt mij al lang een vreemde tegenstrijdigheid om de Joden aan te halen als bewijs voor de waarheid van het verhaal. Het is net alsof iemand zou zeggen: ik zal de waarheid van wat ik u heb verteld bewijzen door de mensen aan te voeren die zeggen dat het niet waar is.
Dat iemand als Jezus Christus heeft bestaan en dat hij gekruisigd is, wat in die tijd de gebruikelijke executiemethode was, zijn historische feiten die strikt binnen de grenzen van de waarschijnlijkheid vallen. Hij predikte een voortreffelijke moraal en de gelijkheid van de mens, maar hij predikte ook tegen de corruptie en hebzucht van de joodse priesters, en dit bracht hem de haat en wraak van de hele priesterorde op de hals. De beschuldiging die die priesters tegen hem inbrachten, was die van opruiing en samenzwering tegen de Romeinse regering, waaraan de Joden toen onderworpen waren en belasting betaalden; en het is niet onwaarschijnlijk dat de Romeinse regering, net als de joodse priesters, een heimelijke schrik had voor de gevolgen van zijn leer; evenmin is het onwaarschijnlijk dat Jezus Christus van plan was het Joodse volk te bevrijden van de slavernij van de Romeinen. Tussen deze beide, verloor deze deugdzame hervormer en revolutionair zijn leven.
Op basis van dit eenvoudige feitenverslag, samen met een ander geval dat ik ga noemen, hebben de christelijke mythologen, die zichzelf de christelijke Kerk noemen, hun fabel opgebouwd, die qua absurditeit en extravagantie niet wordt overtroffen door iets dat in de mythologie van de Ouden te vinden is.
De oude mythologen vertellen ons dat het ras van de reuzen oorlog voerde tegen Jupiter en dat een van hen honderd rotsblokken in één worp naar hem gooide; dat Jupiter de reus versloeg met donder en hem daarna onder de Etna opsloot, en dat elke keer dat de reus zich omdraait, de Etna vuur spuwt.
Het is hier gemakkelijk te zien dat het feit dat de berg een vulkaan is, het idee voor de fabel heeft opgeleverd, en dat de fabel is aangepast aan en verweven met dat feit.
De christelijke mythologen vertellen ons dat hun Satan oorlog voerde tegen de Almachtige, die hem versloeg en hem daarna opsloot, niet onder een berg, maar in de onderwereld. Het is hier gemakkelijk te zien dat de eerste fabel het idee voor de tweede heeft opgeleverd, want de fabel van Jupiter en de reuzen werd vele honderden jaren vóór die van Satan verteld.
Tot dusver verschillen de oude en de christelijke mythologen weinig van elkaar. Maar de laatsten zijn veel verder gegaan. Ze hebben het fantastische deel van het verhaal van Jezus Christus in verband gebracht met de fabel die zijn oorsprong vindt bij de Etna; en om alle delen van het verhaal met elkaar te verbinden, hebben ze de hulp ingeroepen van Joodse tradities; want de christelijke mythologie bestaat deels uit de oude mythologie en deels uit Joodse tradities.
Nadat de christelijke mythologen Satan in de onderwereld hadden opgesloten, waren ze genoodzaakt hem weer vrij te laten om het vervolg van de fabel te kunnen vertellen. Hij wordt dan in de vorm van een slang of een adder in de Hof van Eden geïntroduceerd, en in die gedaante raakt hij in een vertrouwelijk gesprek met Eva, die helemaal niet verbaasd is dat een slang kan praten; en het resultaat van dit tête-à-tête is dat hij haar overhaalt om een appel te eten, en het eten van die appel veroordeelt de hele mensheid.
Nadat Satan deze overwinning op de hele schepping had behaald, zou men veronderstellen dat de Kerkelijke mythologen zo vriendelijk zouden zijn geweest hem weer terug te sturen naar de onderwereld; of, als ze dat niet hadden gedaan, dat ze een berg op hem zouden hebben gelegd (want ze zeggen dat hun geloof een berg kan verplaatsen), of hem onder een berg zouden hebben gelegd, zoals de vroegere mythologen hadden gedaan, om te voorkomen dat hij weer onder de vrouwen zou komen en nog meer kwaad zou doen. Maar in plaats daarvan laten ze hem vrij, zonder hem zelfs maar te verplichten zijn woord te geven – het geheim hiervan is dat ze niet zonder hem konden; en nadat ze de moeite hadden genomen om hem te scheppen, kochten ze hem om, om te blijven. Ze beloofden hem ALLE Joden, ALLE Turken bij voorbaat, negentiende van de wereld erbij, en Mohammed als extraatje. Wie kan na dit alles nog twijfelen aan de vrijgevigheid van de christelijke mythologie?
Na aldus een opstand en een strijd in de hemel te hebben veroorzaakt, waarin geen van de strijders gedood of gewond kon worden – ging Satan naar de onderwereld – om hem er weer uit te laten – hem een triomf over de hele schepping te geven – de hele mensheid te vervloeken door het eten van een appel; en brengen deze christelijke mythologen de twee uiteinden van hun fabel samen. Ze stellen deze deugdzame en beminnelijke man, Jezus Christus, voor als tegelijkertijd zowel God als mens, en ook als de Zoon van God, hemels verwekt, met het doel om geofferd te worden, omdat ze zeggen dat Eva in haar verlangen een appel had gegeten.
Als we alles wat door absurditeit tot lachen kan aanzetten, of door godslastering tot afkeer, buiten beschouwing laten en ons beperken tot een onderzoek van de delen, is het onmogelijk om een verhaal te bedenken dat meer denigrerend is voor de Almachtige, meer in strijd is met zijn wijsheid, meer in tegenspraak met zijn macht, dan dit verhaal.
Om een grond te hebben, waren de bedenkers genoodzaakt om het wezen Satan een macht te geven die even groot, zo niet groter was dan die welke zij aan de Almachtige toeschrijven. Zij hebben hem niet alleen de macht gegeven zichzelf te bevrijden uit de onderwereld, na wat zij zijn val noemen, maar zij hebben die macht daarna tot in het oneindige vergroot. Vóór deze val stellen zij hem voor als een engel met een beperkt bestaan, net als de anderen. Na zijn val wordt hij volgens hun verhaal alomtegenwoordig. Hij bestaat overal en tegelijkertijd. Hij neemt de hele onmetelijkheid van de ruimte in beslag.
Niet tevreden met deze vergoddelijking van Satan, stellen zij hem voor als iemand die door middel van een list, in de gedaante van een dier uit de schepping, alle macht en wijsheid van de Almachtige verslaat. Zij stellen hem voor als iemand die de Almachtige heeft gedwongen om ofwel de hele schepping over te geven aan het bewind en de soevereiniteit van deze Satan, ofwel te capituleren voor een verlossing door naar de aarde te komen en zich aan het kruis te tonen in de gedaante van een mens.
Als de bedenkers van dit verhaal het omgekeerde hadden verteld, dat wil zeggen, als ze de Almachtige hadden voorgesteld als degene die Satan dwong om zich aan een kruis te tonen, in de gedaante van een slang, als straf voor zijn nieuwe zonde, dan zou het verhaal minder absurd zijn geweest – minder tegenstrijdig. Maar in plaats daarvan laten ze de overtreder triomferen en de Almachtige vallen.
Dat veel goede mensen deze fabel hebben geloofd en onder dat geloof een zeer goed leven hebben geleid (want goedgelovigheid is geen misdaad), daar twijfel ik niet aan. In de eerste plaats zijn ze opgevoed om het te geloven, en ze zouden op dezelfde manier alles hebben geloofd. Er zijn ook velen die zo enthousiast zijn geraakt door wat zij beschouwden als de oneindige liefde van God voor de mens, door zichzelf op te offeren, dat de heftigheid van het idee hen heeft belet en afgeschrikt om de absurditeit en godslastering van het verhaal te onderzoeken. Hoe onnatuurlijker iets is, hoe meer het in staat is om het voorwerp van sombere bewondering te worden.
Maar de objecten van dankbaarheid en bewondering, worden die niet elk uur aan onze ogen gepresenteerd? Zien we niet een prachtige schepping, klaar om ons te ontvangen vanaf de geboorte – een wereld die ons in de schoot geworpen wordt, zonder dat het ons iets kost? Zijn wij het die de zon laten schijnen, de regen laten vallen en de aarde met overvloed vullen? Of we nu slapen of wakker zijn, de enorme machinerie van het universum blijft maar doorgaan. Betekenen deze dingen en de toekomstige zegeningen, dan niets voor ons? Kunnen onze stompe gevoelens alleen maar worden geprikkeld door tragedie en zelfmoord? Of is de naargeestige trots van de mens zo ondraaglijk geworden dat niets anders hem kan behagen dan een offer van de Schepper?
Ik weet dat dit gedurfde onderzoek velen zal alarmeren, maar het zou een te groot compliment zijn aan hun goedgelovigheid om het achterwege te laten; de tijd en het onderwerp vereisen dat het gebeurt. Het vermoeden dat de theorie van wat de christelijke Kerk wordt genoemd, een verzinsel is, wordt in alle landen steeds meer aanvaard; en het zal een troost zijn voor de mensen die wankelen en twijfelen over wat ze moeten geloven en wat ze niet moeten geloven, om te zien dat het onderwerp vrijuit wordt onderzocht. Ik ga daarom over tot een onderzoek van de boeken die het Oude en Nieuwe Testament worden genoemd.
Deze boeken, die beginnen met Genesis en eindigen met Openbaring (wat overigens een boek vol raadsels is dat een openbaring vereist om het te kunnen verklaren), zijn, zo wordt ons verteld, het Woord van God. Het is daarom gepast dat we weten wie ons dat heeft verteld, zodat we weten hoeveel geloof we aan het verslag kunnen hechten. Het antwoord op deze vraag is dat niemand dat kan zeggen, behalve dat wij dat elkaar vertellen. Historisch gezien lijkt het echter als volgt te zijn:
Toen de Kerkelijke mythologen hun systeem opzetten, verzamelden ze alle geschriften die ze konden vinden en beheerden ze deze naar eigen goeddunken. Het is voor ons volstrekt onzeker of de geschriften die nu onder de naam Oud en Nieuw Testament verschijnen, nog in dezelfde staat verkeren als waarin de collecteurs ze naar eigen zeggen hebben aangetroffen, of dat ze er iets aan hebben toegevoegd, gewijzigd, ingekort of verfraaid.
Hoe het ook zij, zij besloten bij stemming welke boeken uit de aangelegde verzameling het WOORD VAN GOD zouden zijn en welke niet. Zij verwierpen er verschillende; zij stemden andere als twijfelachtig weg, zoals de boeken die de Apocriefen worden genoemd; en de boeken die een meerderheid van stemmen kregen, werden uitgeroepen tot het Woord van God. Als ze anders hadden gestemd, zouden alle mensen, die zichzelf christenen noemen, anders hebben geloofd – want het geloof van de een komt voort uit het stemmen van de ander. Wie de mensen waren die dit allemaal hebben gedaan, weten we niet; ze noemden zichzelf algemeen: de Kerk, en dat is alles wat we over deze kwestie weten.
Aangezien we geen ander extern bewijs of gezag hebben om te geloven dat deze boeken het Woord van God zijn dan wat ik heb genoemd, wat helemaal geen bewijs of autoriteit is, ga ik nu verder met het onderzoeken van het interne bewijs in de boeken zelf.
In het eerste deel van dit essay heb ik gesproken over openbaring; ik ga nu verder met dat onderwerp, met het doel het toe te passen op de boeken in kwestie.
Openbaring is een mededeling van iets wat de persoon aan wie dat iets wordt geopenbaard, voorheen niet wist. Want als ik iets heb gedaan of gezien, heb ik geen openbaring nodig om mij te vertellen dat ik het heb gedaan of gezien, noch om mij in staat te stellen het te vertellen of op te schrijven.
Openbaring kan daarom niet worden toegepast op iets dat op aarde is gedaan en waarvan de mens zelf de actor of de getuige is; bijgevolg vallen alle historische en anekdotische delen van de Bijbel, die bijna de hele Bijbel uitmaken, niet onder de betekenis van het woord openbaring en zijn daarom niet het Woord van God.
Toen Samson ervandoor ging met de poorten van Gaza, als hij dat ooit heeft gedaan (en of hij dat heeft gedaan of niet, doet niet ter zake), of toen hij zijn Delila bezocht, of zijn vossen ving, of iets anders deed, wat heeft een openbaring dan met deze dingen te maken? Als het feiten waren, kon hij ze zelf vertellen, of zijn secretaris, als hij die had, kon ze noteren, als ze het waard waren om te worden verteld of te noteren; en als het verzinsels waren, kon een openbaring ze niet waar maken; en of ze nu waar zijn of niet, we worden er niet beter of wijzer van als we ze kennen. Wanneer we nadenken over de onmetelijkheid van dat Wezen dat het onbegrijpelijke GEHEEL bestuurt en regeert, waarvan het uiterste bereik van het menselijk zicht slechts een deel kan ontdekken, zouden we ons moeten schamen om zulke onbeduidende verhalen het Woord van God te noemen.
Wat betreft het scheppingsverhaal, waarmee het boek Genesis begint, heeft het alle kenmerken van een traditie onder de Israëlieten, voordat ze naar Egypte kwamen; en na hun vertrek uit dat land plaatsten ze het aan het begin van hun geschiedenis, zonder te vertellen (zoals hoogstwaarschijnlijk het geval is) dat ze niet wisten hoe ze eraan gekomen waren. De manier waarop het verhaal begint laat zien dat het om een traditie gaat. Het begint abrupt; er is niemand die spreekt; er is niemand die luistert; het is aan niemand gericht; het heeft geen eerste, tweede of derde persoon; het voldoet aan alle criteria van een traditie; het heeft geen bewijs. Mozes neemt het niet op zich door het in te leiden met de formaliteit die hij bij andere gelegenheden gebruikt, zoals wanneer hij zegt: “De Heer sprak tot Mozes, zeggende.”
Waarom het Mozesverhaal het verhaal van de schepping wordt genoemd, begrijp ik niet. Mozes was naar mijn mening te goed in het beoordelen van dergelijke onderwerpen om zijn naam aan dat verhaal te verbinden. Hij was opgeleid onder de Egyptenaren, een volk dat even bedreven was in de wetenschap, met name in astronomie, als elk ander volk in die tijd. En de stilte en voorzichtigheid die Mozes in acht neemt door het verhaal niet te authenticeren, is een goed negatief bewijs dat hij het niet vertelde en er ook niet in geloofde. Het punt is dat elk volk wereldbouwers zijn geweest, en de Israëlieten hadden evenveel recht om zich met wereldschepping bezig te houden als alle andere volkeren; en aangezien Mozes geen Israëliet was, koos hij er misschien voor om de traditie niet te weerleggen. Het verhaal is echter onschuldig, en dat is meer dan van veel andere delen van de Bijbel kan worden gezegd.
Wanneer we de obscene verhalen, de wellustige losbandigheden, de wrede en martelende executies en de meedogenloze wraakzucht lezen waarmee meer dan de helft van de Bijbel gevuld is, zou het logischer zijn om het het woord van een demon te noemen dan het Woord van God. Het is een geschiedenis van slechtheid, die heeft gediend om de mensheid te corrumperen en te brutaliseren; en wat mij betreft verafschuw ik het oprecht, zoals ik alles verafschuw wat wreed is.
We komen nauwelijks iets tegen, behalve enkele zinnen, dat niet onze afkeer of minachting verdient, tot we bij de overige delen van de Bijbel komen. In de anonieme publicaties, de Psalmen en het Boek van Job, meer in het bijzonder in het laatste, vinden we veel verheven gevoelens die eerbiedig worden uitgedrukt, over de macht en goedheid van de Almachtige; maar ze staan niet hoger aangeschreven dan vele andere over soortgelijke onderwerpen, zowel voor die tijd als daarna.
De spreuken die aan Salomo worden toegeschreven, hoewel ze hoogstwaarschijnlijk verzameld zijn (omdat ze een kennis van het leven onthullen die hij vanuit zijn positie niet kon hebben), zijn een leerzame ethische lijst. Ze zijn minder scherp dan de spreuken van de Spanjaarden en niet wijzer en economischer dan die van de Amerikaan Franklin.
Alle overige delen van de Bijbel, bekend onder de naam Profeten, zijn het werk van Joodse dichters en rondtrekkende predikers, die poëzie [Aangezien veel lezers een creatie alleen als poëzie beschouwen als deze rijmt, voeg ik deze opmerking ter informatie toe], anekdotes en devotie met elkaar vermengden – en die werken hebben nog steeds de sfeer en stijl van poëzie, hoewel ze vertaald zijn.
Poëzie bestaat hoofdzakelijk uit twee dingen: beeldspraak en compositie. De compositie van poëzie verschilt van die van proza in de manier waarop lange en korte lettergrepen met elkaar worden vermengd. Haal een lange lettergreep uit een poëzieregel en vervang deze door een korte, of plaats een lange waar een korte zou moeten staan, en die regel verliest zijn poëtische harmonie. Het effect op de regel is hetzelfde als wanneer je een noot in een lied verkeerd plaatst. De beeldspraak in deze boeken, genaamd de Profeten, behoort volledig tot de poëzie. Ze is fictief, vaak extravagant en niet toegestaan in andere stijlen dan poëzie. Om aan te tonen dat deze geschriften poëtisch zijn geschreven, neem ik tien lettergrepen, zoals ze in het boek staan, en maak ik een regel met hetzelfde aantal lettergrepen (heroïsche actie) die rijmt op het laatste woord. Dan zal blijken dat de samenstelling van deze boeken poëtisch van aard is. Het voorbeeld dat ik zal geven is uit Jesaja:
Hoor, o hemelen, en luister, o aarde! Het is God zelf die aandacht vraagt.
Een ander voorbeeld dat ik aanhaal is van de klagende Jeremia, waaraan ik twee andere regels toevoeg om de figuur uit te werken en de bedoeling van de dichter te laten zien:
O, dat mijn hoofd water was en mijn ogen Waren fonteinen die vloeiden als de vloeibare hemel; Dan zou ik de machtige vloed vrijlaten, En een stortvloed van tranen laten vloeien voor het menselijk geslacht.
In het hele boek dat de Bijbel heet, staat geen enkel woord dat ons beschrijft wat wij een dichter noemen, noch enig woord dat beschrijft wat wij poëzie noemen. Het is zo dat het woord profeet, waaraan in latere tijden een nieuwe betekenis is gegeven, in de Bijbel het woord voor dichter was, en dat het woord profeteren de kunst van het dichten betekende. Het betekende ook de kunst van het dichten op een melodie met een muziekinstrument.
We lezen over profeteren met fluiten, tamboerijnen en hoorns – over profeteren met harpen, psalters, cimbalen en alle andere muziekinstrumenten die toen in zwang waren. Als we nu zouden spreken over profeteren met een viool, of een fluit en tamboerijn, zou de uitdrukking geen betekenis hebben of belachelijk overkomen, en voor sommige mensen minachtend, omdat we de betekenis van het woord hebben veranderd.
Er wordt ons verteld dat Saul zich onder de profeten bevond en dat hij ook profeteerde, maar er wordt ons niet verteld wat zij profeteerden, noch wat hij profeteerde. Het punt is dat er niets te vertellen viel, want deze profeten waren een gezelschap van musici en dichters, en Saul concerteerde mee, en dit werd profeteren genoemd.
Het verslag van deze gebeurtenis in het boek Samuel luidt dat Saul een aantal profeten ontmoette; een hele groep! Ze kwamen met een psalter, een tamboerijn, een fluit en een harp, zij profeteerden en hij profeteerde met hen. Maar achteraf blijkt dat Saul slecht profeteerde; dat wil zeggen, hij vervulde zijn rol als profeet slecht; want er wordt gezegd dat een “kwade geest van God over Saul kwam en hij profeteerde.” [Aangezien de mannen die zichzelf godgeleerden en commentatoren noemen er dol op zijn elkaar in verwarring te brengen, laat ik het aan hen over om te discussiëren over de betekenis van het eerste deel van de zin, namelijk die van een boze geest van God. Ik houd me aan mijn tekst – ik houd me aan de betekenis van het woord profeteren.]
Als er in het boek dat de Bijbel heet geen andere passage zou staan dan deze, om ons te laten zien dat de oorspronkelijke betekenis van het woord profeteren zoekgeraakt is en vervangen door een andere betekenis, dan zou dit al voldoende zijn; want het is onmogelijk het woord profeteren te gebruiken en toe te passen op de plaats waar het hier wordt gebruikt, als we er de betekenis aan geven die er later aan is gegeven. De manier waarop het hier wordt gebruikt ontdoet het van alle religieuze betekenis en laat zien dat een man toen een profeet kon zijn, of kon profeteren, zoals hij nu een dichter of een musicus kan zijn, zonder enige aandacht voor de moraliteit of immoraliteit van zijn karakter. Het woord was oorspronkelijk een wetenschappelijke term en zonder onderscheid toegepast op poëzie en muziek, onbeperkt tot enig subject waarop poëzie en muziek werden toegepast.
Deborah en Barak worden profeten genoemd, niet omdat ze iets voorspelden, maar omdat ze het gedicht of lied componeerden dat hun naam draagt, ter ere van een reeds volbrachte daad. David wordt tot de profeten gerekend, omdat hij een musicus was en ook bekend stond als (hoewel misschien ten onrechte) de auteur van de Psalmen. Maar Abraham, Isaak en Jacob worden geen profeten genoemd; uit geen enkel verslag dat we hebben, blijkt dat zij konden zingen, muziek maken of poëzie schrijven.
Er wordt ons verteld over grote en minder belangrijke profeten. Ze kunnen ons net zo goed vertellen over een grotere en een kleinere God, want er kunnen geen gradaties zijn in het profeteren in de moderne betekenis van het woord. Er zijn echter verschillende niveaus in de poëzie, en daarom is de uitdrukking verenigbaar met het geval, wanneer we eronder de grotere en de kleinere dichters verstaan.
Het is dan volstrekt overbodig om nog opmerkingen te maken over wat deze mannen, profeten genoemd, hebben geschreven. De bijl aan de wortel, door aan te tonen dat de oorspronkelijke betekenis van het woord fout is begrepen en dat bijgevolg alle conclusies die uit die boeken zijn getrokken, het betoonde respect en de commentaren die erover zijn geschreven, onder die verkeerde betekenis, niet de moeite waard zijn om over te discussiëren. In veel opzichten verdienen de geschriften van de Joodse dichters echter een beter lot dan dat ze nu worden gebundeld met de rommel die erbij hoort, onder de misbruikte naam van het Woord van God.
Indien wij onszelf toestaan de juiste ideeën over dingen te ontwikkelen, moeten wij noodzakelijkerwijs niet alleen het idee van onveranderlijkheid aanvaarden, maar ook de volstrekte onmogelijkheid dat er enige verandering plaatsvindt, op welke wijze of door welk toeval dan ook, in datgene wat wij met de naam van het Woord van God willen eren; en daarom kan het Woord van God niet in enige geschreven of menselijke taal bestaan.
De voortdurende progressieve verandering waaraan de betekenis van woorden onderhevig is, het ontbreken van een universele taal waardoor vertaling noodzakelijk is, de fouten waaraan vertalingen weer onderhevig zijn, de fouten van kopiisten en drukkers, samen met de kans van opzettelijke wijzigingen, zijn op zichzelf al bewijzen dat de menselijke taal, zowel gesproken als gedrukt, niet het voertuig van het Woord van God kan zijn. Het Woord van God bestaat in iets anders.
Zelfs als het boek dat de Bijbel heet, in zuiverheid van ideeën en uitdrukking alle boeken in de wereld zou overtreffen, zou ik het niet als mijn geloofsregel nemen, als het Woord van God, omdat de mogelijkheid zou bestaan dat ik misleid zou worden. Maar wanneer ik in het grootste deel van dit boek nauwelijks iets anders zie dan een geschiedenis van de grofste ondeugden en een verzameling van de meest onbeduidende en verachtelijke verhalen, kan ik mijn Schepper niet onteren door het bij zijn naam te noemen.
Tot zover de Bijbel; ik ga nu verder met het boek dat het Nieuwe Testament heet. Het Nieuwe Testament! Dat wil zeggen, de nieuwe wil, alsof er twee willen van de Schepper kunnen zijn.
Als het het doel of de bedoeling van Jezus Christus was geweest om een nieuwe religie te stichten, had hij ongetwijfeld er zelf over geschreven, of ervoor gezorgd dat het tijdens zijn leven werd opgeschreven. Maar er bestaat geen tekst die met zijn naam is geauthenticeerd. Alle boeken die het Nieuwe Testament worden genoemd, zijn na zijn dood geschreven. Hij was een Jood van geboorte en belijdenis en hij was de zoon van God op dezelfde manier als ieder ander mens – want de Schepper is de Vader van Allen.
De eerste vier boeken, genaamd Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes, geven geen geschiedenis van het leven van Jezus Christus, maar slechts losse anekdotes. Uit deze boeken blijkt dat hij niet langer dan achttien maanden prediker was en dat deze mannen hem alleen tijdens deze korte periode hebben gekend. Ze vermelden dat hij op twaalfjarige leeftijd tussen de Joodse geleerden zat en hen vragen stelde en beantwoordde. Aangezien dit enkele jaren vóór hun kennismaking met hem was, is het zeer waarschijnlijk dat ze deze anekdote van zijn ouders hebben gehoord. Vanaf dat moment is er ongeveer zestien jaar lang niets over hem bekend. Waar hij woonde en wat hij in die periode deed is niet bekend. Waarschijnlijk werkte hij bij van zijn vader, die timmerman was. Hij schijnt geen schoolopleiding te hebben genoten en het is waarschijnlijk dat hij niet kon schrijven, want zijn ouders waren arm, zoals blijkt uit het feit dat ze geen bed konden betalen toen hij werd geboren.
Het is enigszins merkwaardig dat de drie personen wier namen het meest bekend zijn, van zeer onbekende afkomst waren. Mozes was een vondeling, Jezus Christus werd in een stal geboren en Mohammed was een muilezeldrijver [in Wikipedia: schaapsherder – vert.]. De eerste en de laatste waren de stichters van verschillende religieuze systemen, maar Jezus Christus stichtte geen nieuw systeem. Hij riep de mensen op tot het beoefenen van morele deugden en het geloof in één God. Het belangrijkste kenmerk van zijn karakter is filantropie.
De manier waarop hij werd gearresteerd toont aan dat hij in die tijd vrij onbekend was; het toont ook aan dat de vergaderingen met zijn volgelingen in het geheim plaatsvonden en dat hij het openbaar prediken had opgegeven of opgeschort. Judas kon hem niet anders verraden dan door informatie te geven over waar hij zich bevond en hem aan te wijzen aan de officieren die hem kwamen arresteren; en de reden om Judas hiervoor in te huren en te betalen kon alleen voortkomen uit het reeds genoemde feit; dat hij niet erg bekend was en in het verborgen leefde.
Het idee dat hij zich schuilhield spoort niet alleen slecht met zijn vermeende goddelijkheid, maar roept ook een gevoel van lafheid op. Dat hij werd verraden, met andere woorden gearresteerd, op basis van informatie van een volgeling, toont dat hij niet dacht van gearresteerd te worden, dus ook niet gekruisigd te worden.
De christelijke mythologen vertellen ons dat Christus stierf voor de zonden van de wereld en dat hij met opzet kwam om te sterven. Zou het dan niet hetzelfde zijn geweest als hij was gestorven aan koorts of pokken, aan ouderdom of aan iets anders?
De verklaring die, naar men zegt, aan Adam gegeven werd, indien hij van de appel zou eten, luidde niet: gij zult zeker gekruisigd worden, maar gij zult zeker sterven – het vonnis van de dood, en niet de wijze van sterven. Kruisiging, of enige andere specifieke manier van sterven, maakte dus geen deel uit van het vonnis dat Adam moest ondergaan, bijgevolg kon het, zelfs volgens hun eigen tactiek, geen deel uitmaken van het vonnis dat Christus in plaats van Adam moest ondergaan. Koorts zou net zo goed hebben volstaan als het kruis, als er gelegenheid voor was geweest.
Het doodvonnis dat volgens hen aldus over Adam werd uitgesproken, moet ofwel hebben betekend dat hij op natuurlijke wijze zou sterven, dat wil zeggen dat hij zou ophouden te leven, ofwel hebben betekend wat deze mythologen 'verdoemenis' noemen; en bijgevolg moet het sterven van Jezus Christus, volgens hun systeem, dienen als een maatregel om te voorkomen dat een van deze twee dingen Adam en ons overkomt.
Dat het ons sterven niet verhindert, is duidelijk, want we sterven allemaal; en als hun verhalen over een lang leven waar zijn, sterven mensen sinds de kruisiging sneller dan daarvoor; en wat betreft de tweede verklaring (waarbij de natuurlijke dood van Jezus Christus wordt gezien als een vervanging voor de eeuwige dood of verdoemenis van de hele mensheid), wordt de Schepper op een ongepaste manier voorgesteld als iemand die het vonnis intrekt of herroept door middel van een woordspeling of muggenzifterij rond het woord ‘dood’. De muggenzifter, Paulus, als hij de boeken schreef die zijn naam dragen, heeft dit in stand gehouden door er nog een te maken met het woord Adam. Hij maakt dat er twee Adams zijn; de ene die daadwerkelijk zondigt en lijdt bij volmacht; de andere die bij volmacht zondigt en daadwerkelijk lijdt. Een religie zo doorspekt met details, uitvluchten en woordspelingen heeft de neiging haar aanhangers te onderwijzen in de beoefening van deze kunsten. Zij verwerven deze gewoonte zonder zich bewust te zijn van de oorzaak.
Indien Jezus Christus was, zoals de mythologen ons vertellen, en hij in deze wereld kwam om te lijden, een term die zij soms gebruiken in plaats van sterven, dan zou het enige echte lijden dat hij had kunnen ondergaan, het leven zelf zijn geweest. Zijn bestaan was dan een staat van ballingschap of verbanning uit de hemel en de weg terug naar zijn oorsprong was de dood. Kortom, alles in dit vreemde systeem is het tegenovergestelde van wat het pretendeert te zijn. Het is het tegenovergestelde van de waarheid, en ik word zo moe van het onderzoeken van de inconsistenties en absurditeiten ervan, dat ik me haast om tot een conclusie te komen, om verder te kunnen gaan met iets beters.
Hoeveel of welke van de boeken die in het Nieuwe Testament worden genoemd, zijn geschreven door de personen wier namen ze dragen, dat is iets waar we niets van weten; evenmin weten we in welke taal ze oorspronkelijk zijn geschreven. Wat zij nu bevatten, dat kan onder twee noemers worden geschaard: anekdotes en epistolair werk.
De vier reeds genoemde boeken, Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes, zijn volledig anekdotisch. Ze vertellen over gebeurtenissen nadat ze hebben plaatsgevonden. Ze vertellen wat Jezus Christus deed en zei en wat anderen deden en tegen hem zeiden; en in verschillende gevallen vertellen ze dezelfde gebeurtenis op verschillende wijze. Openbaring is noodzakelijkerwijs uitgesloten met betrekking tot die boeken; niet alleen vanwege de onenigheid tussen de schrijvers, maar ook omdat een openbaring niet kan worden toegepast op het vertellen van feiten door de persoon die ze heeft gezien, noch op het vertellen of noteren van een toespraak of gesprek door degenen die het hebben gehoord. Het boek De Handelingen van de apostelen (een anoniem werk) behoort ook tot het anekdotische.
Alle andere delen van het Nieuwe Testament, uitgezonderd het raadselachtige boek Openbaring, zijn een verzameling brieven onder de naam epistels; en het vervalsen van brieven was zo gangbaar in de wereld, dat de waarschijnlijkheid dat ze echt of vervalst zijn minstens even groot is. Eén ding is echter veel minder twijfelachtig, namelijk dat de Kerk op basis van de inhoud van die boeken, samen met enkele oude verhalen, een religieus systeem heeft opgezet dat zeer in tegenspraak is met het karakter van de persoon wiens naam het draagt. Ze heeft een religie van pracht en praal en inkomsten opgezet, in een zogenaamde navolging van een persoon wiens leven gekenmerkt werd door nederigheid en armoede.
De uitvinding van het vagevuur en de bevrijding van de zielen door middel van gebeden, gekocht met geld; de verkoop van aflaten, dispensatie en indulgentie zijn belastingwetten zonder die naam te dragen of die indruk te geven. Maar het is niettemin zo dat zij hun oorsprong vinden in het paroxisme van de kruisiging en de daaruit afgeleide theorie dat één persoon in de plaats van een ander kon treden en verdienstelijke diensten voor hem kon verrichten. Het is daarom waarschijnlijk dat de hele theorie of leer van wat de verlossing wordt genoemd (die zou zijn volbracht door de daad van één persoon in plaats van een ander) oorspronkelijk is verzonnen om al die secundaire en geldelijke verlossingen naar voren te brengen en te realiseren; en dat de passages in de boeken, waarop het idee of de theorie van de verlossing is gebaseerd, voor dat doel zijn verzonnen en vervaardigd. Waarom zouden we deze Kerk geloven als ze ons vertelt dat die boeken in alle opzichten authentiek zijn, dat we haar geloven voor al het andere wat ze ons heeft verteld, of voor de wonderen die ze zegt te hebben verricht? Dat zij geschriften kon vervalsen, staat vast, want zij kon schrijven; en de samenstelling van de geschriften in kwestie is van dien aard dat iedereen ze zou kunnen schrijven; en dat zij ze heeft vervalst, is niet onwaarschijnlijker dan dat zij ons kon vertellen, zoals zij heeft gedaan, dat zij mirakels kon verrichten en dat ook heeft gedaan.
Aangezien er na zo’n lange tijd geen extern bewijs kan worden geleverd om te bewijzen dat de Kerk de doctrine van de verlossing wel of niet heeft verzonnen (want dergelijk bewijs, voor of tegen, zou onderhevig zijn aan dezelfde verdenking van verzinsels), kan de zaak alleen worden gebaseerd op het interne bewijs dat de zaak zelf aan de orde stelt; en dit levert een zeer sterke veronderstelling op dat het om verzinsels gaat. Het interne bewijs is namelijk dat de theorie of leer van de verlossing gebaseerd is op een concept van financiële rechtvaardigheid, niet op morele rechtvaardigheid.
Als ik iemand geld verschuldigd ben en hem niet kan betalen en hij dreigt mij met gevangenis, kan een ander de schuld op zich nemen en voor mij betalen; maar als ik een misdaad heb begaan, verandert de hele situatie; morele gerechtigheid kan de onschuldige niet schuldig laten zijn, zelfs als de onschuldige zich daarvoor zou offeren. Veronderstellen dat gerechtigheid dit doet, is het vernietigen van het principe van haar bestaan, zijnde de zaak zelf; het is dan niet langer gerechtigheid, maar wraak.
Deze overweging toont aan dat de verlossingsleer gebaseerd is op een geldelijk idee dat correspondeert met dat van een schuld die een ander zou kunnen betalen; en aangezien dit geldelijk idee weer overeenkomt met het systeem van een tweede verlossing, verkregen door middel van geld dat aan de Kerk wordt gegeven voor aflaten, is de kans groot dat dezelfde personen beide theorieën hebben verzonnen; en dat er in werkelijkheid geen verlossing bestaat – dat het een fabel is en dat de mens zich in dezelfde relatieve toestand ten opzichte van zijn Schepper bevindt als hij zich altijd heeft bevonden sinds de mens bestaat, en dat het zijn grootste troost is om dat te denken.
Laat hem dit geloven, en hij zal op een meer consequente en morele manier leven dan met enig ander systeem; door hem te leren zichzelf te beschouwen als uitgestoten, als een bedelaar, als een zwerver, als iemand die als het ware op een mesthoop is geworpen, op een enorme afstand van zijn Schepper, en die moet kruipen en buigen voor bemiddelaars om dichterbij te komen, ontwikkelt hij ofwel een minachtende houding ten opzichte van alles wat met religie te maken heeft, ofwel wordt hij onverschillig, ofwel wordt hij wat hij noemt vroom. In het laatste geval leeft hij zijn leven in verdriet, of in schijn; zijn gebeden zijn verwijten; zijn nederigheid is ondankbaarheid; hij noemt zichzelf een worm en de vruchtbare aarde een mesthoop; en alle zegeningen van het leven met de ondankbare naam van ijdelheden; hij veracht de kostbaarste gave van God aan de mens, de GAVE VAN HET VERSTAND; en nadat hij zichzelf heeft gedwongen te geloven in een systeem waartegen het verstand in opstand komt, noemt hij het onterecht het menselijk verstand, alsof de mens zichzelf verstand kan geven.
Maar ondanks al deze schijn van nederigheid en deze minachting voor het menselijk verstand, waagt hij zich aan de meest gewaagde veronderstellingen; hij heeft overal kritiek op; zijn egoïsme is nooit tevreden; zijn ondankbaarheid kent geen einde. Hij neemt het op zich om de Almachtige te vertellen wat hij moet doen, zelfs in het regelen van het universum; hij bidt dictatoriaal; als het zonnig is, bidt hij om regen, en als het regent, bidt hij om zon; hij volgt hetzelfde idee in alles waarvoor hij bidt; want wat is het resultaat van al zijn gebeden anders dan een poging om de Almachtige van gedachten te doen veranderen en anders te handelen dan hij doet? Het is alsof hij zou zeggen: Gij weet het minder goed dan ik.
Maar sommigen zullen misschien zeggen: Hebben we dan geen Woord van God – geen openbaring? Ik antwoord: Ja, er is een Woord van God; er is een openbaring.
HET WOORD VAN GOD IS DE SCHEPPING DIE WIJ ZIEN en het is in dit woord, dat geen menselijke uitvinding kan namaken of veranderen, dat God universeel tot de mens spreekt.
De menselijke taal is lokaal en veranderlijk en kan daarom niet worden gebruikt als middel voor onveranderlijke en universele informatie. Het idee dat God Jezus Christus heeft gezonden om, zoals zij zeggen, het blijde nieuws aan alle naties te verkondigen, van het ene uiteinde van de aarde tot het andere, is alleen in overeenstemming met de onwetendheid van degenen die niets wisten van de omvang van de wereld en die geloofden, zoals die wereldverlossers geloofden en gedurende verscheidene eeuwen bleven geloven (en dat in tegenspraak met de ontdekkingen van filosofen en de ervaring van zeevaarders), dat de aarde plat was als een schotel en dat de mens naar het einde ervan kon lopen.
Maar hoe kon Jezus Christus iets aan alle volkeren bekendmaken? Hij sprak maar één taal, namelijk Hebreeuws, en er zijn honderden talen in de wereld. Geen twee volkeren spreken dezelfde taal of begrijpen elkaar; en wat vertalingen betreft, weet iedereen die iets van talen afweet dat het onmogelijk is om van de ene taal naar de andere te vertalen zonder niet alleen een groot deel van het origineel te verliezen, maar ook vaak de betekenis verkeerd weer te geven; bovendien was de kunst van het drukken in de tijd dat Christus leefde nog volkomen onbekend.
Het is altijd noodzakelijk dat de aangewende middelen om een doel te bereiken, gelijkwaardig zijn aan de verwezenlijking van dat doel, anders kan het doel niet worden bereikt. Hierin ligt het verschil tussen eindige en oneindige macht en wijsheid. De mens faalt vaak in het bereiken van zijn doelen, door een natuurlijk onvermogen om de macht aan te wenden voor het doel, en vaak door een gebrek aan wijsheid om de macht op de juiste manier toe te passen. Maar het is onmogelijk voor de oneindige macht en wijsheid te falen zoals de mens faalt. De gebruikte middelen zijn altijd gelijk aan het doel; maar de menselijke taal, vooral omdat er geen universele taal bestaat, kan niet worden gebruikt als een universeel middel voor onveranderlijke en uniforme informatie, en daarom is het niet het middel dat God gebruikt om zich universeel aan de mens te openbaren.
Alleen in de SCHEPPING kunnen al onze ideeën en opvattingen over Godswoord tot eenheid komen. De Schepping spreekt een universele taal, onafhankelijk van menselijke spraak of taal, hoe veelvoudig en divers die ook mogen zijn. Het is een eeuwig bestaande oorspronkelijkheid, dat ieder mens kan lezen. Het kan niet worden vervalst, niet worden nagemaakt, het kan niet verloren gaan, niet worden gewijzigd, niet worden onderdrukt. Het hangt niet af van de wil van de mens of het al dan niet wordt gepubliceerd; het openbaart zichzelf van het ene uiteinde van de aarde tot het andere. Het predikt tot alle volkeren en alle werelden; en dit Woord van God openbaart aan de mens alles wat de mens over God moet weten.
Willen we zijn macht aanschouwen? We zien die in de onmetelijkheid van de schepping. Willen we zijn wijsheid aanschouwen? We zien die in de onveranderlijke orde waardoor het onbegrijpelijke geheel wordt bestuurd! Willen we zijn gulheid aanschouwen? We zien die in de overvloed waarmee hij de aarde vult. Willen we zijn barmhartigheid zien? We zien die terug in het feit dat hij die overvloed zelfs niet onthoudt aan de ondankbaren. Kortom, willen we weten wat God is? Zoek dan niet in het boek dat de Schrift heet, dat door mensenhanden is geschreven, maar in de Schrift die schepping heet.
Het enige idee dat de mens aan de naam van God kan verbinden, is dat van een eerste oorzaak, de oorzaak van alle dingen. En hoe onbegrijpelijk en moeilijk het voor een mens ook is om zich voor te stellen wat een eerste oorzaak is, hij komt tot het geloof vanuit de tien keer grotere moeilijkheid om het niet te geloven. Het is onbeschrijfelijk moeilijk om zich voor te stellen dat de ruimte geen einde kan hebben, maar het is nog moeilijker om zich een einde voor te stellen. Het is bovenmenselijk moeilijk om een eeuwige duur van wat wij tijd noemen te bevatten, maar het is nog onmogelijker om een tijd voor te stellen waarin er geen tijd zal zijn.
Op dezelfde redeneerwijze draagt alles wat we zien in zich het interne bewijs dat het zichzelf niet maakte. Ieder mens is voor zichzelf het bewijs dat hij zichzelf niet heeft gemaakt; ook niet zijn vader, noch zijn grootvader, noch iemand van zijn geslacht; noch kon een boom, plant of dier zichzelf maken; en het is de overtuiging die voortkomt uit dit bewijs die ons als het ware noodzakelijkerwijs leidt tot het geloof in een eeuwig bestaande eerste oorzaak, van een aard die totaal verschilt van elk materieel bestaan dat we kennen, en door de kracht waarvan alle dingen bestaan; en deze eerste oorzaak noemt de mens God.
Alleen door het gebruik van zijn verstand kan de mens God ontdekken. Neem dat verstand weg, en hij zou niets meer begrijpen; en in dat geval zou het net zo logisch zijn om de Bijbel aan een paard voor te lezen als aan een mens. Hoe komt het dan dat die mensen doen alsof ze het verstand afwijzen?
De enige delen in de Bijbel die ons een idee van God geven, dat zijn enkele hoofdstukken in Job en de 19e psalm; ik kan me geen andere herinneren. Die delen zijn echte deïstische composities, want ze behandelen de Godheid door middel van zijn werken. Ze beschouwen het boek Genesis als Godswoord, ze verwijzen naar geen enkel ander boek, en alle conclusies die ze trekken, zijn ontleend aan dat boek.
Ik voeg hier de 19e psalm in, zoals geparafraseerd in Engelse verzen door Addison. Ik herinner me de proza niet meer en waar ik nu schrijf, heb ik niet de mogelijkheid om het in te zien.
Het uitgestrekte firmament in de hoogte,
Met de hele blauwe etherische hemel,
En de bezaaide hemel, een stralend kader,
Verkondigen hun grote oorsprong.
De onvermoeibare zon, van dag tot dag,
Toont de macht van zijn Schepper,
En maakt aan elk land bekend,
Het werk van een almachtige hand.
Zodra de avondschemering invalt,
Begint de maan haar wonderbaarlijke verhaal,
En elke nacht vertelt ze aan de luisterende aarde,
Het verhaal van haar geboorte.
Terwijl alle sterren om haar heen schitteren,
En alle planeten op hun beurt,
Bevestigen het nieuws terwijl ze draaien,
En de waarheid verspreiden van pool tot pool.
Wat als in plechtige stilte ze allen,
Rond deze donkere aardbol bewegen?
Wat maakt het uit dat er geen echte stem of geluid,
Te midden van hun stralende bollen te vinden is?
In het oor van de rede verheugen zij zich allen,
Een glorieuze stem te horen,
Voor altijd zingend, terwijl ze schijnen,
DE HAND DIE ONS HEEFT GEMAAKT IS GODDELIJK.
Wat wil de mens nog meer weten dan dat de hand of kracht die deze dingen heeft gemaakt goddelijk en almachtig is? Laat hem dit geloven met een kracht die onmogelijk te verwerpen is, en als hij zijn verstand laat werken, zullen zijn morele leefregels vanzelf volgen.
De toespelingen in Job hebben allemaal dezelfde tendens als deze psalm, namelijk het afleiden of bewijzen van een waarheid die anders onbekend zou blijven, op basis van reeds bekende waarheden.
Ik herinner me niet genoeg passages uit Job om ze correct weer te geven, maar er is er één die me te binnen schiet en van toepassing is op ons onderwerp. “Kun je door te zoeken God vinden? Kun je de Almachtige tot in de volmaaktheid vinden?”
Ik ben niet op de hoogte van de wijze waarop de drukkers deze passage hebben weergegeven, want ik heb geen bijbel; maar hij bevat twee verschillende vragen die verschillende antwoorden toelaten.
Ten eerste: kun je God vinden door te zoeken? Ja, want in de eerste plaats weet ik dat ik niet zelf ben ontstaan, en toch besta ik; en door de aard van andere dingen te onderzoeken, ontdek ik dat geen enkel ander ding zichzelf heeft kunnen maken; en toch bestaan er miljoenen andere dingen; daarom weet ik, door een positieve conclusie die uit dit onderzoek voortvloeit, dat er een macht is die superieur is aan al die dingen, en die macht is God.
Ten tweede: kun je de Almachtige tot in perfectie doorgronden? Nee, niet alleen omdat de macht en wijsheid die Hij heeft getoond in de structuur van de schepping die ik aanschouw, voor mij onbegrijpelijk is, maar ook omdat zelfs deze manifestatie, hoe groot ook, waarschijnlijk slechts een kleine weergave is van die onmetelijke macht en wijsheid waarmee miljoenen andere werelden, voor mij onzichtbaar door hun afstand, zijn geschapen en blijven bestaan.
Het is duidelijk dat beide vragen werden gesteld aan het verstand van degene aan wie ze vermoedelijk waren gericht; en alleen door de eerste vraag bevestigend te beantwoorden, kon de tweede volgen. Het zou onnodig en zelfs absurd zijn geweest om een tweede vraag te stellen, die moeilijker was dan de eerste, als de eerste vraag ontkennend was beantwoord. De twee vragen hebben verschillende onderwerpen; de eerste verwijst naar het bestaan van God, de tweede naar zijn eigenschappen; het verstand kan het ene ontdekken, maar schiet oneindig tekort bij het ontdekken van het andere.
Ik kan me geen enkele passage herinneren in alle geschriften die worden toegeschreven, zgn. aan de apostelen, dat een idee geeft van wat God is. Die geschriften zijn voornamelijk controversieel; en de onderwerpen waar ze zich op richten, namelijk die van een man die in doodsangst aan het kruis sterft, passen beter bij het sombere genie van een monnik in een cel, door wie ze misschien zijn geschreven, dan bij een mens die de frisheid van de schepping ademt. De enige passage die mij te binnen schiet met een verwijzing naar het werk van God, waardoor alleen zijn macht en wijsheid kan worden gekend, zou door Jezus Christus zijn uitgesproken als remedie tegen het wantrouwen. “Zie de lelies in het veld, zij spinnen niet en weven niet.” Dit is echter inferieur aan de toespelingen in Job en in Psalm 19, maar het is vergelijkbaar qua idee, en de bescheidenheid van de beeldspraak komt overeen met de bescheidenheid van de man.
Wat betreft het christelijke geloof, lijkt het mij een soort atheïsme – een soort religieuze ontkenning van God. Het beweert eerder in een mens te geloven dan in God. Het is een mengeling die voornamelijk bestaat uit mensisme met slechts een klein beetje deïsme, en het staat net zo dicht bij atheïsme als de schemering bij de duisternis. Het introduceert tussen de mens en zijn Schepper een ondoorzichtig lichaam, dat het Verlosser noemt, zoals de maan haar ondoorzichtige zelf tussen de aarde en de zon introduceert, en het veroorzaakt op deze manier een religieuze of een onreligieuze verduistering van het licht. Het heeft de hele baan van de rede in de schaduw geplaatst.
Het effect van deze donkerheid was dat alles op zijn kop is gezet en weergegeven in een omgekeerde volgorde, en onder de revoluties die het op magische wijze teweeg heeft gebracht, heeft het een revolutie in de theologie teweeggebracht.
Wat nu natuurfilosofie wordt genoemd, en de hele wetenschap omvat, waarvan de astronomie de belangrijkste plaats inneemt, is de studie van het werk van God en van de macht en wijsheid van God in zijn werk, de ware theologie.
De theologie die nu in plaats daarvan wordt bestudeerd, is de studie van menselijke meningen en menselijke fantasieën over God. Het is niet de studie van God zelf in dat wat Hij maakte, maar de werken of geschriften die de mens heeft gemaakt; en het is niet het minste van het onheil dat het christelijke systeem de wereld heeft aangedaan, het bracht de oorspronkelijke en prachtige theologie, als een mooie onschuldige, leed en smaad, en gaf plaats aan de heks van het bijgeloof.
Het boek Job en de 19e psalm, waarvan zelfs de Kerk toegeeft dat ze ouder zijn dan de chronologische volgorde waarin ze in de Bijbel staan, zijn theologische oraties die in overeenstemming zijn met de oorspronkelijke theologie. Het interne bewijs van die oraties toont aan dat de studie en contemplatie van de scheppingswerken en van de kracht en wijsheid van God, geopenbaard en gemanifesteerd in die werken, een groot deel uitmaakten van de toenmalige religieuze devotie waarin ze werden geschreven; en het was deze devotionele studie en contemplatie die leidde tot de ontdekking van de principes waarop nu de wetenschappen zijn gebaseerd; het is aan de ontdekking van deze principes dat bijna alles dat bijdraagt aan het gemak van het menselijk leven hun bestaan te danken hebben. Elke belangrijke kunst heeft een of andere wetenschap als vader, hoewel de persoon die het werk machinaal uitvoert, het verband niet altijd en slechts zelden ziet.
Het is een bedrog van het christelijke systeem om de wetenschappen een menselijke uitvinding te noemen; alleen de toepassing ervan is menselijk. Elke wetenschap heeft als basis een systeem van principes die even vast en onveranderlijk zijn als die waarmee het universum wordt gereguleerd en bestuurd. De mens kan geen principes maken, hij kan ze alleen ontdekken.
Bijvoorbeeld: iedereen die naar een almanak kijkt, ziet wanneer er een zonsverduistering zal plaatsvinden, en hij ziet ook dat deze altijd plaatsvindt volgens de daar gegeven informatie. Dit toont aan dat de mens bekend is met de wetten volgens welke de hemellichamen bewegen. Maar het zou erger zijn dan onwetendheid als een Kerk op aarde zou zeggen dat die wetten een menselijke uitvinding zijn. Het zou ook onwetendheid zijn, of erger, om te zeggen dat de wetenschappelijke principes waarmee de mens kan berekenen en voorspellen wanneer een zonsverduistering zal plaatsvinden, een menselijke uitvinding zijn. De mens kan niets uitvinden dat eeuwig en onveranderlijk is; en de wetenschappelijke principes die hij voor dit doel gebruikt, moeten noodzakelijkerwijs even eeuwig en onveranderlijk zijn als de wetten volgens welke de hemellichamen bewegen, anders zouden ze niet kunnen worden gebruikt om vast te stellen wanneer en op welke wijze er een zonsverduistering zal zijn.
De wetenschappelijke principes die de mens gebruikt om te voorspellen wanneer er een zonsverduistering zal zijn, of iets anders dat verband houdt met de beweging van de hemellichamen, zijn voornamelijk vervat in dat deel van de wetenschap dat trigonometrie wordt genoemd, of de eigenschappen van een driehoek, dat, wanneer het wordt toegepast op de studie van de hemellichamen, astronomie wordt genoemd; wanneer het wordt toegepast om de koers van een schip op de oceaan te bepalen, wordt het navigatie genoemd; wanneer het wordt toegepast op de constructie van figuren getekend met liniaal en passer, wordt het meetkunde genoemd; wanneer het wordt toegepast op de constructie van plannen of bouwwerken, wordt het architectuur genoemd; wanneer het wordt toegepast op het meten van een deel van het aardoppervlak, wordt het landmeetkunde genoemd. Kortom, het is de ziel van de wetenschap; het is een eeuwige waarheid; het bevat de wiskundige bewijzen waarover de mens spreekt, en de reikwijdte van het gebruik ervan is ongekend.
Men zou kunnen zeggen dat de mens een driehoek kan maken of tekenen, en dat een driehoek daarom een menselijke uitvinding is.
Maar de driehoek, wanneer hij getekend is, is niets anders dan een beeld van het principe; het is een weergave voor het oog, en vandaar voor de geest, van een principe dat anders onwaarneembaar zou zijn. De driehoek maakt het principe niet, net zomin als een kaars in een donkere kamer de stoelen en tafels maakt die voorheen onzichtbaar waren. Alle eigenschappen van een driehoek bestaan onafhankelijk van de figuur en bestonden al voordat er een driehoek door de mens werd getekend of bedacht. De mens had niet meer te maken met de vorming van deze eigenschappen of principes dan met het maken van de wetten waardoor de hemellichamen bewegen; en daarom moet het ene dezelfde goddelijke oorsprong hebben als het andere.
Op dezelfde manier kan men zeggen dat de mens een driehoek kan maken, maar ook dat hij het mechanische instrument dat een hefboom wordt genoemd, kan maken; maar het principe waardoor de hefboom werkt, is iets anders dan het instrument en zou ook bestaan als het instrument er niet was; het hecht zich aan het instrument nadat het is gemaakt; het instrument kan daarom niet anders werken dan het doet; ook alle inspanningen van de menselijke uitvinding kunnen het niet anders laten werken – wat de mens in alle dergelijke gevallen het effect noemt, is niets anders dan het principe zelf dat waarneembaar is gemaakt voor de zintuigen.
Daar de mens geen principes kan bedenken, waar vandaan heeft hij dan de kennis, zodat hij ze niet alleen op aardse zaken kan toepassen, maar ook de beweging kan vaststellen van lichamen die zo ver van hem verwijderd zijn zoals de hemellichamen? Waar, vraag ik u, zou hij die kennis vandaan kunnen halen, behalve uit de studie van de ware theologie?
Het is de structuur van het universum die de mens deze kennis heeft bijgebracht. Die structuur is een eeuwigdurende demonstratie van elk principe waarop elk onderdeel van de wiskundige wetenschap is gebaseerd. Het resultaat van deze wetenschap is de mechanica, want mechanica is niets anders dan de praktische toepassing van de principes van de wetenschap. De mens die de verschillende onderdelen van een molen samenvoegt, gebruikt dezelfde wetenschappelijke principes alsof hij de macht had om een universum te construeren; maar omdat hij niet de materie die onzichtbare kracht kan geven waardoor alle onderdelen van de immense machine van het universum elkaar beïnvloeden en in harmonie doen bewegen, zonder enig zichtbaar contact, waaraan de mens de naam aantrekkingskracht, zwaartekracht en afstoting heeft gegeven, vervangt hij die kracht door een bescheiden imitatie van tandwerk en tandwielen. Alle onderdelen van de microkosmos van de mens moeten zichtbaar elkaar raken; maar als hij kennis zou kunnen verwerven over die kracht, zodat hij die in de praktijk zou kunnen toepassen, dan zouden we kunnen zeggen dat er een nieuw canoniek boek van Godswoord is ontdekt.
Als de mens de eigenschappen van de hefboom zou kunnen veranderen, zou hij ook de eigenschappen van de driehoek kunnen veranderen, want een hefboom vormt (laten we ter verduidelijking uitgaan van een hefboom die een steelyard wordt genoemd), wanneer hij in beweging is, een driehoek. De lijn waarlangs hij daalt (waarbij één punt van die lijn in het steunpunt ligt), de lijn waarnaar hij daalt en de boogkoord die het uiteinde van de hefboom in de lucht beschrijft, zijn de drie zijden van een driehoek. De andere arm van de hefboom beschrijft ook een driehoek; en de overeenkomstige zijden van die twee driehoeken, wetenschappelijk berekend of geometrisch gemeten, en ook de sinussen, raaklijnen en snijlijnen die worden gegenereerd door de hoeken en geometrisch gemeten, hebben dezelfde verhoudingen ten opzichte van elkaar als de verschillende gewichten die elkaar in evenwicht houden op de hefboom, waarbij het gewicht van de hefboom buiten beschouwing wordt gelaten.
Men kan ook zeggen dat de mens een wiel en een as kan maken, dat hij wielen van verschillende grootte kan samenvoegen en een molen kan bouwen. Toch komt het weer op hetzelfde neer, namelijk dat hij niet het principe heeft bedacht dat de wielen die krachten geeft. Dat principe is even onveranderlijk als in het vorige geval, of beter gezegd, het is hetzelfde principe onder een andere verschijningsvorm.
De kracht die twee wielen van verschillende grootte op elkaar uitoefenen, is in dezelfde verhouding als wanneer de halve diameter van de twee wielen met elkaar verbonden zouden zijn en tot het soort hefboom zouden zijn gemaakt dat ik heb beschreven, opgehangen aan het deel waar de halve diameters samenkomen; want de twee wielen zijn, wetenschappelijk gezien, niets anders dan de twee cirkels die worden gegenereerd door de beweging van de samengestelde hefboom.
Al onze kennis van de wetenschap is afgeleid van de studie van de ware theologie, en uit die kennis is alle kunde voortgekomen.
De Almachtige Lector heeft, door de structurele wetenschappelijke principes van het universum te tonen, de mens uitgenodigd om te studeren en te imiteren. Het is alsof Hij tegen de wereldbewoners heeft gezegd: “Ik heb een aarde gemaakt waar de mens kan wonen en ik heb de sterrenhemel zichtbaar gemaakt om hem wetenschap en kennis te geven. Hij kan nu in zijn eigen comfort voorzien, EN LEREN VAN MIJN VRIJGEVIGHEID JEGENS IEDEREEN, OM VRIENDELIJK TEGEN ELKAAR TE ZIJN.”
Wat voor nut heeft het, behalve om de mens iets te leren, dat zijn oog begiftigd is met het vermogen om tot een onbegrijpelijke afstand te kijken, naar een onmetelijkheid van werelden die ronddraaien in een oceaan van ruimte? Of wat voor nut heeft het dat deze onmetelijkheid van werelden zichtbaar is voor de mens? Wat heeft de mens te maken met de Pleiaden, met Orion, met Sirius, met de ster die Poolster heet, met de bewegende hemellichamen die hij Saturnus, Jupiter, Mars, Venus en Mercurius heeft genoemd, als er geen nut voortvloeit uit het feit dat ze zichtbaar zijn? Een minder scherp gezichtsvermogen zou voor de mens voldoende zijn geweest, als de onmetelijkheid die hij nu bezit alleen maar zou worden verspild aan een immense woestijn van ruimte die schittert van spektakels.
Alleen door na te denken over wat hij de sterrenhemel noemt, als het boek en de school van de wetenschap, ontdekt hij enig nut in het feit dat ze voor hem zichtbaar zijn, of enig voordeel dat voortvloeit uit zijn onmetelijke gezichtsvermogen. Wanneer hij echter vanuit dit perspectief over het onderwerp nadenkt, ziet hij een extra reden om te stellen dat niets tevergeefs is geschapen; want deze gave van het zien zou tevergeefs zijn als zij de mens niets zou leren.
Net zoals het christelijke geloof een revolutie teweeg heeft gebracht in de theologie, heeft het ook een revolutie teweeggebracht in het leren. Wat nu leren wordt genoemd, was oorspronkelijk geen leren. Leren bestaat niet, zoals de scholen het nu voorstellen, uit talenkennis, maar uit de kennis van dingen waaraan de taal de namen geeft.
De Grieken waren een geleerd volk, maar leren bestond voor hen niet uit het spreken van Grieks, net zomin als voor een Romein het spreken van Latijn, voor een Fransman het Frans of voor een Engelsman het Engels. Voor zover wij de Grieken kennen, lijkt het er niet op dat zij andere talen dan hun eigen taal kenden of studeerden, en dat was een van de redenen waarom zij zo geleerd werden: het gaf hen meer tijd om zich aan betere studies te wijden. De scholen van de Grieken waren scholen voor wetenschap en filosofie, niet voor talen; en het is de kennis van de dingen die wetenschap en filosofie onderwijzen, waaruit het leren bestaat.
Bijna alle wetenschappelijke kennis die nu bestaat, is ons overgeleverd door de Grieken, of door volkeren die de Griekse taal spraken. Daarom werd het voor de volkeren van andere naties die een andere taal spraken noodzakelijk dat sommigen onder hen Grieks leerden, zodat de kennis die de Grieken hadden, bekend kon worden door de Griekse boeken over wetenschap en filosofie te vertalen in de moedertaal van elke natie.
De studie van de Griekse taal (en op dezelfde manier van het Latijn) was dus niets anders dan het zware werk van een taalkundige; en de zo verworven taal, was niets anders dan het middel, als het ware het gereedschap, dat werd gebruikt om de Griekse kennis te verwerven. Het maakte geen deel uit van de kennis zelf en stond er zo ver van af dat het zeer waarschijnlijk is dat de personen die voldoende Grieks hadden gestudeerd om die werken te vertalen, zoals bijvoorbeeld Euclides’ Elementen, niets begrepen van de kennis in die werken.
Aangezien er nu niets nieuws meer te leren valt uit de dode talen, omdat alle nuttige boeken vertaald zijn, zijn die talen nutteloos geworden en is de tijd besteed aan het onderwijzen en leren ervan verspild. Voor zover de studie van talen kan bijdragen aan vooruitgang en overdracht van kennis (want het heeft niets te maken met het creëren van kennis), is het alleen in de levende talen dat nieuwe kennis te vinden is; en het is zeker dat een jongere in het algemeen in een jaar meer van een levende taal leert dan in zeven jaar van een dode taal, en het komt maar zelden voor dat de leraar er zelf veel van af weet. De moeilijkheid om dode talen te leren komt niet voort uit een grotere moeilijkheidsgraad van de talen zelf, maar uit het feit dat ze dood zijn en de uitspraak volledig verloren is gegaan. Hetzelfde zou gelden voor elke andere taal wanneer deze dood is. De beste Griekse taalkundige die er nu bestaat, begrijpt het Grieks niet zo goed als een Griekse boer of een Griekse melkmeid; en hetzelfde geldt voor het Latijn, vergeleken met een boer of melkmeid van de Romeinen; het zou daarom goed zijn voor het onderwijs om de studie van dode talen af te schaffen en het onderwijs, zoals oorspronkelijk het geval was, te laten bestaan uit wetenschappelijke kennis.
De verontschuldiging die soms wordt gegeven voor het blijven onderwijzen van dode talen, dat is dat ze worden onderwezen op een moment dat een kind nog geen andere mentale vermogens kan uitoefenen dan het geheugen, maar dat is onjuist. De menselijke geest heeft een natuurlijke aanleg voor wetenschappelijke kennis en voor de dingen die daarmee verband houden. Het eerste en favoriete tijdverdrijf van een kind, nog voordat het begint te spelen, is het nabootsen van het werk van de mens. Het bouwt huizen met kaarten of stokjes, het bevaart de kleine oceaan van een kom water met een papieren bootje, of damt de stroom in van een goot en bedenkt iets dat een molen heet, en het bewaakt zijn werk met een zorg die op genegenheid lijkt. Daarna gaat het naar school, waar zijn genialiteit wordt gedood door de dorre studie van een dode taal, en de filosoof gaat verloren in de taalkundige.
Maar de huidige verontschuldiging voor het blijven onderwijzen van dode talen, kan in eerste instantie niet de oorzaak zijn geweest van het beperken van het leren tot het beperkte en bescheiden domein van de taalkunde; de oorzaak moet daarom elders worden gezocht. Bij alle onderzoeken van deze aard is het beste bewijs dat kan worden geleverd het interne bewijs dat de zaak zelf aan de orde stelt met het bewijs van de omstandigheden die daarmee samenhangen; beide zijn in dit geval niet moeilijk te ontdekken.
En terzijde, als een aparte overweging, de zgn. belediging van Gods morele gerechtigheid, door de veronderstelling dat Hij onschuldigen laat lijden voor de schuldigen, en ook de losse moraal en listigheid dat Hij zichzelf in de gedaante van een mens verandert om zo een excuus te hebben om het vermeende vonnis over Adam niet uit te voeren – als we dat even buiten beschouwing laten, is het zeker dat wat het christelijke geloof wordt genoemd, inclusief het fantasierijke scheppingsverhaal – het bijzondere verhaal van Eva – de slang en de appel – het dubbelzinnige idee van een mens-god – het idee van een fysieke dood van een god – het mythologische idee van een familie van goden, en het christelijke rekenkundige systeem, dat drie één is en één drie, dat is allemaal onverenigbaar, niet alleen met de goddelijke gave van het verstand, door God aan de mens geschonken, maar ook met de kennis die de mens verwerft van de macht en wijsheid van God, met behulp van de wetenschappen en door de structuur van het universum te bestuderen dat God heeft geschapen.
De grondleggers en voorstanders van het christelijke geloof konden dan ook niet anders dan voorzien dat de voortdurend toenemende kennis die de mens met behulp van de wetenschap zou verwerven over de macht en wijsheid van God, die tot uiting komt in de structuur van het universum en de schepping, hun geloofssysteem zou ondermijnen en in twijfel zou trekken, daarom werd het voor hun doel noodzakelijk om het leren terug te brengen tot een minder gevaarlijke omvang voor hun project, en dit bereikten zij door het idee van leren te beperken tot de studie van dode talen.
Ze verstoten niet alleen de wetenschap uit de christelijke scholen, maar vervolgden deze ook, en pas in de afgelopen twee eeuwen is de studie nieuw leven ingeblazen. Nog in 1610 ontdekte en introduceerde Galileo, een Florentijn, het gebruik van telescopen, en door deze te gebruiken om de bewegingen en fenomenen van de hemellichamen te observeren, gaf hij een extra middel om de ware structuur van het universum vast te stellen. In plaats van gewaardeerd te worden voor deze ontdekkingen, werd hij veroordeeld om ze, of de meningen die daaruit voortvloeiden, te verwerpen als een verfoeilijke ketterij. En vóór die tijd werd Vigilius veroordeeld tot de brandstapel omdat hij beweerde dat de aarde een bol was, met andere woorden, dat de aarde overal waar land was, bewoonbaar was; maar de waarheid hiervan is nu zo bekend dat het niet eens meer hoeft te worden verteld.
Als men gelooft dat fouten moreel gezien niet schadelijk zijn, zou het geen morele plicht van de mens zijn om zich ertegen te verzetten en ze te verwijderen. Er was geen moreel kwaad in het geloof dat de aarde plat was als een schotel, net zomin als er morele deugdzaamheid was in het geloof dat zij rond was als een bol; evenmin was er moreel kwaad in het geloof dat de Schepper geen andere wereld dan deze had geschapen, net zomin als er morele deugdzaamheid was in het geloof dat hij er miljoenen had geschapen en dat de oneindige ruimte gevuld was met werelden. Maar wanneer een religieus systeem voortkomt uit een veronderstelde onware schepping, en zich daarmee op een bijna onlosmakelijke wijze verenigt, krijgt de zaak een geheel andere grondslag. Dan worden fouten die moreel niet slecht zijn, beladen met hetzelfde kwaad als wanneer ze dat wel zouden zijn. Op dat moment wordt de waarheid – hoewel op zichzelf onverschillig – essentieel, door het criterium te worden dat de realiteit van de religie bevestigt door middel van overeenkomstig bewijs, of ontkent door middel van een tegenstrijdig bewijs. In deze visie op de zaak is het een morele plicht om al het mogelijke bewijs te verkrijgen dat de structuur van de hemelen, of enig ander deel van de schepping, biedt met betrekking tot het religieuze. Maar de aanhangers of voorstanders van het christelijke systeem verzetten zich hiertegen, alsof ze het resultaat vreesden, en verwierpen niet alleen de wetenschappen, maar vervolgden ook de professoren. Als Newton of Descartes drie- of vierhonderd jaar geleden hadden geleefd en hun onderzoek hadden voortgezet zoals ze deden, zouden ze deze wellicht niet hebben kunnen voltooien. En als Franklin de bliksem uit de wolken had gehaald, zou hij het risico hebben gelopen om in de vlammen om te komen.
In latere tijden werd alle schuld bij de Goten en Vandalen gelegd, maar hoe onwillig de aanhangers van het christelijke systeem ook zijn om het te geloven of te erkennen, het is niettemin waar dat het tijdperk van onwetendheid begon met het christelijke systeem. Vóór die periode was er meer kennis in de wereld dan in de vele eeuwen daarna; en wat religieuze kennis betreft, was het christelijke systeem, zoals reeds gezegd, slechts een andere vorm van mythologie, en de mythologie die het opvolgde was een verdraaiing van een oud systeem van theïsme. [Het is nu voor ons onmogelijk om te weten wanneer de heidense mythologie is begonnen, maar uit interne bewijzen blijkt dat zij niet in dezelfde staat of toestand is begonnen als waarin zij eindigde. Alle goden van die mythologie, behalve Saturnus, waren een moderne uitvinding. Het veronderstelde bewind van Saturnus ging vooraf aan wat de heidense mythologie wordt genoemd, en was in zoverre een vorm van theïsme dat het slechts het geloof in één God toestond. Saturnus zou het bewind hebben afgestaan aan zijn drie zonen en een dochter, Jupiter, Pluto, Neptunus en Juno; daarna werden duizenden andere goden en halfgoden verzonnen, en de kalender van goden groeide even snel als de kalender van heiligen en de kalenders van rechtszaken zijn sindsdien gegroeid.]
Alle corrupties in theologie en religie zijn voortgekomen uit het aanvaarden van wat de mens de geopenbaarde religie noemt. De mythologen pretendeerden meer geopenbaarde religie te hebben dan de christenen. Zij hadden hun orakels en hun priesters, die geacht werden het Woord van God mondeling te ontvangen en door te geven, bij bijna alle gelegenheden.
Aangezien alle corrupties, van Moloch tot de moderne predestinatie, en de mensenoffers van de heidenen tot het christelijke offer van de Schepper, zijn voortgekomen uit het aanvaarden van wat de geopenbaarde religie wordt genoemd, is de meest effectieve manier om al dit kwaad en verplichtingen te voorkomen, geen andere openbaring te aanvaarden dan die welke in het boek der schepping wordt geopenbaard, en de schepping te beschouwen als het enige ware en echte Woord van God dat ooit heeft bestaan of ooit zal bestaan; en dat al het andere, dat het Woord van God wordt genoemd, fabels en misbruik zijn.
Het is te wijten aan dit lange interregnum van de wetenschap, en aan geen andere oorzaak, dat we nu over een enorme kloof van vele honderden jaren moeten kijken naar de respectabele figuren die we de Ouden noemen. Als de vooruitgang van de kennis evenredig was geweest met de voorraad die eerder bestond, zou die kloof zijn opgevuld met figuren die elkaar in kennis overtroffen; en die Ouden, die we nu zo bewonderen, zouden respectabel op de achtergrond zijn verschenen. Maar het christelijke systeem heeft alles verwoest; en als we onze positie innemen rond het begin van de zestiende eeuw, kijken we terug over die lange kloof naar de tijd van de Ouden, als over een uitgestrekte zandwoestijn, waar geen struik het zicht op de vruchtbare heuvels daarachter lijkt te belemmeren.
Het is een inconsistentie die nauwelijks te geloven is, dat er iets zou bestaan onder de naam van een religie, dat het als ongoddelijk beschouwt om de structuur van het universum dat God heeft geschapen te bestuderen en te overdenken. Maar het feit is te duidelijk om te ontkennen. De gebeurtenis die bovenal heeft bijgedragen tot het breken van de eerste schakel in die lange keten van despotische onwetendheid, is die welke bekend staat als de Reformatie door Luther. Vanaf dan, hoewel dit niet de bedoeling van Luther of van de hervormers was, begon de wetenschap weer op te leven en begon weer de vrijheid, hun natuurlijke metgezel. Dit was de enige publieke weldaad dat de Reformatie heeft opgeleverd; wat het religieuze betreft, had ze net zo goed niet plaats kunnen vinden. De mythologie bleef onveranderd bestaan en uit de val van de paus van het christendom ontstond een veelheid aan nationale pausen.
Nu ik aan de hand van interne bewijzen heb aangetoond wat de oorzaak was van de verandering in het onderwijs en wat de reden was om de studie van dode talen in de plaats te stellen van de wetenschappen, ga ik verder, naast enkele opmerkingen die ik al in het eerste deel van dit werk heb gemaakt, met het vergelijken, of liever gezegd het tegenover elkaar plaatsen van de bewijzen uit de structuur van het universum tegen het christelijke godsdienststelsel; maar aangezien ik dit deel niet beter kan beginnen dan door te verwijzen naar de ideeën die mij in een vroege fase van mijn leven te binnen schoten en die ongetwijfeld bij bijna iedereen wel eens zijn opgekomen, zal ik uiteenzetten wat die ideeën waren en daar andere zaken aan toevoegen die uit het onderwerp voortvloeien, waarbij ik het geheel kort zal inleiden.
Omdat mijn vader tot de quakers behoorde, had ik het geluk een buitengewoon goede morele opvoeding te krijgen en een behoorlijke hoeveelheid nuttige kennis te vergaren. Hoewel ik naar de middelbare school ging [Dezelfde school, Thetford in Norfolk, waar de huidige raadsman Mingay naartoe ging en bij dezelfde leraar.], leerde ik geen Latijn, niet alleen omdat ik geen aanleg had voor talen, maar ook vanwege het bezwaar dat de quakers hebben tegen de boeken waarin deze taal wordt onderwezen. Dit weerhield mij er echter niet van om bekend te raken met de inhoud van alle Latijnse boeken die op school werden gebruikt.
Mijn natuurlijke aanleg lag bij de wetenschap. Ik had enige aanleg, en ook enig talent, voor poëzie, maar dit onderdrukte ik meer dan dat ik het aanmoedigde, omdat het te veel naar verbeelding neigde. Zodra ik ertoe in staat was, kocht ik een paar globes, woonde ik de filosofische lezingen van Martin en Ferguson bij en leerde ik later Dr. Bevis kennen, van de Royal Society, die toen in Temple woonde en een uitstekend astronoom was.
Ik had geen aanleg voor wat men politiek noemt. Het riep bij mij geen ander beeld op dan dat van het woord ‘jockeyship’. Toen ik mijn gedachten dus op regeringszaken richtte, moest ik voor mezelf een systeem ontwikkelen dat in overeenstemming was met de morele en filosofische principes waarmee ik was opgevoed. Ik zag, of althans ik dacht dat ik het zag, een enorme scène zich ontvouwen in de Amerikaanse politiek, en het leek mij dat als de Amerikanen hun plan met betrekking tot de Engelse regering niet zouden wijzigen en zich onafhankelijk zouden verklaren, zij niet alleen in een groot aantal nieuwe moeilijkheden terecht zouden komen, maar ook het vooruitzicht zouden verspelen dat zich op dat moment voor de mensheid aandiende dankzij hun inspanningen. Het was vanuit deze motieven dat ik het werk publiceerde dat bekend staat onder de naam Common Sense, mijn eerste tekst ooit gepubliceerd; en voor zover ik dat zelf kan beoordelen, geloof ik dat ik nooit bekend zou zijn geworden als auteur, over welk onderwerp dan ook, als de Amerikaanse kwestie er niet was geweest. Ik schreef Common Sense aan het eind van het jaar 1775 en publiceerde het op 1 januari 1776. De onafhankelijkheid werd op 4 juli van dat jaar uitgeroepen.
Iedereen die de menselijke geest observeert, naar toestand en ontwikkeling, door de eigen geest te observeren, kan niet anders dan opmerken dat er twee verschillende gedachten zijn: gedachten die we zelf produceren door te denken en te reflecteren, en gedachten die vanzelf in onze geest opkomen. Ik heb er altijd een regel van gemaakt om die vrijwillige bezoekers beleefd te behandelen en zo goed mogelijk te onderzoeken of ze de moeite waard waren om te overwegen, en het is van hen dat ik bijna alle kennis heb verworven. Wat betreft de kennis die iemand opdoet in de school, dient dat alleen als een klein kapitaal om hem in staat te stellen daarna zelf te leren. Ieder geleerd mens is uiteindelijk zijn eigen leraar, omdat principes, die een aparte eigenschap zijn van de omstandigheden, niet in het geheugen kunnen worden gegrift; hun mentale verblijfplaats is het begrip en ze zijn nooit zo duurzaam als wanneer ze beginnen met een concept. Tot zover het inleidende gedeelte.
Vanaf het moment dat ik in staat was een idee te vormen en te reageren door erover na te denken, twijfelde ik aan de waarheid van het christelijke systeem of vond ik het een vreemde zaak; ik wist nauwelijks wat het was, maar ik herinner me nog goed dat ik, ik was toen ongeveer zeven of acht jaar, een preek hoorde voorlezen door een familielid van mij, en een groot aanhanger van de Kerk, over de verlossing door de dood van de Zoon van God. Na de preek ging ik de tuin in en terwijl ik de tuintrap afliep (want ik herinner me de plek nog heel goed), kwam ik in opstand tegen de herinnering aan wat ik had gehoord, en dacht ik bij mezelf dat het God de Almachtige deed handelen als een gepassioneerd man, die zijn zoon doodde toen hij zich op geen enkele andere manier kon wreken, en aangezien ik zeker wist dat een man die zoiets deed zou worden opgehangen, begreep ik niet waarom zij zulke preken hielden. Dit was niet een van die gedachten die iets kinderachtigs of lichtzinnigs hadden; voor mij was het een serieuze overweging, voortkomend uit het idee dat God te goed was om zoiets te doen, en ook te almachtig om daartoe gedwongen te zijn. Ik denk op dit moment nog steeds hetzelfde, bovendien geloof ik dat elk religieus systeem dat iets bevat wat schokkend is voor de geest van een kind, geen waar systeem kan zijn.
Het lijkt alsof christelijke ouders zich schamen om hun kinderen iets te vertellen over de principes van hun religie. Soms onderwijzen ze hen in moraal en praten ze met hen over de goedheid van wat zij de Voorzienigheid noemen, want de christelijke mythologie kent vijf goden: God de Vader, God de Zoon, God de Heilige Geest, de God Voorzienigheid en de Godin Natuur. Maar het christelijke verhaal van God de Vader die zijn zoon ter dood brengt, of mensen inhuurt om dat te doen (want dat is de duidelijke boodschap van het verhaal), kan een ouder niet aan een kind vertellen; en om hem te vertellen dat dit werd gedaan om de mensheid gelukkiger en beter te maken, maakt het verhaal nog erger – alsof de mensheid verbeterd zou kunnen worden door het voorbeeld van moord; en om hem te vertellen dat dit alles een mysterie is, is slechts een excuus voor het ongeloofwaardige ervan.
Hoe anders is dit dan het pure en eenvoudige deïsme! De ware deïst kent slechts één opperwezen, en zijn religie bestaat uit het overdenken van de macht, wijsheid en goedheid van het opperwezen in zijn werken, en uit het streven om hem na te volgen in alles wat moreel, wetenschappelijk en mechanisch is.
De religie die qua morele en onschuldige aspecten het dichtst in de buurt komt van het ware deïsme, is die van de quakers; maar zij hebben zichzelf te veel beperkt door de werken van God buiten hun systeem te laten. Hoewel ik hun filantropie respecteer, kan ik niet anders dan glimlachen om de veronderstelling dat, als er bij de schepping naar de smaak van een quaker had kunnen worden gekeken, het resultaat een stille en grauwe schepping zou zijn geweest! Geen enkele bloem zou haar vrolijkheid hebben laten zien, geen enkele vogel zou hebben mogen zingen.
Ik laat deze reflecties achter mij en ga verder met andere onderwerpen. Nadat ik mezelf het gebruik van de globe en het planetarium eigen had gemaakt [Aangezien dit boek bij mensen kan terechtkomen die niet weten wat een planetarium is, voeg ik ter informatie het volgende toe, aangezien de naam geen idee geeft van het gebruik ervan. Het planetarium dankt zijn naam aan de persoon die het heeft uitgevonden. Het is een mechanisme met een uurwerk dat het universum in miniatuur weergeeft en waarin de omwenteling van de aarde om zichzelf en om de zon, de omwenteling van de maan om de aarde, de omwenteling van de planeten om de zon, hun relatieve afstanden tot de zon als middelpunt van het hele systeem, hun relatieve afstanden tot elkaar en hun verschillende groottes worden weergegeven zoals ze werkelijk bestaan in wat wij de hemel noemen. [Zie hiervoor Wikipedia.]], en een idee had gekregen van de oneindigheid van de ruimte en de eeuwige deelbaarheid van materie, en ten minste een algemene kennis had verworven van wat natuurfilosofie wordt genoemd, begon ik de eeuwige bewijskracht van die dingen te vergelijken, of, zoals ik al eerder heb gezegd, te confronteren met het christelijke geloofssysteem.
Hoewel het geen direct onderdeel is van het christelijke systeem, is deze wereld waarin we leven het geheel van de bewoonbare schepping, het is er toch zo mee verweven, vanuit het scheppingsverhaal van Mozes, het verhaal van Eva en de appel, en de tegenhanger van dat verhaal, de dood van de Zoon van God, dat anders geloven, d.w.z. geloven dat God een veelheid aan werelden heeft geschapen, minstens zo talrijk als de sterren, dat maakt dat christelijke geloof ineens klein en belachelijk en als veren wegblaast uit de geest. De twee geloven kunnen niet samen in hetzelfde hoofd bestaan, en wie denkt dat hij beide gelooft, heeft aan geen van beide veel aandacht besteed. Hoewel het geloof in een veelheid van werelden bij de Ouden bekend was, is pas in de laatste drie eeuwen de omvang en de afmetingen van deze aardbol waarop wij leven vastgesteld. Verschillende schepen hebben, op de oceaan varend, de hele wereld rondgevaren, zoals een man in een cirkel kan lopen en aan de andere kant van de cirkel weer terugkomt op de plek waar hij begon. De cirkelvormige afmetingen van onze wereld, op het breedste punt, zoals een mens de breedste omtrek van een appel of bal zou meten, bedragen slechts vijfentwintigduizend en twintig Engelse mijlen, uitgaande van negenenzestig mijl en een halve mijl per graad evenaar en kan in ongeveer drie jaar worden rondgevaren. [Als een schip gemiddeld drie mijl per uur vaart, zou het in minder dan een jaar de hele wereld rond kunnen varen, mits het in een rechte lijn zou kunnen varen; echter, het is genoodzaakt de koers van de oceaan te volgen.]
Een wereld van deze omvang lijkt ons op het eerste gezicht groot, maar als we hem vergelijken met de onmetelijkheid van de ruimte waarin hij cirkelt als een luchtbel of een ballon, is hij oneindig veel kleiner in verhouding dan de kleinste zandkorrel ten opzichte van de wereldse afmeting, of het fijnste dauwdruppeltje ten opzichte van de oceaan, en is hij dus klein; en, zoals hierna zal worden aangetoond, is het slechts één van een systeem van werelden waaruit de universele schepping is gemaakt.
Het is niet moeilijk om een vaag beeld te krijgen van de onmetelijkheid van de ruimte waarin deze en alle andere werelden zweven, als we de ontwikkeling van de ideeën volgen. Wanneer we denken aan de grootte of afmetingen van een kamer, beperken onze ideeën zich tot de muren, en daar houden ze op; maar wanneer ons oog of onze verbeelding de ruimte in gaat, d.w.z. wanneer we omhoog kijken in de buitenlucht, kunnen we ons geen muren of grenzen voorstellen die deze ruimte zou begrenzen, en als we onze ideeën rust geven en een grens veronderstellen, rijst onmiddellijk opnieuw de vraag: wat ligt er achter die grens? En op dezelfde manier: wat ligt er achter de volgende grens? En zo verder, totdat de verbeelding moe terugkeert en zegt: er is geen einde. Het is dus zeker dat de Schepper niet ingeperkt was door de ruimte toen hij deze wereld niet groter maakte dan hij is, we moeten de reden dus ergens anders zoeken.
Als we onze wereld bekijken, of liever gezegd deze wereld, die de Schepper ons heeft gegeven als ons deel in het immense scheppingssysteem, zien we dat elk deel ervan – de aarde, het water en de omringende lucht – gevuld is en als het ware vol zit met leven, van de grootste dieren die we kennen tot de kleinste insecten die met het blote oog te zien zijn, en van daaruit nog kleinere, die zonder de hulp van een microscoop totaal onzichtbaar zijn. Elke boom, elke plant, elk blad dient niet alleen als leefgebied, maar ook als een wereld voor talrijke soorten, totdat het bestaan van dieren zo verfijnd wordt dat de geur van een grassprietje voedsel is voor duizenden.
Aangezien er dus geen enkel deel van onze aarde onbewoond is, waarom zou men dan veronderstellen dat de onmetelijkheid van de ruimte een complete leegte is, liggend in een eeuwige woestenij? Er is ruimte voor miljoenen werelden die even groot of groter zijn dan de onze, en die miljoenen kilometers van elkaar verwijderd zijn.
Nu we op dit punt zijn aangekomen, zullen we, als we onze ideeën nog een stap verder uitwerken, misschien de ware reden zien, of in ieder geval een zeer goede reden, voor ons geluk, waarom de Schepper, in plaats van één immense wereld te scheppen die zich uitstrekt over een immense hoeveelheid ruimte, er de voorkeur aan heeft gegeven die hoeveelheid materie te verdelen in verschillende afzonderlijke werelden, die we planeten noemen, waarvan onze aarde er één is. Maar voordat ik mijn ideeën over dit onderwerp toelicht, is het noodzakelijk (niet voor degenen die het al weten, maar voor degenen die het niet weten) om te laten zien wat het systeem van het universum is.
Dat deel van het universum dat het zonnestelsel wordt genoemd (dat wil zeggen het systeem van werelden waartoe onze aarde behoort en waarvan Sol, of in het Nederlands de zon, het centrum is) bestaat, naast de zon, uit zes afzonderlijke hemellichamen, of planeten, of werelden, naast de secundaire hemellichamen die satellieten of manen worden genoemd, waarvan onze aarde er één heeft die haar vergezelt in haar jaarlijkse omwenteling rond de zon, op dezelfde manier als de andere satellieten of manen de planeten of werelden vergezellen waartoe zij behoren, zoals met behulp van de telescoop kan worden waargenomen.
De zon is het centrum, waarrond die zes werelden of planeten op verschillende afstanden draaien, en in cirkels die naar elkaar toe convergeren. Elke wereld blijft constant in bijna dezelfde baan rond de zon en blijft tegelijkertijd in een bijna rechtopstaande positie om zichzelf draaien, zoals een tol om zichzelf draait wanneer hij op de grond ronddraait en een beetje opzij leunt.
Het is deze helling van de aarde (23,5 graden) die zomer en winter veroorzaakt, en de verschillende lengte van dagen en nachten. Als de aarde om zichzelf zou draaien in een positie loodrecht op het vlak of niveau van de cirkel waarin zij rond de zon beweegt, zoals een tol rond draait wanneer hij rechtop op de grond staat, zouden de dagen en nachten altijd even lang zijn, twaalf uur dag en twaalf uur nacht, en zouden de seizoenen het hele jaar door gelijkmatig hetzelfde zijn.
Elke keer dat een planeet (bv. onze aarde) om zijn as draait, ontstaat wat wij dag en nacht noemen; en elke keer dat hij volledig rond de zon draait, ontstaat wat wij een jaar noemen; bijgevolg draait onze wereld driehonderdvijfenzestig keer om zijn as, terwijl hij één keer rond de zon draait. [Degenen die veronderstelden dat de zon elke 24 uur om de aarde draaide, maakten dezelfde denkfout als een kok die het vuur om het vlees zou laten draaien, in plaats van het vlees te draaien.]
De namen die de Ouden aan die zes werelden gaven, en die nog steeds die namen dragen, zijn Mercurius, Venus, de wereld die wij de onze noemen, Mars, Jupiter en Saturnus. Ze lijken groter voor het oog dan de sterren, omdat ze miljoenen kilometers dichter bij onze aarde staan dan welke ster dan ook. De planeet Venus is wat men de avondster noemt, en soms de morgenster, omdat zij na de zon ondergaat of vóór de zon opkomt, wat in beide gevallen nooit meer dan drie uur duurt.
Zoals gezegd, de zon is het centrum, en de planeet of wereld die het dichtst bij de zon staat is Mercurius; zijn afstand tot de zon is vierendertig miljoen mijl, en hij beweegt zich in een cirkel altijd op die afstand van de zon, zoals een tol ronddraait in het spoor dat een paard in een molen aflegt. De tweede wereld is Venus; zij bevindt zich op een afstand van zevenenvijftig miljoen mijl van de zon en beweegt zich bijgevolg in een cirkel die veel groter is dan die van Mercurius. De derde wereld is die welke wij bewonen, en die zich op een afstand van achtentachtig miljoen mijl van de zon bevindt en zich bijgevolg in een cirkel beweegt die groter is dan die van Venus. De vierde is Mars; hij bevindt zich op een afstand van honderdvierendertig miljoen mijl van de zon en beweegt zich bijgevolg in een cirkel groter dan die van onze aarde. De vijfde is Jupiter; hij bevindt zich op een afstand van vijfhonderdzevenenvijftig miljoen mijl van de zon en beweegt zich bijgevolg in een cirkel die groter is dan die van Mars. De zesde wereld is Saturnus; hij bevindt zich op een afstand van zevenhonderddrieënzestig miljoen mijl van de zon en beweegt zich in een cirkel die de cirkels of banen van alle andere werelden of planeten omringt.
De ruimte in het uitspansel, of in de onmetelijkheid van de ruimte, die ons zonnestelsel inneemt voor de verschillende werelden voor hun omwentelingen rond de zon, is in een rechte lijn even groot als de hele diameter van de baan of cirkel waarin Saturnus rond de zon beweegt. Deze afstand is het dubbele van zijn afstand tot de zon, namelijk vijftienhonderdzesentwintig miljoen mijl, en de cirkelvormige omvang is bijna vijf miljard en de bolvormige inhoud bijna drieduizend vijfhonderd miljoen maal drieduizend vijfhonderd miljoen vierkante mijl. [Als men zou vragen hoe de mens dit kan weten, heb ik één duidelijk antwoord, namelijk dat de mens weet hoe hij een zonsverduistering moet berekenen en ook hoe hij tot op een minuut nauwkeurig kan berekenen wanneer de planeet Venus, tijdens haar omwentelingen rond de zon, in een rechte lijn tussen onze aarde en de zon komt te staan en voor ons ongeveer zo groot lijkt als een grote erwt die voor de zon beweegt. Dit gebeurt slechts twee keer in ongeveer honderd jaar, met een tussenpoos van ongeveer acht jaar, en is in onze tijd twee keer voorgekomen, beide keren vooraf bekend door berekening. Het is ook mogelijk om te weten wanneer dit de komende duizend jaar of in een andere periode weer zal gebeuren. Aangezien de mens deze dingen niet zou kunnen doen als hij het zonnestelsel en de manier waarop de omwentelingen van de verschillende planeten of werelden plaatsvinden niet zou begrijpen, is het feit dat een zonsverduistering of een overgang van Venus kan worden berekend, een bewijs dat deze kennis bestaat; en wat betreft een paar duizend of zelfs een paar miljoen mijl meer of minder, maakt dat nauwelijks enig merkbaar verschil bij zulke immense afstanden.]
Maar dit is, hoe immens ook, slechts één systeem van werelden. Daarbuiten, op een enorme afstand in de ruimte, ver buiten alle berekeningsmogelijkheden, bevinden zich de sterren die vaste sterren worden genoemd. Ze worden vast genoemd omdat ze geen omwentelende beweging hebben, zoals de zes net beschreven werelden of planeten. Die vaste sterren blijven altijd op dezelfde afstand van elkaar en altijd op dezelfde plaats, zoals onze zon in ons systeem. Waarschijnlijk is daarom elk van deze vaste sterren ook een zon, waaromheen een ander systeem van werelden of planeten, hoewel te ver weg voor ons om te ontdekken, zijn omwentelingen maakt, zoals ons systeem dat doet rond onze centrale zon.
Door deze eenvoudige gedachtegang zal de onmetelijkheid van de ruimte ons doen inzien dat deze gevuld is met wereldstelsels en dat geen enkel deel van de ruimte onbenut blijft, net zomin als enig deel van de aardbol en het water onbezet is.
Nu ik op een vertrouwde en eenvoudige manier heb geprobeerd een beeld van de structuur van het universum te geven, kom ik terug op wat ik eerder al aangaf, namelijk de grote voordelen voor de mens, voortvloeiend uit het feit dat de Schepper vele werelden heeft geschapen, zoals ons zonnestelsel, dat bestaat uit een centrale zon en zes werelden, naast satellieten, in plaats van slechts één wereld van enorme omvang.
Het is een idee dat ik nooit uit het oog heb verloren, dat al onze wetenschappelijke kennis is afgeleid van de omwentelingen (die zichtbaar zijn voor ons oog en vandaar voor ons begrip) die de verschillende planeten of werelden waaruit ons zonnestelsel bestaat, maken in hun baan rond de zon.
Als de hoeveelheid materie die deze zes werelden bevatten was samengesmolten tot één enkele bol, zou het gevolg voor ons zijn geweest dat er ofwel geen omwentelende beweging zou bestaan, ofwel niet voldoende om ons het idee en de kennis van wetenschap te geven die we nu hebben; en het is uit de wetenschappen dat alle mechanische kunde, die zo veel bijdragen aan ons aardse geluk en comfort, zijn afgeleid.
Aangezien de Schepper dus niets vergeefs heeft gemaakt, moeten we ook geloven dat hij de structuur van het universum op de meest voordelige manier voor de mens heeft georganiseerd; en aangezien we de voordelen zien en uit ervaring voelen, ontleent aan de structuur van het universum zoals het is gevormd, voordelen waarvan we niet hadden genoten als de structuur, wat ons systeem betreft, een eenzame bol was geweest, kunnen we ten minste één reden ontdekken waarom er zo vele werelden zijn geschapen, en die reden roept zowel de devote dankbaarheid van de mens als zijn bewondering op.
Maar de voordelen uit die veelheid zijn niet alleen voorbehouden aan ons. De bewoners van de werelden in ons systeem, genieten dezelfde mogelijkheden tot kennis als wij. Ze aanschouwen de omwentelingen van de aarde, zoals wij die van hen. Alle planeten draaien in elkaars zicht en daarom biedt zich voor iedereen dezelfde universele school van wetenschap aan.
De kennis stopt hier niet. Het zonnestelsel naast het onze toont in zijn omwentelingen dezelfde principes en wetenschap aan de bewoners van hun zonnestelsel als ons zonnestelsel aan ons, en op dezelfde manier in de onmetelijkheid van de ruimte.
Onze ideeën, niet alleen over de almacht van de Schepper, maar ook over zijn wijsheid en zijn weldadigheid, worden groter naarmate we nadenken over de omvang en structuur van het universum. Het solitaire idee van een solitaire wereld, roterend of rustend in de immense oceaan van de ruimte, maakt plaats voor het optimistische idee van een samenleving van werelden, zo gelukkig ontworpen dat ze, zelfs door hun beweging, de mens onderricht geven. We zien onze eigen aarde vol overvloed, maar we vergeten hoeveel van die overvloed te danken is aan de wetenschappelijke kennis die de enorme machinerie van het universum ons heeft onthuld.
Maar wat moeten we, temidden van deze overdenkingen, denken van het christelijke geloof, dat is gebaseerd op het idee van maar één wereld, die, zoals aangetoond, niet groter is dan vijfentwintigduizend mijl? Een afstand die een man die twaalf uur per dag met een snelheid van drie mijl per uur, in minder dan twee jaar volledig zou kunnen afleggen als hij in een cirkelvormige richting zou blijven lopen. Ach, wat is dit in vergelijking met de machtige oceaan van de ruimte en de almachtige kracht van de Schepper?
Waar zou dan het eenzame en vreemde idee vandaan komen dat de Almachtige, die miljoenen werelden had die evenzeer van zijn bescherming afhankelijk waren, de zorg voor al de andere zou opgeven en in onze wereld zou komen sterven, omdat, zo zeggen zij, één man en één vrouw een appel hadden gegeten? En moeten we aan de andere kant veronderstellen dat elke wereld in de grenzeloze schepping een Eva, een appel, een slang en een verlosser had? In dat geval zou de persoon die oneerbiedig de Zoon van God wordt genoemd, en soms God zelf, niets anders te doen hebben dan van wereld naar wereld te reizen, in een eindeloze reeks van sterfgevallen, met nauwelijks een moment van leven ertussen. Door het bewijs dat het woord of het werk van God in de schepping aan onze zintuigen biedt, en de werking van ons verstand op dat bewijs, te verwerpen, zijn er zoveel ongebruikelijke en grillige geloofs- en religieuze systemen gecreëerd en in het leven geroepen. Er kunnen vele religieuze systemen zijn die, verre van moreel slecht te zijn, in veel opzichten moreel goed zijn; maar er kan slechts ééN zijn die waar is; en die ene moet noodzakelijkerwijs, zoals altijd het geval zal zijn, in alle opzichten in overeenstemming zijn met het eeuwig bestaande Woord van God dat wij in zijn werken aanschouwen. Maar het christelijke geloofssysteem is zo vreemd opgebouwd dat elk bewijs dat de hemel de mens biedt, het ofwel rechtstreeks tegenspreekt ofwel absurd maakt.
Men kan geloven, en ik vind het altijd prettig om mezelf aan te moedigen dit te geloven, dat er mensen in de wereld zijn geweest die zichzelf ervan hebben overtuigd dat wat een vrome leugen wordt genoemd, in ieder geval onder bepaalde omstandigheden, iets goeds kan opleveren. Maar als de leugen eenmaal was gevestigd, kon deze achteraf niet meer worden uitgelegd, want een vrome leugen is net als een slechte daad: hij brengt een rampzalige noodzaak met zich mee om door te gaan.
De personen die als eersten het christelijke geloof predikten en dit in zekere mate combineerden met de moraal die door Jezus Christus werd gepredikt, konden zichzelf ervan overtuigen dat ze beter was dan de heidense mythologie die toen gangbaar was. Van de eerste predikers ging de bedriegerij over op de tweede en de derde, totdat het idee dat het om een vrome bedriegerij ging, verloren ging in het geloof dat het waar was; en dat geloof werd weer aangemoedigd door de belangen van degenen die hun brood verdienden met het prediken ervan.
Maar hoewel een dergelijk geloof aldus bijna algemeen verspreid kon worden onder de leken, is het vrijwel onmogelijk om de constante vervolging door de Kerk, honderden jaren lang, tegen de wetenschappen en tegen de professoren te verklaren, als de Kerk niet enige vorm van bewijs of traditie had dat het oorspronkelijk niets anders was dan een vrome bedriegerij, of niet voorzag dat het niet kon worden gehandhaafd tegen het bewijs dat de structuur van het universum bood.
Nu ik aldus de onverzoenlijke tegenstrijdigheden heb aangetoond tussen het werkelijke Woord van God dat in het universum bestaat, en datgene wat het Woord van God wordt genoemd, zoals ons getoond in een gedrukt boek dat iedereen zou kunnen maken, ga ik verder met het bespreken van de drie belangrijkste middelen die in alle tijden, en misschien in alle landen, zijn gebruikt om de mensheid te misleiden.
Die drie middelen zijn mysterie, mirakel en profetie. De eerste twee zijn onverenigbaar met een ware religie, en de derde moet altijd met argwaan worden bekeken.
Wat het mysterie betreft: alles wat we zien is in zekere zin een mysterie voor ons. Ons eigen bestaan is een mysterie; de hele plantenwereld is een mysterie. We kunnen niet verklaren hoe het komt dat een eikel, wanneer deze in de grond wordt gestopt, kiemt en een eik wordt. We weten niet hoe het komt dat het zaad dat we zaaien kiemt en vermeerdert en zo’n overvloedige opbrengst oplevert tegen zo’n klein kapitaal.
Het feit zelf, in tegenstelling tot de oorzaak, is geen mysterie, omdat we zien en ook weten welke middelen we moeten gebruiken, namelijk niets anders dan het zaad in de grond stoppen. We weten dus zoveel als we moeten weten en dat deel van het proces dat we niet kennen en dat we, als we het wel kenden, niet zouden kunnen uitvoeren, neemt de Schepper op zich en voert het voor ons uit. We zijn dus beter af dan wanneer we in het geheim waren ingewijd en het zelf hadden moeten doen.
Maar hoewel elk geschapen ding in deze zin een mysterie is, kan het woord mysterie niet worden toegepast op de morele waarheid, net zomin als onduidelijkheid kan worden toegepast op licht. De God waarin wij geloven is een God van morele waarheid, en geen God van mysterie of onduidelijkheid. Mysterie is de tegenpool van waarheid. Het is een mist van menselijke verbeelding die de waarheid verduistert en vervormt. Waarheid hult zich nooit in mysterie en het mysterie waarin zij op enig moment gehuld is, is het werk van haar tegenpool, nooit van haarzelf.
Een religie, die het geloof in een God en een toepassing van de morele waarheid is, kan daarom geen band hebben met een mysterie. Het geloof in een God is verre van iets mysterieus en is van alle geloofsovertuigingen de gemakkelijkste, omdat het, zoals eerder opgemerkt, uit noodzaak voortkomt. En de beoefening van morele waarheid, met andere woorden, het praktisch volgen van de morele goedheid van God, is niets anders dan dat wij ons tegenover elkaar gedragen zoals Hij zich welwillend tegenover iedereen gedraagt. We kunnen God niet dienen op dezelfde wijze als we degenen dienen die niet zonder onze hulp kunnen; en daarom is het enige idee dat we kunnen hebben van het dienen van God, dat we bijdragen aan het geluk van de levende schepping die God heeft gemaakt. Dit kan niet worden bereikt door ons terug te trekken uit de maatschappij en een teruggetrokken leven te leiden in egoïstische toewijding.
De aard en het doel van religie, als ik het zo mag uitdrukken, bewijzen zelfs dat zij vrij moet zijn van alles wat mysterieus is en niet belast mag zijn met alles wat mysterieus is. Religie, beschouwd als een plicht, rust op elke levende ziel in gelijke mate en moet daarom op hetzelfde niveau staan als het begrip en het inzicht van iedereen. De mens leert religie niet zoals hij de geheimen en mysteries van een vak leert. Hij leert de theorie van religie door reflectie. Deze ontstaat uit de activiteit van zijn geest op de dingen die hij ziet, of op wat hij toevallig hoort of leest, en de praktijk sluit zich daarbij aan.
Wanneer mensen, hetzij uit politiek oogpunt, hetzij uit vroom bedrog, religieuze systemen opzetten die onverenigbaar zijn met het woord of het werk van God, en die niet alleen boven het menselijk begrip uitstijgen, maar er ook tegenin gaan, waren zij genoodzaakt een woord te bedenken of over te nemen dat als een barrière zou dienen voor alle vragen, onderzoeken en speculaties. Het woord mysterie voldeed aan dit doel, en zo gebeurde het dat religie, dat op zichzelf geen mysterie kent, is gecorrumpeerd tot een mist van mysteries.
Aangezien het mysterie aan de algemene doeleinden voldeed, volgde het mirakel als een occasioneel hulpmiddel. Het eerste diende om de geest te verwarren, het tweede om de zintuigen te verwarren. Het ene was het jargon, het andere de goochelkunst.
Maar voordat we verder ingaan op dit onderwerp, is het gepast om te vragen wat er onder een mirakel wordt verstaan.
In dezelfde zin dat alles een mysterie kan worden genoemd, kan ook worden gesteld dat alles een mirakel is, en dat geen enkel ding een groter mirakel is dan een ander. De olifant is, hoewel groter, geen groter wonder dan een mijt, noch is een berg een groter wonder dan een atoom. Voor een almachtige kracht is het niet moeilijker om het ene te maken dan het andere, en niet moeilijker om miljoenen werelden te maken dan om er één te maken. Alles is dus in zekere zin een wonder, terwijl er in een andere zin niet zoiets als een wonder bestaat. Het is een wonder in vergelijking met onze macht en ons begrip, zo niet een wonder in vergelijking met de macht die het tot stand brengt; maar aangezien niets in deze beschrijving het idee weergeeft dat aan het woord wonder kleeft, is het noodzakelijk om het onderzoek verder te zetten.
De mensheid heeft voor zichzelf bepaalde wetten bedacht, volgens welke de natuur zou moeten werken; en dat wonder is iets dat in strijd is met de werking en het effect van die wetten; maar tenzij we de volledige reikwijdte van die wetten kennen, en van wat gewoonlijk de natuurkrachten worden genoemd, zijn we niet in staat om te beoordelen of iets dat ons wonderbaarlijk of miraculeus lijkt, binnen, buiten of in strijd is met haar natuurlijke handelingsvermogen.
Het opstijgen van een mens tot enkele kilometers hoog heeft alles in zich voor het idee van een wonder, als het niet bekend was dat er een soort lucht kan worden gegenereerd die vele malen lichter is dan de gewone atmosferische lucht, maar toch voldoende elasticiteit bezit om te voorkomen dat de ballon waarin die lichte lucht is opgesloten, door de gewone lucht die hem omringt tot een vele malen kleiner volume wordt samengedrukt. Op dezelfde manier zou het onttrekken van vlammen of vonken aan het menselijk lichaam, zo zichtbaar als bij staal dat met een vuursteen wordt geslagen, en het zonder zichtbare oorzaak in beweging brengen van ijzer of staal, ook het idee van een wonder oproepen, als we niet bekend waren met elektriciteit en magnetisme. Hetzelfde geldt voor vele andere experimenten in de natuurfilosofie, voor degenen die niet bekend zijn met het onderwerp. Het weer tot leven wekken van personen die dood lijken, zoals wordt gedaan bij verdronken personen, zou ook een wonder zijn, als men niet wist dat het leven kan worden opgeschort zonder te worden beëindigd.
Daarnaast zijn er ook goocheltrucs en optredens van personen die samenwerken, die een wonderbaarlijke indruk maken, maar die, wanneer men ze doorziet, niet meer bijzonder worden gevonden. Er zijn ook mechanische en optische misleidingen. Er is nu een tentoonstelling in Parijs van geesten of schimmen, die, hoewel ze niet als een feit aan de toeschouwers worden opgedrongen, een verbazingwekkende indruk maken. Aangezien we dus niet weten hoever de natuur of vaardigheden kunnen gaan, is er geen positief criterium om te bepalen wat een wonder is, en de mensheid, die geloof hecht aan verschijningen, met het idee dat er wonderen bestaan, is voortdurend onderhevig aan misleiding.
Aangezien verschijningsvormen zo bedrieglijk kunnen zijn en dingen die niet echt zijn een sterke gelijkenis hebben met dingen die wel echt zijn, is er niets zo inconsistent als te veronderstellen dat de Almachtige gebruik zou maken van middelen die wonderen worden genoemd, waardoor de persoon die ze verrichtte verdacht zou worden van bedrog, de persoon die erover vertelde verdacht zou worden van leugens, en de leer die daarmee ondersteund zou moeten worden verdacht zou worden van een fantastisch verzinsel.
Van alle bewijsmiddelen ooit bedacht om een geloof te realiseren in een systeem of mening waaraan de naam religie is gegeven, is dat van het mirakel, hoe succesvol het ook mag zijn geweest, het meest inconsistent. Ten eerste impliceert het gebruik ervan om dat geloof te realiseren (want een wonder, in eender welke betekenis van het woord dan ook, is een vertoning) een zwakte of tekortkoming in de gepredikte leer. Ten tweede degradeert het de Almachtige tot een showman die trucs uithaalt om de mensen te vermaken en te verbazen. Het is ook het meest dubbelzinnige bewijs, want het geloof is niet afhankelijk van wat een wonder wordt genoemd, maar van de geloofwaardigheid van de verslaggever die zegt dat hij het heeft gezien; daarom zou het, als het waar was, niet meer kans hebben om te worden geloofd dan wanneer het een leugen was.
Stel dat ik zou zeggen dat, toen ik ging zitten om dit boek te schrijven, er een hand in de lucht verscheen, de pen oppakte en elk woord in dit boek schreef; zou iemand mij geloven? Zeker niet. Zouden ze me dan ook maar een beetje meer geloven als het echt gebeurd was? Zeker niet. Aangezien een echt wonder, als het zou gebeuren, hetzelfde lot zou ondergaan als een leugen, wordt de inconsistentie nog groter als we veronderstellen dat de Almachtige gebruik zou maken van middelen die niet het beoogde doel zouden dienen, zelfs als ze echt waren.
Als we aannemen dat een wonder iets is dat zo volledig buiten het natuurlijke verloop van de natuur valt, dat zij uit dat gebeuren moet treden om het te volbrengen, en we zien een verslag van zo’n mirakel door een getuige die het zag, dan roept dat een vraag op die heel eenvoudig te beantwoorden is, namelijk: is het waarschijnlijker dat de natuur uit haar doen treedt, of dat een mens een leugen vertelt? We hebben in onze tijd nog nooit gezien dat de natuur buiten haar gangbare patroon trad, maar we hebben goede redenen om aan te nemen dat er in diezelfde tijd miljoenen leugens zijn verteld; de kans is dus minstens miljoenen tegen één dat de verteller van een wonder een leugen vertelt.
Het verhaal van de walvis die Jona opslokt, hoewel een walvis er groot genoeg voor is, grenst aan het wonderbaarlijke; maar het had meer een mirakel geweest als Jona de walvis had opgeslokt. In dit geval, dat voor alle mirakels kan staan, zou de kwestie zichzelf duiden, zoals eerder, namelijk: is het waarschijnlijker dat een mens een walvis opslokte of dat hij een leugen vertelde?
Maar stel dat Jona de walvis echt had ingeslikt en met hem in zijn buik naar Nineve was gegaan, en om de mensen te overtuigen dat het waar was, hem voor hun ogen had uitgespuugd, met de volledige lengte en omvang van een walvis, zouden ze dan niet hebben geloofd dat hij de duivel was, in plaats van een profeet? Of, als de walvis Jona naar Nineve had gebracht en hem op dezelfde openlijke manier had uitgespuugd, zouden ze dan niet hebben geloofd dat de walvis de duivel was en Jona een van zijn duiveltjes?
Het meest buitengewone van alle mirakels in het Nieuwe Testament, dat is dat de duivel met Jezus Christus wegvloog en hem naar de top van een hoge berg bracht, en naar de top van de hoogste toren van de tempel, hem alle koninkrijken van de wereld liet zien en hem die beloofde. Hoe komt het dat hij Amerika niet heeft ontdekt, of heeft Zijne Hoogheid uitsluitend belangstelling voor koninkrijken?
Ik heb te veel respect voor het morele karakter van Christus om te geloven dat hij zelf dit enorme wonder heeft verteld; het is ook niet gemakkelijk te verklaren met welk doel het is verzonnen, tenzij het was om de kenners van Queen Anne’s farthings en verzamelaars van relikwieën en antiquiteiten te imponeren; of om het geloof in wonderen belachelijk te maken door de wonderen te overtreffen, zoals Don Quichot de ridderlijkheid overtrof; of om het geloof in wonderen in twijfel te trekken, door het onduidelijk te maken door welke kracht, die van God of die van de duivel, iets wat een mirakel wordt genoemd, werd verricht. Er is echter veel geloof in de duivel voor nodig om dit wonder te geloven.
Vanuit elk perspectief waarin deze zogenaamde wonderen kunnen worden geplaatst en beschouwd, is de realiteit ervan onwaarschijnlijk en hun bestaan overbodig. Ze zouden, zoals eerder opgemerkt, geen enkel nuttig doel dienen, zelfs als ze waar waren; want het is moeilijker om geloof in een wonder te hebben dan in een principe dat zonder enig wonder duidelijk moreel is. Morele principes spreken universeel voor zich. Een wonder kan slechts een momentopname zijn, die slechts door enkelen wordt gezien; daarna is het nodig dat het godsgeloof op de mens wordt overgedragen om een wonder te geloven op basis van het verslag van de mens. In plaats van de wonderverhalen te aanvaarden als bewijs dat een religieus systeem waar is, moeten ze daarom worden beschouwd als symptomen van fabels. Het is noodzakelijk voor het volledige en oprechte karakter van de waarheid dat zij hulp afwijst, en het is in overeenstemming met het karakter van de fabel om de hulp te zoeken die de waarheid afwijst. Tot zover het mysterie en het mirakel.
Terwijl mysteries en mirakels het verleden en het heden beheersten, beheerste profetie de toekomst en completeerde het de tijden van het geloof. Het was niet voldoende om te weten wat er was gedaan, maar ook wat er zou worden gedaan. De vermeende profeet was de vermeende historicus van de toekomst; en als hij, met een lange boog van duizend jaar, duizend mijl naast het doel schoot, kon de vindingrijkheid van het nageslacht het doel rechtstreeks raken; en als hij toevallig helemaal verkeerd zat, kon men alleen maar veronderstellen, zoals in het geval van Jona en Nineve, dat God het zich berouwde en van gedachten was veranderd. Wat maken fantastische systemen van de mens toch een dwaas!
In een eerder deel van dit werk is aangetoond dat de oorspronkelijke betekenis van de woorden profeet en profeteren is veranderd, en dat een profeet, in de huidige zin van het woord, een maaksel is van de moderne tijd; en dankzij deze betekenisverandering van de woorden, dat de dromen en metaforen van de Joodse dichters, de nu onduidelijke zinnen en uitdrukkingen, omdat we niet bekend zijn met de omstandigheden waarop ze van toepassing waren, tot profetieën zijn verheven en onderworpen aan de verklaringen volgens de wil en grillige verbeeldingen van sektariërs, uitleggers en commentatoren. Alles wat onbegrijpelijk was, was profetisch, en alles wat onbeduidend was, was kenmerkend. Een blunder zou als profetie hebben gediend, en een vaatdoek als kenmerkend.
Als we onder een profeet een man moeten verstaan aan wie de Almachtige iets heeft meegedeeld en in de toekomst zou plaatsvinden, dan waren er zulke mannen of ze waren er niet. Als ze er waren, is het logisch te geloven dat de gebeurtenis die werd meegedeeld, zou worden verteld in begrijpelijke bewoordingen en niet op zo’n vage en obscure manier dat ze buiten het begrip viel van de toehoorders, en zodanig dubbelzinnig dat ze op bijna elke omstandigheid van toepassing kon zijn. Het is zeer oneerbiedig tegenover de Almachtige om te veronderstellen dat hij zo schertsend met de mensheid zou omgaan, maar toch vallen alle profetieën in de Bijbel onder deze beschrijving.
Maar met profetieën is het net als met mirakels: zelfs als ze echt waren, zouden ze hun doel niet dienen. Degenen aan wie een profetie zou worden verteld, konden niet zeggen of de man profeteerde of loog, of het aan hem was geopenbaard of dat hij het zelf had verzonnen; en als hetgeen hij profeteerde of van plan was te profeteren, zou gebeuren, of iets dergelijks, tussen de vele dingen die dagelijks gebeuren, zou niemand alweer kunnen weten of hij het al wist, of het had geraden, of dat het toeval was. Een profeet is daarom een nutteloos en overbodig figuur; en het veiligste is om je te behoeden voor misleiding door geen geloof te hechten aan dergelijke verhalen.
Al met al: mysterie, mirakel en profetie, dat zijn bijvoegsels aan de fabels en niet aan de ware religie. Zij zijn de middelen waarmee vele zie hiers! en zie daars! [Lucas evangelie 17:21: “Men zal niet zeggen: zie, hier is het; zie, daar is het. Want zie, het koninkrijk Gods is midden onder u.” – vert.] over de wereld zijn verspreid en religie tot een handelswaar is gemaakt. Het succes van de ene bedrieger moedigde de andere aan, en de geruststellende gedachte dat ze iets goeds deden door een vrome leugen in stand te houden, beschermde hen tegen wroeging.
Nu ik het onderwerp uitgebreider heb behandeld dan aanvankelijk het plan was, zal ik afsluiten met een samenvatting van het geheel.
Ten eerste – het idee of het geloof dat er een Woord van God bestaat in gedrukte vorm, of in geschreven vorm, of in gesproken vorm, is op zichzelf inconsistent om redenen die al zijn genoemd. Deze redenen zijn, naast vele andere, het ontbreken van een universele taal; de veranderlijkheid van de taal; fouten in vertalingen; de mogelijkheid om een woord volledig te onderdrukken; de waarschijnlijkheid dat het wordt gewijzigd, of dat het geheel wordt verzonnen en aan de wereld opgedrongen.
Ten tweede – dat de schepping die wij aanschouwen het echte en eeuwig bestaande Woord van God is, waarin wij niet kunnen worden misleid. Zij verkondigt zijn macht, zij toont zijn wijsheid, zij manifesteert zijn goedheid en weldadigheid.
Ten derde – dat de morele plicht van de mens bestaat uit het navolgen van de morele goedheid en weldadigheid van God, die in de schepping jegens al zijn schepselen tot uiting komt. Dat het zien, zoals wij dagelijks doen, van de goedheid van God jegens alle mensen, een voorbeeld is dat alle mensen oproept om hetzelfde jegens elkaar te doen; en dat bijgevolg alle vervolging en wraak tussen mensen onderling, en alle wreedheid jegens dieren, een schending van de morele plicht is.
Ik maak mij geen zorgen over de aard van het toekomstige bestaan. Ik stel mij tevreden met het geloof, zelfs met de positieve overtuiging dat de Macht die mij het bestaan heeft geschonken, in staat is om dat voort te zetten, in welke vorm en op welke manier Hij dat ook maar wil, met of zonder dit lichaam; en het lijkt mij waarschijnlijker dat ik hierna zal blijven bestaan, dan dat ik, zoals ik nu besta, al bestond voordat dat bestaan begon.
Het staat vast dat alle volkeren op aarde en alle religies het op één punt eens zijn: ze geloven allemaal in een God. Waar ze het niet over eens zijn, zijn de overbodige toevoegingen aan dat geloof. Als er ooit een universele religie zou komen, dan zou dat niet zijn door iets nieuws te geloven, maar door de overbodige toevoegingen weg te laten en te geloven zoals de mens aanvankelijk geloofde. Adam, als er ooit zo’n man heeft bestaan, werd geschapen als een deïst; maar in de tussentijd mag ieder mens, zoals zijn goed recht is, de religie en de eredienst volgen die hij verkiest.
Tot nu, 28 december 1793, had ik geschreven. ‘s Avonds ging ik naar het Hotel Philadelphia (voorheen White’s Hotel), Passage des Petis Peres, mijn verblijf wanneer ik naar Parijs kwam, omdat ik tot lid van de Conventie was gekozen, maar ik verliet de accommodatie na ongeveer negen maanden en nam mijn intrek in Rue Fauxbourg St. Denis, om meer teruggetrokken te zijn dan ik in de binnenstad kon zijn.
Ik ontmoette een groep Amerikanen in Hotel Philadelphia en besloot de avond met hen door te brengen. Omdat mijn verblijfplaats ongeveer anderhalve mijl verderop lag, reserveerde ik een bed in het hotel. De groep ging rond twaalf uur uit elkaar en ik ging meteen naar bed. Rond vier uur ‘s ochtends werd ik gewekt door geklop op mijn kamerdeur. Toen ik opendeed, zag ik bewakers, met de hotelier bij hen. Een bewaker vertelde mij dat ze me kwamen arresteren en mijn papieren kwamen opeisen. Ik vroeg hen binnen te komen, zodat ik me kon aankleden en meteen met hen mee kon gaan. Toevallig was Achilles Audibert uit Calais op dat moment in het hotel en ik vroeg of ik naar zijn kamer kon worden gebracht. Toen we daar aankwamen vertelde ik de bewakers dat ik voor één nacht in het hotel verbleef, dat ik bezig was met het drukken van een werk en dat een deel van dat werk zich in het Maison Bretagne, Rue Jacob, bevond. Ik vroeg hen mij eerst daarheen te brengen, wat zij deden.
De drukkerij waar het werk werd gedrukt, lag vlakbij het Maison Bretagne, waar kolonel Blackden en Joel Barlow uit de Verenigde Staten van Amerika verbleven, en ik had Joel Barlow gevraagd om de proefdrukken te vergelijken met het manuscript zodra ze uit de drukpers kwamen. De rest van het manuscript, van pagina 32 tot 76, bevond zich in mijn accommodatie. Maar afgezien van de noodzaak om alle delen van het werk bij elkaar te brengen, zodat de publicatie niet zou worden onderbroken door mijn gevangenschap of door iets anders dat mij zou kunnen overkomen, was het zeer gepast dat ik een mede-Amerikaan bij me had tijdens het onderzoek van mijn papieren, aangezien ik brieven in mijn bezit had van de voorzitter van het Congres, generaal Washington, de minister van Buitenlandse Zaken van het Congres, de heer Jefferson, en wijlen Benjamin Franklin, en het zou nodig kunnen zijn dat ik een proces-verbaal zou moeten opstellen om naar het Congres te sturen.
Het toeval wilde dat Joel Barlow slechts één proefdruk van het werk had ontvangen, die hij met het exemplaar had vergeleken en naar de drukkerij had teruggestuurd.
Vervolgens gingen we, in gezelschap van Joel Barlow, naar mijn kamer; en de bewakers, of commissarissen, namen de tolk mee naar het Comité van Algemene Veiligheid. Ik was tevreden dat ze mijn papieren zo streng hadden onderzocht; en het is niet meer dan rechtvaardig om te zeggen dat ze dat niet alleen op een beleefde manier deden, maar ook met tekenen van respect voor mijn persoon.
Ik liet hen het resterende deel van het manuscript van het werk zien. De tolk bekeek het en gaf het mij terug met de woorden: “Het is een interessant werk; het zal veel goeds doen.” Ik liet hem ook een ander manuscript zien, dat ik voor het Comité van Openbare Veiligheid had bedoeld. Het is getiteld “Observations on the Commerce between the United States of America and France” (Opmerkingen over de handel tussen de Verenigde Staten van Amerika en Frankrijk).
Nadat het onderzoek van mijn papieren was afgerond, brachten de bewakers mij naar de gevangenis van Luxemburg, waar ze mij achterlieten als een man wiens onterechte lot zij betreurden. Ik bood aan om onder het proces-verbaal dat zij hadden opgesteld te schrijven dat zij hun orders beleefd hadden uitgevoerd, maar zij wezen dat af.
Uit de conclusie ...
Het scheppingsboek is een onuitputtelijke tekst. Elk onderdeel van de wetenschap, of het nu verband houdt met de geometrie van het universum, met de systemen van dierlijk en plantaardig leven, of met de eigenschappen van levenloze materie, is een tekst voor zowel devotie als filosofie – voor dankbaarheid als voor menselijke vooruitgang. Men zal misschien zeggen dat als er zo’n revolutie in het religieuze systeem plaatsvindt, elke predikant een filosoof zou moeten zijn. Zeker, en elk huis van devotie een school van wetenschap.
Door af te wijken van de onveranderlijke wetten van de wetenschap en het juiste gebruik van de rede, en door een verzonnen ding op te richten dat geopenbaarde religie wordt genoemd, zijn er veel wilde en godslasterlijke ideeën over de Almachtige ontstaan. De Joden hebben hem tot moordenaar van het menselijk geslacht gemaakt om plaats te maken voor de joodse religie. De christenen hebben hem tot moordenaar van zichzelf en stichter van een nieuwe religie gemaakt, om de joodse religie te vervangen en te verdrijven. En om een voorwendsel en een rechtvaardiging voor deze dingen te vinden, moeten zij hebben verondersteld dat zijn macht of zijn wijsheid onvolmaakt was, of dat zijn wil veranderlijk was; en de veranderlijkheid van de wil is een onvolmaaktheid van het oordeel. De filosoof weet dat de wetten van de Schepper nooit zijn veranderd met betrekking tot de principes van de wetenschap of de eigenschappen van de materie. Waarom wordt dan verondersteld dat zij zijn veranderd met betrekking tot de mens?
Hiermee sluit ik het onderwerp af. Ik heb in alle voorgaande delen van dit werk aangetoond dat de Bijbel en het Testament bedrog en vervalsingen zijn; en ik laat het bewijs dat ik daarvoor heb geleverd, ter weerlegging achter, als iemand dat kan. Ik laat de ideeën die in de conclusie van dit werk worden voorgesteld, over aan de lezer om over na te denken, in de overtuiging dat wanneer meningen vrij zijn, zowel op het gebied van bestuur als religie, de waarheid uiteindelijk krachtig zal zegevieren.