Henriette Roland Holst

Geschiedenis van de proletarische klassenstrijd


Geschreven: 1908
Bron: Sociale Bibliotheek nr. 9 Rotterdam - Uitgevers Maatschappij, voorheen H.A. Wakker & co
Deze versie: Spelling aangepast en de tekst matig gemoderniseerd
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !

Qr-MIA

       


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


Verwant
Economie, politiek en geschiedenis
Geschiedenis en lessen van het neoliberalisme
Geschiedenis van de Europese arbeidersbeweging

Voorrede

Eerste voordracht 1815-1848
De proletarische klassenstrijd tot 1848
De Februarirevolutie van 1848

Tweede voordracht 1848-1871
Voortzetting van de revolutie van 1848
De Internationale

Derde voordracht
De Duitse en Franse arbeidersbeweging tot 1871
De Commune en haar gevolgen
De crisis en stagnatie van de jaren tachtig

Vierde voordracht 1871-1889
De politiek-parlementaire strijdmethode in de voornaamste landen

Vijfde voordracht 1889-1900
Voortzetting van de politiek-parlementaire methode
Uitbreiding van en veranderingen in het kapitalisme

Zesde voordracht
De allerlaatste jaren van de proletarische klassenstrijd
De massastaking

Voorrede

De Nederlandse arbeider die zich op de hoogte wil stellen van de geschiedenis van de strijd van zijn klasse, vindt zich de weg daartoe afgesneden, als hij geen vreemde taal of talen verstaat. Van de standaardwerken die de belangrijkste gebeurtenissen van de proletarische klassenstrijd behandelen, is, zo wij ons niet vergissen, geen enkel, met uitzondering van het boek van de Webbs over de Engelse vakbeweging, in volledige Hollandse vertaling verschenen.

Dit feit is de eigenlijke reden van bestaan van deze uitgave, de reden ook die mij deed besluiten er mij niet tegen te verzetten. Het stenografisch verslag van de zes door mij in de vorige winter voor de Amsterdamse federatie van de SDAP gehouden voordrachten stelt de arbeiders, in de eerste plaats de partijgenoten, die de cursus niet bijwoonden en het Duits, Frans of Engels niet machtig zijn, in de gelegenheid de geschiedenis van de strijd van hun klasse althans in hoofdtrekken te leren kennen. Tot de lezers, in staat de historische geschriften van Marx, Engels, Mehring, Kautsky, Jaeck, Jaurès, Thomas, enz. alsmede de monografieën in de buitenlandse tijdschriften te lezen, richt dit boekje zich niet en op volledigheid maakt het niet de minste aanspraak. Het was natuurlijk ondoenlijk in enige avondvergaderingen ook maar de hoofdzakelijke feiten van de arbeidersbeweging van alle landen te behandelen, en evenmin was het nodig, de toehoorders met een verwarrende veelheid van afzonderlijke voorvallen te overstelpen voor het doel dat ik mij voor ogen stelde: hun de ontwikkeling, de eenheid-in-verandering van de proletarische klassenstrijd duidelijk te maken en de vruchten van die ontwikkeling voor de huidige strijdwijze van het proletariaat. Om dit doel te bereiken, moest het volle licht vallen op die gebeurtenissen en de beweging in die landen welke de uit elkaar en uit het geheel van de maatschappelijke ontwikkeling voortkomende veranderingen in de proletarische strijdwijze als het ware illustreren. Aan de mate van belangrijkheid van de verschillende gebeurtenissen en van iedere nationale arbeidersbeweging voor de algemene, de internationale beweging, haar theorie en haar praktijk, moest de mindere of meerdere uitvoerigheid evenredig zijn, waarmee zij in dit overzicht werden behandeld. Deze overweging is het geweest, waar ik, bij de keuze van wat op te nemen, wat weg te laten van een overrijke stof, in de eerste plaats op gelet heb. Waar “het Volk” niet zonder schamperheid wees op de grote plaats die de behandeling van de Duitse arbeidersbeweging in mijn cursus inneemt, wil ik hierop antwoorden dat deze plaats mij slechts voorkomt in overeenstemming te wezen met de enorme betekenis van de Duitse voor de internationale beweging.

Bij het persklaar maken van deze voordrachten heb ik er mij toe bepaald, ten eerste slordigheden en onzuiverheden van uitdrukking zoveel mogelijk te verbeteren, ten tweede op enige plaatsen waar het verband dit noodzakelijk eiste, of verzuimd was een belangrijk verschijnsel in het juiste licht te stellen, een kort aanvullend stukje tussen de tekst in te lassen. Meer te doen was, waar de onvolkomendheid van het gesprokene in zo velerlei opzicht mij bij de lezing sterk opviel, verleidelijk, maar hieraan toe te geven, zou het neerkomen op het stenografisch verslag min of meer om te werken tot een boek. En aan een boek over de Geschiedenis van de proletarische klassenstrijd zouden geheel andere eisen mogen en moeten worden gesteld.
Laren, augustus 1908, H. Roland Holst.

Eerste voordracht (1815 – 1848)
De proletarische klassenstrijd tot 1848
De Februarirevolutie van 1848

Toehoorsters en toehoorders!
Het onderwerp, dat ik mij voorstel in 6 avonden voor u te behandelen, is zeker voor onze partij en voor de arbeidersbeweging van groot belang. Onze tactiek zowel als onze theorie berusten in de meest uitgebreide zin van het woord op ervaring, d.w.z. zij worden niet bedacht in ons hoofd, zonder verband met de werkelijkheid, maar afgeleid uit de kennis van een groot aantal feiten in de tijd en in de ruimte, en hoe beter wij op de hoogte zijn van de ontwikkeling van de maatschappij en van de ontwikkeling van onze eigen strijd, van de proletarische klassenstrijd, des te gemakkelijker is het voor ons om in te zien welke kant de ontwikkeling van de maatschappij uitgaat en hoe wij daarin moeten handelen. Want het is zeker wel iets dat gij allen zult beamen wanneer ik zeg, dat wij de tactiek niet vrij kiezen, dat wij niet handelen in vrije wil, maar dat wij handelen zoals wij moeten, dat onze handelingen, onze daden bepaald worden door de maatschappelijke verhoudingen en omstandigheden, door de kracht van onze tegenstanders en de richting van de maatschappelijke ontwikkeling. Ik hoop dat het aan het eind van deze cursusavonden u in het algemeen duidelijk zal zijn geworden, op welke wijze die maatschappelijke ontwikkeling en die maatschappelijke verhoudingen gedurende de eeuw van proletarische klassenstrijd, die achter ons ligt, de vormen van de strijd hebben bepaald. Ik hoop u duidelijk te maken, om een ogenblik de grote lijn van deze voordrachten te laten uitkomen hoe onder wat men zou kunnen noemen de voorgeschiedenis van de proletarische klassenstrijd, in de periode tot 1848, het gemis van burgerlijke vrijheden en rechten het proletariaat in verbond met de andere volksklassen, deed grijpen naar bijzondere strijdmiddelen, waarvan het meest krachtdadige en meest beslissende was de gewapende opstand; hoe daarna de burgerlijke klasse, de bourgeoisie, toen zij eenmaal de staatsmacht had veroverd, veroverd door de hulp, die zij van proletariaat en kleinburgerij in die strijd kreeg, gedwongen was om, hetzij plotseling, hetzij meer langzamerhand een aantal rechten en vrijheden toe te staan, door het bezit waarvan het proletariaat zich meer ongedwongen kon bewegen, en zijn organisaties opbouwen. In deze tweede periode wordt vanzelf de organisatie, politiek en economisch, het aller-voornaamste strijdmiddel van het proletariaat. De parlementaire- en de vakstrijd zijn de twee grote middelen, waarvan het zich bedient om invloed en macht te veroveren en zijn positie in zoverre te verbeteren, als dit onder de kapitalistische productie mogelijk is. Maar de maatschappij staat niet stil, de maatschappij ontwikkelt zich, de proletarische klassenstrijd zelf wordt een steeds gewichtiger factor tot de ontwikkeling van de maatschappij en tot de veranderingen, die de burgerlijke klassen en het karakter van de burgerlijke staat ondergaan, en hoe meer het hoogtepunt van de heerschappij van de burgerlijke klasse voorbij is, hoe meer zij tot verval begint te neigen, en ook hoe meer de organisatie, het bewustzijn en de macht van het proletariaat groeien, des te meer zien wij de kiemen van een periode waarin de parlementaire en de vakstrijd onvoldoende zullen zijn voor het proletariaat, waarin het wederom, aan het einde van een spiraalvormige beweging, zal moeten overgaan tot meer revolutionaire middelen, tot het revolutionaire middel bij uitnemendheid, dat voorkomt uit zijn plaats in het productieproces en uit de kracht van zijn organisaties; de revolutionaire politiek-economische werkstaking, als aanvulling van zijn parlementaire en economische actie, zijn pers, zijn demonstraties enz. Dat is met een enkel woord aangeduid, de grote lijn van de historische ontwikkeling, zoals zij m.i. naar voren komt uit de geschiedenis van de proletarische klassenstrijd.

Vanavond zullen wij behandelen de periode die ik de voorgeschiedenis van die klassenstrijd genoemd heb. Het is een zeer bewogen periode, een tijdperk rijk aan treffende en dramatische gebeurtenissen, en wanneer men in de allereerste plaats daarop letten zou, nl. op het dramatische, het heftig bewogen karakter van de klassenstrijd, dan had ik zeker de indeling anders moeten maken en bv. aan de beweging tot en met 1848 minstens twee avonden wijden om de latere perioden korter te behandelen. Het kwam mij echter voor, dat dat niet de goede manier was, omdat die eerste periode, van hoeveel gewicht zij ook is, ons het proletariaat toch slechts laat zien, nog niet georganiseerd als zelfstandige klasse, en althans politiek, met uitzondering van de chartistenbeweging in Engeland, nog nergens zelfstandig strijdend. De grote rol van het proletariaat, de eigenlijke proletarische klassenstrijd begint pas wanneer dat proletariaat door zijn hulp, door zijn medestrijden en medewerken aan haar overwinning, de bourgeoisie heeft gemaakt tot heersende klasse, en daarmee het terrein heeft vrijgemaakt voor zijn eigen zelfstandige politieke strijd, als klasse georganiseerd. Dit is dus eerst na 1848. Ik heb daarom gemeend deze gehele voorperiode op één avond te moeten behandelen, om zoveel mogelijk tijd vrij te maken voor de latere, de verdere ontwikkeling van het proletariaat; want het spreekt vanzelf, dat het tijdperk waarin het proletariaat zelfstandig georganiseerd is en zelfstandig strijdt, voor ons van nog meer belang is dan die eerste periode, dat wij daaruit meer kunnen leren.

Ik zal nu beginnen met een kort overzicht van de algemene economische en politieke verhoudingen waaronder in het eerste tijdperk, ongeveer van 1815 tot 1848, de proletarische klassenstrijd plaats vond. Ik moet er hier even de aandacht op vestigen dat ik zowel deze avond als de volgende avonden mij zoveel mogelijk zal beperken in het meedelen van feiten. Ik zal trachten u niet te overladen met een veelheid van feiten, niet te verwarren door een aantal kleine lijnen, maar u zoveel mogelijk de grote lijnen van de ontwikkeling te doen zien. Ik ben natuurlijk door gebrek aan tijd ook gedwongen mij zeer te beperken wat aangaat de uitbreiding van de proletarische klassenstrijd tot Oost-Europa en tot andere werelddelen. Ik zal bv. de Verenigde Staten van Noord-Amerika geheel buiten bespreking moeten laten, omdat de beweging daar zulke andere historische oorsprongen heeft, de economische en politieke verhoudingen er zo anders zijn, dat het onmogelijk is dat alles goed duidelijk te maken wanneer men er slechts even terloops over spreken kan. Ik kan trouwens zonder schade de Amerikaanse arbeidersbeweging ter zijde laten omdat de strijd in Amerika slechts in zeer geringe mate op de strijd in Europa heeft teruggewerkt.

Voor vanavond kan ik mij uitsluitend beperken tot de drie landen, die tot korte tijd altijd hebben vooraan gestaan in de proletarische klassenstrijd, nl. Engeland, Frankrijk en Duitsland. Voor 1848 was er slechts in die landen van een proletarische klassenstrijd sprake; in geen van de andere landen bestond nog een modern proletariaat. Wij zullen echter ook bij de verdere behandeling van ons onderwerp altijd voornamelijk de blik richten naar de grote toonaangevende landen, die politiek en economisch feitelijk altijd de leiding hebben gehad en slechts enkele grote, belangrijke feiten memoreren uit de landen, die van minder betekenis zijn.

Om nu te komen tot de politieke verhoudingen. Voor het jaar 1830 heerste nergens nog de gehele bourgeoisie, van dat jaar af tot 1848 toe heerste zij nog slechts in Engeland. De gehele bourgeoisie, de bourgeoisie als brede klasse beschouwd met inbegrip van intellectuelen en middenstand, of kleinburgerij, was overal nog van de staatsmacht buitengesloten. Slechts haar toppen, haar bovenste lagen waren reeds daarin binnengedrongen en deze beheersten in Engeland en in Frankrijk te samen met de oude feodale klassen, met het groot grondbezit, de adel, de hoge ambtenaren, de hoge militairen, de staat. De eigenlijke kleinburgerij was natuurlijk nog totaal van de staatsmacht uitgesloten. In Duitsland was de politiek-economische ontwikkeling zelfs nog niet zover gevorderd. Daar was voor het jaar 1848 nog volstrekt geen sprake van heerschappij van de bourgeoisie: de voorburgerlijke klassen heersten er vrijwel onbegrensd.

Deze politieke verhoudingen beheersten tot 1848 toe het optreden van het proletariaat. Het proletariaat kan in dit tijdvak niet, kan nergens zelfstandig optreden en zelfstandig strijden, voordat de burgerlijke staat tot stand gekomen is, voordat de bourgeoisie de staatsmacht beheerst. Voor het zover is kan het proletariaat niet anders doen dan, doorgaans in verbond met de kleinburgerij, de bourgeoisie in haar strijd tegen de machten van het verleden, tegen de reactionaire, de feodale klassen ondersteunen. Het kan dit natuurlijk doen op verschillende wijzen. Het kan dit doen, nog volslagen zonder bewustzijn van de tegenstelling van een klassenbelang tussen zichzelf en de bourgeoisie. Zo geschiedt het in het begin van de moderne burgerlijke ontwikkeling, in de tijd dat het kapitalisme nog weinig ontwikkeld is en die klassentegenstelling dus ook nog slechts in kiem aanwezig. Bij de grote Franse revolutie was dat zo. Het proletariaat is in die revolutie waarachtig niet zacht of goed of rechtvaardig door de grote burgerlijke revolutionairen behandeld. Het kreeg geen kiesrecht, coalitie werd verboden, en toch, zo sterk was het historisch instinct van het proletariaat, zijn besef dat het absoluut nodig was de feodale instellingen op te ruimen, de voorburgerlijke klassen ten onder te brengen, zo sterk zijn instinct dat de zegepraal van de bourgeoisie ook zijn belang was, dat het zonder enig voorbehoud gedurende de gehele revolutie aan de zijde van de bourgeoisie streed en enkel op het eind daarvan in de samenzwering van Babeuf en de Gelijken, een tegen het burgerlijk, het kapitalistisch bezit gerichte episode in de revolutionaire beweging voorkwam.

Ook bij de Franse revolutie van 1830 was het proletariaat – wij zullen dat straks nader beschouwen – nog onbewust van zijn klassenbelangen. Het kwam op voor de bourgeoisie, het haalde voor haar de kastanjes uit het vuur, het streed voor haar op de barricaden, het trotseerde de dood om de bourgeoisie aan het roer te helpen. Het vroeg niets, het eiste niets voor zichzelf.

Bij de revolutie van 1848 was dat reeds anders. De economische ontwikkeling was verder voortgeschreden. De kiemen van zelfstandige proletarische organisatie waren ontstaan. De socialistische ideeën waren opkomende en hadden reeds hun uitwerking gehad in het proletariaat, in hem begon bewustzijn te dagen. De meest ontwikkelden onder de proletariërs begonnen in te zien dat hun klasse in de burgerlijke maatschappij nooit welvaart en levenszekerheid zou kunnen veroveren. De eerste vage vorm waarin het proletariaat opkwam met eigen eisen, eisen onverenigbaar met de kapitalistische productiewijze, was het parool: organisatie van de arbeid. En wanneer wij nu zien naar de Russische revolutie, die ik niet afzonderlijk behandelen zal, maar waarvan ik mij voorstel u telkens en telkens weer te laten zien in hoeverre zij overeenstemt en in hoeverre zij afwijkt van vroegere grote politieke omwentelingen, wanneer wij zien naar die revolutie, die voor ons zo belangrijk is, omdat zij de laatste burgerlijke is, terwijl tevens het proletarisch karakter in haar reeds veel meer op de voorgrond komt dan in de revolutie van 1848, dan trekt het onze aandacht, dat het proletariaat in de Russische revolutie veel meer dan in die van 1848 opkomt met eigen eisen niet alleen, doch ook zelfstandig als klasse georganiseerd.

Zoals ik zei, voor 1848 is er in het algemeen nog geen zelfstandige politieke proletarische organisatie en klassenstrijd geweest. Daarop is echter een grote uitzondering, dat is de politieke strijd van de Engelse arbeiders in het chartisme. Die uitzondering staat daarmee in verband, dat vroeger dan in Frankrijk en Duitsland, in Engeland de grootbourgeoisie, haar bovenste en ook reeds haar middelste lagen aan de macht kwamen. Vanaf 1831, toen na een hevige en lange strijd waarin de van het kiesrecht uitgesloten burgerlijke elementen en het proletariaat samen gingen, de grote parlementshervorming tot stand kwam, heersten in Engeland niet alleen de bovenste, maar ook de middellagen van de bourgeoisie en een deel van de kleinburgers. Daarmee was dus het terrein gegeven, waarop een zelfstandige proletarische organisatie zich kon ontwikkelen, al kon deze nog geenszins bewust socialistisch zijn.

Een enkel woord nu over de economische verhoudingen waaronder het proletariaat zijn strijd aanving. Ik kan daarop natuurlijk niet diep ingaan, omdat wij niet een cursus houden over de toestand van het proletariaat onder het kapitalisme, maar over zijn strijd. Ik wil dan ook alleen de aan de meesten van u de zeker bekende feiten in herinnering brengen, dat met de opkomst van het grootindustrieel kapitalisme het moderne proletariaat zich reusachtig snel begon te ontwikkelen en dat het in de eerste periode van dat kapitalisme een tijdperk van ontzettende fysieke en morele ellende doormaakte. De machine, zegevierend optredend tegenover het handwerk, maakte overal waar zij veld won, het allereerst in de textielindustrie, de levensvoorwaarden voor de handwerkers onmogelijk. Tienduizenden en tienduizenden spinners en wevers werden achtereenvolgens, in Engeland, Frankrijk en Duitsland door het machinaal bedrijf overweldigd. Zij moesten concurreren tegen de machine; en die concurrentie zetten zij voort zolang tot het loon was gedrukt tot ver onder het minimum waarbij de arbeider kan bestaan.

In dit tijdperk van de proletarische klassenstrijd bestond nog nergens vrijheid van associatie, vrijheid van vereniging. De op zichzelf staande arbeiders waren weerloos overgeleverd aan de werking van het kapitalisme, en dat kapitalisme kende geen erbarmen, geen mededogen. De mannenarbeid werd overal, sedert het vierde kwart van de 18e eeuw in Engeland, een halve eeuw later overeenkomstig de latere ontwikkeling van de economische verhoudingen, in Duitsland en Frankrijk, op grote schaal vervangen door vrouwen- en kinderarbeid. Wij weten wat kinderarbeid in het ongebreidelde kapitalisme betekent: arbeid van kinderen van 5 en 6 jaar gedurende 12, 14, 16 en langer arbeid, plaatsvindend onder het zg. wisselsysteem, waarbij de kinderen in twee ploegen elkaar afwisselen en de afgetobde lichamen van de ene in de nauwelijks afgekoelde bedden van de andere enige uren verdoving vonden. En het gevolg: zwakke gestellen, vergroeide beenderen, vroegtijdige uitputting, ontaarding van het geslacht.

De woning-ellende werd overal waar de machine haar intocht deed, uiterst groot. Met de industrie groeiden kleine plaatsen ras tot grote steden aan. De bevolking werd daar opeengehoopt, samengeperst in afzichtelijke holen, in vochtige kelders zonder lucht of licht. Het gevolg daarvan, zowel als van het totaal onvoldoende voedsel en de uitputtende arbeid, kortom van alle levensvoorwaarden van het proletariaat, was een ellendige gezondheidstoestand, het heersen van talrijke epidemieën, achteruitgang van de levensduur, van de lengtemaat enz. In Frankrijk en Duitsland bv. heeft niet filantropische deernis met de arbeiders en hun kinderen, maar de vrees dat de militaire organisatie van de staat geen voldoende aantal rekruten meer zou vinden, geleid tot de eerste zwakke pogingen tot arbeidswetgeving. Ook het trucksysteem, de gedwongen winkelnering is een kwaad, dat in elk land met de grootindustrie opkomt, en het duurt tientallen jaren voor de arbeiders de kracht hebben om daaraan een einde te maken.

Tegen zulk een onmenselijk leven, tegen zulk een verschrikkelijke uitbuiting kwam het proletariaat reeds vroeg in verzet en moest het in verzet komen. Maar bij zijn totaal gemis aan vrijheid en aan kennis – het proletariaat van deze periode is ook nog verbazend onwetend, het grootste deel van de arbeiders kon niet lezen en schrijven – in Frankrijk bv. konden in 1830 slechts 30 % van de bevolking lezen en schrijven en 20 jaar later nog slechts 50 % – begrijpen wij licht welke vormen dat verzet moest aannemen. Ruwe vormen en tegelijk ook, vormen die iets krampachtigs hadden, vormen, zoals wij in de laatste jaren ook alweer in Rusland hebben leren kennen. Uitingen meer van wilde vertwijfeling getuigend dan van doelbewuste wil. Wij moeten ons echter hoeden ons hier op een dwaalweg te begeven. De massa van het Russische proletariaat, dat in de klassenstrijd is getreden, evenzeer ontbloot van organisatie en voor een groot deel nog evenzeer onwetend als bijna een eeuw geleden het proletariaat van Engeland en wat later het proletariaat van Frankrijk, was toch reeds meer klassenbewust door de socialistische opvoeding, die althans zijn kern heeft doorgemaakt en die op de massa niet zonder invloed is gebleven. Het proletariaat, kan men zeggen, doorloopt de verschillende fasen van zijn bewustwording, oneindig sneller in de landen waar het kapitalisme eerst later binnen dringt, dan in de landen waar het kapitalisme oorspronkelijk ontstaat. Want in landen waar het kapitalisme pas later binnendringt beschikt het proletariaat over de opgedane ervaring van zijn klassegenoten uit andere landen, over de grote algemene ervaring, die zich in het algemeen gesproken heeft geconcentreerd in de sociaaldemocratische theorie en tactiek.

Het oorspronkelijk, spontaan verzet van de arbeiders tegen de economische uitbuiting in de eerste periode van de proletarische klassenstrijd uitte zich in verschillende vormen. Wij moeten er wel op letten hoe het proletariaat gedurende die eerste periode aan de ene kant verbonden was aan de bourgeoisie en aan de kleinburgerij, daarmee soms een partij vormend, deelnemend aan hun bewegingen, terwijl het aan de andere kant in de economische strijd zijn ontzettende haat tegen een deel van die bourgeoisie, tegen die uitbuitende kapitalisten uitbarst, uitbarst in de vernieling van de machinerie, de eerste, meest oorspronkelijke vorm van verzet, in brandstichtingen, terrorisme, hongeroproeren, spontane stakingen, opstanden enz. Er is slechts één land waar voor 1848 kwestie is van een begin van geregelde actie, waar de actie van het proletariaat, de economische en de politieke, dat ongeorganiseerde, onoverdachte, krampachtige, enigszins begint te verliezen, enigszins nog slechts, waar het proletariaat een begin van doelbewuste wil krijgt. Dat land is Engeland, het eerste land van kapitalistische ontwikkeling en daarbij ook het land waar, laten wij dat vooral niet vergeten, reeds in de 17e eeuw een burgerlijke revolutie had plaatsgevonden, een revolutie waarbij de toenmalige bourgeoisie een compromis had gesloten met de grondbezittende adel, en waar van die tijd af enige meerdere vrijheid van beweging, van drukpers vooral, zich altijd gehandhaafd had, dan in Frankrijk en Duitsland gedurende de 18e eeuw en de eerste helft van de 19e eeuw bestond.

Wat ons enigermate het verschil doet begrijpen tussen de psychische toestand van het Russische proletariaat in zijn revolutie en van de arbeiders in Europa driekwart eeuw geleden, is het feit dat, waar in de periode die wij thans behandelen af en toe door plotselinge uitbarstingen van de klassenstrijd, bv. in Lyon in 1831, in Lancashire in 1842 aan de arbeiders de macht in een stad of een streek voor enige dagen toevalt, zij absoluut niet weten wat daarmee te doen, omdat zij nog geen inzicht, geen wil, geen leiding, geen doel hebben. Dat is in Rusland geheel anders. Wij weten, dat er na de Oktoberdagen van 1905, gedurende de zg. vrijheidsdagen”, dat zijn de maanden van de grootste revolutionaire strijd in Rusland – hier en daar streken geweest zijn, bv. de Baltische provincies, Riga en omliggend gebied, eveneens streken in de Kaukasus en Zuid-Rusland, waar het proletariaat gedurende enige weken meester is geweest van de openbare macht. Welnu, daar was het altijd en overal de sociaaldemocratische partij die de leiding aangaf en die, zoals bv. in de Baltische provincies, klaar stond met een plan van organisatie van de administratie, de belastingen, het onderwijs enz. Kortom, die gereed stond de overwinningen, die natuurlijk niet anders dan kortstondig konden zijn, onmiddellijk vruchtbaar te maken. Daaraan zien wij hoeveel het proletariaat, ook van de landen waar het pas in de strijd komt, in die driekwart eeuw heeft geleerd.

Nu wij de politieke en economische verhoudingen kort hebben nagegaan, tenslotte nog enkele woorden over de socialistische ideeën gedurende die eerste periode. Het is de periode van wat wij gewoon zijn te noemen het utopisch-kritisch socialisme. Het is het tijdperk waarin begaafde en verziende mannen uit de burgerlijke klasse zelf uitstekend begrepen al de gebreken en al de zwakheden van de kapitalistische, burgerlijke maatschappij en die met enorme scherpte kritiseerden. Het is de periode dat mannen als Saint-Simon, Fourier, Owen tot het inzicht kwamen, en hun volgelingen en leerlingen er van overtuigden dat al de gebreken, al de kwalen van de kapitalistische maatschappij niet verholpen konden worden door deze of gene politieke hervorming, maar alleen door de socialisatie van de productiemiddelen. Owen was dit van hen allen het helderst bewust, aan de geniale socioloog en hervormer, die in een grootindustrieel milieu leefde en zelf als grootindustrieel aan de kolossale ontwikkeling van de textielindustrie in Engeland deelgenomen had. In zoverre zijn dus die kritische socialisten de voorlopers van de moderne sociaaldemocratie, van de marxistische gedachtewereld, maar zij begrepen geen van drieën, al was Owen er dichter bij dan Saint-Simon en Fourier, welke de kracht was, die die grote maatschappelijke verandering ten uitvoer zou brengen. Zij zagen niet, dat dat het proletariaat was. In de tijd dat zij nog jong waren, dat hun eigen gedachten, hun levensbeschouwing zich vormde, was het proletariaat nog zo onwetend en onzelfstandig, nog zo zwak, nog zo veracht, dat zij niet konden inzien dat uit dat proletariaat en uit zijn strijd die alle maatschappelijke verhoudingen veranderende omwenteling van het eigendom en van de productiewijze zou komen, dat het socialisme het doel zou worden van de proletarische klassenstrijd. Ik kan hier onmogelijk verder ingaan op de ideeën van de kritische utopisten; wij zullen hun stelsels in de loop van de korte beschrijving van de feiten, die ik mij voorstel te geven nog af en toe ontmoeten. Ik wil er mij toe bepalen er de aandacht op te vestigen, hoe er reeds bestond in die eerste periode van de proletarische klassenstrijd aan de ene kant een politieke strijd van het proletariaat, die het echter doorgaans niet zelfstandig en nergens met het socialisme als einddoel voerde, aan de andere kant een economische strijd, de strijd tegen de uitbuiting, die het wel zelfstandig voerde, maar die slechts de vak- niet de klasse-solidariteit in hem wekte en, bij het ontbreken van een socialistische grondslag in het proletariaat, tot een noodlottige splitsing tussen georganiseerde en ongeorganiseerden kon leiden. En ten derde bestond ook reeds socialistische kritiek van de kapitalistische samenleving, die echter op zichzelf stond, niet verbonden was aan de idee van de proletarische klassenstrijd. Die verschillende elementen van de sociaaldemocratische theorie en praktijk lagen dus nog uit elkaar. Dat is het algemene karakter van de proletarische klassenstrijd en van het socialisme van voor 1848, tot Marx en Engels in het Communistisch Manifest al die uiteen liggende krachten en al die met elkaar strijdende ideeën verenigen tot één groot geheel, samentrekken in één grote lijn: het socialisme, berustend op de ontwikkeling van de productiekrachten, te bereiken door de proletarischen klassenstrijd en zo de grondslag legden van de moderne sociaaldemocratie.

Wij kunnen het tijdperk waarover het vanavond gaat, verdelen in twee vakken: 1815-1830, en 1838-1848. In het eerste tijdvak hebben wij alleen te maken met Engeland en Frankrijk, want gedurende die tijd is er in Duitsland van een proletarische klassenstrijd nog geen sprake.

Engeland bevond zich toen reeds bijna een halve eeuw in de stroom van de industriële ontwikkeling. De vervanging van de handenarbeid door de machine in de textielindustrie dateert reeds van het laatste kwart van de achttiende eeuw en het was de kolossale industriële ontwikkeling van Engeland, die dat land in staat stelde om te doen wat geheel Europa niet vermocht, om , de spits te bieden aan Napoleon. Gedurende de tijd van de oorlogen met Napoleon had de interne politieke strijd in Engeland min of meer gesluimerd, daar het noodzakelijk was alle krachten in te spannen om Frankrijk te weerstaan. Toen echter na 1815 Europa tot rust kwam en een tijdperk van langdurige vrede begon, nam de klassenstrijd in Engeland, waar de reactie gedurende de oorlog sterk was geworden, hevige vormen aan. De industriële bourgeoisie, de energieke middle class, zoals men ze toen in Engeland noemde, door de ontwikkeling van de industrie sterk, invloedrijk en zelfbewust geworden, streed om de politieke oppermacht. Als haar bondgenoten treden op de kleinburgerij, georganiseerd in de zg. radicale partij, die de grote ideologen van het politieke radicalisme, zoals Bentham en vooral William Godwin heeft geleverd, en de arbeiders, die van die radicale partij weer de uiterste linkervleugel vormden. De strijd van deze verbonden klassen tegen de grondbezitters en hun aanhang duurde tot 1831. Gedurende al deze jaren was de klassenstrijd zeer heftig, vooral in tijden van crisis – in 1815 barst de eerste handelscrisis uit die zich dan verder ongeveer alle tien jaren herhaalt en van misgewas of slechte oogsten zoals in 1817 en 1823; dan vinden telkens opstootjes en oproerige bewegingen plaats. Het onmiddellijk doel van de grootbourgeoisie en van de middenstand was de hervorming van het kiesrecht, daar onder het heersende kiesrecht de politieke macht voornamelijk in handen van de grootgrondbezitters en hoge ambtenaren was. In 1831 werd dit doel bereikt. De zg. Reform Bill, hervormingswet, kwam tot stand en daarmee een kolossale verandering in de constitutie, in de grondwet van het Engelse Rijk.

De staatsmacht ging over van een kleine aristocratie op de burgerlijke klasse. Dat was een beslissend jaar voor het proletariaat en ook voor de kleinburgers, want het proletariaat en de kleinburgers hadden tot die tijd geloofd dat de hervorming waarvoor zij dapper gedemonstreerd en gestreden hadden, ook hun politieke rechten zou brengen. Een beweging voor het algemeen kiesrecht, of althans voor een zeer uitgebreid kiesrecht van huiseigenaren was reeds jarenlang in volle gang en nu kwam de teleurstelling. De bourgeoisie had zich meester gemaakt van de staatsmacht en gebruikte die om de wetten en instellingen van Engeland te veranderen overeenkomstig haar eigen belang. Nu begon de grote strijd, die zo veel tongen en pennen in beweging heeft gebracht, tussen de grondbezittende aristocratie en de industriële bourgeoisie om de afschaffing van de graanrechten en van de invoerrechten in het algemeen. Die strijd eindigde betrekkelijk spoedig met een volkomen overwinning van de industriële bourgeoisie. Van toen af aan heerste de vrijhandel, en zolang de Engelse industrie geen ernstige concurrenten had in de andere staten, betekende de vrijhandel voor haar een onbeperkte markt voor de producten van haar industrie, een onbeperkt afzetgebied.

In 1831 dus, voelden proletariërs en kleinburgers zich door de Reform Bill verraden. Van dat jaar af begint het proletariaat aanlopen te nemen tot een eigene politieke beweging, die het aanvankelijk verbonden met de kleinburgerij, tenslotte in de jaren 1839 tot 1842 geheel zelfstandig voert, de beweging van het chartisme, waarop ik straks terugkom.

Ook met de economische beweging had het Engelse proletariaat reeds voor het jaar 1830 een begin gemaakt. De associaties van ambachtslieden waren in Engeland nooit geheel verdwenen. Zij hadden voortgeduurd door de gehele achttiende eeuw en in sommige vakken een vrij grote macht ontwikkeld, maar het recht van vereniging kwam eerst tot stand in het jaar 1824. De wet die het gaf werd aangenomen enige jaren voor de parlementaire hervorming haar beslag kreeg, die aan de bourgeoisie de politieke macht verzekerde. Door deze omstandigheid veroverde de Engelse arbeiders vrij gemakkelijk het verenigingsrecht en men kan niet zeggen dat er een zeer grote algemene volksagitatie voor geweest is. De toepassing ervan werd aanvankelijk tegengehouden door de hevige industriële crisis van het jaar 1825, eerst toen die was uitgewoed kon het proletariaat een begin maken met economische organisatie. Zoals ik reeds zei uitte het verzet zich voor die tijd herhaaldelijk op vele plaatsen in de vernieling van machinerie.

In Frankrijk zien wij na de restauratie, na de terugkeer van de Bourbons in 1815, tot 1830 nog geen begin van een proletarische klassenstrijd, politiek noch economisch. De klassenstrijd wordt gevoerd tussen verschillende fracties van de bezittende klassen. Met de restauratie was het oude feodale Frankrijk weer grotendeels aan de macht gekomen. Het kiesstelsel was uiterst beperkt; tot 1830 hadden nauwelijks 100.000 Franse burgers het kiesrecht. Het waren feitelijk alleen leden van de aristocratie, beide van het bloed en van het geld, die Frankrijk regeerden. De Restauratie maakte zoveel zij kon het werk van de revolutie weer ongedaan. De regering betaalde kolossale sommen als schadeloosstelling uit aan de teruggekeerde adellijke emigranten. De burgerlijke vrijheden waren weer geheel en al opgeheven. Vrijheid van drukpers, vrijheid van vereniging bestonden haast niet meer. Van openbaar politiek leven was dus in werkelijkheid geen sprake. Een klein deel van de burgerlijke en kleinburgerlijke klasse en van de intellectuelen, begon zich te verenigen in geheime genootschappen, die in het tweede tijdvak tussen 1830 en 1848 een zo grote rol hebben gespeeld als middelen tot politieke opvoeding van de kern van de kleinburgerij en een klein deel van het proletariaat. In die geheime genootschappen heersten sterk de tradities van de grote revolutie. Zij waren zeer republikeins gezind, maar socialistische neigingen ontwikkelden zich pas in hen na 1830. Aanvankelijk stonden zij geheel op burgerlijk-republikeinse grondslag.

Gedurende de Restauratie won de reactie hoe langer hoe meer veld, de regering kwam in steeds sterker tegenstelling met de grote massa van het volk, d.w.z. van alle klassen op die enkele duizenden geprivilegieerden na, welke de staatsmacht beheersten. Van af de Spaanse oorlog van 1824, die in Spanje weer de reactie aan het roer hielp, stuwde de regering er steeds brutaler op los, de alleenheerschappij te herstellen. Daarentegen was de Griekse opstand in 1825 en 1826 een groot middel om het klassenbewustzijn van de bourgeoisie op te wekken en de burgerlijke revolutionaire neigingen te versterken. In het algemeen heeft ook in andere landen de Griekse opstand, die zich over zo lange tijd uitstrekte, een grote rol gespeeld in het wekken van de revolutionaire neigingen van de bourgeoisie en de intellectuelen van die tijd. Wij kunnen dat het best vergelijken met de uitwerking die de Russische revolutiejaren hebben gehad op het proletariaat van West-Europa. Wij behoeven maar te denken bv. aan de kolossale uitwerking die die Griekse opstand had op de publieke opinie in Engeland, aan een man als Byron, de meest gevierde dichter van zijn land, die naar Griekenland ging om aan de vrijheidsoorlog deel te nemen, aan de grote indruk, die die opstand ook op Shelley, de revolutionaire dichter bij uitnemendheid maakte, om te begrijpen hoe alle vrijheidslievende neigingen en aspiraties daarin hun symbool en hun uitdrukking vonden.

In 1830 waagde het ultrareactionaire ministerie Polignac de staatsgreep, die een einde zou maken aan het schijnparlementaire stelsel, dat nog in Frankrijk heerste. De Charte, de constitutie van 1815 werd opgeheven. De drukpers werd absoluut gemuilkorfd; het kiesrecht werd zodanig verminderd, dat enkel het grootgrondbezit in het bezit ervan bleef, het recht van amendement aan het Parlement ontnomen, de Kamer werd ontbonden enz. Toen brak de Juliopstand los. Hij was niet het werk van de bourgeoisie: deze wilde zich bepalen tot wettige protesten. Het waren, ik zal niet zeggen de arbeidersklasse – de arbeiders hadden zich nog niet bewust afzonderlijk als klasse geconstitueerd – maar het waren de volksklassen, het waren degenen, die van een revolutie eigenlijk toen nog niets te verwachten hadden, die daarvoor hun bloed en hun leven gaven. In de barricadegevechten van juli 1830, die een einde maakten aan de regering van Karel X en in plaats van de Bourbons de Orleans op de troon brachten, streden arbeiders, kleinburgers, handwerklieden, studenten verenigd en vele vroegere soldaten van Napoleon, die natuurlijk uiterst ontevreden waren met het heersende regime en hun wapens behouden hadden, versterkten de rijen van de strijders.

De Julidagen waren het eerste voorval van grote betekenis waarbij het gelukte aan een volksmenigte om het leger, niet te verslaan, maar te demoraliseren en aan zijn zijde te krijgen. Ik kom straks nog terug op de rol en het karakter van de gewapende opstand en het barricadegevecht in het eerste tijdperk van de proletarische klassenstrijd. Karel X nam de vlucht, en toen de grootbourgeoisie, vooral de bankiers, het geldkapitaal, dat in de Franse politiek altijd zulk een kolossale rol heeft gespeeld, bemerkte dat de opstand na enkele dagen zegevierde, dat het leger weifelde, dat het teruggeroepen werd, uit Parijs verwijderd, toen sloot zij zich bij de opstand aan, en uit angst voor de republiek – de bourgeoisie was in die dagen in Frankrijk nog niet republikeins gezind; de traditie van 1792 en 1793 lag nog te vers in het geheugen – proclameerde zij een Orleans, Louis Philippe, tot koning van Frankrijk.

Het karakter van de revolutie van 1830 was een kleine minderheid te verdringen door een andere minderheid. Dat is in het algemeen het karakter geweest, zoals Marx ons zo duidelijk heeft gemaakt, van de burgerlijke revoluties. Daarom is het ook mogelijk geweest dat de burgerlijke revoluties met een behendigheid gelukten. Altijd en overal was het een kleine minderheid, die gewelddadig door een andere minderheid verdrongen werd, een deel van de heersende klassen, de adel, de aristocratie, alleen of verbonden met de bovenste laag van bourgeoisie, die voor een grotere minderheid, zo ge wilt, een bredere laag van de bourgeoisie plaats moest maken. En de volksklassen waren het, die, zich in dienst stellend van de minderheid die de maatschappelijke ontwikkeling verpersoonlijkte, haar overwinning mogelijk maakte.

Dat was dus het algemene karakter van de revolutie van 1830, en verder nog dit, dat degenen, die haar maakten, arbeiders en kleinburgers, vooral de eersten, absoluut geen politiek klassenbewustzijn hadden, dat zij volstrekt niets vroegen voor zichzelf, geen enkel recht, geen waarborgen, niets. Een heel klein deel van de kleinburgerij, georganiseerd in de geheime genootschappen, was republikeins, maar het was veel te nietig om zijn wil door te zetten. Wat de arbeiders aangaat, ofschoon op dat ogenblik een economische crisis heerste en zij onder grote werkloosheid leden, eisten zij, die hun bloed hadden gegeven voor de revolutie, niets van de nieuwe meesters, die zij hadden gemaakt. Zij bewaakten de woningen van de grote bankiers, zij behoedden ze voor plunderingen. De revolutie had, zoals wij straks zullen zien, op de ontwikkeling van de klassenstrijd kolossale invloed, al was haar eerste gevolg eenvoudig, in de plaats van de grondbezittende aristocratie, van wat we zouden kunnen noemen het onroerend vermogen; de bovenste laag van de bourgeoisie, vooral de grootfinanciers en speculanten, de renteniers, de groothandelsbourgeoisie, enkele grootindustriëelen en de met hen verbonden delen van het intellect, wat we zouden kunnen noemen het roerend vermogen, aan de staatsmacht te brengen. Van die tijd tot 1848 speelde niet langer de aristocratie, maar het geldkapitaal de eerste rol in Frankrijk. Louis Philippe was de koning van de bankiers. Hij was de koning, die aan de bourgeoisie de gelegenheid gaf, zich naar hartenlust te verrijken, kapitaal te vormen door uitbuiting en speculatie.

Laten wij nu teruggaan tot de ontwikkeling van de klassenstrijd in Engeland na het jaar 1830. Wij zien nu dat in beide landen de bovenste lagen van de bourgeoisie aan het roer zijn gekomen; enkel de kleinburgerij is nog van de staatsmacht uitgesloten. Tevens is in Engeland reeds verworven een betrekkelijk grote mate van politieke vrijheid. Het recht van vereniging bestaat, doch ligt nog aan vele banden. De arbeiders voeren strijd, om die banden te breken. De jaren 1823 tot 1848 zijn de meest revolutionaire tijd van de Engelse arbeidersklasse, de tijd van haar grote revolutionaire politieke en ook economische worstelingen, zoals wij dat zeer uitgebreid verhaald kunnen vinden in het werk van de Webbs, in het Hollands vertaald door Henri Polak. Het zijn jaren waarin wel op papier het recht van vakvereniging en staking bestaat, maar waarin dat recht zich nog in het geheel niet heeft ingeburgerd. In de aanvangen van de klassenstrijd beschouwt de bourgeoisie de staking algemeen als een misdaad en zelfs wanneer het recht van staking wettelijk geproclameerd is, blijft de publieke opinie, het ethisch bewustzijn van de bourgeoisie haar nog jaren lang als een misdaad beschouwen en vindt de justitie nog altijd middelen om de arbeiders voor pogingen tot vereniging of staking wettelijk te straffen door wetverdraaiing, door met een dubbele maat de associaties van de ondernemersklasse en die van de arbeidersklasse te meten. Bekend is in de geschiedenis van de Engelse arbeidsbeweging vooral het geval van enige arbeiders uit Dorsetshire, die veroordeeld werden tot 7 jaar deportatie, alleen omdat zij lid van een vakvereniging waren die zekere, door de wet verboden eden eiste van haar leden. Wij moeten niet vergeten dat de vakverenigingen in die dagen nauwelijks opkwamen uit het duister van de tijd waarin alle associatie van arbeiders onwettig was, dat zij het griezelige, het zich omgeven door allerlei geheimzinnige en symbolische vormen, dat natuurlijk altijd vastzit aan het heimelijk verenigen, nog lang niet hadden verloren en dat het nog jaren en jaren zou duren voordat zij werden ingericht op de zakelijke, openbare voet van de moderne vakorganisatie.

Na het jaar 1830 komt over de Engelse arbeiders de eerste golf van economische organisatie. Dat is het grote feit wat wij van dat tijdperk moeten onthouden. En die eerste golf van organisatie komt over hen door de invloed van de socialistische ideeën van Robert Owen. Owen maakte in die jaren een kolossale propaganda onder de arbeiders. Niet een propaganda voor de klassenstrijd. Owen is nooit zover gekomen, dat hij van de klassenstrijd van de arbeiders het socialisme verwachtte, maar wel zover, dat hij, nadat de communistische kolonies, die hij had geprobeerd op te richten in Amerika en ook in Engeland, mislukt waren, zich niet meer wendde als vroeger tot alle mensen van goede wil, maar dat hij enkele jaren bijna uitsluitend te midden van de arbeiders werkte, omdat hij toch wel gevoelde dat zij de grote kracht waren die alleen de maatschappij in socialistische richting kon brengen. Wij zien, tussen twee haakjes gezegd, hieraan weer, wat wij trouwens wel weten, hoe 70 jaar geleden een utopist, in overeenstemming met de nog onrijpe graad van de maatschappelijke en proletarische ontwikkeling, kon zijn een buitengewoon geniaal en edel mens. Wij zien dat nu juist aan dit kenschetsende van Owen, dat hij, toen zijn utopistische kolonies mislukten, niet soortgelijke wegen insloeg als bv. de Hollandse utopist van onze dagen, van Eeden, die komediestukken maakt, waarin hij de draak steekt met de mensen, die hij heeft verleid en in Noord-Amerika de miljonairs probeert warm te maken voor zijn kolonieplannen, maar integendeel begreep dat het de arbeiders waren, die het socialisme konden en zouden brengen, zoals hij meende, zouden brengen door het stichten van zowel verbruiks- als productieve coöperaties.

De vakbeweging stond dus in die dagen sterk onder de invloed van het utopistische socialisme van Owen. De arbeiders geloofden, dat zij door coöperaties van allerlei aard op te richten, die met elkaar in verbinding traden en elkaar ondersteunden, midden in het kapitalistisch stelsel – en dit geloof is altijd een kenmerk geweest van het utopisme – het socialisme konden maken; dat het niet nodig was voor de arbeidersklasse de staatsmachine in handen te hebben, maar dat zij met de zeer geringe middelen waarover zij beschikten, tegen het kapitalisme in, een nieuwe wijze van voortbrenging konden doen opgroeien. De macht van Owens ideeën, de geweldige hoop, die in de arbeidersklasse opging toen zij die ideeën leerde kennen, kunnen wij het best vergelijken met de geweldige opgang, die in de jaren tachtig de eerste socialistische beweging in Holland heeft gemaakt onder Domela Nieuwenhuis. Er is een tijd in de ontwikkeling van de proletarische klasse in ieder land, dat het socialisme vat op haar begint te krijgen. En dit is vanzelf sprekend, want het proletariaat voelt diepe ellende in de maatschappij en voelt zijn behoefte aan verlossing, aan redding. Welnu, wanneer het proletariaat het socialisme begint te begrijpen als einddoel, maar nog niet begrijpt de lange, zware weg van organisatie en klassenstrijd, die het daartoe heeft af te leggen, in zulke ogenblikken komt die eerste bedwelmende bekoring van het socialisme over hem, in zulke ogenblikken gaat overal die reuzenkelk van geestdrift en toewijding open in het proletariaat. Dat is de eerste, lyrische tijd van de proletarische beweging. Maar juist in zulke ogenblikken is het proletariaat ook buitengewoon vatbaar voor utopistische ideeën. Wij hebben dat ook in ons land gezien. Iets dergelijks overkwam de Engelse arbeiders in die jaren dertig, eerst op economisch, daarna op politiek terrein.

Economisch kwam er zoals ik zei een geweldige epidemie van organisatie. Eerst ontstonden de losse, op zichzelf staande trade-unions, maar al heel spoedig gingen de arbeiders over tot het stichten van een algemeen, groot nationaal verbond van alle vakverbonden. Dat verbond kon natuurlijk slechts kortstondig leven, want de hechte grondslag in elke vakorganisatie op zichzelf ontbrak. De bond had geen fundamenten. Dat was in de jaren 1833 en 1834. De Webbs berichtten daarvan, dat er nimmer daarna zo’n kolossaal snelle toestroming tot de organisaties is geweest, dat nimmer daarna de vakverenigingen plotseling een zo kolossale vlucht hebben genomen. In enige weken waren meer dan een half miljoen arbeiders, en daaronder vele vrouwen, landarbeiders, in de organisaties gekomen. Dat kon natuurlijk niet lang duren. Het was een eerste hoge golf, die weer wegebben moest, want het is voor het proletariaat veel gemakkelijker, dat leert de proletarische klassenstrijd van alle landen, om in een heftig revolutionaire tijd wat dan ook voor grote dingen te doen en grote offers te brengen, dan jaren achtereen, ook waar ogenschijnlijk succes uitblijft, in de economische en politieke strijd te volharden. Die volharding, die vastheid van wil, dat is eigenlijk wat het proletariaat in de klassenstrijd voor alles moet leren en reeds in hoge mate geleerd heeft. Dat is de allergrootste uitkomst, de allerbelangrijkste uitwerking van al die tientallen jaren van klassenstrijd geweest.

Het grote nationale verbond van trade-unions wendde zich tot de kapitalisten in zeer sterke en boute taal om verbetering van de arbeidsvoorwaarden. Er werd in die dagen zeer fier opgetreden; er werden ook zeer hoge eisen gesteld. In een enkele stad, Oldham, vinden wij reeds meer dan 70 jaar geleden een beweging voor de achturendag. Ook op dit punt treft ons een zekere overeenkomst met de grote momenten van de Russische revolutie. Zeker, een revolutionaire periode brengt vanzelf grote eisen naar voren, maar aan de andere kant is het ook juist in het begin van de proletarische klassenstrijd dat de arbeiders zich somtijds laten meeslepen tot het stellen van zeer sterke en zeer vergaande eisen, die nog onmogelijk te verwezenlijken zijn, d.w.z. niet in overeenstemming met hun werkelijke macht.

Het hoogtepunt van dat grote verbond van de trade-unions duurde maar kort. Overal geraakten de leden in staking en bij gebrek aan goede organisatie, strijdkassen enz., kortom alles wat wij in de moderne vakorganisatie als noodzakelijk kennen, gingen de stakingen bijna alle verloren. De politieke macht van de bourgeoisie werd ook tegen de arbeiders ingezet; de patroons begonnen met grote uitsluitingen en na enkele jaren, in 1835, was er van het verbond zo goed als niets meer overgebleven.

Verslagen op economisch terrein, wendden de Engelse arbeiders zich tot het politieke. De jaren van 1836 tot 1843 vormen het glanspunt van die grote zelfstandige politieke beweging van het Engelse proletariaat, het chartisme. Dat chartisme was een proletarische beweging, voortgekomen uit een Londense vereniging, die het eerst de punten van het zg. volkscharter, volksvrijheid, vaststelde. De voornaamste van die punten waren het algemeen kiesrecht, een parlementsduur van 1, later 3 jaar, bezoldiging van parlementsleden en evenredige verkiezing. De laatste punten zijn in Engeland in onze dagen nog altijd niet vervuld. In 1836 begon het chartisme sterk toe te nemen onder de arbeiders, wel nog met de kleinburgerij verenigd. Een petitie aan het parlement verkreeg meer dan 1.280.000 stemmen. In de jaren die toen volgden lukte het aan het chartisme om alle bewegingen die onder het proletariaat gaande waren op te slorpen. De beweging voor de tienurenwet, die al van 1830 dateerde, en die eerst volstrekt niet door de chartisten, maar door de conservatieven en ook door Owen werd geleid, ging samen met het chartisme; de beweging tegen een nieuwe armenwet, in 1834 aangenomen, die de toestand voor de arbeiders verbazend veel slechter maakte dan vroeger en door hen algemeen gehaat werd, omdat de onbarmhartigheid en hardheid van de Engelse bezittende klasse daarin tot volle uiting kwamen, het chartisme maakte er zich meester van. Doordat het zo feitelijk alle grote eisen van praktische politiek in zich verenigde – de Engelse zijn altijd een praktisch volk geweest; zelfs in die eerste tijd van dwepen draagt de beweging een praktisch karakter – kon het chartisme zulk een verbazende kracht ontwikkelen; al die echte oorspronkelijk-proletarische bewegingen voor eisen, die direct betrekking hadden op het proletarische leven, op proletariërs-grieven en noden, nam het in zich op.

De chartistische beweging was in de jaren tussen 1839 en 1843 een kolossale massabeweging, wij kunnen zeggen, de eerste echte proletarische massabeweging, en dat maakt haar voor ons zo interessant. Bv. voor een groot nationaal congres van arbeidersorganisaties werden afgevaardigden gekozen op vergaderingen, in Manchester van 300.000, in Glasgow van 150.000 man. Wij zien dus dat de arbeidersklasse in haar geheel, de gehele massa van de arbeiders in Engeland in die tijd in beweging is geweest. Engeland beleefde werkelijk een revolutionaire tijd en het is geen wonder, dat Friedrich Engels, die toen in Manchester woonde en zowel de economische als de politieke beweging van het proletariaat zeer oplettend volgde, de mening uitsprak, dat Engeland zich aan de rand van een revolutie bevond. Vooral in de crisis- en hongerjaren 1839-42 nam de beweging een zeer oproerig karakter aan. In dat eerste jaar scheidden de kleinburgers, die in het chartisme tot die tijd een grote rol hadden gespeeld, zich af, omdat het nationaal congres besloten had desnoods ook met de middelen van lichamelijk geweld – dat tegenover het “zedelijk geweld” gesteld – werd de eisen van het charter, de democratische eisen door te zetten. De taal van de redenaars werd hoe langer hoe heftiger. Bv. een van de meest bekende leiders, de geestelijke Stephens – in onze dagen zijn de geestelijken in de arbeidersbeweging wel een beetje gematigder geworden – riep overal het volk op om zich te wapenen met pieken en toortsen, daar de toorts een middel was waartegen geen leger ter wereld het uithouden kon. Voor onze partijgenoten van “de Blijde Wereld” om kippenvel van te krijgen! In 1839 en 1841 barstten in Engeland op verschillende punten oproerige bewegingen uit, die echter spoedig onderdrukt werden, en ook in 1841, kort nadat de crisis haar hoogtepunt had bereikt, kwam het, vooral in Lancashire, tot een zeer algemene, uitgebreide staking, die met plunderingen en oproer gepaard ging. Dergelijke spontane bewegingen, half oproer, half staking komen in datzelfde stadium van beginnend bewustzijn ook herhaaldelijk in andere landen voor, bv. in België in 1886.

In de chartisten beweging was dikwijls sprake van wat genoemd werd de heilige maand, een dichterlijke betiteling voor de idee van de algemene werkstaking als een middel om de politieke eisen door te zetten, maar tot een dergelijke algemene politieke staking is het nooit gekomen. Het is zeker zeer opmerkelijk, dat terwijl de massa in Engeland toen zo revolutionair gezind was, er zo ontzettend veel propaganda gemaakt was en er reeds betrekkelijk veel kiemen van organisatie aanwezig waren en ook een sterk ontwikkelde industrie, het nooit tot een poging tot uitvoering van dat plan is gekomen, terwijl daarentegen in Rusland, waar men nooit een plan van politieke staking theoretisch of propagandistisch voor de massa van de arbeiders heeft behandeld noch behandelen kon, omdat er absoluut geen vrijheid van woord of drukpers enz. was, de arbeiders spontaan tot de staking zijn overgegaan in dagen van heftige revolutionaire crisis.

Maar die industriearbeiders, welke in 1842 in Engeland tot de oproerige staking overgingen, misten weer datzelfde, wat wij straks ook in Frankrijk zullen zien: zij hadden geen leiding, hadden geen doel; in sommige plaatsen waren zij enkele dagen lang geheel en al meester van de stad, maar zij wisten absoluut niet wat er mee te doen. Het waren oproerige benden, zij waren door de fabrikantenklasse, die op dat ogenblik in de oppositie was en politieke munt wilde slaan uit de troebelen, feitelijk in de opstand gejaagd en zij wisten er geen vruchten van te plukken.

1842 en 1843 waren eigenlijk de laatste jaren, die in Engeland in dat tijdperk van de proletarische beweging een zeer hevige klassenstrijd zagen. Het chartisme verloor na die jaren zijn allergrootste macht. De sterke en goed geleidde beweging van de bourgeoisie voor de afschaffing van de graanrechten deed daar zeker iets toe. De burgerlijke leiders wisten een vrij groot deel van de arbeiders achter zich te krijgen en hen te doen geloven dat met de vrijhandel ook voor hen het paradijs op aarde komen zou. Wat er verder nog toe bijdroeg was dat de vakverenigingen na de grote mislukkingen van de voorafgaande jaren haar revolutionair vuur, haar revolutionaire energie in vele streken hadden verloren. Daarenboven bestond reeds in Engeland een betrekkelijk grote vrijheid van beweging, vrijheid van drukpers, van associatie enz. Dat alles werkte ertoe mee de beweging minder krampachtig te maken, de klassenstrijd meer in geregelde banen te leiden.

Het chartisme, dat is iets dat wij ons goed moeten inprenten, was absoluut geen socialistische beweging, integendeel, het was bepaald antisocialistisch. Heden ten dage is het voor ons moeilijk ons dat voor te stellen, een vurige, echte proletarische beweging, geheel buiten het socialisme om. Wel was het heftig revolutionair, het hoopte zich plotseling door een grote staking of door een oproer zich meester te maken van de macht. Dat had zijn grond hierin, dat, zoals wij zagen, ook de bourgeoisie in 1831 na een heftige strijd, plotseling meester van de staatsmacht was geworden. Weliswaar was dat in Engeland niet via een oproer. Het was betrekkelijk vredig gegaan, omdat de aristocratie bang was voor de revolutie, maar toch was het plotseling gegaan. In 1831 was er met één slag een kolossale verandering in de Engelse constitutie tot stand gebracht. Een nieuwe klasse was plotseling aan de macht gekomen en de arbeiders dachten: waarom kunnen wij, nieuwe klasse, ook niet plotseling aan de macht komen? Zo was het chartisme in de praktijk, politiek, enorm revolutionair, maar economisch was het zou men kunnen zeggen, behoudend. De grote leiders en hun organen stonden allen op de grondslag van onaantastbaarheid van het privaatbezit. Het grote nationale congres, in 1839 gehouden, nam een resolutie aan waarin o.a. een passage voorkwam over de heilige, onaantastbare rechten van het privaat eigendom. De meest radicale leider van de chartisten, O’Brien, stond op het standpunt van landnationalisatie. Dat was in economisch opzicht het verste waartoe zij kwamen, maar de niet minder invloedrijke leider O’Connor stond volstrekt niet op dat standpunt, hij wilde de ellende verminderen door het stichten van landbouwkolonies en het versterken van de kleine burgerstand. Dat was economisch dus een direct reactionair plan.

Het chartisme en het Owens socialisme, dat in die jaren ook enorm sterk was in Engeland, vermengden nooit hun macht. Zelfs op het hoogtepunt van de beweging bleven zij elk afzonderlijk. Ook daardoor hadden zij niet de kracht om een grote politiek-economische hervorming tot stand te brengen. Er was bepaald een tegenstelling tussen die beiden. Hun persorganen voerden ook vrij geregeld polemiek met elkaar. Wel ontmoetten zij elkaar op allerlei punten. Bv. voor de tienurendag streden zij samen, tegen de armenwet streden zij samen, maar in de grote punten waren zij gescheiden. Owen begreep de klassenstrijd niet, wilde de proletarische klassenstrijd niet, was van mening, dat deze het socialisme tegenhield door de bezittende klasse in het harnas te jagen tegen het socialisme, en de chartisten wilden het socialisme niet, begrepen de socialisering van de productiemiddelen niet. Natuurlijk waren wel enkele chartisten tevens owenisten, maar de massa en de grote leiders waren antisocialistisch. De chartisten waren revolutionair in de praktijk, maar niet in de economische beginselen, de owenisten revolutionair in de economische beginselen, maar niet in de praktijk.

Ik zal nu overgaan tot de Franse beweging na 1830. Nadat de bourgeoisie daar de staatsmacht veroverd had, was haar eerste daad de onderdrukking van de arbeiders, die de overwinning voor haar hadden bevochten. De eerste jaren na 1830 waren ook in Frankrijk evengoed als in Engeland jaren van hevige klassenstrijd, wij moeten echter in het oog houden dat er in Frankrijk toen nog slechts op enkele plaatsen een proletarische massa bestond en het eerste optreden van het Franse proletariaat als zelfstandige klasse valt in die jaren. Het was te Lyon dat in 1831 het Franse proletariaat voor de eerste maal zelfstandig optrad. Lyon was van oudsher de grootstad van de zijde-industrie. Ook in die handel drukten de machinale uitvindingen de inkomen van de arbeiders voortdurend omlaag. Het loon, dat vroeger 4 fr. bedroeg zonk langzamerhand tot fr. 1,50 per dag. De arbeiders en vooral ook de bazen – de arbeiders telden zowat 40.000 man, de bazen 8 à 20.000, allen in dienst van 800 fabrikanten, de arbeiders werkten echter niet in grootte fabrieken, maar in kleine werkplaatsen of thuis – kwamen in verzet en eisten hoger loon. De troepen, tegen die massa niet opgewassen, werden teruggetrokken. De arbeiders waren enige dagen lang meester van de stad, maar zij wisten met hun macht niets aan te vangen. Het gelukte hun niet hun eisen door te zetten. De staking eindigde zonder resultaat voor de arbeiders; een sterke verbittering bleef in hen bestaan die enige jaren later, in 1834, opnieuw tot uitbarsting kwam. Deze tweede beweging echter had niet uitsluitend een economisch, maar ook een politiek karakter. Het verenigingsrecht was in Frankrijk zeer beperkt, de arbeidersverenigingen mochten zich in het geheel niet met de politiek inlaten. In 1834 werd toen het verenigingsrecht door de Franse regering nog verder besnoeid. Dat bracht de Lyonse arbeiders, die tot die tijd absoluut niet aan politiek gedaan hadden, die zich hadden georganiseerd zuiver op de grondslag van wederkerige steun, ziekenkassen enz., in verbinding met het krachtigste en invloedrijkste van de geheime genootschappen, het genootschap van de “Rechten van de mens”, dat in die dagen reeds stond onder de leiding van de later zo bekende revolutionair Blanqui. De Lyonse arbeiders kwamen onder de invloed van de republikeinse propaganda en besloten de strijd te wagen niet alleen voor beter loon, maar ook tegen de besnoeiing van het reeds zo beperkte bestaande verenigingsrecht. Een oproer barstte uit, dat zeer bloedig onderdrukt werd. 1200 arbeiders verloren het leven. De vlam van de opstand sloeg over naar Parijs, waar het na de Julirevolutie reeds herhaaldelijk tot straat- en barricadegevechten was gekomen. Het was bij die gelegenheid, dat Thiers, bekend uit de latere geschiedenis van de Franse arbeidersklasse, vooral uit de dagen van de Parijse Commune, de man die alle reactionaire neigingen van de bourgeoisie belichaamt, zich voor het eerst met lauweren bedekte. Op zijn orders en onder zijn leiding werd in een straat van Parijs, de straat Changarnier, waar de revolutionairen zich hadden verschanst, door de troepen op verschrikkelijke manier huisgehouden en van die tijd al heetten de revolutionairen hem niet anders dan “de man van Changarnier.”

De eerste acht jaren na de Julirevolutie zagen in Frankrijk de herhaalde pogingen van de burgerlijke revolutionairen, waarmee langzamerhand ook de voorhoede van het proletariaat zich begon te verenigen, om door een welberaamde ingreep, een opstand uit te lokken, de regering van Louis Phillippe ten val te brengen en een republiek te stichten. De laatste van die pogingen vond 1839 in Parijs plaats. Aanvankelijk schenen dergelijke pogingen wel kans op succes te hebben. De leden van de geheime genootschappen verenigden zich dan op een bepaalde plaats, maakten zich gemakkelijk meester van het stadhuis, dat meestal maar door een handjevol militairen of politie verdedigd werd, zij richtten van daar proclamaties aan het volk en wierpen zich op als een voorlopige regering. Tot zover ging alles goed, maar dan rukten troepen aan of de garde nationale, die bestond uit de kleinburgerij, winkeliers enz., alle elementen die nog zeer lang aan de regering van Louis Philippe trouw bleven, de oproerlingen werden verslagen, hun leiders, zoals Blanqui en Barbès voor jaren gevangen gezet. Een dergelijk oproer eiste heel veel kracht en vergde zware offers, maar bracht de zaak van de revolutionaire klassen niet verder. Toch zien wij het Franse of beter gezegd het Parijse proletariaat er in die jaren telkens en telkens weer zijn toevlucht toe nemen. De revolutionairen hadden er dus wel een heel sterk vertrouwen in. Hoe kwam dat? Dat kwam, het is duidelijk, voor een groot deel door de traditie van de grote omwentelingsjaren 1789-94 en door die van de Julidagen. Zij hadden gezien, dat het in 1830 gelukt was door een straatoproer het leger murw te maken, de regering te verjagen, en een nieuwe regering uit een geheel nieuw beginsel, niet meer zoals de Bourbons door de goddelijke genade, door de legitimiteit, maar door de revolutie ingesteld, aan het roer te brengen. Het was dus wel begrijpelijk, dat zij steeds hoopten en geloofden, “laat ons op deze weg voortgaan, wij zullen eindelijk slagen.” Na het jaar 1839 hielden zij echter voorlopig met hun pogingen op, want de beste krachten van die geheime genootschappen, eerst het genootschap de “Rechten van de mens”, daarna dat van de “Jaargetijden”, werden hoe langer hoe meer gedecimeerd. De dapperste leiders zaten gevangen. De kleinburgerij had de moed verloren en dorst niet meer mee te doen en van 1839 tot de revolutie van 1848 heerste oppervlakkig gezien meer rust en stilte in Frankrijk. Echter alleen oppervlakkig, want juist in die jaren kwam een kolossale geestelijke beweging op. Een aantal socialistische sekten ontstonden. De leerlingen van Saint-Simon en vooral van Fourier kregen grote invloed op de massa. Beiden waren reeds gestorven, maar hun ideeën werkten door hun leerlingen lange tijd na hen voort. Het was in die jaren dat een groot aantal nieuwe socialistische schrijvers opkwam, Pecqueur, Vidal, Louis Blanc, deze laatste was het die het eerst de idee van organisatie van de arbeid opwierp, van productieve associaties met hulp en krediet van de staat, een stelsel, dat in Frankrijk grote opgang maakte en dat men in een later stadium terug vindt in Duitsland bij Lassalle, dan Proudhon, de geniale theoreticus van de kleinburgerij, Cabet, ook een zeer populair utopisch socialist, die echter verschilde van de andere utopische socialisten in dit opzicht, dat hij inzag dat democratische rechten, de strijd voor het kiesrecht enz. van kolossaal belang waren voor de ontwikkeling van de maatschappij, en eindelijk Blanqui, de echte arbeiderscommunist, die steunde op de beginselen van Babeuf en in de geheime genootschappen de traditie van het babeuvistische communisme voortzette. Zij allen werkten, schreven, leerden in die jaren in Frankrijk en hun leerlingen drongen in het proletariaat door. Het was ook de tijd dat de literatuur een sterk socialistische kleur kreeg. George Sand schreef in schone taal haar sociale romans, waarin boeren als sentimentele salonjonkers optraden, Eugene Sue de zijnen, beide met een vaag gevoelssocialisme doortrokken. Het gevoelssocialisme verbreidde zich in het algemeen zeer sterk in de kringen van de intellectuelen. De Franse intellectuelen waren in de jaren voor 1848 even sterk met socialisme, echter met een troebel en vaag socialisme doortrokken als de Russische in de jaren voor 1905. Men voelde aan die beweging van de geesten, men kon voorzien dat een grote revolutionaire beweging in aantocht was.

En inderdaad, de grondslagen voor een dergelijke beweging waren bezig te ontstaan door de sociale ontwikkeling van de Franse maatschappij. Louis Philippe en zijn regering waren opgetreden in naam van het gehele volk, van al de volksklassen nog vermengd onder elkaar, die Louis Philippe aan de staatsmacht hadden gebracht, maar feitelijk waren het de grote bankiers en financiers, die alles te zeggen kregen. Van democratie geen sprake. Het kiesrecht bleef beperkt. Voor 1848 waren er in geheel Frankrijk met zijn 38 miljoen inwoners maar 260.000 kiezers. De financiers grasduinden naar hartenlust in de Franse staatskas. De staat verslond geld. De financiële toestand was alles behalve rooskleurig. Het krediet ging achteruit, lening na lening moest gesloten worden, en zoals wij dat op dit ogenblik ook in Rusland zien, juist op die slechte financiële toestand aasde, door hem mestte zich het kleine hoopje verdorven grootfinanciers, die de staat beheersten. Voor hen was het voortduren van die toestand uiterst wenselijk, want daardoor verrijkten zij zich steeds meer. Het was daarbij voor Frankrijk de tijd van de omwenteling in verkeersmiddelen en vervoer. Dit gaf aanleiding tot een woeste speculatie in spoorwegen, waarbij een groot aantal kapitalisten de gelegenheid hadden verbazende sommen op de smerigste manier te verdienen. Onophoudelijk kwamen er, ook als thans in Rusland, financiële schandalen aan het licht. Onafgebroken volgde het ene op het andere. De toppen van de maatschappij, de klassen die regeerden, waren door en door verdorven en werden door de minder aanzienlijke bourgeoisie, de kleinburgerij, de arbeiders, de boeren, het intellect, én gehaat, én veracht. Alle lasten werden gedragen door die lagere klassen. De directe belastingen bv. bleven in Frankrijk stationair. De rijksten, die alles te zeggen hadden, betaalden er zo goed als niets aan. De indirecte belastingen daarentegen, die grotendeels door de lagere klassen werden opgebracht, vermeerderden met de helft in 11 jaar tijd. De Kamer was geheel en al het werktuig van de regering. Het grootste deel van de Kamerleden waren ambtenaren, die natuurlijk met de regerende machten en haar handlangers onder één deken lagen.

Zo groeide de algemene ontevredenheid, tot slechts een vonk nodig was om haar tot een uitbarsting te doen komen. Die vonk kwam. Het was de grote algemene economische crisis van het jaar 1847, nog moeilijker te dragen voor het proletariaat, omdat zij voorafgegaan was door enige slechte oogsten. De crisis van 1847 heeft natuurlijk wel niet geleid tot de revolutie van 1848 in die zin, dat het anders niet tot een revolutionaire uitbarsting gekomen zou zijn, maar zij deed juist op dat ogenblik de revolutie uitbarsten. Zonder die crisis had de heersende toestand misschien nog een aantal jaren kunnen duren. De aanleiding tot de revolutie van 1848 waren de volgende gebeurtenissen. De burgerlijke oppositie voerde reeds sedert jaren een campagne voor de hervorming van het parlement, en naarmate zij bemerkte dat een groter deel van alle klassen zich achter haar schaarde werden haar eisen bouter en trad zij met meer stoutmoedigheid op. In 1847 begon de zg. banket-campagne. De leiders van de burgerlijke oppositie, Kamerleden, journalisten enz., kwamen bijeen in Parijs of in andere Franse steden, banketteerden, hielden toasten, gaven op die manier aan de regering hun eisen te kennen en wekten de publieke opinie op. Gij zult u herinneren, dat gedurende het jaar 1904 in Rusland een dergelijke banketbeweging van burgerlijke zijde plaatsgevonden heeft. Zij was in beide gevallen het preludium van de proletarische revolutie, d.w.z. van het optreden van het proletariaat, dat in Frankrijk en later in Rusland door de bourgeoisie op deze wijze in voorzichtige en gematigde vormen werd ingezet. De beweging groeide en groeide en de regering werd bang, en eindelijk in februari 1848 verbood zij een reuzenbanket, dat in Parijs zou plaats vinden. De opinie onder de oppositie was verdeeld. De radicale kleinburgerlijke partij had zich ook aangesloten bij die banket-campagne en met haar stonden wederom de geheime genootschappen onder Blanqui enz. in verbinding. De burgerlijke oppositie was er voor, voorzichtigheid te betrachten, te gehoorzamen en het banket niet te houden; de kleinburgerlijke partij en de proletarische partij, eveneens natuurlijk de geheime genootschappen, waren stoutmoediger en waren er voor het banket wel te laten doorgaan, een grote demonstratie te houden, maar ongewapend. Zonderlinge inconsequentie: Blanqui en zijn vrienden, de mannen, die tussen 1830 en 1840 telkens en telkens weer met zoveel stoutmoedigheid hadden geprobeerd een oproer uit te lokken, geloofden in het ogenblik, dat de rijpe vrucht op het punt stond hun in de schoot te vallen, niet aan de mogelijkheid van de opstand en nog veel minder aan de mogelijkheid van een revolutie die de regering van Louis Philippe zou omverwerpen; een bewijs weer hoe men nooit de gebeurtenissen vooruit kan zien in de ontwikkeling van revolutionaire bewegingen. Op de dag zelf, dat zij besloten hadden ongewapend te verschijnen, ontstonden reeds in Parijs de eerste barricaden. De Nationale Garde, die het middel geweest was waarmee de regering van Louis Philippe oproerige bewegingen in vorige jaren had onderdrukt, was, zouden wij zeggen, om. Zij werd opgeroepen en verscheen onder de kreten: leve de hervorming, weg met de regering. Daarmee was het lot van Louis Philippe en zijn handlangers bezegeld. De kleinburgers waren jarenlang door hun militaire chefs, hun meerderen, mensen uit de rijen van de grootbourgeoisie in toom gehouden en tegen het proletariaat gebruikt. Nu was ook over hen de oproerige geest vaardig geworden. Alle klassen van de bevolking haatten en verachtten de regering van Louis Philippe; allen voelden dat de dingen op een nieuwe basis gesteld moesten worden. De betere middenstand, die nog van de regering was uitgesloten, en de kleinburgerij wilden heersen, of althans deelnemen aan de staatsmacht, wilden politieke rechten, wilden volkomen verandering in het belastingstelsel. De Nationale Garde was vlees van hun vlees en been van hun been; geen wonder, dat zij met hen meeging. Het leger was onzeker, de soldaten aarzelden. Hier schoten zij, daar gingen zij uiteen; in sommige gevallen verbroederden zij zich met het volk en binnen drie dagen was het lot van Louis Philippe en de zijnen beslist. Hij viel niet als Lodewijk XVI op het schavot, hij verliet zijn koninkrijk als een echt burgermannetje, wat hij altijd geweest was, hij, die zich de burgerkoning noemde. In een huurrijtuig reed hij heel Frankrijk door. Niemand deed hem kwaad. Men liet hem kalm trekken. Dat is het lot van de koningen in de moderne revoluties. Met hen verdween het gehele stelsel, omdat dat stelsel geen grondslagen had. Frankrijk had in de laatste jaren voor 1848 geleken op een piramide, die men zolang omgekeerd had, tot zij op haar spits stond. Die spits, die enkele bevoorrechten, konden die zware last van dat ontevreden Frankrijk niet dragen. Daarom zegevierde de revolutie van 1848 zo gemakkelijk.

De mannen van de burgerlijke oppositie, de grootindustriëlen, de mannen van het leger, de generaals, want het leger was ook revolutionair, de mannen van het intellect, de liberale professoren, zoals Michelet en Quinet, waren dadelijk bij de hand toen de barricademannen de overwinning hadden behaald. Wat deden zij? Zij verdeelden de ministeries. Dat is altijd het eerste wat de burgerlijke klasse na een revolutie doet. Alles was gereed, maar de republiek werd niet uitgeroepen, want de bourgeoisie dorst daar nog niet goed aan. Zij was gesplitst in een fractie van orleanisten, een van legitimisten, ook een van republikeinen, maar deze was niet machtig genoeg om haar wil door te zetten. Toen verschenen de arbeiders voor het stadhuis van Parijs. Zij hadden voor de bourgeoisie de overwinning bevochten, samen met de kleinburgers en studenten, zij hadden hun wapens nog, de barricaden waren nog niet opgeruimd, de oproerige geest was nog vaardig over het volk. Hun woordvoerders eisten van het voorlopig comité, dat binnen twee uur de republiek uitgeroepen zou worden. Toen begreep de bourgeoisie dat 1848 geen herhaling kon zijn van 1830, zij begreep dat het proletariaat had gekregen, een begin van wil, een begin van eenheid, een begin van klassenbewustzijn, dat zij de arbeiders niet zo gemakkelijk als 18 jaar geleden al de vruchten van hun overwinning kon ontfutselen, en binnen twee uur was de republiek geproclameerd.

Het proletariaat had geëist dat de rode vlag, de vlag van de republiek zou worden. Dat was de vlag waaronder men had gestreden op de barricaden. Maar de burgerlijke elementen in de voorlopige regering dorsten dat niet, vonden dat zeer gevaarlijk, wilden van die rode vlag niets weten. Zij wilden de rood-wit en blauwe vlag, de nationale van Frankrijk, maar men zou het proletariaat een plezier doen. Er zou een rood wimpeltje aan komen te hangen. Dat vertel ik u, omdat het was een soort symbool van wat er, nadat de omwenteling haar beslag gekregen had gebeurde. De vlag van de bourgeoisie woei over Frankrijk. De bourgeoisie was als klasse in al haar verschillende lagen en delen en schakeringen aan de macht gekomen, zij vond haar eenheid in de republiek, de republiek was de enige staatsvorm onder welke al haar fracties gemeenschappelijk regeren konden, maar het proletariaat had die republiek gemaakt, het proletariaat was sterk, was nog vervuld van het gevoel van eigen kracht, van zijn grote daden, het proletariaat moest een weinig ontzien en bedrogen worden. En men hing een rood wimpeltje uit. Ook een rood wimpeltje was het opnemen in de voorlopige regering van Louis Blanc en van de typograaf Albert. Het was de eerste coalitieregering waarin arbeiders hebben plaatsgenomen. Zij bestond uit enkele leden van de grote republikeinse bourgeoisie, enige van de kleinburgerij met Ledru-Rollin tot leider deze laatste de klasse, die met het proletariaat samen had gemarcheerd en gestreden, en verder uit twee leden die het proletariaat vertegenwoordigden, de eerste arbeiders, die plaats namen in een burgerlijke regering en laat ik er bij zeggen, helaas niet de laatste. Nog een ander man nam ook plaats in de regering en dat was de man die als het ware het best de revolutie van 1848 belichaamde: de dichter Lamartine. Van hem zegt Marx zo uitstekend: Lamartine in de voorlopige regering dat was aanvankelijk geen reëel belang, geen bepaalde klasse, dat was de Februarirevolutie zelf, de gemeenschappelijke opstand met zijn illusies, zijn poëzie, zijn ingebeelde inhoud en zijn frases. Zo kwam die eerste coalitieregering tot stand, maar wij weten, dat een coalitie van verschillende klassen wel kan zijn een goed instrument tot de strijd, zelfs een noodzakelijkheid tot revolutionaire strijd, maar dat zij nooit een sterke regering kan vormen, omdat de tegenstrijdigheid van belangen tussen de klassen onmiddellijk maakt dat zulk een regering besluiteloos en slap en weifelend moet optreden. Zoals wij dat bij veel latere ervaringen gezien hebben, zo was het ook in 1848.

Ik zal hier afbreken. De volgende keer zullen wij doorgaan met de behandeling van de omwenteling van 1848.

Tweede voordracht (1815 – 1871)
Vervolg van de Revolutie van 1848
De Internationale

Toehoorsters en toehoorders!
Wij zijn de vorige keer begonnen aan de behandeling van de Franse Februarirevolutie. Die Februarirevolutie had kolossale gevolgen. Zij maakte een geweldige indruk door alle Europese landen, hielp overal de bourgeoisie een grote stap te zetten in het beheersen van de staat en gaf in Italië, Hongarije, enz. een sterke stoot tot het in verzet komen van volken of delen van volken, die nationaal onderdrukt werden. Zij was ook de min of meer onmiddellijke aanleiding tot het uitbreken van revoluties in Duitsland en in Oostenrijk. Maar zij had ook nog andere gevolgen. De Februarirevolutie in Parijs was de eerste waarbij het proletariaat optrad met zelfstandige klasse-eisen. Die eisen waren nog zeer vaag geformuleerd. Het algemene parool dat in die dagen door de proletarische organisaties en hun woordvoerders werd gegeven was: de organisatie van de arbeid, het recht op arbeid. In die formule werd weliswaar nog op onhandige manier en door degenen die haar gebruikten nog onbewust, toch feitelijk reeds uitgedrukt de grote proletarische eis van het recht op de productiemiddelen, want het is duidelijk dat alleen door het bezit van de productiemiddelen het proletariaat het recht op arbeid en de organisatie van de arbeid in de zin van de bevrijding van de ellende van het loonstelsel bereiken kan. Deze eis, gesteld door een gewapend en door de overwinning met zelfbewustzijn vervuld proletariaat, dat was het wat de bourgeoisie van alle landen en de Franse bourgeoisie in de eerste plaats verschrikte, dat was het ook wat de overwinnaar, d.w.z. de Franse bourgeoisie, aanvankelijk noodzaakte althans met de mond rekening te houden met de proletarische eisen en aan het proletariaat beloften te doen, het proletariaat met zoete voorspiegelingen te paaien. Zulk een belofte, zulk een valse voorspiegeling en niets anders is de beroemde commissie van het Luxembourg, wier benoeming een van de eerste daden was van de nieuwe regering. Die commissie had zich bezig te houden met de grote sociale vraagstukken, zoals zij in die dagen van algemene werkloosheid op de voorgrond kwamen, met de organisatie van de arbeid, met het zoeken van wegen en middelen om de nood van het proletariaat te verminderen. Want vergeten wij het vooral niet, de revolutie was, zoals kort uiteengezet, door dieper liggende oorzaken, door de gehele sociale ontwikkeling van de laatste achttien jaar voorbereid, maar haar onmiddellijke aanleiding was de ontzettende crisis en de werkloosheid, op het Europese vasteland.

De commissie van het Luxembourg, gepresideerd door Louis Blanc, tolk en aanvoerder van dat grote deel van het proletariaat, dat nog geheel met kleinburgerlijke gevoelens vervuld was en een sterk geloof had in het staatssocialisme, was feitelijk niets anders dan een klucht. Niet door de regering werden de proletarische noden ter hand genomen, niet het budget van de staat werd daarvoor beschikbaar gesteld, neen, door een soort debatingclub zonder middelen, zonder budget, door een commissie, die slechts beraadslagende en geen uitvoerende macht had, moesten die geweldige sociale vraagstukken worden opgelost. Zo was die commissie dus, zo zij aan de ene kant de conservatieve neigingen van de bourgeoisie verschrikte, aan de andere zijde een middel om de oproerige, nog gewapende, nog door hun overwinning van gisteren overmoedige proletariërs te temmen en zand in de ogen te strooien. Van de besluiten, die deze commissie in haar kortstondig leven heeft genomen is het meest bekende de invoering van de tienurendag voor Parijs en van de elfurendag voor het overige Frankrijk, besluiten die natuurlijk door de contrarevolutie zeer spoedig ongedaan werden gemaakt.

Van de andere maatregelen, die de coalitieregering, de regering van de drie verbonden partijen, die te samen het koningschap van Louis Philippe hadden omver gekegeld, zoals gezegd de grote republikeinse bourgeoisie, het kleinburgerdom en de arbeiders, ten behoeve van het proletariaat namen, is wel de meest belangrijke en de meest besprokene, de instelling van de zg. nationale ateliers. De oprichting daarvan was een perfide streek van de bourgeoisie, omdat zij hoopte daarmee zowel een groot leger van proletariërs te demoraliseren, om te kopen en tegen hun klassegenoten te gebruiken, als het staatssocialisme van Louis Blanc en zijn school te discrediteren. Want dat staatssocialisme zoals het door Louis Blanc in verschillende geschriften was uiteengezet wilde eveneens door het oprichten van werkplaatsen met behulp van de staat de arbeid organiseren, een overmachtige concurrentie scheppen tegenover het kapitalisme en zo geleidelijk tot bevrijding van de arbeid voeren. Ik heb natuurlijk niet de gelegenheid hier op het utopische van dat stelsel in te gaan, maar het is duidelijk dat Blanc en zijn aanhangers bedoelden door de kolossale macht waarover de staat, en de staat alleen, beschikt, het kapitalistische stelsel te bestrijden en te overwinnen, terwijl de nationale ateliers zoals zij expres werden ingericht niet anders konden dan mislukken. Zij moesten dat, hun oprichters wilden dat juist. Zij waren zo ingericht dat zij moesten mislukken, en moesten dit, ten einde de gedachte, de overtuiging algemeen te maken, dat de staatsateliers, zoals zij door Louis Blanc gepropageerd werden een onmogelijkheid waren en tot schromelijke gevolgen zouden leiden. In die ateliers, waarin bij de heersende werkloosheid weldra grote drommen van proletariërs samenstroomden – na enkele maanden tijd waren het er 100.000 en meer – werd volstrekt geen productief werk verricht. Zij waren zo ingericht, dat zij aan de staat ontzaglijk veel geld kostten, terwijl zij met uitzondering van de een zeer ondergeschikte rol vervullende werkplaatsen voor vrouwen zo goed als niets opbrachten. Voor iedere dag werd aan de arbeiders, die zich aanvankelijk aanmeldden fr. 2 betaald, later werd dit tot fr. 1,50 verlaagd, maar slechts een van elke vier dagen moest of mocht elk aangenomen arbeider werken, op de andere drie verdiende hij zijn loon met niets doen. Op die manier demoraliseerden de ateliers het proletariaat, voerden tot een grote opeenhoping van werklozen in Parijs en werden ze zeer impopulair bij alle klassen. Het verzet tegen de ateliers was een van de middelen die de bourgeoisie gebruikte om een geweldige ommekeer in de openbare mening tot stand te brengen, om de kleinburgerij, die in februari georganiseerd in de Nationale Garde, met het proletariaat verbonden had gestreden, los te maken van het proletariaat en tot de zijde van het kapitaal over te halen. Ik kan hier niet de verschillende verschijnselen schetsen, de verschillende manifestaties, demonstraties, de voorvallen, waardoor het in de maanden van maart tot juli steeds duidelijker werd, dat die geweldige ommekeer in de openbare mening zich voltrok, dat het proletariaat steeds meer geïsoleerd kwam te staan en de bourgeoisie, zich gereorganiseerd hebbende en nu zeker van haar stuk, niets vuriger wenste dan dat proletariaat te verpletteren. De gelegenheid, die zij daarvoor bewust schiep was de opheffing van de nationale ateliers. Reeds weken lang voor daartoe besloten werd had men in de constituerende vergadering de duidelijke uitspraak kunnen horen: “er moet nu eens een eind aan komen”, en de debatten, die in het parlement de gehele maand juni door over het brandende vraagstuk van die nationale ateliers werden gehouden, maakten duidelijk dat de bourgeoisie op onverantwoordelijk brutale wijze, door hard en wreed ingrijpen juist bedoelde een uitbarsting van toorn en radeloosheid van die tien en tienduizenden proletariërs zonder werk en zonder brood te provoceren. En dit duivelse plan gelukte: de opheffing van de nationale werkplaatsen, waartoe op 21 juni besloten werd, voerde tot het grote Juni-oproer, de vijfdaagse barricadegevechten, waarin het leger onder Cavaignac met vreselijke wreedheid te werk ging en het proletariaat duizenden van zijn dapperste strijders verloor.

In die opstand, dat tweede bedrijf van de revolutie van 1848, een noodzakelijk gevolg, zoals wij hebben gezien, van het eerste, streed het proletariaat geheel alleen, zonder leiders, zonder vast plan, zonder doel. Het streed onder de kreet: brood of lood, brood of sterven; het streed niet voor de verwezenlijking van sociale gedachten, maar omdat het niet anders kon, omdat het zich geplaatst zag voor de zwartste misère. Het streed niet om de regeringsmacht te veroveren; niet volgens een van te voren ontworpen plan, zoals dat vroeger onder Blanqui het geval was geweest. Het proletariaat was door de burgerlijke klassen als wraak voor de Februaridagen als het ware tegen een muur gedrukt.

Na de Junidagen van 1848 treedt het proletariaat in Frankrijk, zeer verzwakt en geheel ontmoedigd, op de achtergrond. Het speelt in de revolutionaire gebeurtenissen vanaf dat ogenblik tot aan de staatsgreep waardoor Napoleon III zich meester maakt van de Franse republiek, nog slechts een ondergeschikte rol. Wel was de uitwerking van de gebeurtenissen, die onmiddellijk op juni 1848 volgden, deze, dat de bourgeoisie hoe langer hoe meer alleen ging heersen, dat alle democratische elementen, ook de kleinburgerij en de boeren op de achtergrond werden gedrongen, dat er ook voor hen niets gedaan werd, dat ook hun eisen door de bourgeoisie alle onvervuld werden gelaten en dat aldus, nadat eerst de kleinburgerij zich tegen het proletariaat had laten gebruiken, aan het eind van een zekere kringloop van de revolutie, op het eind van 1849, opnieuw alle democratische klassen, boeren, kleinburgers, middenstand zich met het proletariaat verbonden in een algemene politieke coalitie tegen de zg. partij van de orde, tegen met andere woorden de coalitie van alle kapitalistische belangen.

En in dat tweede tijdperk van de revolutie, waarin niet langer met de wapens, maar slechts met parlementaire middelen, met het kiesrecht, de pers enz. werd gestreden, scheen het nog alsof het proletariaat, dat de revolutionaire spits uitmaakte van die democratische coalitie en waaromheen alle andere elementen zich schaarden, opnieuw de revolutionaire ontwikkeling in gang zou kunnen brengen. Dat was toen ook het geloof van Marx. In de historisch-kritische studie, welke hij aan de Franse revolutie van 1848 heeft gewijd, vinden wij als een rode draad de overtuiging dat de revolutie niet teneinde is, maar dat zij slechts begint. Marx en Engels meenden in die dagen, dat uit de burgerlijke revolutie van 1848 onmiddellijk de proletarische revolutie zou voortkomen, dat die burgerlijke revolutie gedwongen zou worden om haar uiterste krachten in te spannen tegen de reactionaire machten van het verleden, door de nood genoodzaakt aan de meest vastberaden elementen, de elementen die het minst wisten van schipperen, die altijd het meest vooruit stuwden en drongen, kortom aan de proletarische en halfproletarische klassen, vrije speelruimte te laten. Hoe kwamen zij aan die overtuiging? Het is noodzakelijk daar even bij stil te staan. Zij kwamen daaraan door de studie van vroegere burgerlijke revoluties, van de grote Franse revolutie in de achttiende eeuw en van de Engelse van de zeventiende. Maar in de negentiende eeuw waren de verhoudingen veranderd. Zij waren dat door de beginnende ontwikkeling van het kapitalisme, door het beginnend zelfstandig optreden van het proletariaat. Het optreden van het proletariaat in februari had, zoals ik reeds zei, door geheel Europa de heersende klassen verschrikt, zo sterk verschrikt, dat zij zich vergenoegden met een halve overwinning, en liever zoals in Duitsland de revolutie lieten verzanden, en doodlopen, liever direct na de aanvankelijke overwinning een compromis sloten met de reactionaire machten, dan de kans te lopen dat door de volle ontwikkeling van de revolutionaire beweging het proletariaat steeds meer op de voorgrond zou komen, steeds meer rechten en macht zou veroveren en uiteindelijk misschien aan de spits van de staat zou komen te staan.

De angst van de bourgeoisie voor het proletariaat: dat was de voornaamste oorzaak waardoor niet, zoals Marx en Engels verwachtten, de burgerlijke revolutie zich tot een proletarische ontwikkelde. De burgerlijke klassen waren reeds minder revolutionair dan Marx toen nog meende, het proletariaat had nog niet zoveel macht, niet zoveel doorzicht, niet zoveel energie, als tot een langdurige strijd, een strijd van tientallen jaren, waarop hij gerekend had, nodig waren. Daar kwam nog een andere reden bij. Daar kwam bij dat het sedert 1849 met de grote crisis ten einde liep, en dat weer een nieuwe opwaartse beweging van het kapitalisme, een nieuwe kringloop van de economische ontwikkeling, begon. In 1850 bevond zich, ten dele ook onder de invloed van de ontdekking van de Californische goudvelden, de kapitalistische ontwikkeling weer in volle gang. Een nieuw tijdperk van economische bloei ving aan en het was onmogelijk dat zulk een tijdperk tevens een ontplooiing van de revolutionaire krachten brengen zou.

Vandaar dat de kortstondige parlementaire triomfen, die het verbond van alle democratische klassen in 1850 in Frankrijk plukte, tot geen verdere gevolgen leidden en dat desondanks de ontwikkeling zich politiek in reactionaire banen voltrok, een ontwikkeling die voorlopig afgesloten werd met de staatsgreep van Napoleon III.

Ten slotte nog een beknopt overzicht van de revolutionaire ontwikkeling in Duitsland. Over de arbeidersbeweging, die haar voorafging, kan ik heel kort zijn. Wij hebben de arbeidersbeweging van Frankrijk en Engeland uitvoerig moeten behandelen, omdat zij daar inderdaad reeds voor 1848 op een belangrijk verleden had te bogen. Duitsland was een zo achterlijk land, zijn bourgeoisie was nog zo weinig ontwikkeld, de zelfstandige kleinburgerij, het handwerkbedrijf was nog zo sterk, de industrie zo zwak en beperkt tot enkele provincies, landbouwbedrijf en handwerk speelden er nog een zo grote rol, dat van een moderne proletarische beweging in Duitsland geen sprake kon zijn. Wij hebben dan ook slechts te herdenken de hongeropstanden van de Silezische wevers, die in 1844 onder de invloed van de steeds moeilijker concurrentie tegen het machinale bedrijf en van het langzaam verhongeren dat daarvan het gevolg was, uitbarstten. Echter, wanneer er in Duitsland zelf voor 1848 zo goed als niet van een arbeidersbeweging valt te spreken, waartoe natuurlijk ook bijdroeg het volkomen gemis aan burgerlijke politieke rechten, aan verenigingsrecht, vrijheid van pers enz.; zo is er toch wel iets te zeggen van een Duitse arbeidersbeweging in de vreemde, buiten de Duitse grenzen. Ik heb u gezegd dat in Duitsland het handwerk nog zeer sterk was, en in verband daarmee stond de algemene gewoonte van het reizen op ambacht, die daar nog stand hield. Dat reizen op ambacht geschiedde ook in de vreemde, en zo bezochten in de jaren voor 1848 honderden en duizenden Duitse handwerkslieden andere landen, vooral Zwitserland en Frankrijk. Ook politieke bannelingen uit Duitsland leefden daar en leerden op die wijze andere toestanden kennen, toestanden in landen waar reeds een zelfstandige arbeidersbeweging in kiem aanwezig was en iets groter vrijheid van beweging bestond. Zo kwam het al vrij vroeg tot het stichten in Zwitserland en ook in Parijs van, natuurlijk geheime, verenigingen van handwerkslieden, die radicaal-republikeins en ten dele primitief-socialistisch waren. De meest bekende van die verenigingen is de “Bond van Bannelingen” in Parijs, die later opging in de “Bond van Rechtvaardigen”, welke op zijn beurt weer de kiem was van de Bond van Communisten. In en voor die “Bond van Rechtvaardigen” werkte zowel in Parijs als later vooral in Zwitserland de geniale proletariër, Weitling, schrijver van de “Waarborgen voor Harmonie en Vrijheid” en “Het Evangelie van de arme Zondaar”, die met zijn ideeën, wortelend in het rauwe communisme van de oude Babeuf, dat communisme zelf weer enige schreden verder heeft gevoerd tot het moderne wetenschappelijke socialisme. “De Bond van Rechtvaardigen” werd al vrij spoedig naar Duitsland overgebracht, werkte daar natuurlijk in het geheim, vond er zeer weinig speelruimte, en vertakte zich weldra in Londen. Het is zeer zeker geen toeval dat het juist de leden van de Londense tak waren, die, kan men zeggen, uit eigen kracht voortschreden tot aan de drempel van het moderne wetenschappelijke communisme. Zij toch waren het die in 1847 Marx en Engels uitnodigden om voor de “Bond van Communisten” zoals de oude bond zich herdoopt had, een nieuw program te ontwerpen. De inzichten van Weitling, hun vroegere geestelijke leider, voldeden aan de Londense leden niet langer, en ook met de Franse utopist Cabet, die in die dagen naar Londen kwam, konden zij het niet meer vinden. Marx en Engels hadden reeds jaren in de bond gewerkt, althans ermee in verbinding gestaan. Zij namen de uitnodiging tot het ontwerpen van een nieuw programma aan en legden aan de leden van de Bond het ontwerp van het beroemde Communistische Manifest voor, dat in het begin van 1848 op een algemeen congres na tiendaagse debatten werd aangenomen als program van de bond.

Ik behoef hier de betekenis van het Communistisch Manifest niet nader uiteen te zetten. Wij hebben kortgeleden de gelegenheid gehad én door de partijpers én op vergaderingen [Bedoeld zijn de vergaderingen van begin februari 1907 in verschillende plaatsen van ons land ter herdenking van de publicatie van het Communistisch Manifest.] zoveel erover te leren, dat ik die betekenis wel als bekend mag veronderstellen. Ik zal mij dus beperken tot enige korte opmerkingen.

In het Communistische Manifest zetten Marx en Engels voor de eerste maal met meesterhand in grote trekken de beginselen uiteen van het historisch materialisme en pasten deze toe op de moderne geschiedenis. De economische oorzaken van de klassentegenstellingen en de klassenstrijd tussen bourgeoisie en proletariaat en de historische noodzakelijkheid van het socialisme als einddoel van de proletarische strijd werden daarin ontvouwd. De nog uiteenliggende krachten van economisch socialisme en arbeidersbeweging werden verenigd, het utopisch karakter van het socialisme werd opgeheven en aan de arbeidersbeweging haar einddoel gewezen, waarheen zij zich van nu af aan langs de banen van klassenorganisatie en politieke strijd met vaste tred bewegen kon. De hele historische, economische en politieke ontwikkeling van het tijdperk dat wij hier geschetst hebben, loopt uit in het verschijnen van het Communistisch Manifest, het geschrift dat als geen tweede in het volgende tijdperk tot richtsnoer werd voor het strijdende proletariaat van de gehele wereld.

Wij willen nu kort nagaan hoe de Duitse revolutie van 1848 zich ontwikkelde. De Pruisische regering zag zich op het eind van de jaren veertig genoodzaakt om de financiële hulp in te roepen van de bourgeoisie. De Duitse bourgeoisie, hoe zwak en onbetekenend ook nog vergeleken met de Franse en Engelse, was toch enigermate versterkt, onder de invloed vooral van de tolunie, een regeling waarbij de ontelbare staten en staatjes, waaruit Duitsland bestond, zich als gemeenschappelijk tolgebied constitueerden. Die unie voerde tot grotere toename van de Duitse industrie en de Duitse handel en aldus ook tot politieke machtsversterking van de bourgeoisie. De sociale ontwikkeling maakte een omkeer van de politieke verhoudingen in Duitsland onvermijdelijk. De werkelijke, de economische macht van de bourgeoisie was langzamerhand reeds zo groot geworden, dat zij niet meer in overeenstemming was met haar volslagen politieke onmacht. Zo moest het komen tot een groot conflict. De feodale, absolutistische regering moest bukken, moest althans aan de bourgeoisie een deel van haar macht afstaan.

Het uitbreken van de revolutie werd verhaast door de gebeurtenissen in Parijs en door de revolutie in Wenen, welke laatste ook onder de invloed van de tijdingen uit Frankrijk de 13e maart losbarste. Ik zal de revolutie te Wenen hier verder onbesproken laten, omdat, daar Oostenrijk een economisch nog veel achterlijker land was dan Duitsland en er daar nog slechts kwestie was van samengaan van bourgeoisie, kleinburgerij en arbeiders tegen het absolutisme, niet van zelfstandige klassenbewegingen van het proletariaat, de behandeling van de gebeurtenissen te Wenen in een overzicht van de proletarische klassenstrijd achterwege kan blijven.

Reeds twee jaren voor het losbarsten van de Februarirevolutie was de koning van Pruisen door geldnood gedwongen geweest, de “4 standen” van de verschillende provincies naar Berlijn te roepen en uit hen een “Verenigde Landdag” te vormen. Daar de oppositie van de bourgeoisie in kracht groeide en zij de volksklassen achter zich had, verstoutte deze landdag – die de regering eenvoudig een instrument tot het inwilligen van leningen en belastingen bedoelde te zijn – zich, de voorstellen van die regering herhaaldelijk af te wijzen en werd door deze dan ook spoedig naar huis gestuurd. Zo nam de revolutionaire spanning steeds toe en het werd aan beide partijen duidelijk dat zij zich bevonden aan de vooravond van een bloedige strijd om de macht. Echter, het zou ongetwijfeld nog enige tijd geduurd hebben, voor die strijd uitbrak, zonder de Februarigebeurtenissen te Parijs. Het optreden van het Parijse proletariaat, de val van het Juli-Koningdom, de overwinning van de arbeidersklasse op de grootbourgeoisie en de aanvankelijk vaag-socialistische schijn, waarin de Februarirevolutie gehuld was, dit alles kon op de Pruisische bourgeoisie die zich, zoals Marx het uitdrukt, juist opmaakte in haar eigen land het regeringsstelsel op te richten, dat de Februarirevolutie in Frankrijk ten val had gebracht, geen andere uitwerking hebben dan deze, haar eigen revolutionaire energie af te koelen en haar met vrees voor die van het proletariaat te vervullen.

Nadat het reeds eerder in de provincies tot plaatselijke opstootjes gekomen was, sloeg de beweging ongeveer half maart naar de hoofdstad over. Te Berlijn drongen volksmenigten verschillende dagen achtereen voor het Koninklijk Paleis te samen en eisten verandering van de regeringsvorm. Toen na het bekend worden van de gebeurtenissen te Wenen en de val van Metternich, de Koning besloot tot enige kleine concessies, verklaarde de bourgeoisie zich tevreden en zou gaarne iedere verdere ontwikkeling van de revolutionaire beweging gestuit hebben. Maar daar was geen denken meer aan. Oproerige manifestaties groeiden met de dag, het volk eiste de terugroeping van de troepen en op 18 maart kwam het tot een aanval van het leger op de massa’s, die hun toevlucht namen tot het oprichten van barricaden, heldhaftig verdedigd door arbeiders, kleinburgers en studenten. De volgende morgen bracht de overwinning van de gedurende de nacht zeer versterkte revolutionaire elementen: het leger moest Berlijn verlaten en de koning werd gedwongen tot de vernedering, aan de gevallen revolutionaire helden de laatste eer te bewijzen.

Zo waren ook in Berlijn, tegen de wil van de burgerlijke klassen, de arbeiders door de gebeurtenissen op de voorgrond gekomen. Zij hadden gestreden, hadden overwonnen, hun zelfbewustzijn was zeer versterkt. Maar ook de vrees van de Duitse bourgeoisie voor het proletariaat was hierdoor sterk toegenomen, een vrees die haar nooit meer heeft verlaten en die gedeeltelijk de sleutel is van de bijzondere vorm die de klassenstrijd van het proletariaat in Duitsland heeft aangenomen. Deze vrees voerde haar tot een onmiddellijk retireren voor de regering, maakte dat zij de geslagen vijand, het absolutisme, niet vervolgde, dat zij haar eigen overwinning niet wist te gebruiken. Reeds op de dag na de overwinning haastte zij zich opnieuw een brug tot samengaan met de aanhangers van het oude stelsel te bouwen. De slapheid en lamlendigheid, die haar afgevaardigden, eerst in de zg. Berlijnse wetgevende vergadering, later in de algemene Rijksvergadering te Frankfurt gehouden, aan de dag legden, die slapheid en lamlendigheid, die natuurlijk maar waren een echo, een weerkaatsing van de flauwe geest van de Duitse bourgeoisie, maakte dat de revolutie als het ware halverwege bleef steken. Wel was aan de macht van het absolutisme, van de bureaucratie, van de feodale klassen, een kolossale slag toegebracht, waarvan deze zich nooit geheel herstelden, maar geweldige puinhopen bleven overeind en die puinhopen zijn tot op de huidige dag nog zoveel krachtig geweest van waaruit die voorburgerlijke klassen, absolutisme en adellijk grootgrondbezit, het proletariaat bestoken en beschieten.

Het was Marx, de geestelijke leider in de Duitse revolutie van de proletarische of communistische partij, die in zijn blad, dat in die revolutie zo beroemd is geworden, de Neue Rheinische Zeitung, telkens en telkens weer de Duitse bourgeoisie in de banen van een vastberaden revolutionair optreden trachtte te stuwen, maar zonder succes. Een kleine kenschetsende episode daarvan. Toen de Berlijnse wetgevende vergadering, door een staatsgreep uiteengejaagd, onder de indruk van de bloedige belediging haar aangedaan in een ras vervlogen stemming van strijdlust, besloot het oude, echt revolutionair-burgerlijke middel van belasting-weigeren aan te grijpen, was het alleen de Neue Rheinische Zeitung, die achter dat besluit werkelijk kracht wilde zetten en de Duitse burgers daar in volle ernst toe opwekte. De Berlijnse vergadering zelf trok het al spoedig in: de president wist een middel te vinden het genomen besluit onwettig te verklaren. Maar de Neue Rheinische Zeitung spoorde de burgers van de Rijnprovincie aan met het weigeren van het betalen van belasting direct ernst te maken, overal de ambtenaren af te zetten die zich tegen een dergelijke handelwijze verklaarden, en zich gereed te houden tot de passieve tegenstand, – want zo kan men de belastingweigering noemen – zo nodig tot de actieve gewelddadige over te gaan. Zulk een houding was geheel in de lijn van Marx, in de lijn die hij in de ontplooiing van de burgerlijke revolutie wilde brengen, en het was ook de lijn van actie die hij voorschreef aan het bewuste deel van het proletariaat, aan de communistische partij, om de bourgeoisie steeds meer naar links te dringen. Hij wilde dat het proletariaat steeds gereed zou zijn de bourgeoisie te hulp te komen zodra zij ernst maakt met de strijd tegen het absolutisme, in de hoop dat, zoals in het Communistisch Manifest geschreven staat, daardoor een situatie zou worden geschapen, waarin het proletariaat tot het opstellen van zijn eigen klasse-eisen gedwongen werd, een situatie dus waarin de gehele afgrond van de klassentegenstelling tussen proletariaat en bourgeoisie aan het licht zou komen. Het was echter alles vergeefs. De Duitse bourgeoisie liet zich op die baan niet dringen, zij wilde de verdere ontwikkeling van de revolutie niet. De Frankfurter vergadering, die tot taak had het ontwerpen van een Rijksgrondwet voor geheel Duitsland – want de Duitse eenheid, en wel eenheid op democratische grondslag was het, die de revolutie van 1848 had moeten en kunnen brengen wanneer bourgeoisie en proletariaat werkelijk zich verenigd hadden, samen waren opgetrokken – had geen werkelijke macht, geen werkelijke krachten achter zich. Wel kwam het in 1849 nog in een groot deel van Duitsland tot revolutionaire pogingen om die eenheid te verwezenlijken tegen de vorsten en de feodale klassen in, die er niets van wilden weten, kwam het tot barricadegevechten in verschillende steden van de economisch meest ontwikkelde provincies, in Leipzig, Dresden, Elberfeld, Dusseldorf, kwam het tot de opstand in Baden, waar de oorspronkelijke boeren en kleinburgerlijke democratie nog sterk was, maar al deze pogingen stonden op zichzelf, zij verenigden zich niet tot een algemene, nationale, revolutionaire beweging. De reactionaire krachten konden ze daardoor gemakkelijk de een na de andere neerslaan en in juli 1849 was alles voorbij. De Duitse revolutie was half gestrand, half verzand, zij eindigde wel niet met het volledig herstel van de toestanden van voor 1848, maar evenmin met de totstandkoming van de Duitse eenheid en het bereiken van ruime burgerlijke vrijheid. Zo duurde een onbevredigende en onmogelijke toestand voort, onbevredigend en onmogelijk uit het oogpunt van de bourgeoisie, een toestand waaronder de bourgeoisie zich niet voldoende kon ontwikkelen, waaronder het kapitalisme niet snel kon vooruitgaan, zodat het van zelf weer komen moest tot nieuwe revolutionaire gebeurtenissen, tot opnieuw revolutionair optreden hetzij van de volken of van de regeringen.

* * *

Wij zijn nu de revolutie van 1848, althans in haar allergewichtigste trekken nagegaan. Mij rest nog de slotsom van het tot nu toe besprokene te trekken in de vorm van een ontleding van het gewichtigste strijdmiddel, dat in de periode, die wij tot nu toe hebben behandeld, werd gebruikt. Ik meen daarmee het beslissende middel, het strijdmiddel in kritieke momenten, het wapen, de methode, die in tijden van politieke crisis de beslissing had gebracht. Dat is geweest de gewapende opstand. Wij kunnen aan de hand van de analyse van Engels in zijn bekende voorrede bij het geschrift van Marx over de klassenworstelingen in Frankrijk, zowel als aan de hand van de onderzoekingen van Parvus in de Neue Zeit ons een duidelijke voorstelling van het wezen van die gewapende opstand maken, en goed leren inzien en dat goede inzicht is voor ons sociaaldemocraten van zeer veel belang waardoor dat middel in zekere omstandigheden, in een bepaalde periode, zoveel succes, zulke kolossale effecten heeft gehad, en waarom het in een latere periode niet meer geschikt was; waarom, zoals dat altijd gaat in de geschiedenis, zijn uitkomsten en de ontwikkeling van de maatschappij, waarvan die uitkomsten een van de factoren waren, er toe moesten voeren het onbruikbaar te maken.

De gewapende opstand van het volk, die zich richtte tegen het leger, het leger als de steunpilaar van het op dat ogenblik heersende regeerstelsel, streefde er niet naar en kon er niet naar streven dat leger te overwinnen, zoals in een oorlog tussen twee staten het ene leger het andere overwint. Het volk kon niet anders dan trachten het leger te doen aarzelen, te demoraliseren, zo mogelijk aan zijn zijde te brengen. Gelukte dit, dan had de opstand overwonnen. Wij zien dat in 1830 in de Junidagen, wij zien het in 1848 te Parijs en te Berlijn. Toen het opstandige volk er in geslaagd was het leger onzeker, onvast te maken, zodat de heersers er niet meer op konden vertrouwen, toen was de oude macht gebroken, toen had de revolutie overwonnen. Er komt bij, dat er in Frankrijk nog met een ander element rekening te houden viel, met de Nationale Garde, de burgerweer, die de rol vervulde van een schakel te zijn tussen volk en leger. Een opstand kon niet slagen wanneer de Nationale Garde niet aan de zijde van de opstandelingen was. In de Februaridagen van 1848 was de Nationale Garde met het volk tegen het leger, in juni 1848 was het andersom. De Nationale Garde, de kleinburgerij, de middenstand, was aan de zijde van de grootburgerij, streed met het leger tegen de arbeiders, en daarom waren de arbeiders verloren.

Iedere gewapende opstand liep, zoals ik reeds betoogd heb, in het nu behandelde tijdperk uit op een revolutionaire poging een heersende minderheid weer door een andere minderheid te vervangen. Het waren verschillende fracties van de bezittende klassen, van de adel en de bourgeoisie, die elkaar aan het staatsbestuur afwisselden. Maar om in die poging te kunnen slagen, had die minderheid de meerderheid, de brede volksmassa nodig. Zij kon slechts slagen met de hulp van de “volksklassen”, een term, die slechts vóór 1848 werkelijke inhoud heeft, dat is, voordat het proletariaat is opgetreden als zelfstandige klasse, met eigen aspiraties, die tegen die van alle andere klassen ingaan.

Bij het uitbreken van een revolutie was het volk doorgaans reeds lang in gisting, zoals wij gezien hebben in 1830 en in 1848. Het zat reeds lang stikvol grieven, er was sedert lang een revolutionaire stemming, een opgekropte gisting aan het toenemen, die zich uitte, al naarmate er enige vrijheid van beweging, van pers enz. was, in adressen, in petities, in banketten, in demonstraties, in manifestaties, in volksoplopen, en die ten laatste door een of andere aanleiding min of meer plotseling, min of meer onverwacht – ik heb u verteld hoe totaal onverwacht het in februari 1848 is geweest – uitbarstte in de knetterende salvo’s, in het grote vuurwerk van de revolutie.

Het gebied van de gewapende opstand was in hoofdzaak de hoofdstad. Het platteland, de grootte dode zee te midden waarvan de schaarse eilanden van de grootte steden uitstaken, nam – voor Frankrijk is dat zeer karakteristiek – daaraan zo goed als geen deel. Wanneer het eindelijk kwam tot zulke grote dagen van opstand, wat gebeurde er dan eigenlijk? Wij kunnen ons dat niet beter voorstellen dan door na te gaan wat er nu gebeurt bij een algemene werkstaking. Het normale leven hield op, het hield op voor de staat, voor de maatschappij, voor alle klassen. De arbeiders werkten niet meer, de fabrieken en werkplaatsen werden gesloten. Er werden geen zaken meer gedaan; op de beurs heerste paniek. De communicatiemiddelen raakten in de war. Een kolossale onrust maakte zich meester van alle klassen van de maatschappij. Alle kleine zorgen en belangen van het dagelijks leven geraakten op de achtergrond. De politieke belangstelling, de politieke opwinding beheerste alles. Men leefde nog slechts op straat, men leefde nog slechts in afwachting van de beslissende gebeurtenissen. Op alle straten, pleinen, markten, stonden opgewonden mensenmenigten opeengepakt. Zij vertelden elkaar de laatste tijdingen en geruchten, wonden elkaar op, vormden een soort van revolutionaire knooppunten. Voor de heersende macht was het van het uiterste belang die revolutionaire knooppunten te breken, de arbeiders en kleinburgers weer terug te drijven in de fabrieken, werkplaatsen en winkels, ieder weerom te brengen op de plaats waar hij in de maatschappij hoorde, de mensen die niet meer wilden lopen in het gareel van het dagelijks leven, er weer in te spannen, en heel dat leven weer in het oude spoor te dwingen. Het was van het grootste belang die volksoplopen, die opeenhopingen te verstrooien, kort gezegd, de rust, de orde weer te herstellen. Dat moest, daar de politie tegen die kolossale menigten geen werkelijke macht meer kon uitoefenen, het leger doen. En de barricade ontstond instinctief, uit de dubbele behoefte van de volksklassen in zulke dagen van uiterste politieke opwinding, ten eerste aan organisatie en ten tweede aan beschutting tegen het leger. Aan organisatie, want wij moeten niet vergeten – het is een zeer belangrijk punt – dat de klassen die tot en met 1848 de revoluties van de bourgeoisie hebben gemaakt en samengingen tegen de machten van het verleden, niet of zo goed als niet georganiseerd waren. Een zeer klein deel van de kleinburgerij en van het proletariaat was georganiseerd, en had zijn politieke opvoeding gekregen in de geheime genootschappen, maar het feit dat er geen openbaar politiek leven bestond, dat nergens de burgerlijke rechten nog verworven waren, maakte een middel nodig, dat aan de plotselinge behoefte van de massa aan organisatie voldeed. Zulk een middel was de barricade. De barricade was het verbindende middel, het organisatiemiddel van de ongeorganiseerde volksklassen in de revolutiedagen. Het was ook het middel om de revolutionaire krachten op te wekken. Iedere revolutie had om zich voluit te ontplooien tijd nodig. Welnu, het straatoproer, de barricadegevechten hielpen die tijd te winnen. Wanneer de mensen in de achterbuurten, in de volkswijken, in Montmartre en de andere faubourgs van Parijs hoorden, dat de barricaden weer verrezen, dan was het als het ware of de rode vlag werd uitgehangen. Dat was het sein, dat was de proclamatie van de revolutionaire toestand. Ten tweede was, zoals ik zei, de barricade, en dat spreekt van zelf, ik behoef daarop niet in te gaan, een noodzakelijke beschutting en bescherming tegen de pogingen van het leger, de massa’s uiteen te drijven, en wanneer het juist door middel van de barricaden, lukte dat leger aan het weifelen te brengen en uit te putten – en hoe langer de opstand duurde, hoe langer het duurde voor het volk bepaald geslagen was, des te beter werden zijn kansen – wanneer het lukte de soldaten te demoraliseren, dan had de opstand gemakkelijk spel. De barricade werkte dus ook in de tijden van de grootste bloei van de gewapende opstand, toch feitelijk altijd meer moreel dan materieel.

Het is gemakkelijk de oorzaken te doorgronden, die sedert 1848 de kansen van de gewapende opstand hoe langer hoe meer hebben verminderd. Die oorzaken zijn van zeer verschillende natuur. Ten dele van technische. De grote vooruitgang in de draagkracht, in het schietvermogen van de vuurwapenen, in de vernielingskracht van de moderne geweren en kanonnen maken dat het volk, natuurlijk altijd onvoldoende gewapend, tegenover het leger zo goed als machteloos is geworden. Daar komt bij dat voor elk van de moderne vuurwapens een bijzonder soort ammunitie, een bijzonder soort patronen nodig is, terwijl vroeger de massa zich door het smelten van lood zelf patronen kon verschaffen. Een belangrijke factor is ook de verbouwing van de moderne steden, het optrekken van nieuwe wijken met brede, rechte straten, terwijl juist de oude stadswijken, die ten dele nog zoveel van het middeleeuws karakter hadden bewaard, door hun vele steegjes, sloppen, pleintjes en gangen aan de opstandelingen zeer goede kansen boden. Tenslotte moet onder de technische veranderingen nog genoemd worden het snelle vervoer van de troepen, mogelijk geworden door de moderne verkeersmiddelen, waardoor het mogelijk is binnen 24 uur een kolossale troepenmacht overal waar men wil samen te trekken.

Daarbij komt dan de belangrijke factor van het veranderde karakter van het leger. Voor 1848, en de nu volgende opmerkingen gelden ten dele ook nog voor de tijd tot 1871, was de algemene weerplicht nergens ingevoerd. De legers waren betrekkelijk klein, zij bestonden uit beroepssoldaten. Oppervlakkig zou men dus zeggen dat zij een groter tegenstelling tot het volk vormden, dan de uit de algemene dienstplicht voortgekomen legers, maar in de rijen van die beroepssoldaten heerste dikwijls zeer grote ontevredenheid. Daarenboven zag het leger in het volk, zolang dit niet in verschillende klassen was uiteengevallen, zijn vrienden, zijn kameraden, zijn familie, zijn bloedverwanten. Het had ontzag voor het volk, het had er sympathie voor; het aarzelde in hoge mate om op dat volk te schieten. Het werd dikwijls reeds door uitroepen overgehaald de zijde van het volk te kiezen. De algemene weerplicht maakte ten eerste de legers zeer veel groter en verminderde reeds daardoor de kansen van de gewapende opstand. Maar vooral, het op de voorgrond komen van de proletarische klassenstrijd, het zich verzelfstandigen van het proletariaat als een klasse met eigen organisatie, plaatste dat proletariaat, zoals de Commune geleerd heeft, in een geheel andere positie, een geheel andere verhouding tegenover het leger. Het leger bestond lange tijd overal voor het grootste deel uit mensen van het platteland, uit boerenzonen. [Het hier gezegde geldt niet voor Groot-Brittannië, dat een van die van het vasteland van Europa geheel afwijkende legerorganisatie heeft bewaard.] De revolutie centraliseerde zich in de steden. De revolutionaire beweging van het proletariaat was aanvankelijk nog slechts in de steden ver genoeg gevorderd om tot grote uitbarstingen van de klassenstrijd te leiden. Zo hadden de heersers vrij spel de grote tegenstelling van denken, van opvattingen, en tot op zekere hoogte van belangen, die er tussen arbeiders en boeren bestond, te gebruiken om het leger tegen de arbeiders op te hitsen. De Commune van 1871 leerde hoe gemakkelijk dat was, hoe het leger zich daartoe liet gebruiken, hoe men het wijs kon maken dat achter de barricaden zich slechts boosdoeners, gepeupel, oproerlingen, misdadigers, kortom het schuim van de mensheid bevonden.

Zo werkte de ontwikkeling steeds meer in de lijn, de oude tactiek, de tactiek van geheime organisatie van een kleine minderheid en gewelddadige botsing tussen leger en volk, steeds meer onmogelijk te maken en tevens overbodig, omdat de nieuwe verhoudingen, die ontstonden door en met de volledige overwinning van de bourgeoisie, de noodzaak meebracht aan het proletariaat politieke burgerlijke rechten te geven. Zo ontstond het grote nieuwe brede strijdperk van de klassenstrijd in wettelijke vormen, waarin na 1848 steeds meer de proletarische klassenstrijd zich voltrekt.

Met het jaar 1850 is een revolutionair tijdperk afgesloten. Het is duidelijk geworden dat de burgerlijke revolutie niet in de proletarische kan omslaan. De economische verhoudingen zijn daartoe niet rijp. De kapitalistische ontwikkeling is op het vasteland van Europa nergens genoeg gevorderd. Zij bevindt zich nog pas in haar windselen. Het proletariaat is evenmin rijp. Het is nog even klein in aantal als onbewust, en zwak in organisatie. Een nieuwe bloeitijd van het kapitalisme, een nieuwe kapitalistische expansie begint, gepaard gaande met een tijdperk van politieke reactie. In geheel West-Europa, vooral in Frankrijk, Duitsland, België, ontwikkelt de grootindustrie, ontwikkelt het moderne kapitalisme zich snel. Gedurende een zeker aantal jaren, ongeveer vijftien jaar lang, is van een proletarische beweging, behalve in Engeland waar de trade-unions voortgaan te groeien, niets meer te bemerken. De bourgeoisie heeft rust. De binnenlandse vijand is overwonnen. Zij kan zich ongestoord wijden aan de kapitaalvorming en aan de bevestiging van haar macht. De socialistische, de communistische ideeën, die vanaf 1840 tot 1849 zulk een kolossale invloed op het proletariaat hebben uitgeoefend, schijnen verzwolgen. Het spook van het communisme, waarvan het Communistisch Manifest kon getuigen, dat alle machten van het oude Europa zich daartegen hadden verbonden, schijnt van de aarde weggevaagd. Maar dit alles is schijn. In die periode van schijndood gaart het proletariaat nieuwe krachten en de snelle vlucht van de industrie, de snelle ontwikkeling van het kapitalisme doet de voorwaarden ontstaan tot een nieuwe sterke opleving van de proletarische klassenstrijd. De revolutie van onderen schijnt dood, maar een tijdperk begint van revoluties van boven. Want nog is de algemene burgerlijke revolutie, de grote klassenstrijd van de West-Europese bourgeoisie om de staatsmacht, niet afgesloten. Nog ontbreekt iets aan de bourgeoisie tot volle ontplooiing en bevestiging van haar macht. In verschillende grootte landen ontbreekt haar nog de nationale zelfstandigheid en eenheid. Het tijdperk van 1850 tot 1871, het laatste tijdperk, kan men zeggen van de burgerlijke revolutie, is het tijdperk waarin die eenheid en die zelfstandigheid volledig worden bereikt; bereikt door middel van de oorlogen van Napoleon III, in naam ter bevrijding van Italië ondernomen, in waarheid met het doel zijn positie te versterken en nieuw gebied voor Frankrijk te veroveren; bereikt verder door de Duits-Oostenrijkse oorlog van 1866, en tenslotte bekroond door de Duits-Franse oorlog van 1871, waaruit Duitsland als een geweldig, machtig continentaal rijk te voorschijn komt. De uitkomst voor het proletariaat van deze laatste periode van de burgerlijke revolutionaire ontwikkeling, die de macht van de bourgeoisie tevens voor lange jaren bevestigt, is het rijpen van de voorwaarden tot de strijd van het proletariaat in wettelijke politieke vormen, d.w.z. georganiseerd als politieke, nationale partijen, dus ook binnen nationale grenzen.

Aan de aanvang van die periode, in 1850, staat het proletariaat, behalve schijnbaar in Frankrijk, geheel ontbloot van de grondslag van de brede, algemene politieke rechten. Geen kiesrecht, geen verenigingsrecht, geen vergaderrecht, geen vrijheid van drukpers, enz. Aan het einde van deze periode, na 1871, is overal in de voornaamste landen een nog min of meer smalle, maar toch vaste basis voor het uitoefenen van politieke actie gewonnen. In verschillende landen, in Engeland, in Duitsland, in Frankrijk, in Zwitserland, zijn bepaalde bijzondere rechten door het proletariaat veroverd, en reeds het feit dat het proletariaat zich nu nationaal moet organiseren en nationaal moet strijden, en dat die strijd zich in de verschillende landen op een bijzondere historische grondslag afspeelt, moet leiden tot nationale verzelfstandiging van de strijd en moet er tevens toe leiden dat gedurende enige tijd de economische strijd van het proletariaat op de achtergrond treedt bij de politieke. Zo ziet dit tijdperk de grote vormen opkomen van de proletarische klassenstrijd zoals wij hem kennen, als politiek-parlementaire strijd en vakbeweging. Maar zoals ik zei, nog slechts opkomen. Het allerbelangrijkste strijdmiddel van de volgende periode, van de jaren na 1871, de politiek-parlementaire actie, is nog slechts in kiem geboren. De verhoudingen zijn er nog niet voor, zij worden er nog slechts voor rijp. Welnu, de organisatie, die in die jaren van overgang de grootte moederschoot is geweest, waaruit de nationale organisaties van het proletariaat opkwamen, het gemeenschappelijk nest waarin al die vele, eerst nog kleine en tere sociaaldemocratische nationale arbeiderspartijen zijn uitgebroed, die wij in een later tijdperk zullen ontmoeten, dat is de Internationale. Als zodanig moeten wij de Internationale beschouwen. Zij is de historische vorm van de nationale Europese arbeidersbeweging in het tijdperk dat die arbeidersbeweging begon, maar ook nog slechts begon rijp te worden voor de economische, maar vooral voor de politieke strijd, dat die beweging overal nog te zwak was om zelfstandig te ageren, dat de proletariërs van alle landen en de proletarische organisaties van alle landen nodig hadden elkaar voortdurend aan te moedigen en te steunen, en zij, de Internationale, heeft krachtig meegewerkt om dat tijdperk te verkorten, om de voorwaarden te scheppen tot de internationale strijd in nationale vormen, zoals de moderne sociaaldemocratie die voert.

De legende, die zoals alle grote historische gebeurtenissen, ook het ontstaan en de geschiedenis van de Internationale begint op te smukken, brengt haar geboorte in verband met de wereldtentoonstelling te Londen in 1861, en de onderdrukking van de Poolse opstand in het jaar daarna. Deze gebeurtenissen waren ongetwijfeld uiterlijke aanleidingen tot het tot stand komen van een internationale arbeidersassociatie, maar ook niet meer. De eigenlijke oorzaak daartoe lag veel dieper. Die oorzaak was, zoals ik zei, de algemene behoefte van de beginnende proletarische organisatie, die na een tijdperk van donkere reactie weer een weinig begon op te komen, aan onderlinge vereniging en wederzijdse steun, en het was aanvankelijk vooral het Engelse proletariaat, dat wij in latere jaren nu juist niet als bij uitstek internationaal gezind hebben leren kennen, waarin de behoefte aan internationale verstandhouding het sterkst opkwam. Hoe kwam dat? Het kapitalisme had na 1850 op het vasteland van Europa grote vorderingen gemaakt en door die vorderingen werd reeds enigermate de opperheerschappij van Engeland op de wereldmarkt bedreigd. In verschillende Europese landen met hun veel lagere lonen en lagere proletarische levensstandaard, met hun totaal gemis aan proletarische organisatie, begon een gevaarlijke concurrent op te komen voor de Engelse industrie, en de Engelse arbeiders voelden dat. In sommige vakken en in sommige bedrijven deden zich de gevolgen van die concurrentie van het vasteland al als werkloosheid en ellende gevoelen en vooral bij stakingen begonnen de Engelse kapitalisten reeds, het later zo ontelbare malen toegepaste wapen te gebruiken van het invoeren van vreemde loondrukkers. [In onze dagen zijn de blaadjes omgekeerd: Engelse onderkruipers worden nu vaak bij havenarbeiderstaking bv., naar het vasteland gebracht.] Dat was de eerste reden waarom de Engelse trade-union-wereld het plan van een internationale verstandhouding met veel geestdrift aanvaardde en in de Internationale aanvankelijk een leidende rol speelde. De tweede oorzaak was de bijzondere positie waarin de trade-unions zich juist in die jaren bevonden. De voornaamste van hun werden toen geleid door een klein aantal energieke en begaafde mannen, wier namen aan velen bekend zullen zijn uit Webbs geschiedenis van de trade-unionbeweging, mannen als Allan, Applegarth, Odger, die een zeer grote invloed hadden in het trade-unionisme van hun tijd. De trade-unions van die dagen hadden nog geen vaste rechtsgrond onder de voeten, zij bezaten geen welomschreven wettelijke positie en dit feit maakte het voor de kapitalisten gemakkelijk, ze met behulp van de wetgeving, door rechterlijke uitspraken, te bestrijden en dikwijls zeer sterk in het nauw te brengen. Deze toestand nu deed bij de mannen, die ik zo-even genoemd heb, en die zulk een grote rol in de Internationale speelden, de wens opkomen een politieke beweging te hebben en die in dienst van de verovering van een gunstigere rechtspositie voor de trade-unions te stellen. Daartoe behoefden de Engelse arbeiders natuurlijk het kiesrecht. Zo kwam het dat de Londense trade-unionisten van die tijd en vooral de plaatselijke Londense organisatie van die jaren, de Londense bestuurdersbond om zo te zeggen, die een leidende rol speelde in de Engelse arbeidersbeweging, in het begin van de jaren zestig hard werkte voor een grootte kiesrechtbeweging onder het Engelse proletariaat.

Maar al die verschillende aspiraties naar verstandhouding en vereniging, die onder het proletariaat vooral van Engeland en verder ook van Frankrijk en van Zwitserland leefden, zouden nauwelijks enige of althans zeker bij lange na niet de machtige gevolgen hebben gehad, die zij hadden, wanneer zij niet in Marx hadden gevonden de geweldige geestelijke kracht om al die nog vage begeerten en aspiraties samen te binden en in goede richting te leiden. Marx werd reeds dadelijk bij de oprichting in St. Martins Hall te Londen de 28ste september 1863 gehouden, in de commissie tot opstelling van een openingsadres en van de statuten van de Internationale gekozen, en hij heeft vanaf dat ogenblik gedurende bijna negen jaar een zeer groot deel van zijn gaven en zijn werkkracht aan de Internationale besteed. Hij alleen overzag door zijn enorme historische kennis om zo te zeggen de gehele Europese arbeidersbeweging, hij kende haar oorsprongen, hij had haar doel begrepen lang eer zij dit zelf wist, hij begreep wat die beweging moest worden, wat zij moest zijn ook in tegenstelling tot de communistische beweging van 1848. In het Inaugureel Adres, het openingsadres, door Marx opgesteld, en dat op het eerste congres van de Internationale werd aangenomen, vinden wij magnifiek uitgedrukt het bijzondere, het onderscheidende wat op dat ogenblik, in de gegeven verhoudingen, de Europese arbeidersbeweging nodig had, wat haar verder kon brengen, het onderscheidende vergeleken bij 1848. In het Communistisch Manifest roept Marx als het ware de gehele geschiedenis voor ons op om aan haar verloop de rol en de taak van de proletarische klasse te demonstreren; in het Inaugureel Adres vergenoegt hij zich met het beschrijven, met het nagaan in dorre feiten van de gebeurtenissen van de laatste halve eeuw. Aan de hand van een aantal officiële bescheiden maakt hij de kolossale vlucht van het Engelse kapitalisme aanschouwelijk, op kleinere schaal in Europa herhaald, en laat dan zien hoe ondanks die geweldige vlucht de Engelse arbeidersklasse niets verder is gekomen, niets heeft gewonnen. Hij begreep dat het op dat ogenblik de tijd niet was tot wederoprichting van een soort socialistische propagandaclub naar het model van die Communistenbond, welke aan de vooravond van een Europese revolutie zich gereed had gemaakt te midden van de gistende scharen van de Europese proletariërs voor de doeleinden van het communisme te werken, maar dat het hier gold een massabeweging te scheppen, een massabeweging, weliswaar bestaande uit nog zeer ongelijke, zeer onbewuste, zeer onzekere elementen; een die zelf haar weg moest vinden en banen en die door de daad, door overwinningen en nederlagen tot grotere helderheid moest komen. Wie zich ooit heeft laten verleiden om Marx te beschuldigen van dogmatische neigingen, wie ooit in Marx een starre dogmaticus heeft gezien, laat hij toch vooral de geschriften en in het algemeen de werkzaamheid van Marx voor en in de Internationale bestuderen. Hij zal daarbij tot geheel andere gedachten komen. Hij zal zien niet alleen welk een geweldig geniaal denker, maar ook welk een groot tacticus Marx is geweest.

Zo was dus het karakter van het openingsadres. Ons rest nu ook nog het karakter van de statuten en van de organisatie van de Internationale iets nader te beschouwen. Die organisatie moest natuurlijk waar de elementen die haar vormden nog zo weinig geschoold waren, betrekkelijk straf en gecentraliseerd zijn, aan de Generale Raad, het centraal bestuur van de associatie moest een zekere speling overgelaten worden, zodat zijn energie en initiatief zich kon ontplooien. Hij moest een geheel ander, een veel meer besturend karakter dragen dan bv. in onze dagen het Int. Soc. Bureau te Brussel. Maar aan de andere kant, met betrekking tot de elementen die zij omvatte, moest de organisatie zeer buigzaam en inschikkelijk zijn. Wij moeten vooral niet vergelen dat het in het minst geen vaste sociaaldemocratische elementen, sociaaldemocratische partijen of met de geest van de moderne vakbeweging vervulde organisaties waren, die het materiaal vormden dat Marx in de Internationale wilde verenigen. Zulke organisaties kon hij niet verenigen, want zij bestonden nog niet. Zij moesten gecreëerd worden, en zij konden alleen gemaakt worden door vereniging en door actie. Marx wilde samen brengen al datgene – en zeer weinig was het nog – wat er reeds aan arbeidersbeweging bestond en tevens wilde hij die arbeidersbeweging trachten te leiden in de banen van de klassenstrijd, met het socialisme als einddoel. Dat was zijn doel en dat is hem in zekeren zin, ofschoon niet precies op de wijze waarop hij het zich voorstelde, in die jaren uitstekend gelukt. Bij de ondergang van de Internationale was de arbeidersklasse in een aantal landen geheel anders geworden, had zij veel meer inzicht, veel meer rijpheid verworven, was zij rijp geworden om de klassenstrijd nationaal, in nationale partijen georganiseerd te voeren, met hooghouding van het algemene begrip van de internationaliteit.

De eigenlijke geschiedenis van de Internationale kunnen wij natuurlijk hier niet nagaan. Genoeg zij het te zeggen dat zij reeds zeer spoedig na haar stichting even grote ontsteltenis te voorschijn riep onder de Europese regeringen en de heersende klassen als opwekking en bezieling onder de proletariërs. Voor de heersende klassen heeft de Internationale altijd iets geweldig geheimzinnigs en verschrikkelijk gehad. Zij hadden de mening dat die organisatie over veel groter werkelijke macht beschikte dan het geval was. Werkelijke macht, bv. om één ding te noemen financiële macht. Terwijl, zoals Marx het humoristisch uitdrukte, in waarheid de financiën van de Internationale gedurende de gehele duur van haar bestaan steeds meer werden tot negatieve grootheden, meenden de regeringen, en men vond daarvan telkens prachtige staaltjes in de op sensatienieuws beluste burgerlijke pers, dat de kas van de Internationale over miljoenen en miljoenen beschikte.

Het was voornamelijk het optreden van het proletariaat als internationale macht, dat de bourgeoisie zozeer ontstelde en in de war bracht. Dat was iets wat zij absoluut niet gewend was, wat nog nimmer was vertoond. De burgerlijke klassen van verschillende landen leefden in voortdurende economische oorlog, in verwoede strijd om markten met elkaar en zij moesten haar wel vreemd, onbegrijpelijk vinden, die macht welke van een centrale plaats geleid, zich over een gehele schaar van moderne landen uitstrekte.

Wat er daarbij nog toe bijdroeg de revolutionairen glans die de Internationale omgaf in de ogen van de bourgeoisie onheilspellender en schitterender te maken, was het feit dat met haar optreden op het Europese vasteland de eerste grootte stakingen samengingen. Deze zouden zonder de Internationale evengoed gekomen zijn. Het kapitalisme breidde zich geweldig uit in Frankrijk, België, Duitsland, overal, en deze uitbreiding had natuurlijk werkstakingen tot gevolg, maar de Internationale speelde daarbij een gewichtige rol. Bij alle grote loonstrijden, van die jaren, was het de Internationale die steun en raad gaf, geldmiddelen bijeenbracht, ijverde tegen het zenden van onderkruipers enz. Er bestond toen op het vasteland van Europa nog geen vakbeweging van belang, en de bestaande vakverenigingen waren nergens nog internationaal met elkaar in verstandhouding getreden. Aan de Internationale viel derhalve zowel de taak ten deel, die op dit ogenblik het Internationaal Socialistisch Bureau van Brussel vervult als die, welke thans de verschillende internationale vakbonden en hun secretariaten vervullen. Zij hielp overal de strijdende arbeiders, het eerst op grootte schaal bij een staking van de bronsarbeiders in 1867 te Parijs, die bijna 4000 man omvatte. In 1869 waren het de Belgische mijnarbeiders, die op hun beurt in beweging kwamen, gewekt door de Internationale. Deze in ellendige toestanden levende proletariërs kwamen voor de eerste maal in verzet tegen een afschuwelijke uitbuiting en dit verzet droeg nog zeer ruwe vormen. Gedurende de staking kwam het tot bloedbaden in Seraing en Charleroi. De heersende klasse in België ging vreselijk te keer. De stakers werden als oproerlingen behandeld. Het was wederom de Internationale, die na afloop van de strijd, zorgde voor geldmiddelen om de slachtoffers te hulp te komen en aan de beschuldigde arbeiders juridische bijstand bezorgde. Het was de Internationale, die dooreen kolossale agitatie de politieke achtergrond van de strijd in helder licht stelde en openbaar maakte hoe de Belgische ministers zelf grootaandeelhouders in de mijnen waren geweest.

En ook bij de grote stakingen die enige tijd later in Zwitserland losbarstten, was het weer de Internationale, niet die ze aanstookte natuurlijk, zoals de bourgeoisie beweerde, maar die de arbeiders steun gaf en leiding. Zij was het ook die overal waar een begin opkwam van zelfstandige politieke actie van de arbeiders, de leiding van de beweging op zich nam. Dat was voorlopig nog maar alleen in Engeland het geval. Daar vond in de jaren 1866 en 1867 een vrij sterke beweging plaats voor kiesrechthervorming, niet voor algemeen kiesrecht, minder revolutionair dus dan het chartisme, maar voor huismanskiesrecht, dus in dat opzicht overeenkomende met onze antirevolutionairen, met Talma en die broeders. Zo zijn de tijden veranderd. Het was de Internationale, die de leiding ook van die beweging in handen had, die er revolutionair vuur achter zette. Vanaf 1864 heerste opnieuw een economische crisis, en deze omstandigheid kwam aan de uitbreiding van de Internationale natuurlijk ten goede. In 1867 werd onder de druk van de groeiende agitatie de kiesrechthervorming afgekondigd, die aan de Engelse arbeiders in de steden het voornaamste politieke recht toekende.

Ons rest nu nog na te gaan de krachten die tot de ontbinding en de val van de Internationale hebben gevoerd. Gij zult allen in verband daarmee wel eens gehoord hebben de naam van Bakoenin, een Rus, reeds bekend uit de revolutie van 1848, die zich opwierp als leider van alle desorganiserende, anarchistische elementen en deze, die vooral uit de kleinburgers van de Zwitserse Jura en de arbeiders van de politiek-achterlijke Romaanse landen (Italië, Spanje en Portugal) bestonden, om zich wist te scharen. Wij kunnen de beschrijving van de woelingen en twisten, die tot de desorganisatie van de Internationale voerden, stilzwijgend voorbijgaan, want de wijze waarop de anarchisten werken om een bloeiende beweging te desorganiseren, is sedert die dagen nog niet veel veranderd en althans al degenen, die in de Hollandse en speciaal de Amsterdamse beweging min of meer zijn werkzaam geweest, kunnen zich de wijze waarop Bakoenin en zijn aanhangers te werk gingen, levendig voorstellen. Ik wil er in het kort op wijzen wat het hem mogelijk maakte de Internationale zo te desorganiseren. Er waren natuurlijk omstandigheden die de ontbinding van de Internationale in de hand werkten, die maakten dat het anarchisme sterke vat op een deel van de in haar verenigde arbeiders kon krijgen, anders had Bakoenin er niet in kunnen slagen de kiemen van bederf zo zeer in haar lichaam te laten doordringen. Hij en zijn aanhangers trachtten eerst het vraagstuk van de politieke actie op zichzelf tot een twistappel te maken, de vraag, zou de arbeidersbeweging ja dan neen aan politieke actie doen. Tevens poogden zij de leiding van de Internationale, de meerderheid in de Generale Raad in handen te krijgen. Toen hun dit niet lukte richtten zij er al hun krachten op, het centraal bestuur tot een eenvoudige brievenbus te degraderen, daaraan alle gezag te ontnemen. De wijze, waarop zij te werk gingen bestond in de oprichting van een soort van half geheime, half openbare organisatie, de “Alliantie van het democratisch socialisme”, zoals de naam luidde, een verbond, dat half in en half buiten de Internationale stond en waarin alle aanhangers van Bakoenin, alle desorganiserende elementen samenwerkten. Aanvankelijk alleen zetelend in Frans-Zwitserland, breidde dit verbond zich langzamerhand uit in alle romaanse landen, in Frankrijk, in Italië, in Spanje, kreeg eindelijk zelfs in Engeland vaste voet en eindigde de kiem van desorganisatie te planten in het hart van de Internationale, in de Generale Raad zelf. Het al dan niet doen aan politieke actie werd tot een eeuwige twistappel tussen de soc.-dem. en de anarchistische richting. Omdat Marx en zijn vrienden de Internationale hoe langer hoe beslister brachten op de weg van de politieke actie, en dit naargelang de politieke actie in een groter aantal landen mogelijk werd, beschuldigden Bakoenin en zijn aanhangers Marx van het willen uitoefenen van de dictatuur en natuurlijk, met die beschuldiging wisten zij in de rijen van de talrijke arbeiders, die pas kort geleden tot organisatie waren gekomen, die het wezen van de proletarische klassenstrijd nog absoluut niet helder doorzagen, gemakkelijk het zaad van het wantrouwen te strooien.

De Internationale was, laat ons dat altijd in het oog houden, een totaal ongeschoolde beweging, een beweging van ongeschoolden. In de enkele jaren van haar bestaan, vooral sedert het congres 1866 te Genève, was zij geweldig gegroeid. Wij bezitten over haar groei geen geloofwaardige cijfers, maar in België bv. rekende men kort na de mijnwerkersstakingen en de opstootjes, waarbij de Internationale zulk een grote propaganda had gemaakt, dat een tijd lang meer dan 64.000 arbeiders tot haar behoorden. Het Belgische proletariaat stond nog op een zeer laag peil en die arbeiders waren allemaal nog geheel ongeoefende rekruten in de klassenstrijd. Dat gold in nog sterkere mate voor andere landen, zoals Spanje en Italië, waar nog geen modern proletariaat bestond, ook voor Zwitserland, waar in de steden arbeiders van allerlei naties een woelige, onrustige massa vormden en ook voor Frankrijk, waar de kleinburgerlijke leringen van Proudhon, zijn stelsel dat tracht het proletariaat en bourgeoisie te verzoenen, dat in het kapitalisme zelf de nadelige gevolgen van het kapitalisme voor de arbeidersklasse opheffen wil, een noodlottige invloed op de vooruitstrevende arbeiders had gewonnen.

Dat stelsel, zo utopisch, zo onlogisch, zo kleinburgerlijk in zijn wezen, werd vol geestdrift aangehangen juist door degenen onder de Franse arbeiders, die een gewichtige rol speelden in de Internationale. Wanneer men de geschiedenis leest van de congressen van de Associatie, dan ziet men dat het telkens weer de Fransen zijn die zich verzetten tegen de duidelijk en heldere beginselen van de klassenstrijd formulerende stellingen en moties, de nota’s en resoluties, die door Marx en zijn vrienden waren opgesteld. Het zijn altijd weer de Fransen die met vage, onbenullige proudhonistische meningen en resoluties daartegenover komen te staan. Wij zullen later nagaan welke sociaal-politieke oorzaken in Frankrijk tot de grote opgang voerden van de ideeën van Proudhon: dit behoort echter bij de behandeling van de proletarische klassenstrijd in dat land in de jaren 1849-71.

Zo zag dus in waarheid de Internationale eruit; zo stonden de elementen die haar vormden, op zeer verschillende hoogten van ontwikkeling. Daar kwam bij, dat juist in de jaren na 1866, ten gevolge van de Duits-Oostenrijkse en de Duits-Franse oorlog, in verschillende landen aan het proletariaat hoe langer hoe meer een veld van politieke actie werd ingeruimd. Dit maakte het meer zelfstandig strijden van elk nationaal proletariaat noodzakelijk. Waren er geen desorganiserende krachten in de Internationale aanwezig geweest, ware het proletariaat reeds tot een hogere mate van klassenbewustzijn gestegen – maar in zekere zin is het natuurlijk dwaasheid zo te spreken, want het kon niet tot een hoger mate van klassenbewustzijn gestegen zijn op dat ogenblik – dan was het mogelijk geweest dat die differentiering, dat losser worden van de banden tussen de verschillende nationale delen waaruit de Associatie bestond, in vrede en vriendschap zich had kunnen afspelen, dat de Internationale allengs, naarmate de omstandigheden dit nodig maakten, was overgegaan tot de vorm van internationale organisatie, zoals wij die op het ogenblik kennen in het Internationaal Socialistisch Bureau. Dat was echter onmogelijk. Juist door de onbewustheid van de arbeiders en door de goede kans, die deze aan de anarchistische en desorganiserende ideeën boden, kon de ontbinding, de ondergang van de Internationale zich niet direct en pijnloos voltrekken, niet de vorm aannemen van het opklimmen tot een hogere graad, maar moest zij plaats vinden door de groei van de tegenstrijdige krachten in het lichaam van de Internationale zelf, zolang tot deze uit elkaar sprong. De nationale neigingen en krachten in elk proletariaat aanwezig, behaalden nog eenmaal de overwinning. Daar kwam bij dat de vakstrijd, die het proletariaat van de verschillende landen zeer gemakkelijk had verenigd ook al waren zijn politieke omstandigheden nog zo verschillend, minder op de voorgrond begon te treden, terwijl de politiek-parlementaire actie in Engeland, in Zwitserland en tenslotte ook in Duitsland steeds gewichtiger werd. Het proclameren van de politieke strijd als noodzakelijk voor het proletariaat, wat eerst door de Internationale meer in theorie gedaan was, omdat een veld voor praktische toepassing nog niet bestond, werd steeds meer praktische eis. Die eis moest naar voren gebracht worden en daardoor kwamen ook de geschillen op de voorgrond en kregen de desorganiserende krachten vrijer spel.

In 1872 op het congres van Den Haag kwam het tot de ontbinding van de Internationale. Het gelukte Marx en zijn medestrijders de royering van Bakoenin en een van zijn voornaamste medestanders, Guillaume, te doen besluiten; daarenboven nam het congres nog een motie aan waarin het zich zeer sterk voor de politieke, parlementaire strijd uitsprak. Zo was duidelijk gemaakt dat de anarchistische woelwaters en doordrijvers een minderheid vormden, dat ondanks alles de meerderheid van de in de Internationale verenigde proletarische elementen zich tot de banen van de sociaaldemocratie bewoog. Marx en zijn vrienden meenden dat daarmee op dit ogenblik de taak van de Internationale was afgedaan. Het was kort na de Parijse Commune, waarover wij een nog uitvoeriger zullen spreken, en wier val voor de Internationale tot gevolg had een tijdperk van algemene felle vervolging.

Na de ondergang van de Commune was het uitgesloten dat het binnenkort weer tot een grote revolutionaire uitbarsting van het proletariaat zou komen. De weg die het proletariaat gaan moest, lag klaar en duidelijk voor hem: het was de weg van nationale politieke partijvorming en politieke klassenstrijd op nationale grondslag. Een internationaal centraal punt, een centraal bestuur, dat de politieke strijd van de arbeiders leidde was daardoor tijdelijk overbodig geworden, overbodig zo lang de nationale neigingen en belangen van het proletariaat over de internationale de boventoon voerden. Marx en zijn vrienden bezorgden aan de Internationale een schone dood door haar niet op te heffen, maar de Centrale Raad te verplaatsen naar New York, waar hij onderging, onzichtbaar voor de ogen van de Europese proletariërs, ongeveer zoals men wel in oude legenden leest, dat een of andere proleet of held niet sterft, maar door een engel of Walkure ten hemel gedragen wordt.

En zo had de arbeidersbeweging omstreeks 1870 een punt bereikt waar zij een poos lang zich voornamelijk in nationale vormen moest bewegen. Daarmee was reeds een aanvang gemaakt in een land, waarheen na de oorlog van 1871 het zwaartepunt van de proletarische beweging was verlegd. Dat land was Duitsland. Het Duitse proletariaat had gedurende de Internationale reeds een belangrijk eigen stuk proletarische geschiedenis gemaakt. Het was bestemd het eerste met vaste stap voort te schrijden op de nieuwe banen waarlangs het proletariaat van alle landen het lange jaren zou volgen. De volgende keer zullen wij met de beschrijving van die nieuwe banen een begin maken.

Derde voordracht
De Duitse en Franse arbeidersbeweging tot 1871
De Commune en haar gevolgen
De crisis en stagnatie van de jaren tachtig

Toehoorsters en toehoorders!
Wij zullen vanavond beginnen de Duitse arbeidersbeweging tot 1870, tot aan de Frans-Duitse oorlog, nader te beschouwen. Ik heb er al met een enkel woord op gewezen hoe in dat tijdperk in Duitsland reeds het gebruik van de voornaamste strijdmiddelen van het proletariaat: de vakbeweging, maar vooral de politieke partijvorming en politieke actie, begon op te komen en aan kracht te winnen, die beide voorname strijdmiddelen, welke pas in een volgend tijdperk, pas in het tijdperk 1870-1889 algemeen door het proletariaat van verschillende landen werden gebruikt. De man, die het Duitse proletariaat het eerst wakker maakte en organiseerde en met wiens naam de geschiedenis van de Duitse arbeidersbeweging in die jaren innig vervlochten is, is Lassalle, die als praktisch strijder even grote, even onsterfelijke verdiensten heeft voor de bijzondere beweging en organisatie van de Duitse arbeidersklasse als Marx voor die van het internationale proletariaat.

In welke toestand, in welk stadium van ontwikkeling trof Lassalle dat proletariaat aan? Hoe waren de maatschappelijke verhoudingen in de tijd dat hij de eerste sociaaldemocratische partij – want dat was feitelijk de Algemene Duitse Arbeidersvereniging – stichtte?

Na 1848 was ook in Duitsland de grote golf van industriële ontwikkeling gekomen. Duitsland begon plaats te nemen in de rij van de grootindustrieel ontwikkelde landen, maar het begon dit nog slechts. De industriële revolutie was nog niet ver gevorderd. Nog was landbouw het voornaamste bedrijf. In Pruisen bv. waren nog 3 1/2 miljoen personen in de landbouw werkzaam tegen 3/4 miljoen in handwerk en industrie. En het handwerk, het ambacht was eveneens naar verhouding nog veel sterker dan de grootindustrie. Alleen Saksen en de streek rond Dusseldorf begonnen reeds met fabrieken volgebouwd te worden. Maar zo er nog geen zeer hoog stadium van industriële ontwikkeling was bereikt, was er toch een snelle beweging daartoe. Dat was het beslissende. Dat was een van de oorzaken waardoor de sociaaldemocratische agitatie al zo spoedig diepe wortels kreeg. Er was na 1850 een geweldige opschuiving van de klassen aan de gang. Bv. de oude handwerkers waren in Duitsland, vooral in Pruisen en Saksen uiterst snel aan het afnemen. Alleen in de textielindustrie was tussen 1848 en 1861, het aantal handweefgetouwen van bijna 76.000 op ruim 4700 gedaald en het aantal arbeiders, handwevers van meer dan 82.000 op ruim 12.000. Men begrijpt wat een ontzaglijke economische veranderingen, en ook welk een geweldig leed, welk een honger, welk een wanhoop door het kapitalisme veroorzaakt, in die paar getallen schuilt. De bourgeoisie had zich economisch zeer ontwikkeld, maar politiek was haar karakter nog even laf, nog even slap gebleven. Na de reactie van 1849 begon in 1861 en 1862 de Duitse bourgeoisie weer een beetje in beweging te komen. Een zogenaamd democratische oppositiepartij, de Fortschrittspartij was opgericht en bij haar trachtte Lassalle aan te knopen, hij hoopte, ongeveer zoals Marx dat in ’48 gehoopt had, dat arbeiders en burgerlijke democraten hun vereende krachten tegen de reactie zouden richten. Om weg te krijgen al het feodalisme en absolutisme, dat in Duitsland nog overeind stond en nog de vrije ontplooiing en ontwikkeling van de economische krachten en van de klassenstrijd tussen proletariaat en bourgeoisie verhinderde, was het wenselijk dat zo mogelijk bourgeoisie en proletariaat gezamenlijk op zouden trekken tegen die machten van het verleden. Maar het kon niet. Het was nog steeds het oude liedje: de Duitse bourgeoisie had te weinig revolutionair besef; zij vreesde het proletariaat reeds te zeer. Lassalle zag zich in zijn verwachting bedrogen, zoals Marx verwachtingen bedrogen geworden waren.

Lassalle begon zijn actie met het houden van twee voordrachten, de ene gericht aan de democratische burgerij, over Het wezen van de grondwet, de andere voor het proletariaat, het zg. Arbeidersprogram, een van zijn meest uitstekende propagandabrochures, die ook nog heden ten dage meer verdient gelezen te worden dan dat, meen ik, in ons land het geval is en waar elke arbeider nog een massa uit kan leren. Het Duitse proletariaat was toen nog lang niet zover het arbeidersprogram van Lassalle te kunnen verstaan. Dat program was wezenlijk, kan men zeggen, het Communistisch Manifest toegepast op Duitse toestanden, meer beperkt en onvergelijkelijk minder groots van opzet, ook meer ideologisch, maar op voortreffelijke wijze verklarend aan het proletariaat, waarop zijn klassenstrijd zich in de eerste plaats moest richten.

De weerklank die Lassalle vond was aanvankelijk zwak. Wel begonnen de arbeiders in sommige delen van Duitsland al enigszins in beweging te komen, maar zij liepen nog geheel en al aan de leiband van de burgerlijke democratie. De voornaamste arbeidersorganisaties waren eerst coöperatieve verenigingen, verbruiksverenigingen en ook productieve associaties, verder Arbeiterbildungsvereine, dat is ontwikkelingsclubs. De coöperatieve verenigingen stonden geheel onder de invloed van Schulze-Delitsch, een burgerlijke staathuishoudkundige, die aan de arbeiders trachtte wijs te maken dat zij zichzelf konden helpen, konden redden, in het kapitalisme hun toestand beter maken door spaar- en kredietverenigingen en coöperatie. Daartegen is Lassalle onmiddellijk sterk te velde getrokken, hij heeft tegenover die zg. eigen hulp door middel van coöperatie in zijn program de nadruk gelegd op coöperatie met staatshulp, en die eis heeft heel wat misverstand in de wereld gebracht. De verenigingen voor arbeidersontwikkeling, opgericht door de democratische bourgeoisie en door burgerlijke intellectuelen, waren eveneens nog burgerlijk van geest. Zij trachtten, zoals bv. tegenwoordig sommige Toynbee-verenigingen, de arbeiders van alles wat te leren, een soort eclectische wetenschap te verspreiden en ook in hen groot te kweken de opvatting, waarvan wij weten hoezeer burgerlijk zij is, dat kennis, wetenschap in het algemeen, niet de bepaalde kennis van de maatschappij enz., de arbeider, elke arbeider in staat stelt om ook zijn lot, zijn leven te verbeteren. Dat is, zoals wij weten, een grote burgerlijke leugen of dwaling, zoals men het noemen wil. Maar toch, in 1863 begon onder de arbeiders iets op te komen van een zelfstandige beweging, begon er iets te branden. Er werden plannen beraamd tot het bijeenroepen van een groot arbeiderscongres en het Leipziger comité, dat de centrale leiding daarvan in handen had, wendde zich tot verschillende personen, waaronder Lassalle, met de vraag hoe zij over die plannen van de arbeiders en in het algemeen over het arbeidersvraagstuk dachten, en wat zij meenden, dat de middelen voor de arbeidersklasse konden zijn, om haar positie te verbeteren. Lassalle, die de bourgeoisie reeds had leren kennen, vatte onmiddellijk het plan op om te trachten die opkomende beweging te leiden op zelfstandige banen. In zijn Open Antwoord, ook weer een voortreffelijke brochure, stippelde hij de grote lijnen uit van het program, dat hij van toen af tot zijn dood gevolgd heeft. Alle grote grondbeginselen van zijn agitatie zijn in dat Open Antwoord reeds uitgewerkt. Als het voornaamste daarvan beschouwde hij de strijd voor het algemeen kiesrecht. Het was zijn overtuiging dat de arbeidersklasse in Duitsland zich organiseren moest, niet in propagandaverenigingen, om propaganda te maken voor de doeleinden van het socialisme, maar als een politieke partij om met het socialisme tot ideaal, op de grondslag van de tegenwoordige maatschappij te strijden voor politieke rechten en in de allereerste plaats voor het algemeen kiesrecht. “Laat u”, schreef Lassalle, “door niets ervan afbrengen om zonder links en zonder rechts te zien onwrikbaar de ogen gericht te houden op dat ene doel, op het bereiken van het algemeen kiesrecht. Dat is het geheim van een succesvolle agitatie, altijd één ding tegelijk te willen en dat te willen met volle kracht.”

Verder vinden wij in die eerste brochure van Lassalle de zo enorm pakkende statistieken over de inkomsten van de verschillende klassen in de Pruisische staat, statistieken die men nooit heeft kunnen ontzenuwen en waaruit helder bleek welk een klein deel van de natie het was, dat een redelijk inkomen, een inkomen, ik meen boven de 1200 of 1500 M. had. Lassalle zag evenals Marx en Engels nog te veel door de optimistische bril, d.w.z. ook hij onderschatte de tijd die het proletariaat nodig zou hebben om zich zelf op te voeden en te bevrijden. Hij dacht, dat zich snel een kolossale beweging voor het algemeen kiesrecht zou ontwikkelen en dat het algemeen kiesrecht, eenmaal ingevoerd, een verbazend snelle opvoedende werking zou hebben en de ellende van de kleine boeren en burgers hen allen spoedig zou brengen aan de zijde van het proletariaat. De ervaring heeft ons na die tijd overal bewezen dat het niet zo is.

Verder vinden wij in dat program van Lassalle als voorname eis die van associaties met staatshulp. Zoals ik reeds zei, die eis liet hij dubbel krachtig opklinken tegenover het burgerlijk gedoe van “eigen hulp” door productieve coöperatie enz. en van de valse voorspiegelingen dat de arbeiders daardoor zonder hulp van de staat tot welvaart zouden komen. Lassalle bedoelde die eis niet utopisch, hij verwachtte die hulp niet van de staat van de regerende klassen. Hij meende daarmee eenvoudig een overgangsmaatregel die het zegevierende proletariaat zou nemen. Hij meende daarmee dat een staat, een gemeenschap, waarin de arbeidersklasse reeds de politieke macht sterk beïnvloedde, dat zulk een reeds half-proletarische staat kolossale sommen zou geven tot het bevorderen van coöperatieve ondernemingen, het werken door geassocieerde arbeiders buiten loondienst, om zodoende op vreedzame wijze de overgang van de kapitalistische productie tot de socialistische te bevorderen. Wij weten dat in die opvatting nog een stuk utopisme school, dit namelijk: Lassalle meende nog dat men in een nog kapitalistisch producerende maatschappij de socialistische productie op die manier kan bevorderen en kan doen groeien. Maar er lag ook nog een ander, een onmiddellijk gevaar in die eis. Het werd in de propaganda niet altijd geheel zuiver gesteld, dat slechts een proletarische staat deze maatregelen zou kunnen nemen, dat het onmogelijk en dwaasheid ware zo iets te verwachten van de staat, zolang hij in handen was van hetzij grootgrondbezitters, hetzij grootindustriëlen, of beide klassen samen; en daardoor kreeg het wel eens een beetje de schijn alsof elke staat, ook de Pruisische staat van het ogenblik dergelijke maatregelen zou kunnen nemen. Engels en Marx hebben de agitatie van Lassalle steeds min of meer gewantrouwd, ten eerste naar aanleiding van die eis, verder van Lassalles optreden tegenover de Pruisische regering. Zij hebben Lassalle, zoals de uitslag leerde, meer gewantrouwd dan feitelijk nodig was. Hoe veelomvattend hun blik was en hoe diep hun kennis, zij waren toch door de lange ballingschap natuurlijk van hun vaderland enigszins vervreemd, en Lassalle, die daar altijd gebleven was, die in Duitsland woonde en de toestanden daar zich had zien ontwikkelen, begreep beter de eisen van het ogenblik. Natuurlijk hadden Marx en Engels volkomen gelijk in hun mening dat er nog een stuk utopie school in de wijze waarop Lassalle zich de ontwikkeling naar het socialisme voorstelde en de dingen aanpakte, dat in zekere opzichten zijn uitgangspunt een achteruitgang was vergeleken bij dat van de Communistenbond in 1848, in het bijzonder wat betreft de eis van productieve associaties met staatshulp en verder ook met betrekking tot een zeker fantastisch idealisme waarvan Lassalle niet geheel vrij was en dat hem een tijd heeft doen geloven dat de aartsreactionaire Pruisische regering en de klasse van het grootgrondbezit, in tegenstelling tot de bourgeoisie, zijn plannen misschien zou willen bevorderen en de bevrijding van het proletariaat in de hand werken. Zo sterk was de indruk die hij gekregen had van de totale onwil en onmacht van de liberale bourgeoisie, dat hij te sterk naar de andere kant werd gedreven. Het is vrij algemeen bekend dat in die jaren Lassalle en Bismarck zekere onderhandelingen hebben gevoerd, waarbij Lassalle zich wel nooit heeft gebonden, nooit het heft uit handen gegeven heeft, maar zich mogelijk toch te ver gewaagd tegenover de doodsvijand van het proletariaat; dat hij hoopte, en dat wel eens te duidelijk heeft laten merken, bij de Pruisische regering meer hulp te vinden voor de ontvoogding van het proletariaat dan bij de Duitse liberale bourgeoisie, terwijl het duidelijk was dat beide machten, én de bureaucratische, feodale regering én de kapitalistische bourgeoisie, even vijandig tegen het proletariaat moesten staan, zoals dan ook later is gebleken.

Wat voor het Duitse proletariaat van het begin af aan de klassenstrijd zo verbazend zwaar maakte, was dat het een strijd naar twee fronten te voeren had. In ons land, in Frankrijk, in Engeland, is en was de bourgeoisie de heersende klasse. Dat was in Duitsland niet zo. De eigenlijk de staat beheersende klasse was niet de bourgeoisie, en voor iemand met grootse gedachten en grote plannen als Lassalle, lag de verleiding dicht bij om te denken dat een zich ontwikkelende proletarische partij die twee machten, de bureaucratische feodale staatsmacht en de liberale bourgeoisie als het ware tegen elkaar zou kunnen uitspelen, en daar zijn tactiek in te richten. Dit was een ernstige politieke fout, en van die fout heeft Lassalle vooral op het eind van zijn leven zich niet vrij gehouden. Maar het punt waarin hij gelijk had en waar de ontwikkeling heeft bewezen, dat hij geheel gelijk had, dat was het enorme belang van het kiesrecht en van de strijd daarvoor.

De sociaaldemocraten hadden in die tijd in het kiesrecht nog niet zeer veel vertrouwen. Wij zullen straks bij de geschiedenis van de Franse beweging nog even nagaan hoe dat kwam. Het kiesrecht was tot dusver vooral geweest een middel om het proletariaat te bedriegen, en Lassalle is de eerste sociaaldemocraat die de actie van het algemeen kiesrecht tot een hoofdleuze in de dagelijkse strijd heeft gemaakt, al besefte hij, evenmin als zijn tijdgenoten, welke enorme waarde als agitatie- en organisatiemiddel dat recht zou blijken te bezitten in de proletarische bevrijdingsstrijd.

Het succes van Lassalles optreden was aanvankelijk niet groot. Wel kwam het na enige rumoerige openbare vergaderingen – waarbij bleek dat nog slechts een deel van het proletariaat in de meest ontwikkelde streken, zoals in Saksen, en aan de Rijn, vooral in Frankfurt, op zijn hand was – in mei 1863 tot de stichting van de Algemene Duitse Arbeidersvereniging, maar de geweldige groei, die Lassalle zich voorgespiegeld had, bleef achterwege. Hij had gedacht door zijn geestkracht, door zijn enorme begaafdheid – hij was een van de meest welsprekende redenaars van zijn eeuw – binnen enkele maanden een partij van honderdduizend man uit de grond te kunnen stampen. Overal kwam het proletariaat in beweging, het stroomde tot de vergaderingen, maar het verschijnsel, dat men altijd kan waarnemen, nl. dat het proletariaat door de eerste propagandisten, de eerste verkondigers van het socialisme wel wordt gewekt uit doffe onverschilligheid, maar dat het daarom nog niet komt tot organisatie, deed zich ook hier voor. Geen enkel proletariaat kan de tijd overspringen, overvliegen, die nodig is om van het eerste vage gevoel van geestdrift voor het socialisme, en van het ontbranden van de eerste gloed van hoop en verzet te komen tot rustige muurvaste zekerheid, tot klassenbewustzijn en organisatie.

De wijze waarop Lassalle de Algemene Duitse Arbeidersvereniging ineen zette toonde, hoe hij daarmee bedoelde een politieke partij te stichten, geen propagandavereniging. De vereniging was zeer sterk gecentraliseerd en Lassalle zelf oefende in haar een grote macht uit, ja wij kunnen wel zeggen de macht van een dictator. Was het goed gezien van hem de vereniging zo te centraliseren? De gevolgen hebben geleerd van ja. Het proletariaat was nog bijna onbewust. Het had aan de leiband gelopen van burgerlijke volksvrienden, het kon nog niet zelfstandig optreden en besluiten. Wanneer men wilde stichten een werkelijke politieke partij, die spoedig invloed zou uitoefenen in het publieke leven, dan was het nodig die zo sterk gecentraliseerd te organiseren als Lassalle deed en dan was het ook nodig dat hijzelf in haar grote macht had. Door die vorm, door die straffe organisatie, door zijn eigen machtsuitoefening dreef hij om zo te zeggen het proletariaat vooruit, verhaastte hij het ogenblik waarop die wijze van organisatie niet meer nodig zou zijn, waarop het proletariaat daaraan zou zijn ontgroeid. Bij zijn tragische dood, die zo spoedig daarna volgde, reeds in augustus 1864 stierf hij, kwam aan het licht dat het Arbeidersverbond reeds diepe wortels had geschoten in het proletariaat. De uitbreiding was nog betrekkelijk zeer gering: het verbond telde eerst ongeveer 5000 leden, een zeer klein aantal dus voor een land als Duitsland en een politieke partij, maar geen ogenblik vermocht Lassalles dood dat nog zo kort geleden opgetrokken gebouw aan het wankelen te brengen. De grondslagen waren gelegd en zij waren goed.

De man die daarna aan het roer kwam en die de leiding van het Verbond tot na 1871 heeft gevoerd, von Schweitzer, is, volgens de voorstelling die Mehring van zijn werken geeft, een van de figuren in de internationale sociaaldemocratie, die het meest zijn miskend.

Een legende is ontstaan over de Duitse Arbeidersvereniging, de partij van Lassalle, als een partij, die koketteerde met de reactie – de uitdrukking is van Engels – als een partij die min of meer getolereerd werd, aangemoedigd zelfs door de Pruisische regering, als een partij, die hoe langer hoe meer een sta in de weg, een hinderpaal werd – de uitdrukking is van Marx – voor de organisatie van de Duitse arbeiders. In zijn grote Duitse partijgeschiedenis, trekt Mehring, nadat hij alle documenten, alle bronnen, alle partijbladen van die tijd heeft nagegaan, tegen die legende te velde; hij verdedigt de mening, dat er van koketteren met de reactie, van nationalistisch-Pruisisch gezind zijn, bij de Duitse Algemene Arbeidersvereniging en haar leiders in die jaren in werkelijkheid niets te bespeuren valt. [Bebel wiens overtuiging hierin van Mehring scherp afwijkt, heeft zijn inzicht in enkele korte artikelen uiteengezet; breedvoeriger zal hij het ongetwijfeld doen in de gedenkschriften, waaraan de grijze leider van de sociaaldemocratie sedert enige jaren werkt.]

Na de dood van Lassalle had het nog een ogenblik de schijn of het Duitse proletariaat zich eendrachtig in één partij zou kunnen organiseren. Aan de Sociaaldemocraat, de krant van het Arbeidersverbond werkten behalve Liebknecht, pas teruggekeerd uit de Engelse ballingschap waarin hij vanaf 1849 geleefd had, ook Marx en Engels mee, maar al spoedig kwam het door verschil van inzicht in de praktische politiek tot een breuk. Zij allen zegden de medewerking op en ongeveer in diezelfde tijd begonnen enige Saksische arbeidersverenigingen, door Bebel en Liebknecht geleid, die onafhankelijk van de Algemene Arbeidersvereniging waren blijven bestaan, zich hoe langer hoe meer zelfstandig en politiek te organiseren. Weliswaar hadden zij toen nog niet de band doorgesneden die hen verbond met de burgerlijke democraten, welke in Saksen wat vooruitstrevender, wat steviger waren dan in Pruisen, maar het was toch duidelijk, dat in die Saksische arbeidersverenigingen de kiem, het embryo kon liggen van een tegen-organisatie. De gebeurtenis die maakte dat het werkelijk tot het stichten van zulk een tegen-organisatie kwam, dat het Duitse proletariaat jaren en jaren van bittere, heftige inwendige twisten heeft moeten doormaken eer het eenheid van organisatie bereikte, was de oorlog tussen Duitsland en Oostenrijk in 1866.

Het was de nationale scheuring, de ellendige nationale toestand van een in talrijke staten en staatjes verdeeld Duitsland, het zieke, onvaste element daarin en niets anders, dat de eigenlijke oorzaak was van de twisten in het Duitse proletariaat. Reeds voor de oorlog hadden von Schweitzer en de Arbeidersvereniging zich zeer duidelijk uitgesproken, en noch voor de Pruisische regering, noch voor de Oostenrijkse regering, even reactionair, even bekrompen als de Pruisische, partij getrokken. De Saksische verenigingen waren niet zo voorzichtig en niet zo helderziende geweest. Het gevaar bestond dat de oorlog in Saksen gevoerd zou worden, zij waren er dus onmiddellijk bij betrokken, en de bourgeoisie in Saksen was zeer vriendelijk tegen Pruisen gezind; dat had hen gedreven naar de andere kant en zij hadden zich laten verleiden openlijk partij te trekken voor Oostenrijk. De oorlog kwam en in enkele weken tijd werden de Oostenrijkse legers door de Pruisische geheel verslagen. Na de slag van Köninggrätz volgde de vrede en de overmacht bleef aan de kant van de Pruisische staat en Bismarck. Hij maakte van die gelegenheid gebruik om de opperheerschappij van Pruisen over de Noord-Duitse staten te bevestigen. Het kwam tot de stichting van de zg. Noord-Duitse Bond, een politiek verbond dat alle Duitse staten ten noorden van de rivier de Main omvatte. Dat was een halfslachtige toestand. De zuidelijke staten stonden er buiten, Oostenrijk was voorgoed losgelaten. De Duitse democraten hadden altijd geroepen en uitgezien naar de zg. Groot-Duitse eenheid, een algemeen Duits Rijk met Duits-Oostenrijk erbij. Hun verwachtingen waren nu voor goed vervlogen. Het was duidelijk, dat die toestand niet lang kon duren, dat hij slechts een doorgangsstadium kon zijn naar een groter en sterk georganiseerd Duits rijk.

Hoe stonden de arbeiders, hoe stond het klassebewuste proletariaat tegenover die toestand? Daarin ligt de kern van de vraag, die tot zulke bittere twisten onder dat proletariaat heeft geleid. De zaak was eenvoudig. De Pruisische regering, de Pruisische militaire staat was een uiterst reactionaire macht, een jonkerstaat, een staat waarin de grootgrondbezitters, militairen en bureaucraten alles te zeggen hadden. Het proletariaat moest dus wel allerscherpst, zo scherp als het maar kon, tegen zo een dubbel en dwars reactionaire staat zijn. Maar tegelijk had dan Pruisen d.w.z. zijn regerende klasse en zijn vorstenhuis door de loop van de geschiedkundige ontwikkeling de taak om Duitsland tot eenheid te brengen. Die taak was hem toegewezen, het kon niet anders, het moest dat doen. Pruisen deed dat in reactionaire, in dynastieke zin, maar het deed het. En dat het gebeurde was voor het Duitse proletariaat, evenals voor de bourgeoisie van zeer groot belang.

Dat waren de twee kanten van de kwestie en naarmate men sterker zag, hetzij de reactionaire natuur van Pruisen, hetzij de rol die het moest spelen in het tot stand brengen van de Duitse eenheid, naarmate men op het een of het ander meer het volle licht liet vallen, was de vijandschap tegen die staat en alles wat die staat deed en wat van die staat kwam, groter of kleiner. Zo kwam het en was het zeer natuurlijk, dat in het proletariaat twee meningen, twee stromingen dienaangaande opkwamen en dat elke fractie een van de stromingen, een van de meningen uitdrukte en als het ware tot haar uiterste consequentie voerde. Na de oorlog, toen het algemeen kiesrecht voor de Noord-Duitse Bond werd gegeven, besloot de Algemene Duitse Arbeidersvereniging om dat parlementaire strijdmiddel zo goed mogelijk te gebruiken, zich te richten op de grond van de feiten, wel natuurlijk als uiterste oppositie, maar toch deel te nemen aan de wetgevende arbeid en die zo vruchtbaar te maken als in de gegeven omstandigheden voor het proletariaat mogelijk was; terwijl de Saksische arbeidersverenigingen met Liebknecht en Bebel die Noord-Duitse Bondsdag slechts beschouwden als een tribune vanwaar zij hun protesten in de wereld konden slingeren, er geheel en al negatief tegenover stonden en zich van alle praktische werkzaamheid zoveel mogelijk onthielden. Zo stonden de twee partijen tegenover elkaar, zo kwam het dat ook in dat eerste parlement waarin het proletariaat enige zetels, aanvankelijk slechts twee of drie, had veroverd, zijn afgevaardigden in sommige kwesties, niet naast, maar tegenover elkaar stonden.

Door de stichting van de Sociaaldemocratische Arbeiderspartij op het congres van Eisenach in 1869 werd de twist bestendigd en nam hij nog scherper vormen aan. Toch was dat een vooruitgang. Tot die tijd waren het een aantal afzonderlijke verenigingen geweest die tegen elkaar streden, nu waren er twee elkaar om zo te zeggen in evenwicht houdende organisaties. De strijd nam scherper vormen aan, maar de verschilpunten werden steeds klaarder en de gehele ontwikkeling dreef ertoe, dat zodra de nationale eenheid tot stand gekomen zou zijn, de oorzaken van de twisten zouden verdwijnen en de scheiding geen reden meer zou hebben.

De legende, die aan de Algemene Duitse Arbeidersvereniging verwijt Pruisisch-goedgekeurd te zijn en op de hand van de Pruisische regering, neemt tevens aan dat de zg. Eisenacher, de Sociaaldemocratische Partij, in socialistisch bewustzijn ver boven de lassalleanen heeft uitgeblonken. Ook te dien opzichte heeft Mehring een grondige opruiming gehouden. Hij heeft duidelijk aangetoond uit vele artikelen uit de verschillende partijorganen – iedere partij had natuurlijk de hare – dat dit niet zo was. In het algemeen was de mate van wetenschappelijk inzicht bij de lassalleanen eerder groter. Schweitzer was een heldere kop en hij beheerste het wetenschappelijk socialisme in die jaren vollediger dan Bebel en zelfs Liebknecht toen nog deden. In enige belangrijke opzichten echter waren geen van beide partijen nog geheel in het wetenschappelijk socialisme doorgedrongen. Beide hadden de productieve associaties met staatshulp in hun program geschreven, beide hadden nog tamelijk verwarde ideeën over de moderne vakbeweging, zagen nog niet het kolossaal belang van de vakorganisatie in.

Op den duur echter kwam er hoe langer hoe meer een groot nadeel voort uit de sterk gecentraliseerde organisatie van de lassalleanen, nl. de persoonlijke dictatuur, de grote rol, die de president speelde. Natuurlijk werd dat pas een nadeel toen het niet meer nodig was. Zolang het nodig geweest was, was het een voordeel geweest. Het proletariaat ontwikkelde zich, ging vooruit, en wilde zijn eigen zaken leiden, daardoor kwam het ook telkens tot twisten in de boezem van de Arbeidersvereniging. Schweitzer zelf, en menselijkerwijs gesproken kon dat ook niet anders, ging hoe langer hoe meer iedere aanval op de Arbeidersvereniging, iedere poging om de straffe centralisatie wat te vieren, voelen als een aanval op hem zelf. De dictatuur werd van middel, dat zij geweest was, voor hem doel en zo werd hij, zoals dat meer gaat waar partijen tot een fusie moeten komen die feitelijk op dezelfde grondslag staan, een van de hinderpalen, die die fusie nog in de weg stonden. Dat ging nog enkele jaren zo, maar ondanks de treurige twisten namen beide partijen geleidelijk in leden toe en wonnen aan politieke kracht. Vlak voor de oorlog van 1870, had de Arbeidersvereniging ongeveer 8000, de Sociaaldemocratische Partij 10.000 leden.

Die oorlog was het graf waarin de broedertwist begraven werd; Sedan en de gebeurtenissen, die daarop volgden waren zijn graf zoals het slagveld van Königgrätz zijn wieg geweest was. Wel sleepten de twisten zich nog enkele jaren na de oorlog voort, maar het was duidelijk dat zij geen grond meer hadden in de feiten, en dat het binnen zeer korte tijd tot de eenheid van het Duitse proletariaat komen zou. Wij zullen daarover spreken nadat wij eerst die oorlog zelf en zijn grote gevolgen in de Commune van Parijs en de werkingen van die geweldige gebeurtenissen in het algemeen op het proletariaat hebben geschetst.

Met de Frans-Duitse oorlog begint, zoals ik laatst al heb gezegd, feitelijk een nieuw tijdperk voor de arbeidersbeweging. Maar om goed te begrijpen wat de Commune van Parijs geweest is, wij kunnen zeggen de uiterste bloem, de uiterste vrucht, die de oorlog van 1871 heeft gedreven, in haar kracht en in haar zwakheid, om te begrijpen de aanleiding tot die opstand van het Parijse proletariaat, om te doorzien wat het toen reeds verworven had aan bewustzijn en kennis en het vele dat hem nog ontbrak, is het nodig met enkele trekken de toestand en de ontwikkeling van het Franse proletariaat gedurende het Keizerrijk te schetsen. Toen wij over de Internationale spraken heb ik daarover al een en ander medegedeeld, maar wij willen er thans nog iets dieper op in gaan.

Evenals voor Duitsland, maar in veel hoger mate was de tijd tussen 1850 en 1870 voor Frankrijk een tijdperk van grote kapitalistische expansie. Het was eigenlijk eenzelfde soort tijdperk voor Frankrijk als de jaren na 1871 voor Duitsland zijn geweest. De industrie ging kolossaal vooruit, het aantal paardenkrachten was tussen 1849 en 1862 vervijfvoudigd. Verbazend groot was de toename van ijzer en staal, eveneens de steenkolenproductie. De chemische industrie, wij behoeven maar even te denken aan de beetwortelsuikerfabricage, had ook grote vorderingen gemaakt. In 1865 kwam voor rekening van de grootindustrie reeds de helft van de 12 miljard frs., die de totale productie van Frankrijk vertegenwoordigde. De arbeiders en patroons tezamen in de industriële bedrijven telden 3 miljoen mensen; op de grootindustrie alleen kwamen daarvan 1.100.000, waarvan één miljoen arbeiders. Vooral de grootte steden waren sterk gegroeid. In de allereerste plaats wel Parijs, dat onder het tweede Keizerrijk een tijd van materiële bloei doormaakte als niet meer daarna. In 15 jaar tijd was die stad met meer dan een half miljoen zielen toegenomen. Men begrijpt dus welk een kolossale toevloed van nieuwe elementen had plaats gehad en welk een moeilijke taak het geweest zou zijn, ook zo volle burgerlijke vrijheid geheerst had, die elementen, onder welke natuurlijk een zeer groot aantal arbeiders van het platteland, te brengen tot de organisaties en op te voeden in de socialistische gedachtegang, rijp te maken voor de proletarische klassenstrijd. Was het aantal arbeiders in het algemeen zeer sterk toegenomen, in de bouwbedrijven was het, niet te verwonderen bij de vele grote werken, die het Keizerrijk te Parijs uit liet voeren, verdubbeld. Het ganse aanschijn van Parijs werd in die jaren veranderd, oude buurten werden opgeruimd, nieuwe bolwerken aangelegd, lange brede straten gebouwd; kortom, een geweldige bedrijvigheid vond plaats in de bouwbedrijven. Dat was een onderdeel van het algemene politiek-economische systeem van het Keizerrijk, dat alle klassen wilde winnen, wilde kopen door materiële voordelen – en alle tegen elkaar uitspelen – de arbeiders door volop werk. Wat betreft de bourgeoisie lukte dat plan in de eerste jaren vrijwel. Zelden heeft een bourgeoisie een dergelijke tijd van economische voorspoed doorgemaakt. Onmachtig op politiek gebied, stortte zij zich geheel op het materiële en industriële leven. Maar voor de arbeiders was het een andere zaak. Want wat was het gevolg van die geweldige industriële expansie, van al die grote werken, van die metamorfose van Parijs? Het gevolg was overal stijging van de prijzen, sterke stijging vooral van de woninghuren en daarenboven kolossale toeneming van de belastingdruk. Het Keizerrijk had geld nodig voor zijn legers, zijn oorlogen, voor de schijn van glorie, waarmee het de napoleonistische tijd na-aapte, voor zijn bureaucratie en zijn politie. Het sloot lening op lening en het waren niet de begunstigde klassen, die betaalden, het waren voornamelijk de kleinburgers en arbeiders. Zo zag men het verschijnsel, een vast, geregeld terugkerend verschijnsel in alle tijden van zogenaamde buitengewone bloei, dat de positie van de arbeidende klasse betrekkelijk slechter werd. En dit te midden van de kolossale weelde, de overdaad die het Keizerrijk ten toon spreidde. Dit alles had tot gevolg dat de demoralisatie die in de eerste jaren van het Keizerrijk zeer sterk om zich greep, en alle klassen besmette, bij de arbeidersklasse niet lang duurde, dat er al zeer spoedig, hoe ook bedwongen en hoe ook zich niet kunnende uiten, weer een begin kwam van verzet. In welke vormen kon dat verzet zich uiten? Het stelsel van het Keizerrijk, het zg. cesarisme, was iets aparts. Frankrijk had het algemeen kiesrecht en de wil van het volk, zou men zeggen, kon zich dus vrij uiten. De arbeiders konden de politieke strijd strijden. Maar dat was voor hen evenals voor alle andere volksklassen slechts een schijn. Er bestond wel algemeen kiesrecht, maar er was niettemin onderdrukking, ten eerste al door het brute geweld. Door een staatsgreep had Napoleon III zich van de staatsmacht meester gemaakt en de oorsprong van zijn macht verloochende zich niet Er was geen vrijheid van drukpers, geen vrijheid van vereniging en vergadering, er was tot 1864 zelfs geen vrijheid van staking. Alle politiek leven was dood en dat maakte, samen met de geweldig sterke ambtelijke druk, dat dat algemeen kiesrecht niets was dan een klinkende leugen, een middel om de arbeidersklasse en de boeren te laten denken dat zij enige invloed hadden op de gang van zaken in de staat, terwijl het absoluut niet het geval was. Vandaar het sterke wantrouwen, waarvan ik zo-even sprak, van Marx en Engels en andere sociaaldemocraten in die dagen tegen de uitwerking van het algemeen kiesrecht, een wantrouwen geheel gerechtvaardigd ten aanzien van de Franse verhoudingen van die dagen. Echter, in 1864 was de regering gedwongen, in de hoop daardoor de toenemende ontevredenheid onder de arbeiders te sussen, het recht van staking vrij te geven en wij hebben bij de behandeling van de geschiedenis van de Internationale gezien hoe het Franse en vooral het Parijse proletariaat daarvan in ruime mate gebruik maakte. Het moest ervan gebruik maken, moest strijden, wilde het niet in steeds slechter positie komen. Maar het was voornamelijk één vorm van organisatie waartoe het gebrek aan politieke vrijheid de arbeiders in die periode drong: dat was de coöperatie in al haar vormen, de productieve associatie, de verbruikscoöperatie, het zg. mutualisme, de onderlinge hulp, ook het wederzijds krediet. Dat waren de vormen, wij kunnen niet zeggen van strijd, maar van associatie, die ook door de regering sterk werden bevorderd, door hulp van de staat gesteund. Het is dus geen wonder dat wij in de jaren dat de Internationale werd opgericht de Franse arbeiders vervuld vinden van de leer van Proudhon, afkerig van de moderne sociaaldemocratische begrippen en vol illusie over de vruchten van onderling hulpbetoon enz. Dat was niet een of andere gril die in hun hoofd was opgekomen: het was niet toevallig dat juist de ideeën van Proudhon zijn laatste boek, De capaciteit van de arbeidersklasse, dat een kolossale invloed heeft gehad, verscheen in 1863 en niet de marxistische zulk een grote invloed hadden. Het proletariaat kon toen in Frankrijk niet veel anders doen dan wat Proudhon hem aanraadde, het werd gedwongen juist die vormen van associatie te aanvaarden. Maar de Internationale heeft, hoe dan ook, grote invloed gehad in Frankrijk. Wij hebben gezien, dat op de congressen van de Internationale de Franse arbeiders, de mutualisten, proudhonisten, hoe langer hoe beslister in de minderheid werden gebracht. Verschillende van hen die een belangrijke rol speelden in de Commune, o.a. Varlin, zijn in en door de Internationale van mutualisten tot socialisten opgevoed geworden. In de Internationale spiegelden zich natuurlijk de verschillende stromingen, die het Franse proletariaat bewogen, af.

Nadat in 1864 het recht van staking toegestaan was, volgde in 1868 ook het recht van vereniging en de vrijheid van drukpers. Het Keizerrijk neigde toen reeds ten val. De oppositie van de verschillende klassen, het burgerlijke liberalisme waarmee de proletarische oppositie aanvankelijk samenging, was zo krachtig geworden dat het verzwakte Keizerrijk trachtte door wat toe te geven, nog de macht te behouden. Maar de wapens die het aan zijn vijanden gaf werden natuurlijk onmiddellijk door deze tegen hem gebruikt. Zo hadden het nieuwverworven recht van vergadering en de nieuwverworven vrijheid van drukpers in de laatste jaren voor de oorlog een zeer grote invloed op het Franse proletariaat. Wanneer wij ons een denkbeeld willen vormen van de opgewekte massabeweging, die in ’68 en ’69 in Parijs opkwam, van de gisting, bij al die levendige koppen, die 18 jaar lang hadden moeten zwijgen en nooit vrijuit hadden kunnen spreken en schrijven behalve in geheime verenigingen en de illegale pers, dan doen wij het best te denken aan de Octoberdagen 1905 in Rusland. Ongeveer op dezelfde manier als in die “vrijheidsdagen” schoot plotseling een uitgebreide dagbladpers in Frankrijk in die jaren op. Een blaadje van Delescluze, een van de latere leiders van de Commune, Le Reveil, verscheen in 12.000 exemplaren. Een blaadje van Rochefort, die zich toen socialist noemde, maar reeds zeer demagogische neigingen toonde, La Lanterne, bereikte een oplaag van 50.000 exemplaren. Een reeks van volksvergaderingen zowel in lokalen als in de open lucht, worden gehouden, waartoe al spoedig de socialisten van verschillende richtingen zich toegang verschaften. De Internationale was kort te voren door de regering na enige geruchtmakende processen tegen vakverenigingsleiders, Tolain en anderen, ontbonden, maar zij ontstond in nieuwe vormen, en zoals het altijd gaat in een tijd van hevige gisting van de geesten, de uiterste richting won weer veld, of wat men als zodanig beschouwde, nl. de richting van Blanqui. Blanqui, de oude revolutionair, was teruggekeerd uit zijn verbanning met zijn oude dromen en met zijn oude illusies, nog vaster in zijn socialistisch geloof, maar ook nog altijd het willen aanwenden van de strijdmiddelen van het oude tijdperk in het nieuwe, nog altijd overtuigd door een stoute, plotselinge greep de politieke macht te veroveren en zijn volgelingen daarvoor organiserend in geheime genootschappen die zich in 1869 in Parijs weer snel uitbreidden.

Zo zag het er voor het uitbreken van de oorlog in Frankrijk uit. Grote gisting, grote politieke activiteit, hevige strijd in en buiten de Internationale tussen de proudhonisten, de enkele sociaaldemocraten, en de blanquisten. De Internationale had het Franse proletariaat gewekt, maar nog geen tijd gehad het te organiseren, nog geen tijd gehad het op te voeden. Zo, nog onrijp, onopgevoed, nauwelijks beginnend weer politiek te leven na een lange slaap, zo was het proletariaat, tenminste in Parijs, ten tijde van de oorlog. Zo was het proletariaat, dat de Commune heeft gemaakt. In actie, in beweging gekomen, doortrokken van socialistische aspiraties, maar nog absoluut niet van socialistisch bewustzijn, nog geenszins in zijn meerderheid of zelfs voor een enigermate belangrijk deel georganiseerd en eerst korte tijd geleden ontwaakt uit de doffe droom van het tweede Keizerrijk.

Dat Keizerrijk had zoals wij weten bij het begin van de oorlog reeds feitelijk alle kracht verloren. Bij de eerste tegenslagen stortte het de 4e september 1870 als een kaartenhuis ineen. Meester van de staat maakten zich de Parijse afgevaardigden in het parlement, een groep advocaten waaronder Thiers, Favre, Jules Ferry en anderen, die reeds jarenlang op de staatsmacht aasden en haar dachten te gebruiken ten bate van hun personen meer dan van hun klasse, allen vuile intriganten, mensen met ook in hun persoonlijk leven donkere smetten; mensen die de regering van hun land in een tijd van de zwaarste beproevingen voerden vanuit het oogpunt van de meest bekrompen kliekgeest, mensen, kortom, die bewezen hoe diep het geestelijk en zedelijk verval reeds was gevorderd in de Franse bourgeoisie. Het proletariaat trachtte verzet aan te tekenen tegen die “regering van de nationale verdediging,” zoals zij zich noemde, “van het nationale verraad,” zoals zij later met recht genoemd werd, het poogde zich meester te maken van het stadhuis, maar in het toen reeds door Duitse troepen omringde Parijs, viel aan geen opstand te denken.

De bedoeling van die “regering van nationale verdediging” bij het beleg van Parijs, was het Parijse proletariaat, dat georganiseerd was in de Nationale Garde, uit te putten door gevechten zonder hoop en zonder uitkomst. Geen ogenblik was zij hooghartig, ruim van geest, vaderlandslievend genoeg, om een beroep te doen op het volk, om te besluiten tot de volkswapening, de levée en masse. De Franse bourgeoisie wist toen reeds wat sedert die tijd de bourgeoisie algemeen heeft begrepen, dat in een volk dat een oorlog heeft gevoerd en erin is geslaagd de indringer terug te dringen, de democratische klassen, de massa die de indringer verjoeg noodzakelijk op de voorgrond komt, toeneemt aan fierheid en zelfbewustzijn en dat uit zulk een oorlog noodzakelijk een democratische staat moet geboren worden. De Franse bourgeoisie koos bewust nationale smaad en nationale schande, het verlies van Elzas-Lotharingen, het opbrengen van een reusachtige oorlogsschatting, alles liever dan te besluiten tot het in het veld brengen van het ganse volk, het oproepen zoals dat in de grote revolutie van 1792 was gebeurd, van de brede volksmassa’s. Het einde van de oorlog moest een geweldig klassenconflict brengen. Dat kon niet anders, want het bracht voor Frankrijk niet alleen diepe vernedering, maar ook ontzettende materiële offers, geweldige lasten, 5 miljard oorlogsvergoeding enz., en daar de vergadering van afgevaardigden, die onder Bismarcks goedkeuring in Bordeaux bijeengekomen was om de vredesvoorwaarden te bespreken, bijna geheel uit landjonkers, grootgrondbezitters en kapitalisten bestond, was er niet de minste kans dat uit de smeltkroes van een dergelijke reactionaire bende een democratische republiek te voorschijn zou komen. De vergadering van Bordeaux moest drijven en dreef dan ook hevig tot de aristocratische monarchale staatsvorm, tot een staatsvorm, waarin het aan de heersende bezittende klassen, aan de grootbourgeoisie en de grootgrondbezitters zou gelukken om de vreselijke oorlogslasten af te wentelen op de arbeiders, boeren en kleinburgers. Het verzet tegen deze aanslag is de economische ondergrond van de Commune, de sterke tegenstelling van belangen die, tezamen met uiterste geprikkeldheid tegen de verraders van het vaderland, tot haar leidde. De Franse regering dreef het Parijse proletariaat even bewust en stelselmatig tot de Commune als de regering van 1848 tot de Junidagen gedreven had. Die dag van de 18e maart, die beslissende dag waarop het proletariaat opstond, waarop de Parijse arbeiders in beweging kwamen om hun kanonnen te behouden, die Thiers uit Parijs wilde ontvoeren, is bewust door de regering geprovoceerd. Thiers en de zijnen wilden het conflict en het proletariaat was niet helderziende en ook niet krachtig genoeg om middelen en wegen te vinden het te vermijden. Zo was de burgeroorlog en de vreselijke nederlaag, die daaruit voortkwam voor het proletariaat op dat ogenblik een historische noodzakelijkheid. Geen modern Europees land, geen kapitalistisch land, liever gezegd, kan meer aan het slot van een grote nationale oorlog, waarin het het onderspit heeft gedolven, er zeker van zijn dat niet de democratische klassen zullen opstaan en de staatsmacht te hunnen bate zullen trachten in bezit te nemen. Dat is een van de redenen, die in de laatste dertig jaar hebben gemaakt, dat het tot een grote Europese oorlog, tot een wereldoorlog niet meer is gekomen.

Wij zullen natuurlijk hier de geschiedenis van de Commune niet behandelen. De feiten zijn aan de meesten van de aanwezigen reeds bekend. Waarop het voor ons hier aankomt is de betekenis van de feiten. Daarover moet ik nog kort spreken. In hoeverre en op welke wijze, dat is voor de arbeiders van nu zeer belangrijk, heeft het proletariaat die eerste keer dat het voor korte tijd de politieke macht in handen kreeg, die gebruikt tot zijn bevrijding. Paul Lafargue, een van onze scherpzinnigste Franse partijgenoten, heeft eens geschreven dat elk proletarisch-socialistisch karakter aan de Commune ten enenmale vreemd was, dat het adres van Marx, opgesteld voor de Generale Raad van de Internationale, op de Commune in het oordeel van de tijdgenoten een socialistische stempel heeft gedrukt, die haar niet toekomt, doordat zij in waarheid slechts was veroorzaakt enerzijds door patriottische overprikkeling, door de exasperatie van de overwonnen Fransen, dat anderzijds in haar nog tot uiting kwam de wanhopige poging van de democratische klassen, arbeiders en kleinburgers, om de oorlogslasten niet op hun schouders gewenteld te krijgen, en dan ten slotte, als minst gewichtige factor, een zeer vaag verlangen naar sociale hervormingen. Welnu, de loop van de feiten heeft bewezen dat Lafargue zich vergist heeft. Het internationale proletariaat heeft de opvatting van Marx en van de Internationale tot de zijne gemaakt en gaat voort de oprichting van de Commune als een algemene internationale glorierijke feest en herdenkingsdag te beschouwen; de eerste algemene feestdag van het proletariaat. De Commune heeft ondanks de rol die de kleinburgerij in haar speelde, wel degelijk een proletarisch-socialistisch karakter en wat het voor ons zo bijzonder merkwaardig en hoopvol maakt en zo bijzonder vreugdevol dat karakter ons goed voor de geest te roepen, is dat de personen, die in de Commune de leiding hadden, aan die beweging een richting gegeven hebben naar het socialisme, geheel in de lijn van de moderne sociaaldemocratie, ten dele tegen hun eigen inzicht en hun eigen wil. Zeker, wij moeten het niet vergeten, de Commune voerde het bewind onder hoogst abnormale omstandigheden. Ten eerste had het proletariaat slechts zeer kort de staatsmacht in handen, nog geen zeven weken lang. Wat kan men daarin tot stand brengen? En dan in een belegerde stad, de leden van de Commune voor een groot deel in beslag genomen door het voeren van de verdediging, door de strijd op leven en dood, omgeven van vijanden aan alle kanten, afgesneden van het overige Frankrijk, aangewezen op de enkele hulpbronnen van de hoofdstad aan het eind van een maandenlang beleg, dat de arme klassen volkomen had uitgeput. Toch heeft de Commune, ondanks al die ongunstige voorwaarden, wel weinige, maar duidelijke, voor ieder zichtbare stappen gedaan in de richting naar het socialisme. Zij heeft dat gedaan op velerlei wijze. Ten eerste reeds, zoals Marx het uitdrukt, door haar eigen bestaan, d.w.z. door haar karakter als politieke organisatie van het proletariaat, en door de vervorming, de herschepping, die zij de politieke organisatie van de bourgeoisie deed ondergaan. Zij heeft bewezen dat het proletariaat niet de bestaande staatsmachinerie eenvoudig voor zijn doeleinden in beweging kan zetten, maar deze in de grond moet veranderen om haar geschikt te maken voor zijn doeleinden. Dan door de maatregelen welke zij nam. Laat ons enige van de maatregelen opsommen door de Commune genomen waaruit haar proletarisch klassenkarakter blijkt. Het zijn: de afschaffing van de scheiding tussen wetgevende en uitvoerende macht, de verkiezing van alle ambtenaren, ook rechters enz. door het algemeen kiesrecht; de afschaffing van alle hoge salarissen – f 3000 was het hoogste traktement dat de Commune betaalde – het breken van de geweldige bureaucratische centralisatie – die natuurlijk na de val van de Commune weer dadelijk werd ingevoerd door de heersende klassen, nu reeds een eeuw lang in Frankrijk onder alle regeringsvormen bewaard blijft en het politiek initiatief van de massa van de bevolking totaal verstompt – de vervanging van het staande leger door volksweerbaarheid, de scheiding van Kerk en Staat en het onttrekken van de scholen aan de macht van de geestelijkheid, dat is dus het breken van de instrumenten van de gewelddadige en van de geestelijke overheersing van de bezittende klasse. Verder, en dat is van enorm belang, werden de eerste stappen gedaan tot onteigening en socialisatie van de productiemiddelen, door naasting van de ateliers en werkplaatsen, waarvan de eigenaars de zijde van de reactie hadden gekozen en naar Versailles waren gevlucht, en het geven van die werkplaatsen en fabrieken in beheer van de geassocieerde arbeiders. En vergeet bij dat alles niet, dat het kleinbedrijf in de Parijse industrie nog een zeer belangrijke rol speelde. Ware de ontwikkeling van het grootbedrijf verder gevorderd, zou de drang tot socialisme natuurlijk veel sterker geweest zijn. Ook werd de nachtarbeid in de bakkerijen afgeschaft. Daarbij komen dan nog enige maatregelen, waaruit vooral de internationale gezindheid van de Commune blijkt, zoals het opnemen van een vreemdeling, Frankel, in de raad van de Commune, daar, zoals men zei, de vlag van de Commune de vlag van de universele republiek was; het stellen van een andere vreemdeling, Dombrowski, aan het hoofd van de verdediging, en tenslotte het afbreken van de Vendôme-zuil, het monument, van wat geldt voor roem in de burgerlijke staat, voor schande in de proletarische gemeenschap, het gedenkteken van krijgsveroveringen, bloedige veldslagen en onderdrukking van vreemde naties. Al deze dingen, en onze opsomming is niet compleet, heeft de Commune gedaan en het zijn alle stappen in één richting. De Commune was de vorm van politiek bestuur die bij het proletariaat paste, die uit de behoeften van het proletariaat voortkwam en waardoor het proletariaat zich kon bevrijden, de kapitalistische uitbuiting kon opheffen. Dat is haar grote betekenis geweest.

Wij willen hier niet diep ingaan op de rol die de verschillende stromingen in de Commune hebben gespeeld, noch onderzoeken in hoeverre de beide klassen – arbeiders en kleinburgers – die in haar vertegenwoordigd waren, op de verschillende genomen maatregelen hun stempel hebben gedrukt. Zoals wij weten was er in haar een meerderheid van blanquisten en een minderheid van proudhonisten. De blanquisten waren felle voorstanders van de politieke centralisatie, zij zwoeren bij de oude politieke vormen uit de tijd van de grote revolutie, zij hielden de dictatuur van enkelen voor onmisbaar in tijden van politieke crisis, terwijl de proudhonisten, de minderheid, onder wie de meeste leden van de Internationale zich bevonden en die in de politiek federalisten waren, niet geloofden aan de mogelijkheid van het socialisme en het brengen van de productiemiddelen in gemeenschappelijk eigendom voor hen een gruwel was. Het is, zoals Engels zegt, de ironie van de geschiedenis geweest, dat beide, blanquisten en proudhonisten – de eersten zijn waarschijnlijk in de eerste plaats aansprakelijk voor de politieke, de laatste voor de economische maatregelen van de Commune – juist datgene hebben moeten doen wat tegen hun ideeën, hun stelsels inging, maar wat de maatschappelijke verhoudingen nodig maakten. Die ideeën, die stelsels dateerden nog uit de tijd voor het marxisme, uit de tijd voordat de inzichten van het proletariaat niet anders waren dan het in gedachten gebrachte beeld van de maatschappelijke ontwikkeling. De volgelingen van een of ander ideologisch stelsel zoals het blanquisme of proudhonisme, stelsels die onvoldoende verband houden met de werkelijkheid, kunnen deze natuurlijk niet ten uitvoer brengen, wanneer zij staan voor de praktijk. Het was noodzakelijk voor de arbeidersklasse om zo en niet anders te handelen, om de centralisatie te breken en zich naar het socialisme te bewegen die blanquisten en mutualisten (proudhonnisten) dreef te handelen zoals zij gedaan hebben. De laatsten hebben het plan van de onteigening van de werkplaatsen moeten doorzetten en de Commune heeft zelfs een rapport gemaakt over een algemene associatie van verenigde arbeiders van die werkplaatsen, die ze tezamen zouden exploiteren. Dat waren de eerste aarzelende stappen naar de socialisatie van de arbeidsmiddelen, dat waren de eerste stappen naar het socialisme. Het waren vijanden van dat socialisme, die het hebben moeten doen. En de blanquisten in de Commune, zeker, zij hebben zoveel mogelijk de oude ideeën in toepassing gebracht, zij hebben de revolutionaire schimmen van 1792 en 1703 willen doen opstaan, zij hebben ten einde raad een “Comité de salut public” willen stichten toen alles verloren was en de Versaillanen reeds voor de stad stonden, maar het grote politieke plan, dat zij hebben uitgewerkt, de vrije federatie van alle Franse gemeenten, riep die schimmen niet op, dat was geen centralisatie, dat was niet de dictatuur van enkelen. Neen, dat was integendeel het beginsel van een volksregering, onmiddellijk voortgekomen uit, steunende op de brede massa van de arbeidende klasse, met deze in voortdurende aanraking; een regering, als zij nog nimmer in een burgerlijke staat bestaan heeft en zoals zij slechts bestaan kan en bestaan zal in de samenleving door het proletariaat gevormd naar zijn behoeften. Zo was het de ironie van de geschiedenis, die deze twee grootte groepen van Franse arbeiders en revolutionairen heeft gedwongen te doen wat zij zelf niet wilden, maar wat de historische ontwikkeling wilde. Och, toehoorders, de geschiedenis, “Madame” geschiedenis, zoals Rosa Luxemburg ze eens schertsend noemde, is in het algemeen een zeer ironisch wezen, en zij voert dergelijke streken heel dikwijls uit. Diezelfde ironie van de geschiedenis heeft redacteurs van een partijorgaan, die van deze zelfde plaats waar ik nu sta een jaar geleden de grote onwaarschijnlijkheid van de crisissen stonden te betogen en de mogelijkheid voor de arbeidersklasse zich in het kapitalisme een steeds beter bestaan te veroveren, nu voor de noodzakelijkheid geplaatst diezelfde arbeiders, door de crisis werkloos gemaakt, op het socialisme als de enige uitkomst voor het proletariaat te wijzen.

Het karakter van de moderne maatschappij en de natuur van het proletariaat zelf dwongen dus blanquisten en proudhonnisten te doen wat zij in de Commune gedaan hebben, maar zij deden dat natuurlijk zonder helder inzicht, zonder goed begrip van de maatschappelijke ontwikkeling en dat maakte hen zwak. Dat inzicht bezat het Franse proletariaat nog niet, daar haperde het nog aan evenals aan organisatie. Daarom handelden zij dikwijls aarzelend, daarom faalden zij in menig opzicht, niet alleen wat betreft de militaire verdediging. maar bv. in het zeer belangrijke opzicht van hun houding tegenover de Franse Bank. Zij hadden door middel daarvan de grote belangen van de bourgeoisie in hun macht kunnen hebben, zij hadden de beste gijzelaars in handen, maar zij waren niet doortastend, niet revolutionair genoeg. Zij maakten zich niet meester van de Bank, zij ontzagen haar en eisten slechts de tot het voeren van de zaken onmisbare geldmiddelen op – nooit heeft een regering zo zuinig huisgehouden als de Commune: voor dit alles gaven zij een grote troef uit handen.

Het spreekt vanzelf, dat de geringe mate van ontwikkeling, van klassenbewustzijn en klassenorganisatie, in een woord van marxisme onder het Franse proletariaat, en na al wat vooraf was gegaan, na haar gehele voorgeschiedenis kon dat alles niet anders zijn, voor de Commune een zeer ernstige verzwakking was en tot vele fouten en misslagen heeft geleid. Maar ondanks dat alles, ondanks de tragische ondergang, ondanks de ontzaglijke aderlating aan het Parijse proletariaat in de bloedige Meiweek toegebracht – een aderlating die lange jaren haar effect had – is de Commune toch door het feit van haar bestaan, door de klassenscheiding voor alle ogen duidelijk te maken, door te bewijzen dat het proletariaat niet de staatsmacht in handen nemen kan zonder direct in socialistische richting te werken, voor ons geworden wat Marx haar noemde, de roemvolle voorbode van een nieuwe maatschappij. Ook de edele menselijkheid, de grootheid van hart en grootheid van ziel, het heerlijk idealisme, waarvan de houding van het Parijse proletariaat en zijn leiders in die dagen getuigde en die zo afstak bij de dolle, bestiale wraakzucht, die niet slechts gedurende de strijd, maar nog jaren daarna de bourgeoisie ten toon spreidde, is een treffend blijk van het hoge geestelijk en zedelijk peil van de opkomende, van het morele verval van de ondergaande klasse.

Welke zijn de gevolgen die de Commune heeft gehad? Haar directe effecten waren tweeslachtig. Zeer zeker heeft zij aanvurend gewerkt op het klassenbewustzijn. Dat kon ook niet anders. Daartoe werkte niet alleen mee de vreselijke burgeroorlog tussen de verbonden proletariërs en kleinburgers aan de ene kant en de kapitalistische klassen aan de andere, maar daarbij het feit dat de Franse overwonnene en Duitse overwinnaar zich onmiddellijk bij het eindigen van de strijd verzoenden om zich gemeenschappelijk te storten op het Parijse proletariaat. Het was Bismarck, die het aan Thiers mogelijk maakte zijn leger naar Parijs te doen opmarcheren, doordat de Franse krijgsgevangenen verlof kregen terug te komen uit Duitsland voordat de vrede nog definitief gesloten was. Dat was en dat is tot op de huidige dag gebleven het sterkste, het meest sprekende bewijs hoe de klassentegenstellingen, wanneer het komt tot een grote politieke crisis, dieper en wezenlijker zijn dan alle andere, hoe burgerlijke regeringen, die op leven en dood elkaar hebben bestreden, zich onmiddellijk verzoenen, eensgezind optreden tegenover het proletariaat, wanneer zij voelen dat het grootste, het bestaan van het kapitalisme zelf, de voortduring van de uitbuiting op het spel staat.

Zeker, de Commune heeft aanvurend gewerkt. Zij heeft bv. in ons eigen land geleid tot een betrekkelijke, natuurlijk in zeer nederige afmetingen, bloei van de Internationale, zij heeft in het kleine Denemarken de stoot gegeven tot het ontstaan van die Internationale, waaruit in dat land na haar opheffing onmiddellijk de sociaaldemocratische partij is voortgekomen. Zo heeft de Commune ook elders klassenbewustzijn en klassenstrijd aangewakkerd. Maar in het algemeen gesproken, was de eerste algemene uitwerking van de Commune de noodzakelijkheid van de opheffing, van de verdwijning van de Internationale. Wij hebben laatst vooral de innerlijke oorzaken en factoren beschouwd die het zover brachten. De Commune was eveneens een belangrijke factor tot de opheffing van de Internationale. De val van de Commune, de verwoedde jacht van de regering op de leden van de Internationale aan wie men de schuld van de Commune gaf, dat alles drong de Internationale op de voorgrond zonder haar de mogelijkheid te verschaffen een krachtige actie te voeren. Het maakte haar, zoals Engels zich uitdrukte, tot de zevende grote mogendheid, maar tegelijk maakte het haar onmogelijk haar strijdkrachten te mobiliseren, want had de Internationale na de val van de Commune getracht een grote, algemene revolutionaire beweging te beginnen, zo zou onherroepelijk nederlaag na nederlaag het gevolg daarvan geweest zijn, en de zaak van het proletariaat voor lange jaren zijn geschaad. Zo werd, nog afgezien van de redenen die wij de vorige maal nader hebben beschouwd, de opheffing van de Internationale wenselijk. Haar voortbestaan legde aan de arbeidersklasse kolossale offers op, die op dat ogenblik in geen verhouding stonden tot het nut, tot het voordeel dat zij voor het proletariaat kon afwerpen. En dit feit was niet de laatste reden waarom Marx, na als het ware het wapen van de internationale samenwerking gezuiverd te hebben van de roest van het anarchisme, dit neerlegde, wetend dat het proletariaat het opnieuw ter hand zou nemen, zodra de tijd gunstiger was geworden.

Laat ons nu nog een ogenblik de algemene uitwerkingen van de Commune beschouwen, de gevolgen welke zij voor het optreden, de strijdwijze van het proletariaat in de periode na 1871 heeft gehad. Die periode duurt nog voort, in die periode bevinden wij ons nu nog. De strijdmiddelen, die door de machtsverschuivingen zowel tussen de staten als tussen de klassen na de oorlog van 1871 op de voorgrond kwamen, de vakbeweging, de coöperatie, maar in de allereerste plaats de politiek-parlementaire actie zij zijn nog heden voor ons de dagelijkse, de gewichtigste strijdmiddelen van de arbeidersklasse. Daarnaast echter zijn weer nieuwe strijdmiddelen aan het opkomen.

Ge moet toch vooral niet denken waarde toehoorders, dat de tijdperken waarin ik mijn onderwerp heb ingedeeld als het ware door ijzeren schutsluizen van elkaar zijn gescheiden. Neen, de schuttingen, de hekken zetten wij wel niet geheel, maar toch enigszins willekeurig; om een beter overzicht te krijgen, daartoe zijn indelingen nodig, maar in de werkelijkheid, dat is in de historische ontwikkeling zijn er nooit zulke schuttingen en hekken, in die werkelijkheid gaat alles in elkaar over, en komt uit elkaar voor, men kan niet zeggen waar het ene begint en het andere eindigt. Zo is het ook met de productiewijzen. Met de oude, in het algemeen aan het kapitalisme voorafgaande productiewijzen, zoals de eenvoudige warenproductie en zelfs de productie voor eigen gebruik, gaat het kapitalisme als heersende productiewijze soms ook weer samen en wij begrijpen zeer goed dat er in de socialistische productiewijze nog tijdenlang vele overblijfsels van het privaat bedrijf zullen blijven bestaan, bv. in de landbouw. Zoals de verschillende productiewijzen elkaar opvolgen en tevens elkaar een eindweegs begeleiden, zo ook de menselijke generaties. Het ene volgt wel op het andere, maar toch begeleiden zij elkaar een eindweegs. Zo is het ook met de verschillende strijdfasen, en de in die verschillende tijdperken gewichtigste strijdmiddelen van het proletariaat. Ik heb u laten zien hoe na 1848 feitelijk de era van de gewapende opstand min of meer afgesloten was, hoe zich daarna begon te ontwikkelen de moderne proletarische strijdwijze, voornamelijk de politiek-parlementaire actie, maar niettemin vond in het jaar 1871, dus 23 jaar na 1848 de laatste, de grootste, de glorierijkste poging van gewapende opstand, die ooit gewaagd werd plaats: de Parijse Commune. Iets dergelijks wat aangaat de vermenging, als ik mij zo uitdrukken mag, van de strijdmiddelen, is het geval in de jaren waarin wij leven. De proletarische strijdmiddelen, die men zou kunnen noemen de methoden van de wettelijkheid, blijven bestaan, zij hebben hun volle waarde nog behouden, en toch zien wij in het laatste tiental jaren daarnaast een nieuw wapen, een nieuw strijdmiddel ontstaan en allerbelangrijkst worden: de staking in massa, politiek en revolutionair, die bestemd is in de verdere ontwikkeling van het tegenwoordige tijdperk een zeer grote rol te spelen.

Ik zal nu vanavond nog een algemene beschouwing geven van het nieuwe tijdperk, dat in 1871 begon. De Commune had als het ware de gewapende opstand van volk tegen leger tot zijn laatste consequenties gevoerd. Zij had bewezen hoe onmogelijk het is zelfs onder zeer gunstige omstandigheden – het Parijse proletariaat was immers militair georganiseerd en gewapend, een omstandigheid, die zich wellicht nooit meer op deze wijze zal voordoen, en de bourgeoisie bezat aanvankelijk geen leger om tegenover het volk te stellen – voor het proletariaat de door een gelukt optreden veroverde staatsmacht ook in handen te houden. De Commune had geleerd dat niet slechts de arbeidersmassa in de hoofdstad doortrokken moet zijn van min of meer vage socialistische aspiraties, maar dat de grote massa daarbuiten in het gehele land, op het platteland en in de kleine steden, de leiding van de hoofdstad moet kunnen volgen, een zelfstandige rol spelen en zich aan die leiding aansluiten. Het Parijse proletariaat was neergeveld, de Commune had moeten ondergaan, omdat Frankrijk geen hand uitstak haar te redden. Behalve in enkele grootte steden, Marseille en Lyon, kwamen zelfs de arbeiders nergens in beweging, en wat aangaat de kleinburgers en boeren, zij geloofden al de laster die Thiers uitbraakte, zij geloofden dat Parijs in de macht was van een handvol moordenaars en schavuiten. Men begreep welk een ontzaglijk werk van opvoeding van de massa, in de eerste plaats van het proletariaat zonder nog te spreken van kleinburgers en boeren, te doen viel en tevens zag men hoe het volk, zelfs het wél gewapende volk niet vermag te vechten tegen het leger, hoe het geweld van het volk zich niet tegen het geweld van het leger vermag te handhaven, hoe er dus een ding nodig was, om de overwinning zeker te maken: ook dat leger van de socialistische ideeën te doortrekken. Zo deed de ondergang van het Parijse proletariaat in die dagen als het ware de deur wagenwijd open voor nieuwe inzichten in de taak van de sociaaldemocratie, voor het gebruik van al die wettelijke en vreedzame middelen tot organisatie en actie, in de vorige tijdperken door de oude strijdmiddelen en door wat wij de vorige keer hebben genoemd de revolutie van boven, veroverd en ingesteld. Het was de oude, nu verouderde tactiek, het waren de barricadegevechten van 1830, van 1848, van 1871, die mee hadden gewerkt de moderne parlementaire staten tot stand te brengen, waarin het proletariaat bepaalde staatkundige rechten bezat. Het was het succes van deze tactiek dat als een onderdeel van de maatschappelijke ontwikkeling tot het resultaat had gevoerd haar verdere toepassing overbodig te maken. Het waren de revoluties van boven, het waren de menigvuldige oorlogen, het was het compromis gesloten overal waar de bourgeoisie niet heerste, tussen haar en de regeringen, het was dat alles te samen wat de moderne burgerlijke staten had geconsolideerd, had gevestigd, maar zo geconsolideerd en zo gevestigd dat de regeringen hadden moeten afstaan, of zij wilden of niet, zekere algemene rechten aan de arbeidende klasse. Het kiesrecht was in verschillende landen verworven; de persvrijheid, vrijheid van vereniging, van vergadering, ofschoon nergens volledig bestaande, hier meer, daar minder beperkt, bestond toch overal door West-Europa in zekere mate.

Zo zien we duidelijk uit de geschiedenis zelf hoe uit de ene vorm van strijdvoeren de andere ontstaat. Alles wordt en verwordt, alles verandert, het bestaande brengt door zijn ontwikkeling een nieuw bestaan voort: dat is de grote les, die ik hoop dat gij ook uit deze voordrachten zult putten; dat is het inzicht waarvan ge moet begrijpen dat het niet een formule is, in ons hoofd uitgebroeid, maar de werkelijkheid, die wij begrepen hebben; die wij begrijpen willen, om beter in haar te kunnen ingrijpen. Het waren de krachten van het leven, het waren de strijders op de barricaden en al die andere strijders, het was de politieke en industriële evolutie van de bourgeoisie, die hadden voortgebracht een nieuw tijdperk, een nieuwe fase waarin de nieuwe middelen zich opdrongen, waarin ze noodzakelijk werden, wilde de sociaaldemocratie verder schrijden in de taak van opvoeding, van doordringing van de massa met revolutionair besef.

Het algemene karakter van de beweging in het tijdperk dat wij nu gaan behandelen wordt aan de ene kant steeds veelzijdiger. In steeds meer landen ontstaat een proletarische beweging, want het kapitalisme breidt zich uit en overal waar dat geschiedt begint de moderne klassenstrijd. Het proletariaat begint overal de politieke strijd en de vakstrijd, het moet zich daarbij aanpassen aan de historisch geworden toestanden, de bijzondere verhoudingen van iedere staat. Maar de sociaaldemocratie wint veld. De leer van het wetenschappelijk socialisme begint door te dringen en niet langer heeft elk proletariaat opnieuw de fasen van het utopische socialisme enz. door te maken. De tijd van ontwikkeling wordt voor de landen, waar het kapitalisme later ontstaat, zeer verkort. Het grootte aantal socialistische scholen en sekten wordt verminderd, de beweging van het proletariaat wordt steeds meer één in wezen. Veelzijdiger dus, maar tevens eenvoudiger, beter te overzien. Er komt meer eenheid in de gehele beweging, een eenheid die tot grondslag heeft het grote begrip, het grote beginsel van het moderne wetenschappelijke socialisme: de eenheid van socialistische en arbeidersbeweging in de sociaaldemocratie, de politieke actie met de verovering van de politieke macht in het verschiet en als doel de socialisatie van de arbeidsmiddelen, de bevrijding van het proletariaat, de opheffing van het loonstelsel en van de klassentegenstellingen. De geestelijke en in vele opzichten ook tactische eenheid is een van de voorname kanten in het karakter van het tijdperk dat wij nu gaan betreden. Een andere zijde daarvan is het universeel worden van het socialisme. Wij hebben het eerst gezien alleen in Engeland, toen in Engeland en Frankrijk, daarna in Engeland, Frankrijk en Duitsland; de kring wordt steeds groter, omvat Midden-Europa, daarna Zuid-Europa, Oost-Europa, dan naar Amerika en Australië, het socialisme wordt een universele beweging, zoals het liberalisme in veel bescheidener grenzen, in de jaren na 1830, een universele beweging werd.

Het land dat gedurende deze periode de allervoornaamste rol speelt is Duitsland. Het is zowel de sterke economische ontwikkeling als de politieke toestand die daartoe aanleiding geeft. Marx heeft, zodra de Frans-Duitse oorlog van de zijde van Duitsland als veroveringsoorlog werd gevoerd, haarfijn alle nadelen voorspeld die het gevolg zouden zijn van de annexatie van Elzas-Lotharingen: de langdurige vijandschap tussen Frankrijk en Duitsland, de noodzakelijkheid voor Frankrijk een bondgenoot te zoeken en zich in de armen van Rusland te werpen; de oppermacht van het tsarisme daardoor bevestigd, de geweldige toeneming van de militaire lasten; – maar eveneens heeft Marx gezien dat het zwaartepunt van de arbeidersbeweging door de Duitse overwinningen en de stichting van het Duitse rijk van Frankrijk en Engeland naar Duitsland verplaatst zou worden. In Duitsland begon na 1871 een kolossale industriële ontwikkeling, die aangehouden heeft tot op onze dagen en het Duitse rijk tot de derde industriële mogendheid van de wereld gemaakt. Natuurlijk was die snelle ontwikkeling uiterst bevorderlijk aan het in beweging komen van het proletariaat en tevens had dat proletariaat in Duitsland een mate van politieke rechten, kiesrecht, beperkt verenigingsrecht, enige vrijheid van pers en vergadering enz., juist groot genoeg om een openlijk politiek leven mogelijk te maken, maar toch ook weer zo miniem klein dat het gevoel van verzet daardoor voortdurend werd aangewakkerd. Dat zijn enige van de oorzaken waardoor in dit tijdperk van de proletarische strijd Duitsland vooraan is komen te staan.

Om ons een goed beeld te vormen van die strijd tot in onze eigen dagen, is het nodig een blik te werpen op de economische omstandigheden, de economische ontwikkeling van de laatste achtendertig jaar. Wij kunnen het tijdperk van 1870 tot 1900 weer vrijwel in twee delen verdelen. In het eerste vervult de politieke beweging de hoofdrol, in het tweede komt de vakbeweging zeer sterk op de voorgrond. Dit heeft economische oorzaken. Na het einde van de oorlog ging, vooral in Duitsland, gedurende een paar jaar de economische ontwikkeling met grootte sprongen vooruit, waarop in 1874 een algemene crisis volgde. Die crisis duurde enige jaren, toen kwam er een vleug van verbetering; daarna begon de malaise, de depressie opnieuw, die vrijwel ononderbroken, voortduurde door heel de jaren tachtig, met slechts tweemaal een korte en niet zeer krachtige vleug van voorspoed. In tegenstelling dus tot het vorige tijdperk van 1850 tot 1870, gekenschetst door enorme kapitalistische expansie, vond tussen 1874 en 1889 een sterke verlangzaming van het tempo van uitbreiding van de kapitalistische productiewijze plaats, heerste er bijna voortdurend een kritieke economische toestand, waaronder natuurlijk in de allereerste plaats de arbeidersklasse leed. In dat tijdperk neemt de klassenstrijd, ofschoon voornamelijk gevoerd met de zg. wettelijke middelen, toch uiterst hevige vormen aan. Het zijn de dagen van de socialistenwet en van de heldenstrijd van het proletariaat tegen die wet in Duitsland; de dagen van de grootte oproerige stakingen waarin zich uit het eerste onstuimige ontwaken van het mijnproletariaat in België; de dagen van de zg. “oude beweging” met haar spontaan en heftig karakter in Holland; de dagen van het woeste optreden van de fenians in Ierland, de dagen van de grootte werklozendemonstraties en de plotselinge opleving van het socialisme in Engeland. In al die landen zien wij, natuurlijk in uiterst verschillende vormen al naar de politieke en economische graad van ontwikkeling, een hevig opbruisenden klassenstrijd, als gevolg in de eerste plaats van een voortdurende depressie, van een vermeerdering van de ellende onder het proletariaat. En degenen onder ons die nog hebben deelgenomen aan de oude beweging, herinneren zich, en ook dit was niet tot Holland alleen beperkt, hoe tevens in die dagen als een gevolg, zouden wij kunnen zeggen, van die lange sukkelende toestand van het kapitalisme, de hoop opkwam, de voorstelling, de overtuiging, dat het met de zieke weldra ten einde zou gaan. In zijn ruwe en naïeve, haast onnozele vorm, deed die hoop en die overtuiging zich voor bij de Hollandse en Belgische arbeiders, maar ook op de toppen van het socialistisch weten had hij ingeslagen. Niemand minder dan Engels schreef dat de Duitse sociaaldemocratie tegen het einde van de eeuw de middenklassen en daarmee de meerderheid van de Duitse bevolking, de beslissende macht in Duitsland veroverd zou hebben. Ook van Liebknecht zijn profetieën in die geest bekend.

Wij begrijpen nu duidelijk hoe deze mannen daartoe kwamen. Men zag het verzet opbruisen, de volksbeweging groeien, men zag overal stagnatie, men merkte op dat een bedrijf als de textielnijverheid, een zeer gewichtig grootindustrieel bedrijf dus, twaalf, vijftien jaar achtereen leed onder chronische overproductie, gebrek aan afzetgebied, en het lag zeer voor de hand dat ook de wetenschappelijke sociaaldemocraten gingen geloven wat zij hoopten, waar de tekens zo duidelijk schenen, dat zij zeiden: het kapitalisme heeft geen levenskracht meer, het zal zich niet meer herstellen, zijn dagen zijn ten einde. Het ogenblik waarop wij verwachten dat het kapitalisme moet sterven omdat het zich niet meer uitbreiden kan – want het kapitalisme kan geen dag leven zonder zich uit te breiden, althans geen tientallen jaren, en dat is een dag in het leven van een stelsel – nadert. Zo dacht, zo hoopte men. Natuurlijk had dat ook invloed op de tactiek. Wat de regeerders aangaat, ook onder hen waren er velen, die de spoedige ondergang van de burgerlijke wereld verwachtten. In zijn Dageraad van de Volksbevrijding haalt Vliegen een uitspraak aan van minister Modderman waarin deze laatste zegt vóór het einde van de eeuw in Nederland een proletarische revolutie te verwachten. Nu, minister Modderman was waarschijnlijk toch wel enigszins op de hoogte van de toestanden in de vreemde en begreep wat de Hollandse arbeiders toen nog niet begrepen en nog niet konden begrijpen, dat de proletarische revolutie niet in Holland zou beginnen. Wanneer hij haar dus verwachtte voor Holland, verwachtte hij haar natuurlijk nog eerder voor Duitsland, Frankrijk enz. ook. Onder de regerende klassen bestond er dus, kunnen wij zeggen, gebrek aan geloof in het voortduren van hun eigen leven en daardoor onzekerheid, twijfel.

De jaren van 1871 tot 1886 zijn de jaren waarin aan de ene kant de regeringen optreden tegen het socialisme op de meeste brute manier, de jaren van de uitzonderingswetgeving, van het geweld van politie en justitie, van de grote geruchtmakende politieke processen en straffen, zoals in ons land bv. de veroordeling van Domela Nieuwenhuis, van vele grote vervolgingen, van de socialistenwet in Duitsland. Het zijn de jaren waarin men hoopte de sociaaldemocratie, nog klein en zwak vergeleken bij wat zij nu is, neer te slaan, te overweldigen. En aan de andere kant, juist door het sterk agressieve karakter van de arbeidersbeweging, juist ook door de onstuimige revolutionaire toon in pers en parlement, door de hartstochtelijke wijze waarop de klassenstrijd door die steeds hongerende scharen wordt gevoerd, zijn het ook weer jaren van weifelen, soms van toegeven van de regeringen, de jaren waarin de regeringen en de bezittende klassen hopen het proletariaat met honing of stroop nog te kunnen verleiden. Het zijn jaren van uitzonderingswetten niet alleen, maar ook van arbeidswetgeving, van hervormingen. Het zijn de jaren waarin bv. in Duitsland het thans nog bestaande geheel van arbeidersverzekeringswetten in hoofdzaak in elkaar werd gezet, waaraan daarna om zo te zeggen slechts nu en dan een enkel plankje is bijgespijkerd. Het is voor ons eigen land de tijd van de eerste sociale hervorming, van de arbeidswet van 1889, die nog altijd, twintig jaar later, in volle fleur heerst, alsof de economische ontwikkeling haar niet reeds lang, lang ingehaald heeft en verdere bescherming absoluut nodig gemaakt.

Al deze tegenstrijdige neigingen en krachten lopen uit in de aanvang van de jaren negentig, in een begin van nieuwe ontwikkeling, van nieuwe bloei van het kapitalisme. De bijna dood gewaande krijgt nieuwe krachten, vindt middelen nogmaals aan zijn veroordeling te ontkomen, aan het mene tekel, dat hij reeds duidelijk voor zich geschreven zag staan. De concentratie van kapitaal groeit geweldig door de trusts en kartels, de bourgeoisie vindt nieuwe methoden haar afzetgebieden te vergroten; de koloniale politiek, het imperialisme en militarisme, krijgen nieuwe kracht, tevens komt het ook door het ontstaan van wat wij noemen de nieuwe middenstand tot een nieuwe radicale beweging, een nieuwe burgerlijk-democratische beweging, die zich vleit met de hoop de klassentegenstellingen tussen proletariaat en bourgeoisie te verzachten.

Tegen het einde van het tijdperk, waarvan ik nu alleen de algemene trekken heb geschetst – de volgende keer zullen wij meer de geschiedenis van de proletarische partijen in die jaren nagaan – zijn de internationale krachten en de internationale neigingen van het proletariaat zozeer versterkt, is de drang zich internationaal te organiseren opnieuw zo krachtig geworden, dat dit tijdperk uitloopt in het oprichten van de nieuwe Internationale op het congres van 1889 te Parijs.

Vierde voordracht (1871 – 1889)
De politiek-parlementaire strijdmethode in de voornaamste landen

Toehoorsters en toehoorders!
Wij zijn de vorige keer geëindigd met een korte beschouwing over de economische toestanden in het tijdvak 1871-1889. Wij hebben gezien dat dit, met uitzondering van de eerste jaren, een tijd was van economische depressie, van voortdurende industriële malaise. Wij hebben de gevolgen daarvan gezien in een verscherpte klassenstrijd, wij hebben met een enkel woord herinnerd aan de onderdrukkingsmaatregelen van de regeringen tegen de arbeidersbeweging, maar ook de neiging tot sociale hervormingen herdacht, die in de laatste jaren van dat tijdvak valt te constateren. Wij zullen vanavond de geschiedenis van de voornaamste arbeiderspartijen in die jaren nagaan, zodat wij een overzicht krijgen van de algemene strijdkracht van het socialisme tot aan de wedervereniging van al die krachten in de nieuwe Internationale op het congres van Parijs in 1889.

Wij beginnen natuurlijk met het land dat gedurende die tijd en nog lang daarna vooraan stond in de beweging, het land waar het proletariaat reeds voor 1871 begonnen was met de meest doelbewuste toepassing van de strijdmiddelen, die onder bepaalde omstandigheden de voornaamste waren, in de eerste plaats de parlementaire actie. Dat land was Duitsland. Wij hebben de vorige keer gezien hoe de broedertwist in het Duitse proletariaat het gevolg was van moeilijke en abnormale nationale omstandigheden. Met de stichting van het Duitse rijk, met het bereiken van de nationale eenheid, was de grondoorzaak van die twist weggenomen, en reeds gedurende de oorlog werkten de beide fracties, Eisenachers en lassalleanen, in gelijke geest, tegen de Bismarckse veroveringspolitiek. Aanvankelijk, in de dagen van de oorlogsverklaring, bestond er tussen hen nog geen eenheid van optreden. Terwijl de afgevaardigden van de lassalleanen in de Noord-Duitse Bondsdag er zich mee vergenoegden blanco te stemmen over de oorlogskredieten, namen Bebel en Liebknecht, hierin meer beginselvast, meer in overeenstemming met de eisen van de internationale solidariteit handelend, direct een zeer scherpe houding tegen de politiek van Bismarck aan. Zij werden zoals algemeen bekend is, om die houding aangeklaagd wegens hoogverraad en die aanklacht voerde in 1872 tot een groot politiek proces, dat voor Bebel en Liebknecht eindigde met de veroordeling tot twee jaar vestingstraf, en ontzaglijk veel propaganda maakte voor de sociaaldemocratie. In de loop van de oorlog kwamen de beide fracties steeds meer tot elkaar, en zodra hij van Duitse kant niet langer defensief, maar offensief werd gevoerd, zodra de Duitse legers na de slag van Sedan dieper binnendrongen in het Franse grondgebied, het beleg sloegen om Parijs, en vooral zodra bleek dat Bismarck een veroveringsoorlog wilde voeren, geen vrede wilde sluiten voor Frankrijk zo uitgeput was dat het moest toestemmen in de annexatie van Elzas-Lotharingen, kantten én lassalleanen én Eisenachers zich zo scherp mogelijk tegen de voortzetting ervan.

De vrede werd gesloten, het Duitse Rijk gesticht, gesticht in antidemocratische zin; het kwam tot stand door een compromis tussen de Pruisische militaire staat en de Duitse bourgeoisie. Maar Bismarck en de klasse van grootgrondbezitters, die achter hem stond, was gedwongen geweest enige concessies te doen, gedwongen aan de arbeiders, aan de volksklassen in het algemeen, waarvan duizenden hun leven voor de stichting van het Duitse rijk gegeven hadden, enige politieke rechten toe te kennen. Het algemene gelijke en directe kiesrecht voor de Duitse Rijksdag was wel het gewichtigste van deze rechten. Let wel, dat voor de meeste landdagen een uiterst verouderd en reactionair kiesrecht bleef heersen en dat daarmee een tegenwicht voor het algemene Rijksdagkiesrecht was gevormd. Toch werd dit laatste van enorm belang voor de politieke opvoeding van de massa.

Als gevolg van de nieuwe toestand, van de nationale eenheid, als gevolg ook van de Franse miljarden, van de oorlogsschatting van vijf miljard francs, die behalve Elzas-Lotharingen de prijs was welke Frankrijk voor de ongelukkige oorlog moest betalen, begon voor het Duitse kapitaal een tijdperk van verbazende activiteit. De concentratie van kapitaal nam sterk toe, de grootindustrie, o.a. het mijnwezen, ontwikkelde zich snel, de speculatiezucht uitte zich in het stichten van tal van nieuwe ondernemingen. De socialistische partijen – want nog was het proletariaat niet in een partij verenigd – groeiden en ook de vakbeweging ging goed vooruit. Zoals wij dit in een vorig tijdperk over Frankrijk meedeelden, zo maakte nu ook Duitsland een tijd door waarin de prijzen van de levensmiddelen en de woninghuur snel stegen, de arbeiders waren daardoor gedwongen de economische strijd met alle kracht te voeren. De eerste jaren na 1871 waren jaren van talrijke werkstakingen en de vakbeweging begon een niet-onbelangrijke macht te vormen.

De vereniging tussen de beide fracties kwam niet zo spoedig tot stand als men had kunnen verwachten. Persoonlijke gevoeligheden speelden daarbij ook een rol. Schweitzer, die de eerste jaren na de oorlog nog een dictatoriale macht uitoefende in de Arbeidersvereniging, verzette zich begrijpelijker wijze tegen een fusie die hem de macht benemen zou. Ook bij de Eisenachers waren er leiders die niet begrepen dat eenheid een noodzakelijkheid was. Aan beide kanten stonden natuurlijk vooroordelen en ingewortelde misvattingen in de weg, zo kon de eenheid niet anders komen dan ondanks de leiders en tegen de wil althans van sommigen van hun. Wat aan haar totstandkoming de grootste moeilijkheden in de weg lag, was de verschillende vorm van organisatie. De lassalleanen hadden uit vroeger dagen hun uiterst strak gecentraliseerde organisatie behouden en de Eisenachers wilden daarvan niet veel weten. Maar ziet, de vijanden van de sociaaldemocratie bewezen haar ook in dit geval, zoals zo dikwijls gebeurt, tegen de wil in, een gewichtige dienst. In 1874 hadden beide fracties met veel vuur deelgenomen aan de verkiezingsstrijd en samen 6 % van het totaal aantal stemmen uitgebracht. De grote vooruitgang én van de vakverenigingen én van de sociaaldemocratie verschrikte de Duitse, vooral de Pruisische regering, en daar de wetgeving, zoals trouwens nog heden ten dage in Duitsland, voor de klassenjustitie een terrein van onbegrensde mogelijkheden opende, door het aan de rechters mogelijk te maken door allerlei zonderlinge wetsuitleggingen sociaaldemocraten zwaar te straffen voor overtredingen, persvergrijpen, enz. die bij leden van burgerlijke partijen eenvoudig in het geheel niet werden vervolgd, barstten al spoedig talrijke vervolgingen los. Dat tijdperk draagt in de Duitse partijgeschiedenis de naam van era-Tessendorf; het wordt aldus genoemd naar de procureur-generaal die de twijfelachtige eer genoot aan zijn collega’s door heel het Duitse Rijk, praktische lessen bij uitnemendheid te geven hoe men het het best aanleggen kan om sociaaldemocraten te vervolgen, te straffen, hun vergaderingen te ontbinden enz. Eindelijk kwam het zover dat het verbond van de lassalleanen als in strijd met de wet werd ontbonden. De vakverenigingen door de Eisenachers gesticht trof hetzelfde lot. Daarmee was weggeruimd de grootste steen, het grootste struikelblok, dat nog aan de fusie van de twee fracties in de weg stond. Het verlangen van het proletariaat naar eenheid werd hoe langer hoe sterker, sinds iedere grond voor de scheiding was verdwenen. Op indrukwekkende wijze kwam dit aan het licht bij de begrafenis van York, een van de voorgangers van de lassalleanen te Hamburg. Tienduizend proletariërs, tot vakverenigingen door beide partijen gesticht behorend, gaven hem het laatste geleide, en de wil van het proletariaat naar eenheid, die wil welke zo sterk in hem leeft, vinden wij als het ware belichaamd in een voorval door Mehring in zijn partijgeschiedenis medegedeeld. Een vriend van York trad in de begrafenisstoet en vroeg aan een jonge arbeider aan welke vakvereniging toch het schone vaandel dat hij droeg behoorde. En het antwoord luidde: “Waarom die vraag? Wij zijn allen een.”

Het Duits proletariaat was werkelijk één van geest geworden. Principiële verschillen hadden er nooit bestaan; de tactische verschillen hadden hun grondslag verloren. De vereniging kwam tot stand op het congres van Gotha. Bij die gelegenheid werd het nieuwe partijprogram opgesteld, waaronder de Duitse partij al de moeilijke en zware jaren van de socialistenwet heeft gestreden en waaronder zij is geworden tot die geweldige massakracht, die ten slotte gezegevierd heeft tegen al de machtsmiddelen van een moderne staat. Dat is wel een bewijs hoe het niet in de eerste plaats de theoretische waarde en de juiste formulering van een program is, die beslist over het vruchtbaar werken van een partij, want aan dat program van Gotha ontbrak nogal heel wat om een model te zijn van klare uitdrukking van de marxistische beginselen. Het is vrij algemeen bekend hoe Marx, die deze fusie enigszins beschouwde als een concessie, door de Eisenachers aan de lassalleanen gedaan, dat program gekritiseerd heeft. Hij schreef een tot in onderdelen afdalende kritiek, in de vorm van een brief aan Liebknecht en zijn vrienden, die door hen, gelukkig voor de beweging, lange jaren in portefeuille is gehouden en eerst tegen de herziening van het program, die na opheffing van de socialistenwet in Erfurt tot stand kwam, werd openbaar gemaakt. Het program van Gotha drukte de mate van sociaaldemocratisch inzicht uit, door beide fracties toen bereikt. Zoals wij de vorige keer al hebben gezien was geen van beide nog geheel en al doorgedrongen in de marxistische gedachtewereld, geen van beide fracties doorzag nog helder hoe uit het kapitalisme het socialisme en uit de strijd van het proletariaat de nieuwe wereld van het proletariaat zich ontwikkelt. Het eerste deel van Marx’ Het Kapitaal, in 1867 verschenen, begon nog slechts door te werken in een betrekkelijk kleine kring. En juist omdat beide partijen nog enigszins in utopische zienswijze waren bevangen – o.a. hielden zij nog vast aan de mogelijkheid van productieve associaties met staatshulp – omdat geen de andere veel vooruit was, kon de samensmelting tot stand komen zonder dat een van beiden iets van beter inzicht behoefde op te offeren.

De samensmelting bevorderde natuurlijk in hoge mate de groei en bloei van het Duitse socialisme. Daar kwam bij, dat na een periode van grote levendigheid in de industrie, en vooral ook van ontzaglijke speculatie en overspeculatie, in 1875 een zware crisis uitbrak, de eerste grote algemene industriële crisis die Duitsland beleefde. Haar eerste gevolg was natuurlijk stremming van de groei van de vak-, toeneming van die van de politieke beweging. Op het congres van 1876 kon men de vooruitgang met cijfers constateren. De Duitse partij telde toen reeds meer dan 38.000 leden en 23 politieke organen, waarvan 8 dagbladen. Bij de verkiezingen van 1877 bracht zij bijna een half miljoen, 9 % van alle uitgebrachte stemmen uit.

Kort daarna vonden de gebeurtenissen plaats die Bismarck de welkome aanleiding verschaften zijn sinds jaren gekoesterd plan uit te voeren en de Duitse arbeiders te knevelen. Die gebeurtenissen waren de aanslagen op de oude keizer Wilhelm, de eerste in mei, de tweede in juni 1878. De eerste maal was het een half waanzinnig, ontoerekenbaar, verlopen sujet, die met een soort kinderpistool in de lucht schoot. De tweede keer, bij de aanslag van Nobiling, was de zaak ernstiger. De keizer werd ernstig getroffen, en, zoals een oud-liberaal het in die dagen uitdrukte, “de keizer kreeg de wonden en de natie de “wondkoorts”, d.w.z. de regeringsgezinde en reactionaire pers gebruikte de gelegenheid om de gehele natie op te zetten tegen de sociaaldemocratie niet alleen, toen nog betrekkelijk een vrij zwakke partij, met een vergeleken bij thans klein aantal aanhangers, maar tegen al wat vooruitstrevend en democratisch was. De sociaaldemocratie, die natuurlijk part noch deel had aan die aanslagen, werd er voor verantwoordelijk gemaakt en zodoende in brede kringen een wilde afkeer van die moordenaarspartij gekweekt.

Waarom wilden Bismarck en de klasse wiens belangen hij voornamelijk vertegenwoordigde, de klasse van het Pruisisch grootgrondbezit, de sociaaldemocratie zo gaarne vernietigen? De regering zelf stelde het voor alsof zij beducht was dat de sociaaldemocratie plotseling de burgerlijke maatschappij boven het hoofd zou groeien, alsof Duitsland aan de vooravond stond van een gewelddadige revolutie. Maar de heersers van die dagen waren natuurlijk veel te slim om dat werkelijk te denken. Daarvan was geen kwestie. Hun vastberaden aanval was nog lang niet het laatste verzet van alle delen van de heersende klassen, tegen een proletariaat, reeds voldoende geschoold, voldoende geoefend, voldoende bewust en georganiseerd, om een einde te maken aan de burgerlijke maatschappij. Wat de Duitse sociaaldemocratie nu, dertig jaar later, nog niet kan, waarvoor zij thans nog niet eens rijp is, waartoe de arbeidersklasse nog in geen enkel land in staat is, daartoe was zij in 1878 nog veel minder in staat. De zaak was, dat de klassen, die in Duitsland de heerschappij uitoefenden en tegenwoordig nog uitoefenen, het grootgrondbezit, verbonden met de hoogste lagen van de bourgeoisie, de grote geldkapitalisten, de grote mijn- en ijzer industriëlen, de grote kooplieden en reders, een nieuw belastingstelsel wilden invoeren en de inkomende rechten verhogen. Zij wilden de directe belastingen steeds meer vervangen door indirecte, een stelsel van hoge invoerrechten doordrijven, hun zakken spekken door alle buitenlands graan zwaar te belasten, kortom een richting inslaan die vanaf die dagen tot heden toe voortdurend, met slechts een geringe onderbreking onder Rijkskanselier Caprivi, is gevolgd, en die geleid heeft tot de huidige toestanden in Duitsland, waarbij de volksklassen, niet alleen de arbeiders, maar ook de kleine middenstand, de voornaamste levensbehoeften, peperduur moet betalen, terwijl de grootgrondbezitters en grootindustriëlen allerlei voorrechten, premies, enz. genieten. Het was om de arbeidersklasse te verhinderen zich tegen die plannen te verzetten, het was om de volksklassen in het algemeen het vel over de oren te halen, dat de Duitse regering de socialistenwet nodig had.

Die wet kwam tot stand onder een parlement, gekozen onmiddellijk na een tijd van koortsachtige opwinding, en onder de heerschappij van de “witte terreur”, zoals men terrorisme van boven wel noemt. Bij de verkiezingen, plaats vindend in een tijd dat de sociaaldemocratie met alle mogelijke middelen gesmaad, belasterd en vervolgd werd, waarin gedurende een enkele maand 500 jaren gevangenisstraf voor majesteitsschennis werden uitgedeeld, was de partij gedwongen zich zoveel mogelijk te concentreren. Alle krachten in het Rijk gingen tegen haar samen, een ontzettende haat tegen haar werd aangestookt, en het was wel een bewijs hoe vast zij reeds wortelde in de arbeidersklasse, dat zij ondanks alles haar oude posities in de grootte steden wist te behouden en slechts 60.000 stemmen en 3 zetels verloor. De nieuwe Rijksdag, een volkomen gewillig instrument in de handen van Bismarck, nam als eerste daad de socialistenwet aan, de wet die alle openlijke verkondiging van communistische en socialistische theorieën onmogelijk maakte, alle verenigingen, kassen, en de in sociaaldemocratische geest geschreven bladen onderdrukte, daarenboven nog aan de politie de mogelijkheid gaf om waar zogenaamd de openbare orde en veiligheid gevaar liepen de kleine staat van beleg af te kondigen.

Nauwelijks was de socialistenwet ingevoerd, of de klopjacht op de arbeidersorganisaties begon. Alle politieke verenigingen en bijna alle vakverenigingen en vakbonden werden ontbonden. Alle politieke organen op twee na werden onderdrukt. Een groot aantal kassen viel in handen van justitie en politie. De kleine staat van beleg werd afgekondigd, eerst te Berlijn, later ook te Hamburg en Leipzig, zodat in die grootte steden jarenlang 3,5 miljoen mensen onder de krijgswet leefden zonder dat er iets van troebelen, opstootjes of wat dan ook aan de hand was. De krijgswet gaf aan de locale overheid de bevoegdheid om de leidende sociaaldemocraten uit te wijzen. Daarvan werd op ruime schaal gebruik gemaakt en in nog hoger mate dan de ontelbare veroordelingen tot gevangenisstraf en boete waren het de talrijke willekeurige uitwijzingen, welke met één slag plotseling het gehele burgerlijke leven van de getroffenen vernietigden, en een kolossale verbittering in het leven riepen.

De aanvankelijke effecten van de socialistenwet op de partij waren natuurlijk zeer sterk. Plotseling was zij buiten het gemene recht geplaatst. Het openlijke organisatieleven was totaal onmogelijk gemaakt. Een aantal van de meest vertrouwde leiders waren verbannen. Er verschenen bijna geen arbeidersbladen meer en de enkele die de storm waren ontkomen en nog in Duitsland werden uitgegeven, moesten uiterst mat en politiek kleurloos worden geschreven, om niet in de mazen van de wet te vallen. In die toestand van onderdrukking kon het niet anders of een anarchistische gezindheid moest wakker worden. Enige heethoofden, waarvan de meest bekende Most was, een Oostenrijks sociaaldemocraat, reeds herhaaldelijk voor zijn beginselen veroordeeld en zeer verbitterd, begonnen in de vreemde partijbladen uit te geven. Het blad van Most, de Freiheit, verscheen in Londen. Die bladen waren niet verantwoordelijk aan een organisatie, zij werden door verbitterde bannelingen geschreven en het is psychologisch zeer begrijpelijk dat die bannelingen niet anders konden doen dan de partijgenoten in Duitsland altijd aansporen tot een zeer revolutionaire houding, terwijl juist de grote leiders, zoals Bebel en Liebknecht, die in Duitsland waren gebleven, natuurlijk een sterk gevoel van verantwoordelijkheid hadden. Zij, die het bemerkten hoe de Duitse regering er naar streefde bij het proletariaat een uitbarsting van wanhoop, van woedende radeloosheid te provoceren en een bloedbad uit te lokken, zoals Thiers dit in Frankrijk had gedaan – later heeft men uit de correspondentie en memoires van Bismarck en andere personen kunnen aantonen dat hij dat inderdaad wilde, dat het hem niet genoeg was het proletariaat zijn organisatie te ontnemen, maar dat hij had gehoopt het voor de lopen van de repeteergeweren te krijgen – zij die zagen hoezeer het gewone partijleven totaal gedesorganiseerd was, hoe alle banden waren doorgesneden, zij moesten wel in de eerste plaats aandringen op gematigdheid, bezonnenheid, zelfbeheersing. De afkeer en verbittering, de volkswoede, die tegen de sociaaldemocratie was opgewekt door de demagogie van de regeringspers, meenden zij het best te kunnen ontwapenen door een zeer bezonnen, rustige, zelfs enigszins tamme houding van de partij, en in dat streven gingen zij aanvankelijk wel een beetje te ver. Terwijl de buitenlandse organen aan de opruiende kant over de schreef gingen, zocht de partijleiding daarentegen al te zeer door op een rustige, bezadigde houding aan te dringen, te redden wat nog te redden viel. De leiders wilden de partij stellen op de bodem van de uitzonderingswet. Zij wilden trachten, en verklaarden dat openlijk, de wet te eerbiedigen. Echter, die wet eerbiedigen was eigenlijk hetzelfde als een einde maken aan de propaganda van de klassenstrijd en het socialisme in vergaderingen en in de pers. Wilde men op de bodem van de wet staan, dan kon men, ja, nog wel hier en daar een klein beetje, heel voorzichtig de regering kritiseren, maar socialistische propaganda was uitgesloten. Het is feitelijk de massa, het zijn de reeds socialistisch geschoolde Duitse arbeiders zelf geweest, die voor de partij een uitgang uit die vicieuze cirkel hebben gevonden. De massa begon spontaan bij verschillende na-verkiezingen die er plaats vonden, weer in actie te komen. Zij gaf, door het succes dat het blad van Most in het begin had, te kennen hoezeer zij dorstte naar een vastberaden, wel bezonnen, maar tegelijk vastberaden houding. De verwarring die de wet aanvankelijk gesticht had, werd dan ook spoedig overwonnen. Op het eerste geheime congres, door de partij gehouden in het slot Wijden bij Sint-Gallen, in Zwitserland, was het door de houding van de massa aan de leiders duidelijk geworden welke weg men moest inslaan, wilde men niet het zaad dat het socialisme reeds zoveel jaren had uitgestrooid, laten vergaan. Men moest zich stellen op de grondslag van het algemene recht, waken tegen afwijkingen naar anarchistische kant, zich niet laten verleiden tot opstootjes of oproer, enz. maar aan de andere kant evenmin de uitzonderingswet eerbiedigen, zich niet storen aan het monsterlijke product van klassenhaat, dan voor de partij alle openbare werkzaamheid onmogelijk maakte. Het was dus een half wettige, half onwettige positie, waarin de sociaaldemocratie gedurende de jaren van de socialistenwet heeft verkeerd. Zij vormde geen geheime vereniging, speelde op geen manier samenzweerdertje, maar aan de andere kant, hield zij zich niet binnen de perken van de socialistenwet. Zij eerbiedigde deze niet, maar ontdook haar waar zij kon. In de eerste plaats bij de schriftelijke propaganda in de pers, die, zolang vergaderingen onmogelijk waren, haar gewichtigste strijd- en opvoedingsmiddel was. Te Wijden werd besloten, naast de betrekkelijk kleurloze bladen die in Duitsland konden verschijnen, een blad uit te geven in het buitenland, dat gewijd zou zijn aan de strijd tegen de tegenstanders, en aan de propaganda voor de sociaaldemocratische beginselen, en zou worden geschreven zoals men in een land waar burgerlijke vrijheid heerste, als sociaaldemocraat schrijven kon, maar zoals in Duitsland op dat ogenblik niet geschreven kon worden. Dat blad was de Sociaaldemocraat, sedert 1881 onder redactie van Bernstein te Zurich verschijnend. Het deed zeer veel voor de socialistische opvoeding van de arbeiders onder de socialistenwet. En zo slim werden de partijgenoten in het binnensmokkelen van dat verboden blad, dat na enkele jaren van oefening week in week uit meer dan 10.000 exemplaren onder de Duitse arbeiders verspreid werden.

Toen eenmaal de partij de goede koers weer had gevonden en ingezien hoe zij strijden en handelen moest onder de nieuwe omstandigheden, was om zo te zeggen de socialistenwet al overwonnen. Drie jaar nadat die wet in werking trad was zij feitelijk niet meer dan een in snippers gescheurd blad papier. Dat bleek bij de eerste algemene verkiezingen na haar uitvaardiging in 1881 gehouden. Ondanks het feit dat de sociaaldemocraten geen enkel strooibiljet konden verspreiden, geen enkele vergadering houden, op alle manieren onderdrukt en vervolgd werden, kreeg de partij nog 312.000 stemmen. Dat was 125.000 stemmen minder dan zij bij de verkiezingen van 1878 verworven had, maar toch, voor een partij die haar tegenstanders hadden gehoopt te verpletteren, die zij hadden getracht te vernietigen met al de machtsmiddelen van een moderne staat, bewees dat stemmenaantal, dat het zwaarste achter de rug was, dat zij te stevig wortelde in de Duitse arbeidersklasse om te kunnen worden vernietigd. De oude Engels schreef, toen de verkiezingscijfers hem bereikten, vol vreugde: “zo kranig heeft nog geen proletariaat van de wereld zich gehouden.”

Sedert die tijd ging de partij ondanks alle onderdrukking en vervolging geregeld vooruit. En spoedig kwam de tijd dat de wet enigszins milder werd toegepast en de regering, om een beetje zoet onder al die azijn te mengen, de eerste toebereidselen maakte de verzekeringswetten in te voeren, die zulk een voornaam onderdeel uitmaken van de Duitse arbeiderswetgeving. De tijd kwam dat de burgerlijke fracties vriendelijk gestemd werden tegen de arbeiders en de mond vol kregen over sociale hervormingen – zij begrepen hoe nodig het was te trachten de sociaaldemocratie de wind uit de zeilen te nemen.

De Duitse arbeiders lieten zich door het ene zo min vangen als door het andere. Zij hadden een te harde les gehad om nog aan de arbeidersvriendelijkheid van hun burgerlijke tegenstanders en van de regering te geloven. De stemmencijfers bij iedere verkiezing bewezen een voortdurende, onafgebroken vooruitgang van het socialisme. Bijzonder belangrijk waren de algemene verkiezingen van 1887; zij vonden plaats onder omstandigheden, in verschillende opzichten sterk overeenkomend met de verkiezingen van januari 1907. Het was Bismarck gelukt een groot deel van de middenstand, kleinburgers en boeren, op te zwepen onder de leus “het vaderland is in gevaar”. In Frankrijk heerste het boulangisme, waarvan straks meer, en Bismarck maakte gebruik van de Franse opgewondenheid om de Duitse Michel, dat is de Duitse kruidenier door het spook van een naderende oorlog met Frankrijk te verschrikken. De Duitsers moesten steeds hogere belastingen opbrengen voor leger en vloot. Bismarck wilde een nieuwe legerwet doen aannemen die de persoonlijke en financiële lasten weer verzwaarde, en hij kon zijn doel niet beter bereiken dan door de verkiezingen te laten plaatsvinden onder het parool dat men wanneer men de vrede wilde met Frankrijk, zich duchtig tot de oorlog moest voorbereiden, enz., het gewone geklets natuurlijk, waarmee burgers en boeren worden gevangen.

De verkiezingen hadden voor de sociaaldemocratie precies hetzelfde gevolg als de twintig jaar later onder de leus van de koloniale politiek gehouden verkiezingen van januari 1907, toen eveneens met uitzondering van het centrum, alle burgerlijke partijen samengingen. D.w.z. het gelukte niet de sociaaldemocratie wat haar aanhang betrof een duimbreed achteruit te dringen, zij behield al haar posities, zij verwierf 763.000, dat is 10 % van de uitgebrachte stemmen, maar zij verloor een groot aantal zetels, net als verleden jaar. Van 25 zetels kwam zij op 11, en, ook weer evenals verleden jaar, de tegenpartij stemde een algemeen vreugdegehuil aan, maakte zich blij met een dode mus, omdat de sociaaldemocratie 14 zetels had verloren. Enige jaren later kregen de tegenstanders hun streken thuis, zoals wij dat over een paar jaar in Duitsland ook weer zonder twijfel zullen zien in een kolossale toeneming van stemmen voor de sociaaldemocratie. Bij de verkiezingen van 1890 verkreeg de partij, voor de tegenstanders zeer onverwacht, het kolossale aantal van miljoen stemmen.

Reeds vóór die tijd was de socialistenwet gevallen. In de laatste jaren van haar bestaan was haar machteloosheid gebleken om de groei van de sociaaldemocratie in het minst tegen te houden. De sociaaldemocraten waren aan de wet gewend geraakt. Zij speelden met haar strengste bepalingen, zoals de kat speelt met de muis, en het maakte een gewoon onderwerp van discussie uit onder de partijgenoten wat eigenlijk gunstiger was voor de partij, te staan op de bodem van het gemene recht, of onder een uitzonderingswet. Daarenboven was het gevolg van de wet, die de arbeiders tot een staalharde massa samensmeedde, voor de heersende klasse zelf totale demoralisatie. De wet had tot een verschrikkelijk spionagestelsel geleid. De politie in het algemeen en in de eerste plaats de geheime politie was steeds meer uitgebreid geworden, en de staaltjes van de gemeenste provocaties van de politiespionnen – het waren natuurlijk allesbehalve moreel eerwaardige sujetten die daartoe werden verkoren – in de Rijksdag telkens en telkens in het volle licht gesteld, ondermijnden bij alle klassen en alle partijen de achting voor en het prestige van de regering. Dat voelden de leden van de regerende klasse zelf. Toen eenmaal bleek dat de uitzonderingswet de sociaaldemocratie niet kon wegvagen, niet kon onderdrukken, ja zelfs haar groei niet vertragen, toen werd het duidelijk dat die wet slechts tot schade strekte van degenen die haar hadden gemaakt en haar handhaafden. Voor het Duitse proletariaat was die wet een geweldige oefenschool. In en door die harde druk is de Duitse sociaaldemocratie geworden de partij van staal en ijzer, die wij kennen, de partij die zich door niets laat verschalken of verlokken, die zich evenmin laat verschrikken door de dreigementen, de straffen, door al de repressie van het gezag, als verlokken door het zoete gefluit van de vogelaar, door beloften van hervormingen enz.

Wat het aan de partij mogelijk heeft gemaakt in de onnatuurlijke toestand waarin zij verkeerde, want dat is het toch, als een partij, die miljoenen aanhangers telt buiten het gemene recht wordt gesteld, – toch gezond te blijven en te blijven groeien en bloeien, dat was het gebruik van het algemeen kiesrecht. Dat is zonneklaar, en wij kunnen hieruit zien hoe een bepaalde maatregel niet werkt op dezelfde manier onder alle omstandigheden, maar een geheel verschillende werking heeft al naar de hoogste graad van politiek bewustzijn, die een klasse reeds heeft bereikt. Wij hebben gezien hoe in Frankrijk onder Napoleon ook het algemeen kiesrecht heerste, maar geen vrijheid van pers, vergadering enz. Het gevolg was: ontzenuwing van het Franse proletariaat. Welnu, voor het Duitse proletariaat, omdat het al verder voortgeschreden was, meer socialistisch geschoold, meer bewust, was het gevolg van ongeveer diezelfde toestand geen ontzenuwing, maar, wij zouden kunnen zeggen, een staalbad. En wanneer wij nu in de laatste jaren wel eens vonden, dat abstract geoordeeld de Duitse partij, tenminste een groot deel van haar, al te zeer vast zat aan de parlementaire methode en dat het haar moeilijk viel te begrijpen dat die parlementaire strijdmethode niet ten allen tijde het enige of zelfs het voornaamste middel voor het proletariaat in zijn strijd kan zijn, maar dit slechts is gedurende een zekere fase, dan begrijpen wij nu ook hoe dat alles zo geworden is. Die zienswijze heeft een historische oorsprong. Het is het algemeen kiesrecht en het gebruikmaken daarvan, de parlementaire strijdmethode, die het aan het Duitse proletariaat mogelijk heeft gemaakt de socialistenwet te weerstaan en de machten, die haar gemaakt hadden, neer te slaan. Het is de parlementaire strijdmethode, die aan het ontrechte Duitse proletariaat mogelijk heeft gemaakt twaalf jaar lang te strijden tegen alle machtsmiddelen van de staat, zonder zich in de war te laten brengen, zonder te wanhopen, en ook zonder te vervallen tot overmoed. Het algemeen kiesrecht werkte als een graadmeter aangevend zowel de eigen kracht als die van de vijand, het toonde telkens aan het proletariaat hoeveel het was vooruitgegaan, dat het zijn vijanden achteruit duwde, het vervulde die vijanden langzamerhand met ontzag en schrik, vervulde daarentegen het proletariaat met zelfvertrouwen en moed en hoop, maar ook met bezonnenheid, omdat het tevens leerde dat zijn krachten nog maar betrekkelijk waren.

Zo sterk was de partij in die strijd tegen de regering geworden, zo zeer was zij van zelfvertrouwen vervuld en zo ontegenzeglijk werd zij, de buiten de wet gestelde, de vogelvrij verklaarde, reeds beschouwd als de leiding te hebben van de internationale arbeidersbeweging, dat zij het was die op het congres van St. Gallen het initiatief nam tot de stichting van een nieuwe Internationale, door de voorbereiding van een algemeen internationaal socialistisch congres.

Wij zullen nu een korter overzicht – want geen van de andere socialistische partijen heeft in dat tijdperk een zo grote betekenis als de Duitse – geven van de groei van het socialisme in de voornaamste Europese landen. Frankrijk en Engeland vragen in de eerste plaats onze aandacht. Het anarchisme in Frankrijk en de romaanse landen in het algemeen en de neerval van de trade-unions in Engeland hadden, zoals wij zagen in 1872 een grote stoot gegeven tot de dood van de oude Internationale. Hoe was het nu tegen de tijd dat de Internationale herboren werd, in die beide landen met de arbeidersbeweging gesteld?

Na de Commune maakte het Franse proletariaat zoals te begrijpen valt, een tijd door van volkomen machteloosheid en toen het zich enigszins begon te herstellen kon het – en dit geldt in het algemeen voor elke proletarische beweging die een knak gekregen heeft – zijn weg niet eenvoudig voortzetten daar waar hij afgebroken was, maar moest van het begin af opnieuw verschillende graden van ontwikkeling doorlopen, maar in veel sneller tempo dan de eerste maal. Na 1848 had het Franse proletariaat zestien jaar nodig gehad om zich weer op te werken tot een zelfstandige beweging. Na de Commune waren het er maar zes à zeven. Op het eerste arbeiderscongres na de Commune dat in 1876 plaats vond, bleek nog een treurig gebrek aan klassenbewustzijn en revolutionaire geest. Bijeengeroepen door liberale bourgeois, arbeidersvrienden zogenaamd, bepaalde dit congres zich tot het aannemen van verschillende resoluties over coöperatie, wederzijdse hulp, ziekenkassen enz. Omstreeks diezelfde tijd echter stichtte Jules Guesde, de onvermoeide organisator en opvoeder in marxistische zin van het Franse proletariaat, het socialistisch blad L’Egalité, (de Gelijkheid), en slechts enkele jaren later werd op het congres van Marseille een motie, vervuld van socialistische geest, aangenomen. In 1880 kwam het tot de stichting van de Franse Arbeiderspartij op marxistische grondslag, met een program door Lafargue en Guesde met behulp van Marx en Engels geredigeerd.

Dat het Franse proletariaat zich na de Commune zo betrekkelijk snel kon herstellen, lag voor een deel aan de economische ontwikkeling. De eerste jaren na de Frans-Duitse oorlog zijn voor Frankrijk jaren van snelle economische ontwikkeling geweest, feitelijk de laatste jaren van grote industriële vooruitgang, die dat land heeft gezien. Daarna werd het tempo van de ontwikkeling langzamer; het industriële leven en de concentratie van industriekapitaal raakte vergeleken bij die van Engeland, Duitsland, Noord-Amerika achterop.

Het was het verlies van Elzas en Lotharingen, de twee meest industriële provincies, die op het industriekapitaal na de oorlog als een krachtige stimulans werkte en de jaren tussen 1871 en 1880 maakte tot een tijdperk van sterke vooruitgang van de Franse industrie. In vele streken van Frankrijk, waar het moderne bedrijf zich nog niet vertoond had, werden nu fabrieken opgericht en binnen weinige jaren ontstond overal een industrieel proletariaat in de wijnbouw, textiel-, ijzer- en staalindustrie, enz.

Daarbij voegde zich als een revolutionerende factor de politiek van de heersende klasse. Na de Commune kwamen eerst de reactionairen aan het roer, enkele jaren daarna maakte de brede middenstand, de eigenlijke bourgeoisie, zich meester van de regering. In de opportunistische partij, wier parlementaire leider Ferry was, vond de Franse bourgeoisie haar politieke organisatie. Die partij gebruikte haar macht zoals de orleanisten dat onder Louis Philippe hadden gedaan, door op de meest schaamteloze wijze de inkomsten van de staat te verspillen. Zij verrijkte zich op alle mogelijke manieren, door de uitgaven voor oorlog en marine, door de bouw van spoorwegen, door koloniale expedities – ik herinner slechts aan die naar Tonkin – enz. De belastingen en de staatsschuld namen steeds toe. Het leger werd voortdurend uitgebreid. Eveneens de bureaucratie. De zware belastingen, nodig om de coupons van de staatsschuld en de militaire uitgaven te betalen, werden zoals vanouds, nog steeds in hoofdzaak opgebracht door de arbeidende klassen. Het was geen wonder dat het Franse proletariaat in beweging kwam en de propaganda van Guesde en zijn strijdgenoten in vruchtbare aarde viel.

Maar dit proletariaat was in zijn geheel nog lang niet bewust genoeg om de sociaaldemocratische partij te beschouwen als zijn klassenorganisatie. Een groot deel van de arbeiders leefde nog in kleinburgerlijke tradities, werd nog sterk beïnvloed door allerlei quasirevolutionaire, en een nog groter deel door republikeinse frasen. De burgerlijke republikeinen hadden en hebben tot op onze dagen sterke invloed op brede lagen van het Franse proletariaat behouden. Zo moest het geschieden, dat de door Guesde gestichte partij, de Parti Ouvrier, niet eensgezind kon blijven. Er waren in haar nog te veel verschillende elementen, te veel half-anarchistische, te veel ook burgerlijk-denkende arbeiders. De burgerlijk-denkende arbeiders, die nog geloofden aan de voorspiegelingen van de republikeinen en zich nog beschouwden als de linkervleugel van een algemene democratische partij, vonden hun leider in Brousse. Binnen enkele jaren kwam het tot twisten in de arbeiderspartij en tot scheuring. Brousse met zijn aanhang trok er uit en stichtte een nieuwe partij, die van de possibilisten. Dat was in 1882. Enkele jaren daarna kwam het in die partij alweer tot scheuring. Een groep proletariërs, naar de leider allemanisten genoemd, stichtte wederom een nieuwe partij, die in Parijs nogal invloed kreeg. Dat waren er dus drie. Daarnaast bestond nog altijd de oude partij van Blanqui, die in vele opzichten met de marxistische ideeën en tactiek meeging, maar waarin toch nog allerlei overleveringen van de mogelijkheid zich door samenzwering plotseling meester te maken van het gezag, rondspookten. Vaillant was de voornaamste leider.

De groei van het socialisme werd in het midden van de jaren negentig, gedurende een tijd sterk tegengehouden door de opkomst van de zg. “brave général”, Boulanger, of liever door het sociale verschijnsel van het boulangisme. De ouderen onder u zullen zich nog wel herinneren de liedjes, die gemaakt en in de Nes druk gezongen werden op de “dappere generaal” op het witte paard. Dat was een flauwe weerklank van de kolossale politieke opwinding, die in die jaren in Frankrijk heerste. Die generaal Boulanger was helemaal geen buitengewoon politicus; hij heeft ook nooit gelegenheid gehad enige genialiteit als veldheer ten toon te spreiden. Het is dus duidelijk, dat het sociale omstandigheden waren, bijzondere verhoudingen, die de razende, ongelofelijke populariteit, die hij een tijdlang genoot, veroorzaakten.

Die sociale omstandigheden en verhoudingen waren enerzijds dat de opportunisten zo geweldig het land uitmergelden, anderzijds dat de sociaaldemocratie nog niet krachtig genoeg was om de gehele democratische oppositie daartegen in zich op te zuigen. Dat kan alleen het geval zijn wanneer de sociaaldemocratie groot aanzien geniet, zoals in Duitsland. De Duitse partij heeft enkele jaren geleden een krachtige campagne gevoerd tegen het nieuwe toltarief, hoge inkomende rechten, broodwoeker enz. Wij weten wel, dat het niet allen arbeiders zijn, die in die agitatie meegingen en bij verkiezingen met haar meegaan. Wij weten dat een deel van de kleinburgers, wanneer zij door een of andere reden plotseling bijzonder ontevreden en rebels worden, tot de sociaaldemocratie worden aangetrokken als tot de enige sterke, consequente, welbewuste oppositiepartij en haar dan volgen. Zo ging het in Duitsland bij de verkiezingen in 1903, zo kan het morgen misschien weer gaan. Maar in Frankrijk is het helaas nog niet zo ver en was het twintig jaar geleden nog in het geheel niet zo ver. De partij had niet de sterke aantrekkingskracht, die haar kon maken tot de kern van een grootte oppositiebeweging. Vandaar dat verschillende klassen, die ontevreden waren met de heerschappij van de bourgeoisie, en een kandidaat voor een nieuw regeringsstelsel nodig hadden, zich verenigden in Frankrijk is men zeer gevoelig voor de roem, “la gloire”, en ook voor een mooie man met een lange knevel op een mooi paard, op generaal Boulanger. De reactionairen van allerlei slag, de royalisten en bonapartisten droegen veel bij tot versterking van de boulangistische agitatie. Een deel van het platteland en vooral ook een aanzienlijk deel van de kleinburgers werd door die beweging aangegrepen. Dat was een treurig teken. Het bracht aan de dag het verval van de kleinburgerij, die in Frankrijk vroeger zo vaak samengegaan was met het proletariaat in tijden van maatschappelijke beroering, die wanneer zij niet tevreden was met de regering, zelf revolutie had gemaakt, had gedemonstreerd, barricaden gebouwd, gestreden, en de regering ten val gebracht. De kleinburgerij had, bleek nu, haar ruggengraat verloren. Dat kwam voor een groot deel door de economische ontwikkeling. Het grootbedrijf had zich meester gemaakt eerst van de industrie, daarna ook van de warenhandel, en de kleine, onafhankelijke winkeliersstand, vooral te Parijs, la boutique, zoals de Fransen zeiden, was de kern van de onafhankelijke geest, van de potigheid van de kleinburgerij geweest. Wij kunnen zeggen dat Louvre en Bon Marché en Le Printemps, die reusachtige magazijnen, die Zola zo prachtig heeft beschreven, een einde hebben gemaakt aan de revolutionaire zin en de onafhankelijkheid van de Franse en vooral van de Parijse kleinburgers, tenminste zeer sterk hebben gewerkt in die richting. De kleinburgerij kon zich nu, evenals de boeren, niet meer zelf verlossen, zij kon zelfs niet meer voor een ogenblik de ruiter afwerpen die haar te zeer benauwde. Zij bezat niet langer de daartoe nodige revolutionaire fut en kracht en begon uit te zien naar een verlosser van boven. Daarom verenigde zij zich met andere klassen in de boulangistische agitatie, die zich het omverwerpen van de republiek ten doel stelde.

Het proletariaat, het was duidelijk, had niets te hopen, noch van Boulanger en de klassen achten hem noch van de opportunisten. Het moest tegenover beiden even vijandig staan. Maar het Franse proletariaat was nog niet bewust genoeg om dit duidelijk te zien. De possibilisten, de partij van Brousse, lieten zich verleiden, juist zoals dat later bij de Dreyfuszaak is gebeurd, de staart te vormen van de burgerlijke democratie. Zij sloten met de burgerlijke radicalen het “Republikeinse Verbond”, zij verenigden zich met hen in het “Gezelschap tot verdediging van de mensenrechten”. Al diezelfde dingen hebben wij omstreeks 1900 nogmaals beleefd. De broussisten namen zelfs van het gouvernement, van die door en door corrupte bourgeoisie, van die gehate opportunistische partij, geheime fondsen aan voor de partijpers. Het was alleen de Parti Ouvrier van Guesde, die, zoals dat altijd het geval is met een partij, die stevig staat op de grondslag van het marxisme, stand hield in de storm en wist wat te doen, die wél Boulanger bestreed en de half-reactionaire half-kleinburgerlijke beweging, die achter hem optrok, maar geheel zelfstandig streed en zich niet liet verleiden de slippendrager te worden van de bourgeoisie, die in de actie aan het proletariaat duidelijk trachtte te maken dat de een niet beter was dan de ander, dat het enige voordeel en de enige deugd van de republiek in socialistische ogen alleen hieruit bestond, dat in haar de klassenstrijd, de klassentegenstellingen tussen proletariaat en bourgeoisie het meest onverholen tot uiting kwamen.

De boulangistische opgewondenheid hield, zeiden wij, een tijdlang de vooruitgang van de sociaaldemocratie, van de zelfstandige klassenbeweging van het proletariaat in Frankrijk tegen. In Parijs het meest, in de provincie minder. Toen echter de zeepbel van het boulangisme gebarsten was en de opportunisten weer aan het roer kwamen, beleefde de partij opnieuw een goede tijd, in het begin van de jaren negentig begon een grote opleving van het socialisme. Maar toen in 1889 het eerste internationaal congres te Parijs werd gehouden, was het voor de Franse sociaaldemocraten nog een vrij moeilijke tijd. De possibilisten hadden reeds enige afgevaardigden in het parlement, maar de guesdisten waren nog niet zover. Wel was Vaillant, een van de leiders van de blanquisten gekozen in de Parijse gemeenteraad en werkte daar geheel in marxistische geest. In ieder geval, en dat was het grote verschil tussen het Frankrijk van 1872 toen de Internationale werd opgeheven en het Frankrijk van 1889, er bestond nu een klassenbewuste arbeiderspartij. Die partij was weliswaar nog niet de enige socialistische, zij had nog niet het gehele strijdende deel van het Franse proletariaat in zich opgenomen, de eenheid van tactiek was nog niet bereikt, maar er was toch reeds een partij tot stand gekomen en betrekkelijk sterk geworden, vooral in het industriële noorden, in Rijsel, Roubaix, enz. in de streek waar ook nu nog de hechtste en meest klassenbewuste organisaties bestaan telde zij vele aanhangers die geheel en al op sociaaldemocratische grondslag stond.

Het ontstaan van de Franse vakbeweging valt gedurende de jaren, dat er voortdurend twist en scheuring was onder de socialistische partijen, en er niet minder dan drie of vier verschillende groepen bestonden, die onophoudelijk in twist met elkaar lagen. Het is duidelijk dat het overbrengen van die twisten, zoals aanvankelijk geschiedde, in de boezem van de vakverenigingen, een zeer slechte invloed op hun groei moest hebben vele arbeiders van toetreding tot de vakbeweging zou afhouden en dat daardoor de leus: neutraliteit in de vakbeweging, als een levenseis voor haar op de voorgrond kwam. Wij zien in onze eigen dagen, hoe die leus onder soortgelijke omstandigheden, in Rusland door een deel van de sociaaldemocraten wordt aangeheven. Echter behield aanvankelijk, ofschoon alle directe, organisatorische banden tussen de partij en de vakbeweging werden doorgesneden, om deze laatste niet te belemmeren in haar groei, de Parti Ouvrier toch sterke invloed op de vakbeweging. Eerst veel later, onder de invloed van een tweede tijdperk van twisten in het Franse socialisme, die uit het geval-Millerand en de politiek van Jaurès voortkwamen, wisten de anarchisten zich van de vakbeweging meester te maken en onder de leus neutraliteit in de vakbeweging, deze te vervullen met antisociaaldemocratische geest.

Intussen had de economische en politieke ontwikkeling ook de Engelse arbeidersbeweging op banen gebracht, geheel verschillend van die waarop wij haar bij de ondergang van de Internationale verlieten. Ten tijde van die ondergang was nog in volle kracht het stilzwijgend bondgenootschap, dat lange jaren in Engeland tussen de liberale partij en de trade-unions bestond. Het was het monopolie van Engeland op de wereldmarkt, dat tot een dergelijk onnatuurlijk bondgenootschap had gevoerd. De bevoorrechte positie van de Engelse industrie, gaf aan de Engelse arbeiders zekere voordelen boven hun klassengenoten van andere landen. Naarmate de industriële ontwikkeling voortschreed in meerdere landen, kwam aan Engelands monopolie een einde. De concurrentie van het vasteland werd aldoor van meer betekenis, en in 1876 kwam het tot een langdurige stagnatie in een aantal vakken, voornamelijk in de textielindustrie. Tegenover het oude trade-unionisme begon in de arbeiderswereld een nieuwe geest op te komen. Dat oude exclusieve trade-unionisme, zoals wij het in de tijd van de Internationale aan het werk hebben gezien, had een vurige politieke strijd gevoerd voor de verbetering van de rechtelijke en wettelijke positie van de vakverenigingen. Het had in die strijd overwonnen. Het was er zelfs in geslaagd in 1875 ook de wetten die stakingen bemoeilijkten afgeschaft te krijgen. Het vakverenigingswezen had een vaste, goed geregelde positie verworven, waarbij de strijdkassen van de arbeiders geheel onaantastbaar waren. Het stond daarenboven ook in de gunst bij de openbare mening. Het was tot een onderdeel van het Engelse industrialisme geworden. De patroons hadden geleerd er rekening mee te houden en hadden er zich mee verzoend. De publieke opinie beschouwde de leden van de trade-unions niet langer als halve oproermakers en de liberale partij zag niet meer met lede ogen, maar integendeel met zekere voldoening naar de sterke economische organisatie van de arbeiders, die hen, naar zij meende, afhielden van de dwaze en onpraktische dromerijen die de arbeiders van het vasteland meesleepten. Voor deze begunstigde positie had de Engelse arbeidersklasse een hoge prijs betaald. Het deel van haar dat in de trade-unions georganiseerd was, de elite van de arbeiders, had zijn klassenbewustzijn verloren. Dit verlies kwam o.a. scherp uit in het aanvaarden door alle grootte trade-unions van de zg. glijdende loontarieven. Daardoor was de gemeenschappelijkheid van belangen tussen de ondernemersklasse en de arbeiders erkend, en deze erkenning stelde de Engelse kapitalisten gerust en was voor hen wel enige offers waard. Het georganiseerde deel van de arbeiders, de aristocratie van de arbeid, bekommerde zich alleen om ogenblikkelijk voordeel, streed slechts de belangenstrijd, maar niet de klassenstrijd. De vakverenigingen lagen onophoudelijk in twist met elkaar over de grondregeling van aan elkaar verwante bedrijven. Een enge, bekrompen gildegeest heerste.

Naast de betrekkelijk nog kleine schaar van georganiseerden wroette, zwoegde en leed de grootte massa, de 90 % ongeorganiseerden, 9 van de 10 miljoen Engelse arbeiders, de ongeschoolden, die door hun bevoorrechte klassegenoten in de steek waren gelaten en die niet de fut, niet de kracht hadden, niet de kracht van lichaam en niet de kracht van geest, zich op te heffen, die plooiden in doffe wanhoop, te beroerd en onwetend om te strijden voor verbetering van hun positie en die in hun donkere nacht geen enkele lichtstraal zagen. Voor hen was het alsof de beweging van het trade-unionisme niet bestond, of al die jaren van politieke en economische strijd, al dat opofferende werk in de organisaties, al die vooruitgang van het kleine deel van de arbeiders, niet bestonden.

Wat daar een eind aan maakte, wat het Oosteinde van Londen, troosteloze woestenij van steen, waar honderdduizenden radenlozen bijeenhokten, uit zijn wanhoop deed ontwaken, dat was het socialisme. Voor het eerst sedert de dagen van Robert Owen, voor het eerst sedert ruim dertig jaar, kwam het omstreeks 1880 weer tot een socialistische opleving in Engeland, als een gevolg zowel van de sterke economische depressie in Engeland zelf als van de strijd en vooruitgang van de sociaaldemocratische partijen op het vasteland, van de Duitse partij in de eerste plaats. In 1882 werd de Sociaaldemocratische Federatie opgericht. Evenals in Frankrijk kwam het in die eerste Engelse sociaaldemocratische partij spoedig tot splitsing en scheuring. De Federatie werd geleid door Hyndman. William Morris trok er met een aantal halfanarchistische elementen na enkele jaren uit en grondde de Socialistische Liga. Die twee bestookten elkaar natuurlijk heftig, maar wedijverden in enthousiasme, vuur en opofferingsgezindheid, zoals dat doorgaans in een jonge socialistische beweging het geval is. De Engelse sociaaldemocraten begonnen in die dagen hun vermoeiende en soms gevaarlijke propaganda in de open lucht, aan de hoeken van straten en op pleinen, een vorm van propaganda die zij lange jaren hebben voortgezet en die, al is het ook veel later dan zij verwachtten, toch gebleken is goede vruchten te dragen. Zij alleen wenden zich tot de ellendige, van allen verlaten en verstoten losse arbeiders, die bij honderdduizenden opeengehoopt waren in het oosten van Londen. Zij gingen dag aan dag in de vroegen morgen naar de dokken en spraken daar de als wilde beesten om arbeid vechtende mannen toe; zij brachten hun het socialisme. Aan het socialisme is de wedergeboorte van het ongeschoolde Engelse, en vooral Londense proletariaat te danken, evenals de gehele beweging van het zg. nieuwe unionisme. Het waren ook de Engelse socialisten, die zich in jaren van zware crisis, in 1886 en 1887 aan het hoofd van de werklozen stelden. Die werklozen waren voor een groot deel geen georganiseerde, het waren ook geen bewuste arbeiders, er was nog heel wat lompenproletariaat onder en het was niet altijd gemakkelijk om de juiste vorm van demonstraties te vinden, maar dit alles hield de socialisten niet af van hun klassenplicht. In 1887 kwam het tot ernstige opstootjes, bij gelegenheid van een, door de politie verboden demonstratie op Trafalgar Square, die verschillende arrestaties en processen en het verbod van verdere demonstraties op dat plein tengevolge had. Dat alles heeft in die jaren veel gedaan voor de groei van de socialistische beweging, en het is geen wonder, dat ook Engels die beweging een tijdlang al te optimistisch inzag. Hij geloofde, en hij had grond om te geloven, dat Engeland reeds stond aan de vooravond van de vorming van een sterke, onafhankelijke arbeiderspartij, dat de socialistische propaganda al diepe wortels had geschoten en het tot een onafhankelijke klassenpolitiek van arbeiderszijde spoedig komen zou. De ontwikkeling heeft doen zien dat ook dat proces weer veel langer duurde dan het toen scheen.

In 1888 en 1889 kwam de grote opleving waarvan ik reeds sprak van de ongeschoolde arbeiders in het oosten van Londen. Groep na groep en bedrijf na bedrijf kwam in beweging en behaalde voordelen. Eerst waren het de lucifersarbeidsters, die in staking gingen. Daarna kwam het tot een agitatie onder de confectiewerkers, dubbel en dwars uitgezogen proletariërs, voor een groot deel Poolse en Russische Joden. Zij trokken in optocht door de stad, en terwijl men gevreesd had dat zij, die somtijds als loondrukkers waren opgetreden, uitgejouwd zouden worden, werden zij door de arbeiders, overal waar zij zich vertoonden met meewarigheid en sympathie begroet. Het klassegevoel begon luid te spreken! Daarna begonnen de arbeiders aan de gasfabrieken een agitatie, tot staking behoefden zij niet over te gaan, want hun eisen werden vrij spoedig ingewilligd. Het tot stand komen van een sterke vakbond was het resultaat van deze beweging. Tenslotte kwam het tot een geweldige uitbarsting van de Londense havenarbeiders, die de halve wereld in rep en roer bracht. Kolossaal vloeide de steun van alle kanten, tot van Australië toe. Ook in burgerlijke kringen was er sympathie voor de havenarbeiders. Hun overwinning gaf de stoot tot het ontwaken van het havenproletariaat in Hamburg, in Frankrijk, en in ons eigen land tot de eerste grote havenarbeidersstaking in Rotterdam.

Het is waar, niet geheel door eigen kracht hadden die ongeschoolde arbeiders van diverse categorieën overwonnen; een groot deel van de burgerlijke opinie had zich voor hen verklaard. Het was door hun zwakheid ten dele, dat zij zegevierden. Maar de overwinning maakte het hun mogelijk die zwakheid in kracht te veranderen; een geweldige beweging tot organisatie ging door hun rijen, en die beweging vond om haar te leiden, zoals zij reeds de stakingen geleid hadden, enkele mannen van sterk organiserend talent, mannen, die, opgevoed in de leerschool van de grote oude vakbonden, het met de weinig aanvallende tactiek van deze steeds minder eens waren geworden, en in hun eigen vakbond, die van de metaalbewerkers, als het ware de vaan van het nieuwe unionisme, van de nieuwe geest, van de nieuwe idee, hadden geplant. De begaafdsten waren John Burns en Tomm Mann.

Nog andere tekenen vallen te noemen van de nieuwe aspiraties, die bij een deel van de Engelse arbeiders begonnen op te komen, zoals bv. het kolossale succes van het beroemde boek van Henry George, Vooruitgang en Armoede, dat geweldig insloeg. De Webbs in hun Geschiedenis van de vakbeweging noemen de grote beweging die door het Engelse proletariaat ging een gevolg van Vooruitgang en Armoede, maar dat is naar het mij voorkomt oorzaak en gevolg omkeren. Wanneer in dat proletariaat niet de sterke drang naar iets nieuws, niet een neiging tot het socialisme geleefd had, dan had dat boek, waar natuurlijk ook wel weer een kracht van uitging, niet zo sterk kunnen inslaan.

De geest in de nieuwe trade-unions begon door te werken op de oude, de aristocratische. Het maakte indruk op de oude leiders van het aristocratische trade-unionisme, dat binnen een jaar tweehonderdduizend mannen, vrouwen en meisjes, die zij voor niet in staat zich te verenigen hadden gehouden, door Mann, Burns en anderen in de nieuwe vakverenigingen georganiseerd werden. Zij hadden die mensen altijd alleen beschouwd als loondrukkers en loonbedervers. Nu bleek dat zij strijdvaardige arbeiders waren, arbeiders met heel wat meer strijdvaardigheid dan zij zelf. Het zou mij hier te ver voeren de grote punten van verschil tussen het oude en het nieuwe unionisme uiteen te zetten. In het boek van de Webbs kan men dat alles zeer goed nalezen. De nieuwe verenigingen hadden minder ondersteuningsfondsen, zij beschouwden zich voor alles als strijdverenigingen. Dat kwam natuurlijk ook daaruit voort, dat het arbeiders waren met zeer lage lonen, die nu in beweging kwamen, dat dus ook slechts een geringe contributie kon worden betaald.

Wij zijn hier al een weinig vooruitgelopen. Tegen dat het congres van Parijs zou plaats vinden was de beweging van de ongeschoolde arbeiders in Londen nog lang niet op haar hoogtepunt gekomen. Zij bevond zich nog in volle gang. Maar juist het feit dat zij zich in volle gang bevond, maakte dat de sociaaldemocraten van alle landen de Engelse beweging, de Engelse kameraden met dubbele geestdrift op het internationaal congres konden begroeten. Zolang hadden de trade-unions zich in zelfzuchtige, bekrompen hovaardigheid van de internationale arbeidersbeweging afgezonderd gehouden, zolang hadden zij niets willen weten van die socialistische dromerijen, nu begon dat te veranderen en die verandering leek heel snel te gaan.

Weliswaar was er nog geen eigenlijke zelfstandige arbeiderspartij. De kleine Sociaaldemocratische Federatie en de andere socialistische organisaties waren nog slechts propagandagenootschappen, verenigingen zonder politieke macht. De Engelse arbeiders konden die macht, zo zij wilden, uitoefenen. In 1884 had een kiesrechtuitbreiding plaats gevonden, die het aantal kiezers van ongeveer 2 1/4 op 5 3/4 miljoen bracht. Dat was ook een factor die meewerkte om de hoop te wekken op een grote nabije toekomst van de Engelse arbeidersbeweging, georganiseerd in een sociaaldemocratische klassenpartij. De Engelse regering zelf begon onder invloed van de opleving van strijd in het proletariaat, aan sociale politiek te doen. Op het eind van de jaren tachtig werd een grote regeringsenquête gehouden naar de huisindustrie, vooral onder de bedrijven in welke het zg. zweetstelsel heerste. Als gevolg daarvan kwam in het begin van de jaren negentig een flinke uitbreiding van de arbeidswetgeving op die bedrijven tot stand. Ik vestig er nogmaals de aandacht op dat én in Duitsland én in Engeland én ook in kleine landen zoals Nederland, dat ik in deze cursus natuurlijk niet zal behandelen, de heftige, onstuimige, zeer veel eisende, vooral niet bescheiden in zijn eisen optredende klassenstrijd van het tijdperk dat wij nu behandelen overal de stoot heeft gegeven tot het tot stand komen of de verbetering van de arbeidswetgeving. Het is goed dat in te zien, goed ons te doordringen met het bewustzijn dat het vooral niet is een gematigd en bescheiden en voorzichtig optreden, een vooral toch niet overvragen en vooral toch zich doen kennen als zulke redelijke mensen waar men zo goed mee praten kan, dat het niets van dat alles is, maar een standvastig en onverbiddelijk staan op het klassenstandpunt, een voor de dag komen met de volle eisen van het proletariaat, wat tot inwilliging van praktische eisen, tot directe lotsverbetering voert.

Ik heb u nu van de drie grootte landen, de kern leverend van de troepen, welke zich aaneensloten tot een groot leger op het congres van Parijs, de ontwikkeling laten zien. Ik wilde dat ik u een algemeen overzicht kon geven van de gehele Europese arbeidersbeweging van die dagen, maar met het oog op de tijd is dat onmogelijk. Ik moet mij dus verder tot enkele korte aanwijzingen bepalen. Ook in België was een politieke partij ontstaan, die wel niet geheel theoretisch stond op marxistisch standpunt, maar toch in de praktijk vrijwel daarnaar handelde. In dat land, gelegen in het hart van West-Europa, openliggende voor zoveel geestelijke invloeden, had de arbeidersbeweging reeds in de dagen van de Internationale getracht een synthese, een samenvatting te leveren van de ideeën van Marx en van Proudhon, en wij kunnen zeggen dat het kind een beetje een bastaardkind dat uit dat huwelijk is geboren de coöperatie is geweest. De coöperatie heeft zeer veel nuttigs, maar als voornaamste vorm van organisatie van het proletariaat, zoals in België het geval is, is zij zeker, de ervaring heeft het bewezen, niet de beste vorm van organisatie. Zij heeft wel het niet te onderschatten voordeel van snel door de materiële voordelen die zij biedt, een groot deel van het proletariaat te verenigen, maar zij brengt niet de oefenschool, niet de school van bewustzijn en van ontwikkeling, zoals de vakbeweging en de politieke actie dat doen. Maar naast de coöperatie was toch ook in België een politieke beweging ontstaan, die juist in die jaren de actie voor het algemeen kiesrecht met geweldige kracht voerde en rechtstreeks naar dat doel optrok. In het volgende tijdperk zullen wij daarop terugkomen, omdat de Belgische beweging voor het eerst ter verovering van het algemeen kiesrecht heeft aangewend het grote wapen, dat in latere tijden blijken zal zulk een gewichtig wapen in de proletarische klassenstrijd te zijn, het wapen van de staking in massa.

Ook in Oostenrijk was na allerlei slingeringen, na een tijd waarin het anarchisme een sterke invloed had gehad, eindelijk een eendrachtige partij ontstaan, een partij, die vooral in Duits-Oostenrijk reeds op een tamelijke aanhang kon bogen.

In Denemarken was de lijn na de ondergang van de Internationale eigenlijk nooit geheel afgebroken geweest. De sociaaldemocratie had er zich na een korte revolutionaire periode in het begin van de jaren zeventig, geregeld en geleidelijk ontwikkeld. Een poos had zij een verbond gesloten met de kleinburgerij en was daardoor enigszins verwaterd, maar tegen de tijd dat het internationale congres gehouden werd was dat verbond weer tot een eind gekomen. Een nieuw blad was opgericht, dat zich speciaal de socialistische opvoeding van de arbeiders tot doel stelde. De partij telde reeds 12.000 leden en het partijdagblad, Sociaaldemocraten, had, toen twintig jaar geleden in het kleine Denemarken, reeds 20.000 abonnees, waaronder echter vele kleinburgers, daar het nog vrijwel in kleinburgerlijke geest werd geschreven.

Dat zijn de voornaamste landen, die naast de drie grootte, hulptroepen leverden aan het grootte arbeidersleger op het congres van Parijs. Daarnaast stonden dan nog Holland, waarvan de kracht en de zwakheid van de beweging u bekend is, de andere Scandinavische landen, waar nog slechts zeer zwakke sociaaldemocratische partijen bestonden, Italië en Spanje, waar eveneens eerst in de laatste jaren, in 1887 en 1888, sociaaldemocratische arbeiderspartijen tot stand gekomen waren, die nog zeer sterk in de minderheid waren tegenover de anarchistische groepen en verenigingen, tenslotte Rusland, dat nog weinig sporen van een eigenlijke arbeidersbeweging had. Zijn vertegenwoordiger Lawrof verklaarde op het congres te Parijs, dat de Russische afgevaardigden nog geen arbeidersorganisatie vertegenwoordigden. Toch bestond reeds sedert enige jaren de eerste Russische sociaaldemocratische vereniging, de “Groep van de Arbeid”, gesticht door Plechanov, Leo Deutsch, Vera Sassulilsch en Axelrod. Het was op dat congres van Parijs, dat Plechanov het gedenkwaardige woord sprak, zich kerend tegen die groepen in het Russische socialisme, welke nog altijd alle heil verwachtten van het socialisme van de boeren, gelovend dat de boeren en niet de arbeiders de kern van een revolutionaire partij zouden vormen: de Russische revolutie zal zegevieren als arbeidersbeweging of zij zal niet zegevieren. Het zou nog vele jaren duren voor in Rusland een werkelijke arbeidersbeweging, een moderne proletarische beweging opkwam, maar steunende op het wetenschappelijk marxistisch inzicht in de wetten van de maatschappelijke ontwikkeling, wisten de Russische sociaaldemocraten de gang van de beweging in hun land reeds toen te voorspellen.

Gij ziet dus hoe het stond met de krachten, die op het congres van Parijs elkaar vonden. Er was, gedurende de zestien jaar na de val van de Internationale, door de grootte massa van de strijdende arbeiders, eenheid van beginsel en van tactiek bereikt. Die eenheid was nog niet volkomen. Nog stonden grootte groepen, bv. in Frankrijk de possibilisten, buiten haar. Het gelukte aan deze groepen nog een soort tegen-congres bijeen te krijgen, dat echter duidelijk door zijn onbeduidendheid bewees hoe het marxistische congres de massa van het strijdende proletariaat omvatte. Zoals wij gezien hebben was het nog slechts in enkele landen werkelijk een groot leger dat opmarcheerde. In West- en Midden-Europa was zijn hoofdmacht geconcentreerd, in andere landen waren nog maar enkele voorposten, kiemen van organisatie aanwezig, maar ondanks alles leverde het congres een verheffend bewijs van de enorme vooruitgang, die de eenheid van socialisme en arbeidersbeweging in de laatste achttien jaar had gemaakt.

De onmiddellijke aanleiding tot het congres gaven de toenemende bemoeiingen van de regeringen op het gebied van de arbeidswetgeving. Om hun onwil flinke maatregelen te nemen, te verbloemen, beriepen zij zich bij voorkeur op de internationale concurrentie; dit maakte het nodig dat het bewuste internationale proletariaat bijeenkwam en duidelijk positie inzake de arbeiderswetgeving nam. Deze omstandigheid, naast het feit van een grote wapenschouwing te zijn van de proletarische strijdmachten, gaf het hoofdkarakter en de eigenlijke betekenis aan het congres van Parijs. Het was voornamelijk decoratief, d.w.z. het proletariaat demonstreerde in de eerste plaats zijn reeds bereikte macht en eenheid. Wat de arbeiderswetgeving aangaat, na een inleiding van Bebel werd een resolutie aangenomen die de algemene klasse-eisen van het internationale proletariaat, zowel dat van de economisch minder, als dat van de meer ontwikkelde landen formuleerde. Tevens werd besloten om ieder jaar op 1 mei te demonstreren voor de achturendag. Het plan van zulk een demonstratie was niet spontaan in het brein van de te Parijs vertegenwoordigde arbeiders opgekomen. De sterkste organisatie van het Amerikaanse proletariaat, de Knights of Labour, (ridders van de arbeid), hadden het denkbeeld van een jaarlijkse demonstratie op 1 mei voor de 8-urendag reeds eerder in praktijk gebracht.

Vanaf het congres van Parijs begint een nieuwe fase in de proletarische beweging. Het proletariaat heeft zich opnieuw internationaal verenigd. In de voornaamste landen is de eenheid van tactiek bereikt en schitterend gedemonstreerd, de eenheid van die tactiek, welke Marx en Engels sedert de dagen van het Communistisch Manifest voor de enige doeltreffende hadden verklaard. De neigingen en krachten, die leidden tot het uiteenspatten en de ondergang van de oude Internationale, zijn verwonnen [gewonnen? – MIA] door de maatschappelijke ontwikkeling zelf. De noodzakelijkheid werd ingezien dat wel ieder proletariaat als nationale partij georganiseerd in eigen land tegen zijn eigen bourgeoisie bleef strijden, maar dan tevens al die strijdende delen van één geheel zich ook werkelijk als zodanig beschouwden, zich beschouwden als bataljons, als vleugels van een leger. De ontwikkeling heeft aan de arbeiders duidelijk gemaakt, dat de bourgeoisie als heersende klasse nog slechts internationaal, door internationale verstandhouding, en door toenemende internationale gelijkheid van tactiek, door het proletariaat kan worden overwonnen. Wij zullen in het volgende tijdperk zien hoe het deze opvattingen zijn, die door de ontwikkeling zelf voortdurend worden versterkt.

Vijfde voordracht (1889 – 1900)
Voortzetting van de politiek-parlementaire methode
Uitbreiding van en veranderingen in het kapitalisme

Toehoorders!
Het tijdperk dat wij vanavond zullen behandelen is rijk aan tegenstrijdige neigingen en krachten. Tegen het einde van de jaren tachtig en in de eerste jaren daarna, schijnt de heersende klasse een aanloop te nemen tot sociale hervormingen en een democratische ontwikkeling te beginnen. In verschillende landen neemt de radicale vleugel van de burgerlijke democratie aan kracht toe. Ook in ons land beleven wij gedurende enige jaren een bloeitijd van het burgerlijk radicalisme. In Duitsland valt de socialistenwet, Bismarck verdwijnt van het toneel, een nieuwe koers schijnt te beginnen, aangekondigd in de bekende Februarimanifesten van Keizer Wilhelm II bij zijn troonsbestijging. Sociale hervormingen worden beloofd, een klein begin wordt gemaakt met de uitbreiding van de arbeidswetgeving, en de hoge inkomende rechten worden een weinig verlaagd. Handelsverdragen met andere landen werden gesloten enz. In Engeland zien wij soortgelijke fenomenen. De regering neemt een krachtige aanloop tot sociale wetgeving. Bij verschillende partijen schijnt de neiging voorhanden, aan te sturen op een achturendag voor alle staats- en gemeentewerklieden. In België zien wij de liberalen zich aansluiten bij de radicalen en socialisten in de agitatie voor het algemeen kiesrecht. Bij de politieke staking van 1892 die dat kiesrecht wil afdwingen – wij komen er de volgende keer in een ander verband nog op terug – staan vele liberale werkgevers aan de zijde van de arbeiders. Wat ons land betreft breng ik in herinnering de opleving van het radicalisme, zich uitend in het kiesrechtontwerp-Tak van Poortvliet en de krachtige, al te spoedig verlamde vleugelslagen van de burgerlijke democratie.

In weinige jaren echter blijkt dat al die aanlopen tot niets leiden. De korte era van de sociale hervormingen wordt afgesloten. De zegevierende ontwikkeling van de burgerlijke democratie is spoedig gestuit en reeds in het midden van de jaren negentig kunnen wij opnieuw een andere koers constateren, een koers ditmaal duidelijk gericht naar de reactie.

In Duitsland wordt die koers het scherpst gevolgd. De val van de rijkskanselier Caprivi is het sein van terugkeer tot de traditionele politiek van Bismarck: opdrijving van invoerrechten, bevoorrechting van het grootgrondbezit, tarievenoorlogen, militarisme en marinisme, daarbij nog als nieuwe trek de koloniale politiek, en dit alles samengaande met een politiek van gewelddadige onderdrukking jegens de arbeidersklasse. De zg. Umsturzvorlage, een nieuwe uitzonderingswet tegen de sociaaldemocratie, wordt wel niet aangenomen, maar bewijst de gezindheid en de begeerten van de heersende klassen. Enige jaren later wordt, in een tijdperk van sterke economische bloei, de zg. Zuchthausvorlage, de tuchthuiswet, ingediend, meer bepaald gericht tegen de vakverenigingen wier toenemende kracht het kapitaal begint te verontrusten. Ook dit ontwerp valt door de tegenstand van de volksmassa’s, maar het wordt steeds duidelijker: de heersende klassen zinnen op geweld; het gevaar voor nieuwe uitzonderingsmaatregelen, voor nieuwe beknotting en beperking van de weinige rechten van de arbeiders is geen ogenblik weg. In 1896 komt het tot de eerste grote politieke ontrechting van de Duitse arbeiders na de socialistenwet. In het koninkrijk Saksen wordt het bestaande kiesrecht afgeschaft en een nieuw stelsel ingevoerd, met het gevolg dat de talrijke socialistische fractie uit de Landdag wordt gedrongen.

In Engeland voltrekt zich een soortgelijke ontwikkeling, natuurlijk in andere vormen. Engeland is het land geweest waarvan de socialisten het langst hebben gedacht en gehoopt dat een geleidelijke ontwikkeling van democratie naar socialisme er mogelijk zou zijn. De geleidelijke uitbreiding van de arbeidswetgeving, de snelle vorderingen van het gemeentelijk socialisme, de ingewortelde burgerlijke vrijheid, het onbeperkte recht van vereniging en vergadering, dit waren vele grondslagen waarop die hoop rustte. Ook Kautsky heeft gezegd dat hij lange tijd dergelijke verwachtingen van Engeland had. Maar ook daar zien wij ten slotte de ontwikkeling geheel andere banen inslaan. Het imperialisme, reeds veel vroeger in kiem aanwezig, neemt in de laatste tiental jaren van de 19e eeuw snel toe. Op het eind van dat tiental jaren is Chamberlain de man van de dag in Engeland; een deel van de arbeiders is voor zijn plannen gewonnen; van verhoging van invoerrechten, van afsluiting van Engeland en zijn koloniën van het overige deel van de wereld verwachten zij verbetering van hun lot. Met de opkomst van een stroming in die zin gaat een versterking van de gewelddadige en veroveringszuchtige elementen uit de bourgeoisie samen, het geldkapitaal, de ijzer- en staalindustrie, enz. Op het einde van de eeuw is Engeland in de Boerenoorlog gewikkeld, een oorlog waarvan het misschien duidelijker is dan van enige andere, dat hij gevoerd wordt alleen voor de belangen van een kleine groep miljonairs, een kleine groep grote geldkapitalisten. Tegelijkertijd is de campagne, tegen het gemeentelijk socialisme gevoerd door de Times en andere grote bladen, in volle gang. Ook het trade-unionisme – welk een verschil met een mensenleeftijd vroeger – wordt door de burgerlijke partijen beschuldigd en sterk bestreden. Onder de Engelse bourgeoisie, die een tijdlang zich zozeer aan het trade-unionisme had aangepast en het had leren beschouwen als een noodzakelijk deel van de Engelse samenleving, ontstaan opnieuw, zoals de Webbs constateren, gevoelens van haat tegen de vakverenigingen, die ze aansprakelijk stellen voor de verminderende kapitaalwinst en het doorbroken monopolie van de Engelse industrie op de wereldmarkt. En ook in Engeland begint de heersende klasse, niet door uitzonderingswetten dat is niet haar methode maar door gerechtelijke maatregelen, zoals o.a. de bekende uitspraak van het Hogerhuis in de Taff Vale-zaak, de macht van het trade-unionisme te knotten. De kassen van de vakverenigingen worden aansprakelijk gesteld voor de daden van enkele van haar leden. Zodoende wordt zowel de strijdvaardigheid als het werfvermogen van het trade-unionisme zeer verzwakt. De rechterlijke uitspraken van het Hogerhuis hebben tot gevolg een jarenlange stilstand van de trade-unionbeweging en een grote vermindering van de strijdkracht van de Engelse arbeiders, zich uitende in een belangrijke afneming van het aantal stakingen.

In Frankrijk komt, na het tussenspel van het boulangisme, tegen het midden van de jaren ’90 de reactionaire grootbourgeoisie weer aan het bewind, met het gevolg voor de arbeiders van economische en politieke onderdrukking. Minister Méline, genoemd “le père la Famine,” vadertje hongersnood, verhoogt ten bate van de grootgrondbezitters de inkomende rechten op graan, waardoor de prijs van het brood kolossaal wordt opgedreven. Onder Dupuy wordt de Parijse arbeidsbeurs gesloten. Een uitzonderingswet op de anarchisten geeft, zoals dat gewoonlijk gaat, aan de regering vooral een zeer gewenste gelegenheid om de sociaaldemocraten te pakken te nemen.

Deze ontwikkeling in reactionaire zin wordt met het einde van de eeuw niet afgesloten. Integendeel, zij wordt steeds duidelijker, zij leidt altijd verder, zij voert tot nieuwe consequenties in het begin van de 20ste eeuw, in het volgende tijdperk.

Het komt er nu op aan met een paar woorden de oorzaken te schetsen van de innerlijke verandering, die de burgerlijke klasse doormaakt. De besliste wending naar de reactie, die sedert het midden van de jaren negentig valt op te merken, gaat samen met een nieuwe uitbreiding, een nieuwe expansie van het kapitalisme, een expansie, zoals de bourgeoisie zelve niet gedacht had, dat haar stelsel van voortbrenging nogmaals zou beleven, en die, slechts door een hevige, maar korte crisis in de jaren 1901 en 1902 onderbroken, stand houdt tot op het eind van 1907 en dan leidt tot de plotselinge ineenstorting, uitgaande van de Verenigde Staten, de geweldige wereldcrisis, die wij thans beleven. Wij hebben de vorige keer uitvoerig stilgestaan bij de lange jaren van malaise in het vorige tijdperk. Wij hebben gezien welke gewichtige effecten zij hadden voor de klassenstrijd van het proletariaat. De ergste depressie was ongeveer in 1887 voorbij. Tot 1890 was enige verbetering duidelijk zichtbaar. In 1891 en 1892 kwam het opnieuw, vooral door de agrarische crisis, tot uitgebreide werkloosheid. De plattelandsarbeiders stroomden naar de steden en haalden er de stedelijke arbeiders het brood uit de mond. Maar van 1893 af, begint weer, eerst zoetjes aan, allengs sneller en beslister een tijdperk van kapitalistische bloei en het is een verschijnsel waarop wij sprekend over de vorige tijdperken van dergelijke hoge bloei reeds gewezen hebben, dat zij doorgaans samengaan met politieke reactie, met versterking van de reactionaire neigingen in de bourgeoisie. De kapitalistische expansie die omstreeks 1895 aanvangt wordt bevorderd door de geweldige exploitatie van de goudmijnen in Zuid-Afrika. De productie van steenkool, ijzer en staal stijgt met grootte sprongen. De bourgeoisie werpt zich op nieuwe landen zowel om haar snel toenemende warenvoorraad aan de man te brengen als om een deel van de steeds ruimer toevloeiende meerwaarde als nieuw kapitaal te beleggen, zij begint Zuid- en Midden-Afrika, Midden-Amerika, China, Japan, Siberië, met spoorwegen en telegrafen te overtrekken.

Tevens voltrekt zich in dit tijdperk de opkomst van een geheel nieuwe industrie, een geheel nieuw complex van industrieën: de elektrotechniek. Zo worden de voorspellingen van de jaren tachtig, dat het einde van het kapitalisme aanstaande zou zijn, gelogenstraft. Het kapitalisme maakt wederom een geweldige uitbreiding door, zoals in de jaren na 1849 het geval was, het stelt nogmaals de productie op een breder basis, het schijnt nogmaals zich voor lange tijd te nestelen op aarde, het schijnt krachten, die men niet meer aanwezig achtte, in reserve gehouden te hebben. Maar die nieuwe ontwikkeling van het kapitalisme gaat gepaard met zijn innerlijke vervorming, en deze uit zich tevens in de sociaalpsychologische verandering van de kapitalistische klasse, de bourgeoisie. De oude leuzen, de oude idealen van de bourgeoisie hebben afgedaan. Afgedaan de leuzen van vrijhandel, vrije concurrentie en wereldvrede, alle dingen die eenmaal in het belang van de bourgeoisie waren geweest maar dat nu niet meer zijn. In plaats van vrijhandel klinkt het thans: hoge invoerrechten, afsluiting van elk land voor alle andere, tarievenoorlogen, economisch imperialisme. In plaats van de vrije concurrentie komt steeds meer het monopolie door de trusts en kartels; en het hoogste ideaal van de vroegere liberale bourgeoisie: de wereldvrede, maakt plaats voor een oorlogzuchtige, een gewelddadige gezindheid, voerend tot onophoudelijke verzwaring van de lasten voor leger en vloot, en tot een aantal koloniale oorlogen, snel op elkaar volgend. Eerst komt de oorlog tussen Amerika en Spanje, daarna de veroveringsoorlog van Engeland op de Boerenrepublieken, dan de kruistocht van de zg. beschaafde mogendheden naar China, en tenslotte, aan het einde van het economisch bloeitijdperk, de oorlog tussen Rusland en Japan.

Met de hier geschetste ontwikkeling gaat noodzakelijk samen, toeneming van de gewelddadige gezindheid van de burgerlijke klasse in de binnenlandse politiek, van haar neiging de arbeidersklasse niet te ontwapenen door hervormingen, te paaien door beloften, maar met geweld te onderdrukken. Reactie in de binnenlandse wordt door gewelddadige neigingen in de buitenlandse politiek altijd in de hand gewerkt, want het is immers de bewuste arbeidersmassa die de grote vijand is van zowel imperialisme en koloniale oorlogen als van beschermende rechten, van die gehele ontwikkeling in het algemeen. Zij is de doodvijand van militarisme en marinisme, zij is de enige vijand van koloniale expansie. De geweldige en steeds fellere concurrentiestrijd die elke kapitalistische natie tegen haar mededingers moet voeren, doet de grote, machtige ondernemersbonden, die steeds zinnen op vergroting van de uitbuiting, de arbeidersklasse op dubbele wijze te lijf gaan. Eenmaal economisch, direct, door het wapen van de uitsluiting, dat in het laatste tiental jaren hoe langer hoe meer wordt toegepast, juist in de landen waar de ondernemers het sterkst zijn georganiseerd, in de eerste plaats in Duitsland. In de tweede plaats worden die ondernemersbonden een factor van ontzaglijk belang in de politiek. Zij zijn het die de regeringen van alle kapitalistische landen aansporen tot scherpe maatregelen tegen de arbeidersklasse, zij zijn het die altijd aansturen op uitzonderingswetten, verminking van het recht van vereniging en het stakingsrecht, zij zijn het die bij elk gerucht van hervorming, bij het onnozelste sociale aanvullingswetje moord en brand schreeuwen.

Met de bovengeschetste economische veranderingen en van hen onafscheidelijk, gaan gepaard veranderingen in de samenstelling van het kapitaal zelf, d.w.z. ook veranderingen in de klassen die de draagsters van het kapitaal zijn, van de heersende klassen in het algemeen.

Eertijds waren grootgrondbezitters en fabrikanten in velerlei opzicht tegenstanders, zij hadden menigmaal tegenstrijdige belangen, en het waren de twisten en geschillen tussen deze beide klassen, welke het dikwijls aan de arbeiders in de allereerste plaats was dat in Engeland het geval mogelijk maakten om voordelen te veroveren. Maar in onze tijd gaat die tegenstelling tussen grootgrondbezitters en industriëlen hoe langer hoe meer verloren en de dagen zijn voorbij dat de belangen van de grondbezitters de arbeiders behulpzaam te zijn bij het verkrijgen van sociale wetten. Daarbij dringt het geldkapitaal, daartoe o.a. instaat gesteld door het opkomen van de naamloze vennootschap, steeds meer in de industrie binnen en maakt zich daarvan meester. Echter, er is een belangrijk onderscheid in de fysionomie, in de aard van het industriële en het geldkapitaal. Het industriële kapitaal heeft in de politiek liberale en parlementaire neigingen; het heeft ook, algemeen gesproken, want dit geldt niet voor het kapitaal gestoken in de ijzer- en staalindustrie, belang bij vrede. Juist die ijzer- en staalindustrie echter neemt een hoe langer hoe gewichtiger, ja neemt allengs de allereerste plaats in, in het productieproces van onze tijd. Het geldkapitaal is wezenlijk anders dan het industriële. Het heeft het allergrootste belang bij hoge staatsuitgaven, bij grote leningen, bij oorlogen, oorlogsuitrustingen en koloniale expedities. Het heeft er dus het allergrootste belang bij de ontwikkeling in de zo-even geschetste banen verder te drijven, de staatsmacht steeds verder op die weg voort te stuwen. Het is duidelijk welke gevolgen de hier zeer kort geschetste strekkingen en neigingen, die alle hun grond vinden in de economische ontwikkeling, in het feit dat de kapitalistische productie niet langer aan de behoeften van de mensheid kan voldoen, op de bourgeoisie in haar geheel moeten hebben. Zij leiden tot verval van het liberalisme. De gehele moderne ontwikkeling heeft niet, zoals door het revisionisme, waarover straks meer, wordt aangenomen, de neiging het kapitalisme uit te hollen, (zo luidde een tijdlang een modewoord van de Duitse revisionisten), maar integendeel, die het liberalisme uit te hollen. Het liberalisme verzwakt steeds meer, het moet verzwakken, het moet voos worden, want er zijn allerlei sociale krachten aan het werk die steeds grotere delen van de bourgeoisie reactionair maken.

Natuurlijk, door de ontwikkeling komen ook weer nieuwe democratische krachten op. Maar het is een van de vergissingen van het revisionisme, zich juist op die krachten alleen blind te staren. De moderne kapitalistische ontwikkeling heeft ontegenzeggelijk geleid tot het opkomen van wat men wel noemt de “nieuwe middenstand”. De nieuwe, om hem te onderscheiden van de oude, hoofdzakelijk bestaande uit kleine winkeliers, zelfstandige ambachtslieden, kortom uit producenten die over hun eigen productiemiddelen beschikten. Voor een deel is die nieuwe middenstand samengesteld uit intellectuelen van allerlei soort; bij hen vindt men in het algemeen geenszins neigingen tot gewelddadige onderdrukking van de arbeidersbeweging, maar verlangen naar een vreedzame ontwikkeling. Dit deel van de nieuwe middenstand levert grotendeels de troepen voor het burgerlijke radicalisme, de burgerlijke democratie van onze tijd. Zij zijn het die als radicalen of radicaal-socialisten of vrijzinnig-democraten, de naam doet er weinig toe, overal trachten de arbeidersklasse, niet door geweld er onder te houden maar door sociale hervormingen af te houden van de klassenstrijd, die trachten de vakbeweging te scheiden van de sociaaldemocratie, door de vakbeweging voor te stellen als verstandig en redelijk, de sociaaldemocratie daarentegen als onzinnige, gevaarlijke en dwaze idealen najagende. Zij zijn het die aldus pogen de arbeidersbeweging te splitsen en er haar toe te bewegen in ruil voor enige armzalige hervormingen en enige uitbreiding van haar rechten, het vervullen van haar historische taak in de steek te laten. Het is tussen deze nieuwe middenstand, deze burgerlijke radicalen en de arbeidersklasse, dat in de laatste jaren van de 19e eeuw in enkele democratische landen: in Frankrijk, in Italië, in België voorbijgaande bondgenootschappen tot stand kwamen. Die bondgenootschappen zijn voor een deel tekenen en gevolgen van de groeiende kracht van de arbeidersklasse. Niemand van ons denkt eraan dat te loochenen. Maar voor een ander deel zijn zij het gevolg van de afnemende kracht van het liberalisme. Waar het liberalisme in de knel komt, waar het liberalisme de steeds sterker wordende reactie en de reactionaire klassen begint te vrezen, daar kan het die niet meer weerstaan uit eigen kracht, daar voelt het de steun van de arbeiderspartijen nodig te hebben.

Maar zo de moderne ontwikkeling aldus leidt tot de opkomst van een nieuwe vorm van burgerlijke democratie, werkt zij eveneens in de richting de oude middenstand, de oude kleinburgerij, welke tientallen jaren geleden zo dikwijls zich met het proletariaat in een revolutionaire beweging verenigde, reactionair te maken in hart en nieren. De kleine bazen, de kleine handwerkers, de kleine winkeliers, die nog van vroeger zijn overgebleven, worden door de moderne ontwikkeling van het grootbedrijf hoe langer hoe meer in het gedrang gebracht. Zij verliezen steeds meer hun zelfstandigheid en, voornamelijk, hun bestaanszekerheid. Zij voelen dat er voor hen geen tijdperk van bloei meer in het verschiet ligt, dat de economische ontwikkeling hun niets anders dan toenemende moeilijkheden, toenemende onrust, toenemende verarming en toenemende onzelfstandigheid, afhankelijkheid brengen kan. Zij zitten tussen twee vuren. Aan de ene kant worden zij bestookt door het grootkapitalisme, aan de andere kant worden zij, voor zover zij zelf patroons zijn, bestookt door de opdringende arbeiders, en zo maakt zijn positie de oude middenstand steeds meer geneigd, de gouden tijd te zoeken in het verleden, maakt hem steeds meer van democratisch reactionair, maar reactionair natuurlijk in democratische vormen, want alleen waar de staat democratisch is ingericht kan deze klasse een politieke rol spelen. Daarom zien wij in het nu behandelde tijdperk overal opkomen of sterker wordende groeperingen van de middenstand onder demagogisch democratische leuzen, maar reactionair van inhoud, onder verschillende namen als calvinisten, nationalisten, chauvinisten, christelijk-socialen, alle partijen van aan elkaar verwant karakter en alle daarin overeenstemmende, dat zij de felste vijanden zijn van de arbeidersklasse. In enkele landen is het het grootgrondbezit, de klasse van de jonkers, die de meest reactionaire klasse uitmaakt en de ruggengraat vormt van alle reactie. In andere landen, waar een dergelijke sterke klasse van grootgrondbezitters niet bestaat, is het juist dit deel van de kleinburgerij dat reactionaire bewegingen mogelijk maakt.

Dit zijn de hoofdtrekken van de algemene economische en politieke verhoudingen vandaag. Het is van groot belang dat wij ze goed doorzien, want wij weten dat van de maatschappelijke ontwikkeling en de maatschappelijke verhoudingen onze strijdvormen afhangen.

Dit brengt ons tot de behandeling van het revisionisme en van het reformisme, de theorie en de praktijk van die sociaaldemocraten, die menen dat het mogelijk zal zijn langs geleidelijke weg en in bondgenootschap met de democratische vleugel van de bourgeoisie, tot het socialisme te komen, die geloven dat in de kapitalistische ontwikkeling de klassentegenstellingen kleiner worden, dat de arbeidersbeweging dat kapitalisme steeds meer uit zal kunnen hollen, zodat nog slechts de bast ervan, de uiterlijke vorm zal blijven bestaan, maar in waarheid reeds de socialistische samenleving zich in de kapitalistische zal hebben ontwikkeld. Het was nodig zoals hiervoor geschiedde, de economische en politieke neigingen in de huidige fase van het kapitalisme in grote trekken na te gaan om duidelijk te maken hoe het integendeel de reactionaire krachten zijn, die door de ontwikkeling worden versterkt en die tegenstellingen steeds scherper worden.

Het kapitalisme, om het hiervoor gezegde nog eenmaal samen te vatten, is na de grote crisis waarvan het zich sedert 1891 begon te herstellen nogmaals tot bloei gekomen, het heeft nogmaals geweldige krachten van productie en verkeer ontwikkeld, het heeft nogmaals bewezen een boom te zijn, vol sappen en krachten, maar in die nieuwe fase is het alleen kunnen komen, die nieuwe krachten heeft het slechts kunnen ontwikkelen, zonder tevens aan allerlei reactionaire neigingen vrij spel te geven.

Wij willen nu de feiten van de laatste jaren kort nagaan, te beginnen met Engeland en tevens zoveel mogelijk aantonen, hoe onjuist het inzicht van de revisionisten is, dat de klassentegenstellingen afnemen.

Wij hebben de vorige maal gezien hoe daar het klassenbewustzijn onder de arbeiders scheen te ontwaken. Het was niet de eerste maal dat de socialisten van alle landen hoopvol verwachtten dat nu eindelijk de grote, machtige, goed georganiseerde Engelse arbeidersklasse tot bewustzijn zou komen en de zaak van het socialisme in Engeland flink laat vooruitgaan. Maar alweer bleken die verwachtingen ijdel. De ontwikkeling van het “nieuwe unionisme” bleef min of meer steken, en daarmee werd ook de ontwikkeling van de socialistische beweging, die alleen uit het nieuwe unionisme haar krachten kon halen, tegen gehouden. Dat bleek reeds op de internationale congressen in 1891 te Brussel en in 1893 te Zürich. Het grootste deel van de trade-unions, ook van de nieuwe, was op die congressen niet vertegenwoordigd. Op het vakverenigingscongres van 1895 behaalde het oude trade-unionisme een volledige overwinning op het socialisme. Het congres werd tot een grootte demonstratie tegen de politieke actie van de onafhankelijke arbeiderspartij en bij de algemene verkiezingen van 1896, toen Chamberlain en de unionisten aan het roer kwamen, leden de socialistische kandidaten bijna overal een treurige nederlaag. Door het gehele land behaalden zij slechts 50.000 stemmen. Wij moeten natuurlijk niet vergeten dat het aantal stemmen op socialistische kandidaten uitgebracht, door de wijze waarop in Engeland de parlementsverkiezingen zijn ingericht, nog geen zuivere maatstaf geeft van de socialistische invloed. Ieder kandidaat of zijn organisatie moet de enorme hoge verkiezingskosten betalen en bovendien zijn er geen herstemmingen, zodat velen, die wanneer er drie kandidaten zijn, vrezend door de socialist te stemmen bv. de conservatief aan de winnende hand te brengen, besluiten direct hun stem op de liberaal uit te brengen. Dat gehele kiesstelsel werkt er nog altijd aan mee om de invloed van de onafhankelijke arbeiders- of socialistische kandidaten kleiner te doen schijnen dan hij werkelijk is. Maar de allerlaatste jaren hebben ons toch geleerd dat sedert er van een werkelijke opleving van het klassenbewustzijn, van een werkelijke ontwikkeling in socialistische richting, al is het dan ook nog aarzelend en in andere vormen dan op het vasteland, sprake is, de Engelse arbeiders zeer goed wegen en middelen vinden om trots de nadelen van het kiesstelsel, hun kandidaten gekozen te krijgen. In de jaren na 1890 is het wel degelijk, na een kleine opflikkering van klassenbewustzijn, alweer voor de zoveelste maal een indommelen van de Engelse arbeiders waarvan wij getuige zijn. De Engelse bourgeoisie, die in de strijd tegen het proletariaat in de regel groot beleid en groot politiek doorzicht heeft getoond, bracht opnieuw de oude beproefde middelen in praktijk om het nauwelijks wakend klassenbewustzijn van de arbeiders in slaap te sussen. Die middelen zijn met één woord uitgedrukt het omkopen, zowel van de massa’s als van de leiders. De massa wordt omgekocht door enige schijnconcessies, enige kleine hervormingen, en de leiders, zoals John Burns, e.a., door parlementaire of ministeriële betrekkingen, door hun enkele postjes die rijkdom, eer en aanzien verschaffen in te ruimen, een methode die natuurlijk voor de bourgeoisie oneindig goedkoper is en waarbij zij oneindig langer aan de winnende hand blijft dan door sterk en onverbiddelijk verzet tegen de eisen van het proletariaat.

De in dit tijdperk in de sociaaldemocratie opkomende verschijnselen van het revisionisme en reformisme, hebben in laatste instantie hun oorzaak in de hiervoor geschetste economische opleving van het kapitalisme. De zeer lange depressie die daaraan voorafging, betekende voor de arbeiders langdurige perioden van werkloosheid, onophoudelijke strijd tegen loonsverlaging, kortom de allerscherpste vormen van ellende, die in het kapitalisme kunnen voorkomen. Maar tevens was gedurende die periode, zoals wij zagen, de hoop van het proletariaat in hoge mate op het socialisme gevestigd. Dat tijdperk was er een van ontzaglijk leed, maar ook van ontzaglijke strijd. Het was geweest een tijd van grootte volksbewegingen, een tijd van het luidkeels aanheffen van de meest revolutionaire eisen. Door de rijen van het proletariaat ging een siddering van verwachting. Het proletariaat, althans het strijdende, het socialistische proletariaat had de ondergang van het kapitalisme, althans het begin van die ondergang, komende gedacht. En wat zag men nu? Wat geschiedde daar omstreeks het midden van de laatste tiental jaren van de 19e eeuw? Het kapitalisme bevestigde zijn oppermacht iedere dag, meer nieuwe afzetgebieden werden verkregen, de kapitalen hoopten zich op, ten dele werden zij in eigen land in nieuwe reusachtige ondernemingen gestoken, ten dele vloeiden zij naar verre, vreemde landen, naar koloniën en sferen van invloed, om ook daar mijnen te ontginnen, sporen aan te leggen, kortom het kapitalistisch stelsel uit te breiden. Het kapitalisme scheen een onverwoestbare levenskracht te hebben en natuurlijk, de reactie volgde op de actie. Zoals men in de voorgaande periode ertoe had geneigd de levenskracht van het kapitalisme te onderschatten, zoals men had gedacht, dat het meer afgeleefd was dan met de werkelijkheid overeenkwam, zo voltrok zich nu een overdrijving in tegenovergestelde zin. Deze overdrijving is, naast overschatting van de kracht en de vooruitstrevendheid van de burgerlijke democratie, de eigenlijke grondslag, waaruit in de proletarische klassenstrijd de afwijkingen van reformisme en revisionisme voortkomen. Niet alleen het proletariaat, de ongeleerde arbeiders, maar ook bv. in Engeland mannen als William Morris en zijn vrienden – het blijkt duidelijk uit de geschriften van Morris – geloofden vast in het begin van de jaren tachtig, dat slechts een tijdsverloop van enkele jaren van scherpe revolutionaire strijd het mensdom scheidde van het begin van de socialistische samenleving. Nu ruim tien jaar later, begon op te komen een geheel tegenovergestelde gedachtegang. Het kapitalisme scheen nog lang te zullen leven; wat kon men anders doen dan zich in dat kapitalisme zo goed mogelijk inrichten? Wat kon men anders doen dan binnen dat kapitalisme zelf aan voordeel halen wat er te halen was, en wat beter dan het lijden en de ellende, die uit het kapitalisme noodzakelijk voortkwamen zoveel mogelijk verminderen? De natuur van het revisionisme was het bij uitstek, slechts naar het heden, naar het ogenblik en naar het bijzondere te zien; daarentegen het algemene en datgene wat van blijvende aard is in het kapitalisme te zien als voorbij. In de theorieën, die door Bernstein in de eerste plaats en door de andere woordvoerders van het revisionisme werden verkondigd, vindt men als fundament de overtuiging dat de klassentegenstellingen tussen bourgeoisie en proletariaat bezig zijn af te nemen. Slechts wanneer de klassentegenstellingen geringer worden kan van politieke toenadering sprake zijn en om te bewijzen dat de klassentegenstellingen afnemen bepaalden de revisionisten er zich toe te wijzen op feiten of verhoudingen van het ogenblik of van een bijzonder land, of van de enkele jaren waarin volop werk te vinden was, waarin de werkloosheid gering was en in geen enkele industrie overproductie heerste. De lange bange jaren van depressie daarvoor waren vergeten. De door Marx theoretisch bewezen noodzakelijke terugkeer in het kapitalisme van de crisissen had afgedaan voor mensen die eenvoudig dreven op de gesteldheid van het ogenblik. Om te bewijzen dat de uitbuiting niet groter werd, maar kleiner, beriep Bernstein zich telkens weer op de toestanden in Engeland, het land dat hoe langer hoe minder tot maatstaf werd voor de kapitalistische ontwikkeling. De tijden waren lang voorbij dat Engeland aan kapitalistisch Europa de weg wees. Het was Duitsland, het waren de Verenigde Staten, die aan de spits van de economische ontwikkeling stonden. Engeland werd steeds meer tot het land, niet waar verworven, maar waar verteerd werd. In andere vormen en op veel groter schaal begint Engeland in onze dagen een soortgelijke rol te spelen als Holland in de achttiende eeuw heeft vervuld. Engeland is het land waarheen niet alleen kolossale inkomsten uit de uitgemergelde koloniën naartoe gaan, maar ook de ontzaglijke sommen als rente van buitenlandse leningen en ondernemingen, wier bezit zich in de handen van de Engelse bourgeoisie steeds meer ophoopt. Engeland wordt dus steeds minder het land waar men de normale kapitalistische verhoudingen kan bestuderen. Zoals het revisionisme zich bij voorkeur beriep op het ogenblik, op enkele jaren, tegenover enige eeuwen van kapitalistische ontwikkeling, zo beriep het zich ook bij voorkeur op een enkel land tegenover de gehele kapitalistische wereld. Het revisionisme zag die opkomst van nieuwe democratische groepen, waarvan wij straks gesproken hebben, het zag in de kringen van de intellectueel de angst voor het proletariaat verminderen. Terwijl eertijds de zegepraal van het proletariaat werd gevreesd als die van de moderne barbaren, terwijl toen zelfs zijn eigen vrienden, zoals bv. in 1848 de Duitse dichter Heinrich Heine, vreesden dat een overwinning van het proletariaat zou leiden tot de ondergang van de cultuur, zagen de moderne intellectuelen, zag de burgerlijke democratie, waarvan zij de woord-en-penvoerders waren, zeer goed de morele en geestelijke verheffing van dat proletariaat. Het was dus waar, dat tussen die kringen en het proletariaat geen zeer diepe, geen zeer felle klassentegenstellingen bestonden. Maar wat het revisionisme niet zag en niet wilde zien, dat was de grote machteloosheid van juist die burgerlijke groepen. Wat het revisionisme niet wilde zien was dat die burgerlijke radicalen vaak wel optraden als de pen- en woordvoerders van de bourgeoisie, maar dat zij volstrekt niet de reële macht in handen hadden, dat zij niet namens de bourgeoisie konden handelen. Op grond van hun eenzijdige beschouwingen verwachtten de revisionisten in de toekomst steeds mildere en meer getemperde vormen van klassenstrijd. Op grond van die verwachtingen dachten zij, hoopten zij, dat de sociaaldemocratie geleidelijk zou komen tot een vast bondgenootschap met de linkervleugel van de burgerlijke democratie en dat zij verbonden met die vleugel van hervorming tot hervorming zou voortschrijden, totdat van het kapitalisme slechts de schijn, maar niet meer het wezen zou zijn overgebleven.

In Duitsland is het revisionisme nooit meer geweest dan een onmachtige theorie, en een theorie geïmporteerd uit de vreemde. Het was geen toeval dat juist Bernstein, de verkondiger van die theorie, lange jaren als balling in Engeland had geleefd en van de Duitse toestanden en verhoudingen enigszins vervreemd was, want ten opzichte van Duitsland was het onmogelijk van vermindering van de klassentegenstellingen te spreken. Verwachten dat in Duitsland een bondgenootschap tussen arbeiders en burgerlijke democratie tot stand zou komen, dat kon alleen iemand doen die door een lang buitenlands verblijf vergeten was wat de burgerlijke democratie in Duitsland betekende, en die verzuimd had zich te verdiepen in haar verleden. De politieke omstandigheden zowel als de geweldige voortdurende verscherping van de klassentegenstellingen, het karakter van de Duitse bourgeoisie zelf, zoals het zich in een geschiedenis van eeuwen gevormd had, de volslagen onmacht van het kleine hoopje democraten, die er voor te vinden zouden zijn geweest om samen met de arbeiders tegen het absolutisme en de bureaucratie te velde te trekken, dit alles maakte dat er van toepassing van de theorieën van Bernstein in Duitsland geen sprake kon zijn.

Dat die theorie toch jarenlang zoveel pennen in beweging heeft gebracht en een zekere rol heeft gespeeld in de Duitse partij, dat er toch een rechtervleugel geboren werd in de Duitse sociaaldemocratie, die op de theorieën van Bernstein steunde, dat alles vond in de eerste plaats zijn reden in de economische bloei. In een tijdperk van economische depressie kunnen wij ons onmogelijk voorstellen dat de theorieën van Bernstein zouden zijn opgekomen, en toen de hevige crisis van 1901 over Duitsland losbarstte verloor – en dat is de beste proef op de som – het revisionisme welhaast iedere praktische betekenis. Ook reeds daarvoor was het feitelijk in de partij reeds overwonnen. Theoretisch was het pleit reeds lang beslecht. Dat het betrekkelijk zo gemakkelijk beslecht werd is daaraan te danken, dat in de Duitse partij de politieke leiders en de theoretici tegenover Bernstein volkomen eens van zin waren. Het is, om het in personen uit te drukken, het samengaan van Kautsky en Bebel, de enorm populaire en invloedrijke leider van de Duitse partij, dat gemaakt heeft dat de gehele Bernsteiniade, zoals de Duitsers die episode plegen te noemen, betrekkelijk spoedig voorbij gedreven is. Maar zolang de economische bloei duurde, zolang het kapitalisme nieuwe golven van prosperiteit voortstuwde, kon de Bernsteinse theorie niet geheel verdwijnen. Het was daartoe nodig dat de gewone kapitalistische cyclus, die loopt van crisis door bloei en hoogste spanning tot ineenstorting en nieuwe crisis, doorgemaakt werd, en juist de duur van die cyclus omvat ook de levensduur van de Bernsteinse theorie.

Het land waar de theorieën van het revisionisme voornamelijk in praktijk zijn gebracht is Frankrijk. Zeker, niet Frankrijk alleen. Ook in Italië, in Zwitserland, in andere vormen ook in België, zijn reformistische proefnemingen genomen, proefnemingen bedoel ik, waarbij hetzij socialisten ministeriële betrekkingen bekleedden, hetzij de sociaaldemocratie als regerings- of oppositiepartij een vast bondgenootschap met de burgerlijke democratie sloot. Maar Frankrijk was daarvoor het terrein bij uitnemendheid en wij zullen hier alleen de Franse proefneming behandelen, ook omdat de algemene verhoudingen ervoor nergens zo gunstig waren als daar. In Frankrijk bestaat nog een talrijke en van oudsher revolutionaire kleinburgerij. Daar bestond de traditie van de grote omwenteling en van menige revolutionaire strijd, waarin proletariaat en kleinburgerij broederlijk waren samengegaan en samen hadden gestreden. Daar was ook de regeringsvorm, die het proletariaat het langst in slaap kan wiegen over zijn klassenbelangen, de republiek, de politieke democratie. Daar maken juist die politieke vormen het zo moeilijk voor het proletariaat om het bijgeloof aan de democratie te overwinnen, om zich los te maken van de gedachte dat in de vorm van de burgerlijke democratie de inhoud van het socialisme te verwezenlijken is. Daar werd ook, ten slotte, de aanleiding tot een proefneming op grote schaal geboren. In zeker opzicht herhaalde zich feitelijk de geschiedenis. Wij hebben de vorige keer lang stilgestaan bij het geval Boulanger; wij hebben besproken hoe verschillende klassen met reactionaire neigingen toen tegen de burgerlijke republiek samengingen, nl. grootgrondbezitters, grote financiers en een deel van de boeren en van de kleinburgerij. Welnu, in de Dreyfuszaak, van zijn algemene, zijn politieke kant bekeken, waren het opnieuw diezelfde klassen, die samen tegen de republiek woelden en kuipten. Weer was het een deel van de oude adel, weer waren het de klerikalen, die hoopten in het troebel water van de politieke beroeringen te vissen, en ook in dit geval gelukte het hun dat deel van de kleinburgerij, dat het meest tot de reactie neigt, mee te krijgen. Maar waren nu de omstandigheden aanwezig waardoor aan het verbond van deze klassen de toeleg kon gelukken, de omstandigheden voor een plotselinge ingreep, die een eind zou maken aan het leven van de republiek? Wel was er een coalitie van tegen de republiek kuipende elementen, waren er pogingen om haar omver te werpen, maar de maatschappelijke krachten ontbraken, machtig genoeg om dat plan tot uitvoering te brengen. In 1852 was Napoleon III er in geslaagd, met behulp van het leger aan de tweede Franse republiek, een eind te maken, maar er bestond weinig overeenkomst, weinig gelijkenis tussen die tijd en de jaren van de Dreyfuszaak.

In 1852 was de republiek nog zeer jong, zij had nog geen tijd gehad zich in te burgeren, zij had nog niet bewezen de beste vorm te zijn waarin de bourgeoisie voor haar belangen kan opkomen. Dat had zij wél bewezen op het einde van de 19e eeuw. De Franse republiek had toen een dertigjarig bestaan achter de rug, een reeks van jaren waarin de Franse bourgeoisie ontzaglijke rijkdommen had opgehoopt, waarin proefondervindelijk bewezen was welk een uitstekende regeringsvorm de republiek voor de bourgeoisie is, en welk een uitstekend middel de republiek is om het klassenbewustzijn bij het proletariaat te onderdrukken, de zelfstandige organisatie en het zelfstandig optrekken van het proletariaat tegen te houden. Ik raak deze zaak aan, omdat het én van de kant van Millerand én later van de kant van zijn grote pleitbezorger Jaurès, altijd is voorgesteld alsof datgene wat de ene fractie van het Franse socialisme dreef tot een eng verbond met de burgerlijke republikeinen, en wat Millerand ertoe dreef in de regering plaats te nemen, was het ogenblikkelijke gevaar waarin de republiek zich bevond. Nu heeft natuurlijk de grote spanning en vijandschap, die naar aanleiding van het geval Millerand jarenlang tussen de twee richtingen van het Franse socialisme heerste bij beide enige neiging gekweekt tot overdrijving, tot partijdige voorstelling. In de eerste jaren van de Dreyfuszaak hebben, zoals dat nog wel vrij algemeen in de herinnering zal zijn, de jaurèsisten, doordat zij actief tegen de reactie optraden, om het zo maar uit te drukken, de mooie rol gespeeld en waren zij het ook die in het internationale socialisme de meeste sympathie vonden. De Parti Ouvrier (de partij van Guesde en de zijnen,) en de partij van Vaillant, (de oude blanquisten) weigerden vanaf het begin niet slechts om voor Dreyfus als persoon in de bres te treden, maar ook om de strijd tegen de als anti-dreyfusards verkapte reactionairen te voeren. Zij zeiden: “Wij hebben niets met die twisten van de heersende klassen onder elkaar te maken. Laten zij die onder elkaar uitvechten. Het socialisme heeft zich daarmee niet te bemoeien.” Wat was het dat uit die opvatting sprak? Dat was niet de kracht, het was de zwakheid van het Franse socialisme. Al de verwikkelingen die voor het Franse socialisme zijn voortgesproten uit de Dreyfuszaak, de draden die van de Dreyfuszaak tot het geval Millerand zijn gesponnen en waarin het klassenbewustzijn van de arbeiders een tijdlang gevangen werd, komen in de grond voort uit de zwakheid van het Franse socialisme. Hadden de Franse socialisten een geweldige partij gevormd, hadden zij geworteld in de massa, zoals in Duitsland het geval is, hadden zij kunnen rekenen op de steun en de instemming van miljoenen arbeiders, talrijke kleinburgers en intellectuelen, dan zouden zij allen zonder onderscheid zich wel degelijk met de zaak Dreyfus hebben bemoeid, maar dan zouden zij zelfstandig, zonder bondgenootschappen, zonder in de regering plaats te nemen, zonder dat het kwam tot een geval Millerand, uit die zaak, zoals de Duitse sociaaldemocratie dat zo dikwijls heeft gedaan, propaganda hebben weten te maken voor het socialisme, en de overheersing van de militaire kliek als een gevolg van het kapitalistische stelsel en het staatkundige stelsel van de bourgeoisie, aan de kaak hebben gesteld. Wat was het, dat uit de Dreyfuszaak bleek? Wat was eigenlijk de grote, algemene achtergrond daarvan? Het was de militaire verdorvenheid, het was de kolossale macht en invloed van het militarisme in het burgerlijke leven. Wat nodig, wat mogelijk geweest zou zijn bij groter macht, bij grotere eenheid ook, dat zou geweest zijn de zaak Dreyfus uit socialistisch oogpunt te gebruiken, als een geweldige hamer felle slagen voerend tegen het beroepsleger, tegen het militarisme, zoals het in elke burgerlijke maatschappij, ook in de republiek bestaat en bestaan moet. Was het Franse socialisme sterk genoeg geweest, dan hadden dus die moeilijkheden en strubbelingen niet behoeven voor te komen.

In het geval Millerand speelt zich al de eerste fase van het reformisme in de praktijk of van de praktijk van het reformisme; en tevens de fase die het gemakkelijkst te doorzien, te ontsluieren was, de fase waarin het duidelijkst de geweldige nadelen van de deelneming aan een burgerlijke regering voor het proletariaat zich openbaarden. Van het tweede stadium, waartoe het kwam na 1900, toen niet langer een socialist deel uitmaakte van een burgerlijk ministerie, maar in plaats daarvan de ministeriële socialisten, de partij van Jaurès, een vast bondgenootschap met de burgerlijke meerderheid hadden gesloten en deel uitmaakten van de parlementaire meerderheid, waren de nadelen die veel dieper invraten, niet zo snel en duidelijk te doorzien. Daarom heeft dit stadium langer geduurd en was het veel moeilijker te overwinnen.

Wat betreft het geval Millerand, is het ons inziens geen vraag of het optreden van een socialist in een burgerlijk ministerie noodzakelijk was, wijl de burgerlijke republiek alleen daardoor kon worden gered. Noch door Jaurès, noch door een van de andere Franse reformisten is ooit voldoende materiaal geleverd om te bewijzen, ten eerste dat de republiek werkelijk in gevaar was, en twee, dat de republiek slechts op die manier gered kon worden. Zulk materiaal is ook niet te leveren, want een sociale ontleding van de in de Franse maatschappij van die dagen werkende krachten toont ons dat geen groep, geen deel van een klasse of geen coalitie van verschillende klassen of klasse-delen, de kracht kon hebben de republikeinse regeringsvorm omver te gooien. Daarenboven ontbrak het totaal aan daartoe geschikte persoonlijkheden, die het leger en de massa konden begoochelen. Wij beperken ons dus tot de twee andere grote redenen, die naar de millerandisten beweerden, de doorslag gaven voor het plaats nemen van Millerand in een burgerlijke regering, ten eerste de mogelijkheid om op die wijze sociale hervormingen te krijgen, die anders zouden uitblijven, of althans dergelijke hervormingen te krijgen in een sneller tempo en in grotere kwantiteit, ten tweede het “binnengroeien” van het socialisme in de kapitalistische maatschappij. Dat was eigenlijk dat waarom het ging en dat was wat de aanhangers van de “nieuwe methode” oorspronkelijk in het geval-Millerand zagen. Dat moeten wij vooral niet vergeten. Zij beschouwden zijn ministerschap niet, of althans niet in de eerste plaats, als een noodmiddel, op een gegeven moment onontbeerlijk, hoe pijnlijk en lastig ook, om de republiek te redden, neen, zij beschouwden dat plaats nemen van een socialist in een burgerlijke regering, als een kolossale proletarische overwinning, als het begin van een nieuw tijdperk, als een mijlpaal op de weg van de socialistische ontwikkeling, als het begin van de verovering van de politieke macht. Het was de direct uit het revisionisme voortvloeiende praktijk, dat de politieke macht stuksgewijze kon worden veroverd, dat de socialisten door als het ware binnen te sluipen, stuk voor stuk, in het uitvoerend bewind, langzamerhand de grondslagen van de burgerlijke staat zouden kunnen veranderen. Zij zouden dat kunnen door het tot stand brengen van sociale hervormingen.

Nu is het een feit dat het tijdperk van de regering van Millerand niet zo volkomen onvruchtbaar is geweest aan sociale hervormingen als het tweede stadium van de revisionistische proefneming, het tijdperk van het parlementair samengaan van socialisten en burgerlijke democraten. In dat eerste tijdperk bestond er wel geen dadelijk levensgevaar voor de republiek, maar er waren dan toch ernstige woelingen, ernstige kuiperijen tegen de republiek aan de gang. Alle mogelijke reactionaire krachten werden tegen haar in het geweer gebracht en de hulp van het proletariaat, althans van dat deel van het proletariaat, dat zich om Millerand en Jaurès schaarde, moest toch met iets worden beloond. Welnu de grote sociale wet van Millerand, afgezien van enkele maatregelen voor de arbeiders van de staatswerkplaatsen, de wet altijd en altijd weer door de ministeriële socialisten aangehaald en waarvoor volgens hen de hulp van een deel van het proletariaat niet te duur werd gekocht, was de door Millerand ingevoerde zg. tienurenwet. Het is een van de dingen, die het sterkst de slakkengang kenschetsen van de sociale wetgeving, het sterkst de weerzin van de bourgeoisie tegen de sociale wetgeving bewijzen, de veldwinnende reactionaire neigingen en krachten in de burgerlijke klasse, dat om die povere tienurenwet met zijn vele halfheden en nadelen te verkrijgen een ernstige politieke crisis nodig was. Wanneer wij denken dat in Engeland reeds 60 jaar daarvoor, in de textielindustrie, toen het enige grootbedrijf, een tienurendag voor vrouwen en kinderen tot stand is gekomen, die ook voor de mannelijke volwassen arbeiders een langere arbeidsdag vrijwijl uitsloot; dan treft het ons hoezeer de reactionaire neigingen in de bourgeoisie zijn toegenomen, zodat meer dan een halve eeuw later, ondanks de enorme toename van de arbeidsproductiviteit, een politieke crisis die het proletariaat voor de bourgeoisie tot een zeer gewenst bondgenoot maakt, nodig is om in een bij uitstek “democratisch” land er een tienurendag door te krijgen omgeven door vele reactionaire en waarlijk schandelijke bepalingen. Ik zeg schandelijke bepalingen – want door de wet van Millerand werd, wel niet feitelijk, maar dan toch wettelijk, de arbeidsdag van de in fabrieken werkzame kinderen gedurende enige jaren verlengd van tien tot elf uur, terwijl de wet tevens geheel en al tegen de eisen door alle socialistische partijen, de eisen reeds door de oude Internationale gesteld, een even lange arbeidsdag invoerde voor kinderen van 12 jaar als voor volwassenen.

De Dreyfuszaak zou, heb ik gezegd, ware de kracht en de eenheid van het Franse socialisme groter geweest, gelegenheid hebben gebracht tot een campagne in grote stijl tegen het militarisme, en het is wel een bewijs hoezeer in werkelijkheid door het deelnemen van een socialist in een burgerlijk ministerie de kracht van het socialisme werd verzwakt, dat juist de ministeriële socialisten na enkele jaren van quasi-medezeggenschap gedwongen waren, zich neer te leggen bij de amnestiewet, die al de falsarissen van de generale staf, waartegen zij oorspronkelijk met zoveel vuur en zoveel energie te velde waren getrokken, feitelijk weer schoonwassen van de gevolgen van hun bedriegerijen en onwettige handelingen. Nadat zo luid was verkondigd dat de waarheid en de gehele waarheid zou worden opgespit, dat, zoals door Jaurès in talloze speeches en artikelen is herhaald, niet gerust zou worden voordat de schuldigen allen tot de laatste toe vervolgd en gestraft waren, moest diezelfde Jaurès, toen de amnestiewet die geen enkele schuldige strafte, maar ze allen vrij liet gaan, werd afgekondigd, er bij zijn volgelingen op aandringen dat zij toch zouden zwijgen, dat zij het werk van de verzoening niet in gevaar zouden brengen, dat er nu niets meer aan te doen was en de zaak maar blauw blauw gelaten moest worden. Dat was een bewijs dat het Franse socialisme gedurende die jaren van crisis aan kracht niet voor- maar achteruitgegaan was. Hoe kon het ook anders? Er waren, ja, onder Millerand enkele kleine sociale hervormingen tot stand gekomen, maar welke prijs had het proletariaat daarvoor betaald! Een socialist had zitting genomen in een burgerlijk ministerie, zitting genomen met generaal Gallifet, een van de meest gehate moordenaars van de Commune, een socialist had zijn zegel moeten hechten aan alle maatregelen door dat ministerie genomen, aan alle daden van een burgerlijke regering, want de collectieve verantwoordelijkheid bestond en Millerand kon zich daaraan niet onttrekken. Er waren stakingen geweest en er waren troepen gestuurd en die troepen hadden gevuurd en er waren arbeiders doodgeschoten. De tsaar van alle Russen was overgekomen, de bloedtsaar, en Millerand had hem moeten begroeten en speechen en zich door hem een ridderorde op de borst moeten laten spelden. De Italiaanse socialist Morgari was naar Frankrijk gekomen om de Italiaanse arbeiders in de havens te organiseren en hen te weerhouden van het verrichten van onderkruipersdiensten voor de patroons, en de Franse regering had hem over de grens laten zetten. Voor al die daden en nog andere was de socialistische minister medeverantwoordelijk. Hoe werd het bewustzijn van de klassenstrijd, hoe werd het bewustzijn van de tegenstelling tussen hemzelf en alle andere klassen en partijen in het proletariaat vertroebeld en verdonkerd. En wat was het gevolg daarvan? Een deel van het proletariaat zwenkte naar het ministerialisme, meende dat zijn afgevaardigden in het parlement daar de zaken wel zouden opknappen, of liet zich verlokken door allerlei kleine voordelen – verschijnselen van de burgerlijke ontbinding, de jacht op lintjes en postjes bv., slopen binnen in de socialistische rijen: enige jaren later bleek in de jaurèsistische partij de geweldige demoralisatie – en een ander, een groter deel verloor zijn vertrouwen, niet slechts in de citoyen-ministre, die troepen stuurde als het stakingscomité hulpmiddelen verwachtte, maar ook zijn vertrouwen in het politieke socialisme zelf, in de politieke actie, in het strijdmiddel bij uitnemendheid, dat het proletariaat nodig heeft om tot organisatie en bewustwording te komen. In de federatie van Franse vakverenigingen, waarvan wij de vorige keer hebben vermeld, dat zij aanvankelijk sterk stond onder de invloed van de guesdistische partij, wonnen in die jaren de anarchistische neigingen steeds veld. Een geweldige afkeer, een walging van alle politiek, een wantrouwen in de partij van hun klasse werd bij een deel van de Franse arbeiders schering en inslag. Dat wantrouwen was de erfenis die het geval Millerand aan het Franse socialisme naliet. Het kan slechts door lange jaren van principiële propaganda en actie worden overwonnen en is dat tot op de huidige dag nog bij lange na niet.

Dat bewijst het ontstaan en de invloed van het “revolutionaire syndicalisme” in de Franse vakbeweging van onze dagen, de richting die, door de arbeiders af te houden van al de instellingen, zoals centralisatie, hoge contributies, bezoldigde bestuurders, enz. die de moderne vakorganisatie behoeft om de strijd tegen de patroonsbonden te kunnen voeren en hen er toe aan te sporen telkens hun krachten in roekeloze pogingen te verspillen, de machtsvermeerdering van het Franse proletariaat ernstig schaadt. En deze richting, vijandelijk staande tegenover de sociaaldemocratie – die zij als louter een “organisatie van meningen”, in tegenstelling tot de vakbeweging, volgens haar de enige ware organisatie van belangen, op de tweede plaats wil terugdringen – en tegenover de politiek-parlementaire strijd, die zij door de “revolutionaire gymnastiek” van stakingen in-het-wilde-weg en hopeloze opstootjes wil vervangen, had zich nooit zo sterk kunnen ontwikkelen zonder de verkeerde tactiek van de Franse revisionisten in de jaren van het millerandisme en de bloc-heerlijkheid! Een heerlijke erfenis, die de “nieuwe methode” aan het proletariaat heeft nagelaten!

Zolang een deel van de arbeiders Millerand bleef steunen was het natuurlijk onmogelijk de eenheid onder de Franse socialisten tot stand te brengen, maar toch werden in die jaren, ofschoon ogenschijnlijk de strijd aldoor bitterder en feller werd, de eerste stappen naar die eenheid gedaan. De verschillende socialistische partijen en fracties verenigden zich in twee grote centrale organisaties. Guesdisten en blanquisten, die de kern van de tegenstand van alle echt socialistische elementen tegen de ministeriële politiek vormden, smolten tot een partij samen en aan de andere kant schaarden zich om Millerand en Jaurès alle ministerieel gezinde elementen die tot dusver in een aantal organisaties gescheiden waren geweest. Zo werden de verschillen tussen beide richtingen op de spits gedreven en kwamen in een scherp licht en dit was de eerste stap tot eenheid. Maar deze was eerst te verwezenlijken, niet gedurende de proefneming, maar nadat deze volkomen mislukt was. Daarom troffen de pogingen om de eenheid tot stand te brengen, op het int. soc. congres te Parijs in 1900 gedaan, geen doel.

Het congres van Parijs fungeerde als internationale scheidsrechter die zich over het geval Millerand had uit te spreken, en het was van te voren nog niet volkomen zeker hoe die uitspraak zou luiden. Nog heerste economische bloei, nog waren de revisionistische theorieën niet weerlegd door de feiten, de deelneming van Millerand aan de burgerlijke regering had nog slechts een jaar geduurd, men kon er nog het een en ander van verwachten. Het Parijse congres is daarom van zoveel betekenis, omdat het onder economische en politieke omstandigheden die voor de principiële positie van het socialisme ongunstig waren, toch in de goede richting besliste.

De internationale congressen van 1889 tot 1900 kunnen wij vrijwel met stilzwijgen voorbijgaan, althans slechts in enkele woorden memoreren, want zij waren niet buitengewoon belangrijk. Het congres van Brussel in 1891 deelde nog min of meer het decoratieve karakter van het eerste internationaal congres van Parijs en opende tevens de strijd tegen het anarchisme. Het was voornamelijk in het bekende voorstel van Domela Nieuwenhuis, het congres de militaire werkstaking van het proletariaat in geval van oorlog te doen decreteren, dat de half anarchistische, half utopische geest die nog bij een deel van de op het congres vertegenwoordigde arbeiders heerste, tot uiting kwam. Op de volgende congressen van Zürich 1893 en Londen 1896 werd de strijd tegen het anarchisme voortgezet; een strijd, die veel tijd en veel kracht eiste. Zo moesten bv. op het congres van Londen, van de vijf dagen dat het duurde, er drie besteed worden aan het nazien van de geloofsbrieven, om de kwestie uit te maken of anarchisten al dan niet toegelaten zouden worden. Het is begrijpelijk dat dit congres geen erg verheffende indruk kon maken. De burgerlijke pers verklaarde het dan ook vrij algemeen voor een mislukking. Maar dat deed er weinig toe. Het verrichte met de zuivering van de Internationale, noodzakelijke arbeid. Het was dubbel noodzakelijk toen, in de jaren negentig, de anarchisten weer opkwamen – in Italië en ook in Frankrijk waren die jaren het bloeitijdperk van het anarchisme van de daad, in Frankrijk vonden een aantal politieke moorden en aanslagen plaats – de lijn tussen sociaaldemocratie en anarchisme scherp af te bakenen. Dat kon alleen gebeuren door voorgoed aan alle anarchisten de toegang tot de congressen te ontzeggen. Nu was dat geschied. Het internationale socialisme had de anarchistische uitwas afgesneden; de vraag was nu op het congres van Parijs 1900, of het zich ook zou verklaren tegen de kleinburgerlijke uitwas. De zogenaamde nieuwe tactiek, de “nieuwe methode” van het reformisme, was even goed ontstaan op kleinburgerlijke grondslag, uit kleinburgerlijke begrippen en beginselen, als de anarchistische opvattingen. Beide, anarchisme en reformisme, zochten kortere wegen dan de grote lijn van de politieke klassenstrijd, die het proletariaat volgt, om spoediger een eind te maken aan het kapitalisme. Het was de vraag of het internationale socialistische congres toen reeds, zo kort nadat de “nieuwe methode” in praktijk was gebracht, terwijl de proefneming feitelijk nog voortduurde, het inzicht zou hebben om zich ook tegen die wijze van strijd, ook tegen die nieuwe methode te verklaren. Het Parijse congres heeft dat gedaan en het heeft daarmee een geweldige dienst aan het internationale socialisme bewezen. Het heeft het gedaan niet zo beslist, niet zo absoluut als de guesdisten, die natuurlijk op een uiterste, streng afwijzende houding aandrongen, wel wensten. Wat zij wensten was een bepaalde scherpe veroordeling van de nieuwe methode, gevat in een motie, die klaar en helder uitsprak, dat nimmer, onder geen omstandigheden, een socialist aan een burgerlijke regering kon deel nemen.

De bekende motie-Kautsky, tegen de stemmen van de guesdisten en van enige andere socialistische fracties door de grote meerderheid op het Parijse congres aangenomen, ging niet zover en kon niet zo ver gaan. Wij kunnen niet eens voor altijd beweren dat zich nooit omstandigheden kunnen voordoen waarin een sociaaldemocraat, met goedvinden van zijn partij, aan een burgerlijke regering zal deelnemen. Maar wat de motie-Kautsky deed, dat was klaar en beslist uitspreken dat zulke gevallen uitzondering zijn en uitzondering moeten blijven, dat zij nimmer kunnen worden, zoals immer juist de theorie was van het reformisme, de normale weg waarlangs het proletariaat op kortere wijze zijn bevrijding kan bereiken. Meer kon op dat ogenblik het internationale socialisme niet doen. Eerst jaren daarna, eerst na de volslagen mislukking van de gehele proefneming, kon het, zoals het congres van Amsterdam 1904 deed, in de afwijzing van die methode nog een schrede verder gaan. Door de uitspraak van Parijs werd het gevaar, dat schuilde in de “groeicrisis”, zoals men het in die jaren gaarne noemde, van het socialisme, overwonnen. Het gevaar nl., dat die groeicrisis zou leiden tot de slepende kwaal van het ministeralisme, de snel toenemende macht van het proletariaat tot een verkeerd gebruik daarvan, tijdelijk natuurlijk, een gebruik dat tegen de belangen van het proletariaat inging en dat voor enkele kleine materiële voordelen het voornaamste, het zelfstandig optreden van het proletariaat, opofferde. Met beslist te verklaren dat zelfstandig optreden, zelfstandige strijd moet zijn en blijven de grote, normale, brede weg waarlangs het proletariaat naar de eindoverwinning opmarcheert en dat er geen andere, kortere weg is, daarmee heeft het congres van Parijs een belangrijke dienst bewezen aan het internationale proletariaat.

Zesde voordracht
De allerlaatste jaren van de proletarische klassenstrijd
De massastaking

Toehoorders!
Wij zullen vanavond in deze laatste voordracht, de allerlaatste jaren van de proletarische klassenstrijd behandelen, de periode waarin wij staan, die feitelijk een overgang naar nog scherper vormen van strijd, naar worsteling in nog grotere afmetingen is.

Wij hebben gezien hoe de revolutionaire volksbewegingen en de revoluties van boven de bourgeoisie, of meester van de staatsmacht maakten, of de staatsmacht in hoge mate aan haar invloed onderworpen. Wij hebben gezien hoe ten gevolge van de bevestiging van de burgerlijke orde en de totstandkoming van staten, waarin de bourgeoisie gewichtige rechten aan het proletariaat moest afstaan, een geheel nieuwe tactiek, een geheel nieuwe wijze van strijdvoeren geboren werd. Bijna veertig jaar lang heeft het proletariaat de strijd met de vreedzame, wettelijke middelen van de vak- en politieke actie gevoerd. Wij noemen dit tijdperk de parlementaire periode van de proletarische strijd. Het is de periode waarin het proletariaat door de dagelijkse actie gelegenheid krijgt zichzelf op te voeden, zijn organisaties steeds groter en omvattender te maken, zich steeds meer met socialistisch bewustzijn te vervullen, en ook tevens door de deelname aan het politiek leven, de activiteit in de openbare lichamen, kennis opdoet van het beheer van staat en gemeente, van het organisme van de moderne maatschappij. Het is door het gebruik van de vreedzame en wettelijke middelen, die wij allen kennen en dagelijks toepassen, de gewone middelen van de politiek-parlementaire actie, van de vergaderingen, van de cursussen, van de manifestaties, van de pers, het is door dit alles, dat het proletariaat als klasse geworden is wat het op het ogenblik is. Het grote voordeel dat de strijd met deze middelen mee bracht, was, dat daarbij van verslagen worden, van bloedige nederlagen en hun gevolgen geen sprake kon zijn. Geen tijden van stilstand meer, geen onderbreking meer van de opmars van de arbeidersklasse.

Met enkele uitzonderingen – uitzonderingen in het leven geroepen door onverwachte, onverhoedse voorvallen, of doordat zoals in België, Frankrijk en Italië, tengevolge van het tijdelijk opgeven van de zelfstandige actie, de organisatie en bewustwording van het proletariaat werden vertraagd – kunnen wij zeggen dat de groei van de arbeidersklasse in bewustzijn, in organisatie, in kennis en in invloed vanaf de tijd dat zij als voornaamste middelen de parlementair-politieke actie en de vakverenigingsstrijd is gaan toepassen, ononderbroken is geweest. Gaf de bourgeoisie wat toe, trachtte zij het proletariaat van zijn weg af te brengen, zo had dat althans in die landen waar de sociaaldemocratie, waar het klassenbewustzijn reeds was ontwikkeld, slechts die invloed, de strijdende arbeiders begeriger te maken, hun hoop en hun moed te verlevendigen. Kwamen daarentegen in de bourgeoisie, wier gezindheid voortdurend schommelingen doormaakt, de reactionaire neigingen meer op de voorgrond, weigerde zij het proletariaat nieuwe rechten toe te kennen, die de maatschappelijke ontwikkeling voor hun onontbeerlijk maakte, of trachtte zij de rechten aan te tasten, die het proletariaat reeds bezat, zo had noch het een noch het ander de uitwerking de strijdlust en de strijdmoed neer te slaan. Misschien gebeurde dan voor een korte poos, zoals in België in 1902, zoals in ons land wat de vakverenigingen aangaat in 1903, maar het was slechts een ogenblik, dat de voorwaartse gang van het proletarische leger werd afgebroken en op de lange duur werkten ook nederlagen in de richting van toeneming van bewustzijn en organisatie. Een ononderbroken beweging, een strijd van elke dag mogelijk te maken, dat was en dat is, daar kunnen wij niet genoeg de nadruk opleggen, het kolossale voordeel van de moderne wijze van strijdvoeren van het proletariaat, een voordeel dat sterk afsteekt bij de geweldige nadelen die voortsproten uit hem door omstandigheden opgedrongen strijdwijze in de eerste periode. Na een terneergeslagen oproer, een bedwongen revolutionaire beweging, waren de strijdlust en de strijdvaardigheid van de arbeidersmassa dikwijls voor lange jaren geknakt, na 1848 bv. was gedurende meer dan twaalf jaar de arbeidersbeweging zo goed als dood, haar beste strijders waren gevallen of in ballingschap, het socialisme scheen begraven, de verworven rechten en vrijheden werden afgeschaft. De “parlementaire periode” weet niets van die hevige eb en vloed bewegingen, van reactie en revolutie: het proletariaat trekt voortdurend door niets tegengehouden vooruit. Waarlijk, terecht kon Engels in het midden van de jaren negentig getuigen welk groot voordeel voor de arbeidersklasse de wettelijke, parlementaire wijze van strijdvoeren opleverde, hoe het strijdend proletariaat daarbij “rode wangen” kreeg en er uitzag bloeiend van leven, hoe het zijn vijanden, de heersende klassen geen groter ondienstigheid kon bewijzen dan zich streng op de bodem van de wettelijkheid te blijven plaatsen, geen groter dienst daarentegen dan zich door provocaties, zoals alle regeringen ze op hun beurt beproeven, zoals Bismarck het deed met de socialistenwet, de straat op te laten jagen, opnieuw de gewelddadige strijd te wagen tegenover de gewapende macht, tegen al de geweldmiddelen, waarover de moderne staat beschikt.

Maar al die strijd, al die zelfopvoeding in de organisatie, al die groei in geestelijk-zedelijke kracht, bracht en brengt het proletariaat nog steeds niet daar waar het wezen moet, brengt het nog niet in het bezit van de politieke macht. Al die strijd, al die arbeid heeft wel tot resultaat de voortdurende groei van het strijdvermogen, van de strijdvaardigheid, de verheldering van de hoofden, de versterking van de eenheid van wil van het proletariaat, die eenheid van wil, die het nodig heeft om zijn taak te vervullen, maar dat alles is feitelijk nog niet een begin maken met die taak. Die taak is en kan niet anders zijn dan het veroveren van de politieke macht, het overwinnen, het neer slaan van de machtsmiddelen van de burgerlijke klasse, en alles wat het proletariaat in de laatste 35 jaar op vreedzame, wettelijke wijze heeft gedaan, de verandering in zijn wezen meer dan in zijn lot, die het grote resultaat is van zijn strijd, heeft die machtsmiddelen van de heersende klassen nog altijd niet aangetast. Het proletariaat heeft wél door organisatie enz. zijn eigen machtsmiddelen vergroot, maar daartegenover verheft zich nog immer de oude vesting van de burgerlijke staat, de vesting van de burgerlijke heerschappij en in haar is geen bres geschoten. De staatsmacht wetgeving, justitie, leger, enz., zij is nog steeds in handen van de bourgeoisie en de eigenlijke strijd om de verovering van die staatsmacht ligt niet achter ons, maar voor ons. Mocht in de tijd van de jaren negentig, onder de invloeden die ik u de vorige keer heb geschetst, bij een deel van de sociaaldemocratie de mening opgekomen zijn, dat die verovering geleidelijk door onmerkbare overgang zou plaats vinden, die mening is door de gebeurtenissen grondig weerlegd. De heerschappij van de staat kan niet door het vorderen van de democratie geleidelijk van de bourgeoisie op de arbeidersklasse overgaan. Zelfs dat vorderen van de democratie, is, ik kom daarop straks nog terug, slechts betrekkelijk. Wij zien niet voor onze ogen een algemene, geregelde groei, zonder uitzondering, van de politieke rechten en de bewegingsvrijheid van de proletarische klasse. Wij zien een dergelijke vooruitgang wel op vele punten en in vele landen, maar wij zien daartegenover ook verschillende voorbeelden, dat de rechten die het proletariaat bezat, weer worden ontnomen, juist tengevolge, al moge dit vreemd klinken, van de vermeerdering van zijn kracht. En, merkwaardig, die voorbeelden worden veelvuldiger naargelang het proletariaat machtiger wordt. Wij hebben in de laatste jaren beleefd dat bv. in Saksen het algemeen kiesrecht aan het proletariaat is ontnomen, dat in de grootte stedelijke republieken Lübeck en Hamburg, het kiesrecht verknoeid is. Wij hebben gezien dat ook het coalitierecht, en het recht van staking en vereniging in de burgerlijke maatschappij steeds in gevaar zijn. Naarmate de vakverenigingen in kracht toenamen, naarmate het proletariaat leerde de kracht, die zijn positie in het productieproces hem geeft, te gebruiken en het gebruik ervan geduchter, gevaarlijker werd voor de bourgeoisie, heeft niet de regering van één land, neen, hebben die van een gehele reeks van landen beperkende bepalingen op het stakings- en verenigingsrecht ingevoerd, deze rechten voor ambtenaren, voor spoorwegarbeiders, voor arbeiders. in gemeentedienst beknot, of daar, waar de bourgeoisie niet zo openlijk reactionair te werk wilde gaan, zoals bv. in Engeland, waar zij zich altijd heeft onderscheiden door slimmere tactiek, hebben wij gezien dat de juridische uitspraken van het Hogerhuis diezelfde rol vervulden.

De oorzaken waardoor nochtans in de rijen van de sociaaldemocratie het “parlementair illusionisme” kon opkomen, zijn gemakkelijk te doorzien. Met parlementair illusionisme bedoel ik het geloof, de overtuiging, dat de tegenwoordige ontwikkeling van de sociaaldemocratie, zoals zij in bijna elk parlementair-geregeerd land valt te constateren, zolang geregeld en onafgebroken zal voortgaan, tot zij uitloopt op het behalen van de meerderheid door de sociaaldemocratie in de openbare lichamen; en op deze wijze vanzelf, om zo te zeggen automatisch, mechanisch zal leiden tot het in bezit nemen langs parlementaire weg, net zoals een ministerie van de ene dat van de andere burgerlijke fractie vervangt, van de staatsmacht door de arbeidende klasse. Volgens deze mening behoeft het dus niet, zoals tot de zegepraal van de bourgeoisie op het absolutisme nodig is geweest, in het laatste stadium van de proletarische klassenstrijd te komen tot een tijdperk van uiterst heftige klassenbeweging, van geweldige worstelingen waaraan de massa zelf direct, onmiddellijk deelneemt. Niet op soortgelijke wijze, zij het natuurlijk met andere wapens, zal de verovering van de politieke macht door het proletariaat plaats hebben, maar door de democratie die verovering van de staatsmacht een vreedzame en geleidelijke kunnen zijn, zoals wij immers nu ook de sociaaldemocratie in de openbare lichamen geleidelijk aan macht zien toenemen.

Het zijn verschillende redenen die tot de opkomst van dat parlementaire illusionisme, dat nog niet zo snel zal ophouden te werken in onze partij, hebben geleid. Ten eerste is de invloed van de natuurwetenschap aan deze verwachting niet vreemd. Die wetenschap heeft onze kijk op de dingen, onze levensbeschouwing zeer sterk beïnvloed en de moderne natuurwetenschap steunt in alle vakken op het begrip van evolutie, van geleidelijke ontwikkeling. Men bracht dat begrip van de natuur over op de maatschappij en men wendde er aan zich de zaak zo voor te stellen alsof de revolutionaire schokken in de ontwikkeling van de mensheid een zaak waren van het verleden, alsof de toekomstige ontwikkeling altijd zou gaan langs geleidelijke, langs evolutionaire weg.

Dan was er nog iets, dat de mensen ook altijd zeer sterk beïnvloedt, nl. hun eigen persoonlijke ervaring, het karakter, de fysionomie, het gehele wezen van de tijd waarin zij zelf leven en strijden. De laatste burgerlijke revolutie lag reeds meer dan een mensenleeftijd achter ons. De oorlogen door de bourgeoisie gevoerd na de jaren zestig, vonden plaats in verre vreemde streken. Na 1871 kwam geen grote Europese oorlog meer voor. Kortom, het begrip van de catastrofale ontwikkeling, ontwikkeling door grote schokken, werd voor ons allen iets dat wij niet voelden als iets reëels, omdat wij er niet in onmiddellijke aanraking mee waren gekomen.

Dan was er nog dit derde punt, dat de sociaaldemocratie geen helder begrip had en kon hebben van de wapenen, van de strijdmiddelen en strijdwijzen die de proletarische klasse in een revolutionaire beweging zou gebruiken, van haar uiterste machtsmiddelen. Zij had leren kennen, in 1848 reeds, en voor het laatst door de vreselijke les van de Commune, de ontoereikendheid, de onmogelijkheid van het gewapend verzet van volk tegen leger. De grote theoretische voorganger van het proletariaat na Marx’ dood, Friedrich Engels, had zich met alle mogelijke beslistheid erover uitgesproken, dat de era van de straat- en barricadegevechten gesloten was. Maar een ander beslissend machtsmiddel, dan in de plaats zou komen van die verouderde, van die onbruikbaar geworden middelen, stond tot in onze dagen aan niemand helder voor ogen. Marx had geschreven dat het proletariaat de poëzie van zijn revolutie niet kon scheppen uit het verleden, maar dit moest doen uit de toekomst, met andere woorden, dat de revolutionaire vormen hadden afgedaan. Maar over die toekomst lag nog een sluier.

Dit alles maakt het parlementair illusionisme volkomen te begrijpen. Maar ongegrond is het niettemin. De parlementaire instellingen zijn door de bourgeoisie geschapen, niet om het proletariaat te dienen als zovele sporten van een ladder, die het op zou klimmen naar de verovering van de politieke macht. Neen, zij zijn door de bourgeoisie gemaakt ten einde haar eigen klassenheerschappij uit te oefenen en het is duidelijk dat wanneer zij niet meer dienen tot dat doel, de bourgeoisie niet zal aarzelen ze te vernietigen, omver te werpen. Zij hecht niet aan die instellingen om henzelf, maar zij heeft ze gemaakt omdat zij haar de beste, gemakkelijkste en ruimste gelegenheid gaven haar klassenmacht uit te oefenen. Het is daarom niet verwonderlijk dat naarmate de organisatie en het bewustzijn van het proletariaat groter werden, een duidelijke achteruitgang van die parlementaire instellingen te bespeuren viel. De heersende klassen werden geneigd de macht van de parlementen te verminderen en de uitvoerende macht, die van de regeringen, te vergroten. Daarbij bleek de neiging, waar het niet anders ging, direct, brutaal weg de gelegenheid voor het proletariaat om langs parlementaire weg macht uit te oefenen, te verminderen, te vernauwen of af te sluiten. Zo werd het door verschillende tekenen duidelijk dat het onmogelijk zou zijn door middel van de politiek-parlementaire actie langs “geleidelijke weg” de staatsmacht te veroveren, even onmogelijk als door middel van de vakbeweging langs geleidelijke weg een einde te maken aan de kapitalistische uitbuiting. Uit de dialectiek van de ontwikkeling volgt dat heel de vooruitgang van het proletariaat, het steeds beter gebruik dat het maakt van zijn politieke rechten, het vergroten van zijn eenheid, van zijn invloed, van zijn bewustzijn, van zijn eenswillendheid, dáárin uitlopen moet dat de bourgeoisie de arbeidersklasse van die rechten berooft, ze of beknot en beknibbelt bij stukjes en beetjes, of wanneer het niet anders kan, besluit tot een staatsgreep, tot omverwerping van de parlementaire regeringsvorm.

Men kan niet met zekerheid zeggen hoever de proletarische ontwikkeling en eenheid daartoe reeds gevorderd moet zijn, op welk tijdstip, in welk stadium van de macht van het proletariaat, de verandering van strijdwijze, ingeleid daardoor, dat de bourgeoisie de wettelijke weg verlaat en tot geweld haar toevlucht neemt, zal intreden, wanneer de kwantiteit in de kwaliteit zal omslaan. Er moet daartoe natuurlijk een of andere aanleiding zijn, bv. een zeer gewichtige proletarische overwinning, of enig ander voor de bourgeoisie verontrustend teken. Maar het is noodzakelijk dat het proletariaat op dat tijdstip weet welke wapenen het bezit om zijn oude strijdmiddelen te verdedigen, aan te vullen en zo nodig te vervangen. Nog nimmer is in de geschiedenis van de klassenstrijd een opkomende klasse er in geslaagd zich zonder de allerhevigste tegenstand van de klasse die zij van de troon ging stoten meester te maken van de politieke macht, en het is niet te verwachten dat de bourgeoisie, die over zo sterke machtsmiddelen beschikt, op een zeker ogenblik, om zo te zeggen vrijwillig, begrijpende de mindere te zijn, van haar macht afstand zal doen.

Wij zeiden het reeds herhaaldelijk: het voornaamste voordeel dat het proletariaat door de wettelijke, parlementaire methode heeft bereikt is het versterken en vergroten van zijn eigen machtsmiddelen, zijn bewustzijn en organisatie. Maar de eigenlijke toepassing van die machtsmiddelen, d.w.z. het rechtstreeks in het gevecht brengen van de bewuste en georganiseerde proletarische massa in de strijd tot verovering van de politieke macht, dat is iets dat door de parlementaire methode niet kan geschieden. De strijd van het proletariaat onder de politiek-parlementaire methode blijft altijd min of meer indirect. De verkiezingsactie, die het hoogtepunt van de strijd vormt, bestaat uit een aantal op zich zelf staande handelingen en eerst in hun algemeen resultaat komt de massakracht die in hen steekt aan het licht. Echter wanneer het resultaat aan het licht komt, zijn de massa’s zelf reeds weer op de achtergrond getreden; in het parlement wordt de proletarische klassenstrijd niet onmiddellijk door de massa gevoerd, maar indirect door haar afgevaardigden.

Een gebeurtenis, die voor de eerste maal aan vele strijders in de sociaaldemocratie duidelijk heeft gemaakt, dat de strijd, zoals hij tegenwoordig gevoerd wordt en waarschijnlijk nog langen tijd gevoerd zal moeten worden, ten slotte moet omslaan tot een geweldige botsing, een kolossaal conflict, dat nieuwe vormen van strijd noodzakelijk zal maken – die gebeurtenis was juist, zoals dat altijd gaat, een groot succes, een kolossale overwinning met de parlementaire strijdmethode behaald. Ik bedoel de Duitse verkiezingen van 1903. Wij kunnen het geweldige succes, dat onze partij in Duitsland op die dag behaalde, toen zij meer dan drie miljoen stemmen op zich verenigde en 81 zetels won, in zekere zin noemen een hoogtepunt van de parlementaire actie. Zeker niet in de zin dat het na die tijd met die actie minder goed zou zijn gegaan, dat zij in verval zou zijn gekomen. Integendeel in een aantal landen begint de parlementaire actie zich nu te ontwikkelen. In Oostenrijk bv. is verleden jaar door de verovering van het algemeen, direct, enkelvoudig kiesrecht een begin met de toepassing van de zuiver democratische parlementaire actie gemaakt kunnen worden, in Rusland bestaat nauwelijks de schijn van een parlementaire regeringsvorm. De grote overwinningen van onze Oostenrijkse partijgenoten, eveneens die van de Russische sociaaldemocraten voor de tweede Doema, waren schitterende, zeer de aandacht trekkende parlementaire overwinningen van de sociaaldemocratie na 1903. Ook voor Engeland, dat pas in de laatste jaren het ontstaan zag van een zelfstandig optredende arbeiderspartij, die nog niet eens zover ontwikkeld is dat zij een socialistisch program heeft, ook voor dat oudste land van de burgerlijke staatsorde, ligt nog een lange lijn van proletarische worstelingen en proletarische overwinningen door de parlementaire actie in het verschiet. In ons eigen land, in Denemarken, in Frankrijk, kortom overal in West-Europa kunnen wij verwachten dat langs deze lijn, door dit strijdmiddel, de organisatie en de bewustwording van het proletariaat nog jarenlang zullen worden bevorderd. In welk opzicht, in welke betekenis kunnen wij dan ondanks dit alles, met recht over de Duitse gebeurtenissen in 1903 als van een hoogtepunt van de parlementaire actie spreken? In deze zin: die overwinning maakte zulk een geweldige indruk op de partij zelf, niet alleen in Duitsland, maar ook daarbuiten, en zulk een geweldige indruk op haar tegenstanders, dat eenieder het gevoel kreeg “nu moet er iets groots gebeuren, nu moet er een verandering komen.” Uit die drie miljoen stemmen, uit die meer dan 80 zetels spreekt zulk een kolossale politieke en maatschappelijke invloed, daaruit spreken zulke geweldig gegroeide, opgehoopte machtsmiddelen, dat zij thans lijken te moeten uitlopen in een begin van uitoefening van de politieke macht. Wanneer het waar is, dat was toen de algemene indruk, dat de sociaaldemocratie langs vreedzame geleidelijke weg tot de uitoefening van de politieke macht kan komen, dan moet zich dat nu openbaren. Dan moet de Duitse sociaaldemocratie, die meer dan een derde van alle uitgebrachte stemmen op zich heeft verenigd, nu de gelegenheid vinden, om althans die sterke restanten van absolutisme en feodalisme, die er in Duitsland nog zoveel zijn, op te ruimen. Zij moet gelegenheid vinden de Duitse binnen- en buitenlandse politiek de richting te doen inslaan naar de democratie. Dan moet althans van nu af aan de Duitse staat zich bewegen in de richting van een democratische ontwikkeling. Welnu, niets van dat alles gebeurde. De Duitse partij zelf stond in de dagen na die grote overwinning aan een tweesprong. Het was duidelijk, het ogenblik waarop het moest komen tot een geweldige botsing tussen de machten van het verleden en de machten van de toekomst was door die overwinning weer verhaast. Wilde de partij het uitbreken van zulk een botsing voorkomen, dan was het nodig dat zij haar tactiek, dat zij haar optreden wijzigde. Dan was het nodig dat zij de houding van onverzoenlijk scherpe oppositie, die zij altijd had aangenomen, verzachtte, dat zij een houding van tegemoetkoming aannam, dat zij van een principiële oppositiepartij werd een mogelijke regeringspartij. En inderdaad, zo sterk was, en terecht, het gevoel bij de Duitse partij: “wij staan aan de tweesprong, wij moeten nu kiezen; gaan wij door op de ingeslagen weg, blijven wij zelfstandige proletarische klassenpolitiek voeren, dan komt, na korter of later tijd, dat hangt van een aantal omstandigheden in de binnen- en buitenlandse politiek af, maar dan komt onherroepelijk de grote botsing met de bezittende klasse; zo zij al niet komt op een andere manier, komt zij in de vorm dat de bezittende klasse eindelijk terugschrikt voor de consequenties van het algemeen kiesrecht en daar aan gaat tornen, en wanneer wij dat niet willen, wanneer wij daartegen opzien, wanneer wij dat willen voorkomen, dan moeten wij buigen, dan moeten wij afzwenken naar rechts” – zo sterk was dat gevoel van “wat nu”, zoals Kautsky zijn eerste Neue Zeit-artikel na de verkiezingen titelde, dat, wat oppervlakkig gesproken onbegrijpelijk leek, het revisionisme juist na die sterke overwinning weer plotseling opkwam. Het revisionisme in een andere vorm, maar zich wezenlijk op overeenkomstige wijze uitend als het zich in Frankrijk, in Zwitserland, in Italië, had geuit. Het eiste van de sociaaldemocratie haar zelfstandige klasse-actie, haar principiële houding op te geven en een tegemoetkomende houding aan te nemen. De vorm waarin het dat eiste was geheel in overeenstemming met de politieke achterlijkheid van de Duitse toestanden, nl. het stelde zijn eisen naar aanleiding van de vraag of de sociaaldemocratie de post van vicepresident in de Rijksdag zou bezetten, althans er aanspraak op maken, en de onaangename en enigszins belachelijke verplichtingen, van in kuitbroek enz. ten hove te gaan, daaraan verbonden op zich zou nemen. De vorm was enigszins paskwillig, maar in het wezen van de zaak waren het weer de oude voorstellen, was het de oude opvatting van het revisionisme, was het de oude, in Frankrijk reeds beproefde, poging om door een tegemoetkomende houding de scherpte van de klassenstrijd te temperen en in bondgenootschap met de burgerlijke democratie de politieke macht geleidelijk te veroveren. Het is het congres van Dresden dat voorlopig een einde heeft gemaakt, niet natuurlijk aan het revisionisme in de Duitse partij – deze stroming vindt in allerlei omstandigheden en groepen weer telkens voedsel waaruit zij opkomt – maar aan de praktische betekenis van het revisionisme. Het congres sprak zich met alle mogelijke scherpte uit tegen het aannemen van een tegemoetkomende houding, tegen het verlaten van het oude standpunt in de klassenstrijd, tegen het opgeven van de oude tactiek. De verpletterende meerderheid waarmee de revisionistische voorstellen, niet zoals zij op het congres werden geformuleerd, maar zoals zij daarvoor in de pers waren opgedoken, werden begraven, maakte feitelijk aan het revisionisme een eind, dat wil zeggen aan zijn politieke betekenis. Tevens had het congres het gevolg de half-burgerlijke elementen af te schrikken, die, door het geweldige succes van de beweging gelokt, zich natuurlijk eveneens gevleid hadden met de hoop dat de Duitse partij in theoretisch opzicht aan het ruien was en zich te ontpoppen tot een socialistisch-gezinde hervormingspartij.

Dresden was het voorspel van het internationaal congres van 1904 te Amsterdam, en dezelfde geest van te blijven staan op het oude onverzoenlijke standpunt, dezelfde streng marxistische geest die in Dresden tot uiting gekomen was, had ook in Amsterdam de overhand. Sedert het congres van Parijs, sedert de dagen van 1900, was er een grote verandering in de algemene toestand gekomen. De omstandigheden waarin het congres van Amsterdam plaats vond, weken belangrijk af van de omstandigheden waaronder het Parijse congres werd gehouden. Ten eerste bevond zich in 1900, zoals wij hebben gezien, de “nieuwe methode” nog in het begin van haar loopbaan. Het was nog niet gebleken welke vruchten zij voortbracht. Het experiment Millerand werd, ja, veroordeeld, maar het werd nog niet veroordeeld met die volle overtuiging, met die beslistheid waarmee in Amsterdam de bloc-tactiek van Jaurès werd veroordeeld. Er waren in 1900 nog velen die van de deelneming van een socialist aan de regering zoal niet veel dan toch iets hoopten en verwachtten. Vier jaar later, in 1904, waren al die verwachtingen beschaamd geworden. De “tweede fase” van de nieuwe methode, het deel uitmaken van de jaurèsisten van de regeringsmeerderheid was nog oneindig noodlottiger gebleken dan het geval-Millerand. Het meedoen van een grootte fractie van het Franse socialisme aan de regering had dat socialisme zelf in de ogen van zeer vele proletariërs gediscrediteerd. Het was zover gekomen in Frankrijk, dat een deel van de radicalen de socialisten verweet door dik en dun met de regering mee te gaan en hen opriep tot een flinker en zelfstandiger houding. Waren onder het ministerie Millerand-Gallifet nog enkele sociale hervormingen, ofschoon alle van min of meer twijfelachtig allooi, tot stand gekomen, onder het ministerie Combes was dat niet het geval geweest. De scheiding van Kerk en Staat had de burgerlijke republikeinen al die jaren beziggehouden en de hoop waarmee Jaurès zich nog lang gevleid had, dat het proletariaat toch eindelijk in de vorm van sociale hervormingen enige vruchten zou plukken van zijn zelfverloochening, de hoop dat er nu toch een begin zou worden gemaakt met de sociale wetten, dat de verzekering van oude arbeiders en de inkomstenbelasting nu aan de orde zou komen, was volkomen beschaamd geworden. De alliantie met Rusland was inniger geworden en de Franse republiek had zich bevuild en geschandvlekt, door met haar rijkdommen het verrotte Russische absolutisme te stutten.

Daarbij waren er nog andere omstandigheden die de revolutionaire gezindheid bevorderden. In 1900 heerste economische bloei, 1901 barstte de crisis los, die in Duitsland verschrikkelijk huishield, en zich ook in Frankrijk, in Denemarken, in Oostenrijk, in Engeland geducht liet voelen. De jaren van 1901 tot 1903 waren jaren van werkloosheid, slechte tijden, in 1904 eerst begon de productie zich weer te herstellen en te ontwikkelen tot het buitengewone tijdperk van bloei, dat nu voor enkele maanden plotseling ineenstortte. Waarlijk, ons program heeft nog zo ongelijk niet wanneer het van de snelle opeenvolging van de crisissen spreekt.

Daarbij kwam de oorlog tussen Rusland en Japan. Weliswaar was in de dagen dat het Internationaal Congres van Amsterdam werd gehouden, de geweldige beweging in het Russische proletariaat nog niet begonnen, wier gedreun in het jaar 1905 alle machthebbers zou doen opschrikken. Het waren in Rusland gedurende 1904 nog voornamelijk de bourgeoisie en de intellectuelen die de politieke oppositie voerden, maar men hoorde toch reeds een soort van onderaards gerommel: de verwachting van grote gebeurtenissen in Rusland was algemeen. De int. sociaaldemocratie had het gevoel te staan aan het begin van een revolutionaire periode. Dat alles werkte geweldig in op de stemming van het congres. Het maakte dat de linkervleugel van de internationale sociaaldemocratie, dat de intransigente marxisten veel meer aanvallend te werk gingen dan te Parijs in 1900. De scherpe motie tegen het revisionisme in Dresden aangenomen, werd, enigszins omgewerkt, op het internationaal congres ingediend door de Franse marxisten en na een vierdaags debat in grote stijl, waaraan de voornaamste theoretische en praktische leiders van alle landen deelnamen, met 20 tegen 5 stemmen en 12 onthoudingen aangenomen. Hiermee was ook internationaal het revisionisme verworpen, was uitgemaakt dat de internationale sociaaldemocratie in haar grote meerderheid wilde blijven vasthouden aan de oude tactiek.

Dat was van het hoogste gewicht, want dezelfde betekenis, die de aanneming van de Dresdener motie voor de Duitse partij had gehad, kreeg de aanneming van de Amsterdamse motie voor de internationale sociaaldemocratie. De tactiek die zij volgde en die men besloten had te blijven volgen kon, dat was duidelijk, niet gevolgd worden in het oneindige. Ja, wanneer wij verwachtten dat aan de mogelijkheid die tactiek te volgen, niet op een goede dag een einde gemaakt zou worden door de vijanden van het proletariaat, dat de parlementaire strijd met steeds groter succes verder gevoerd zou kunnen worden, tot de meerderheid ons in de schoot zou vallen en daarmee het proletariaat de politieke macht zou hebben veroverd, dan zou er natuurlijk niet zoveel moed voor nodig zijn een dergelijke motie aan te nemen, maar dan was de betekenis van een dergelijke motie ook niet zo heel groot, dan betekende die alleen: “wij gaan voort zoals wij tot nu toe hebben gehandeld met de verwachting, dat deze handelwijze ons wanneer wij haar voortzetten vanzelf het grote resultaat zal brengen waartoe de gehele klassenstrijd dient, de omverwerping van het kapitalistische stelsel.”

Maar juist omdat het in deze zelfde jaren duidelijk geworden was dat de voortzetting van deze tactiek tot grote conflicten moest voeren, daarom maakte het aannemen van een dergelijke motie ook nodig dat het socialistisch proletariaat inzag en uitsprak welke machtsmiddelen het zou kunnen gebruiken wanneer zijn oude strijdmethoden hem werden ontrukt, wanneer het parlementaire strijdperk voor hem werd afgesloten; welke wapens het wist te bezitten, die onontvreemdbaar en onbreekbaar waren, die voortvloeiden uit zijn natuur, uit zijn klassenkarakter, uit zijn plaats in het productieproces, die de bourgeoisie hem nimmer kan ontnemen zolang de burgerlijke maatschappij en de kapitalistische productiewijze bestaan. Het ligt in de lijn van de historische ontwikkeling dat het proletariaat in de grote crisis van de klassenstrijd, die de jaren van 1900 tot 1904 feitelijk zijn geweest, zich niet kon verbinden, beslist aan de oude tactiek te blijven vasthouden, wanneer het niet tevens begon te krijgen een duidelijker voorstelling van de machtsmiddelen, die het door zijn bewustwording, door zijn groeiende eenheid had verkregen, die met hem waren meegegroeid en die maakten dat het zo nodig met buitenparlementaire strijdmiddelen de worsteling voort kon zetten. Die middelen of dat middel, de methode, waarover wij nu zullen spreken, is, zoals gij begrijpt, de politieke werkstaking, de massastaking als politiek revolutionair strijdmiddel.

Reeds in de oude Internationale was de idee van de algemene werkstaking opgedoken, maar van de algemene werkstaking, zoals zij toen door de anarchisten werd gepropageerd in tegenstelling tot alle andere strijdmiddelen van het proletariaat, als een soort tovermiddel om plotseling aan het kapitalistische stelsel een einde te maken. Engels heeft zich in verschillende opstellen tegen de op die wijze door Bakoenin en zijn aanhangers gepropageerde idee van de algemene werkstaking, zo scherp mogelijk gericht. Zodra de Internationale in 1889 weer, zij het ook in nieuwe vorm, was opgericht, was opnieuw bij de behandeling van de resolutie over de demonstratie op 1 mei van anarchistische zijde een poging gedaan daaraan de idee van de algemene werkstaking te verbinden, uitdrukkelijk genoemd als het begin van de sociale revolutie. Liebknecht had dat amendement zeer scherp bestreden en het was met grootte meerderheid begraven. In het algemeen werd bij de harde strijd, die ook de tweede Internationale in de eerste tien jaar van haar bestaan nog tegen de anarchisten had te voeren, aan de van anarchistische zijde gepropageerde werkstaking bijna uitsluitend de aandacht geschonken om haar te bestrijden. Zeer natuurlijk, want de anarchisten wilden immers daarmee alle organisatie en de gehele parlementair-politieke strijd in diskrediet brengen. De idee van de politieke massastaking, niet als een wapen, dat alle andere strijdmiddelen van het proletariaat overbodig maakt, maar dat deze zou aanvullen in ogenblikken van hevige spanning – haar praktijk, zoals zij in de jaren 1891 en 1893 spontaan onder het Belgische proletariaat begon op te komen, worden op de eerste congressen van de Internationale nog niet besproken. Wel stond op het congres van Zürich in 1893 de algemene werkstaking op de agenda; het punt in kwestie is in een commissie behandeld, er is een motie over aangenomen die zeer duidelijk onder de invloed staat van de politieke gebeurtenissen in april 1893 in België, maar deze motie kwam door gebrek aan tijd niet in behandeling in het plenum.

Het was dus feitelijk na 1889 voor het eerst dat de Internationale zich op het Amsterdamse congres met de algemene werkstaking bezig hield. Vijftien jaren waren na de laatste openbare behandeling op een internationaal socialistisch congres verlopen en die jaren waren op het vasteland van Europa geweest jaren van haast ononderbroken economische bloei, van kolossale industriële ontwikkeling. Het kan ons niet verwonderen dat in de tijd van de chartisten de idee van de zg. heilige maand, de eerste, vage, dweepachtige hersenschimmige voorstelling van de algemene werkstaking, ondanks de felle klassenstrijd, nooit zelfs tot enig begin van uitvoering kwam, wanneer wij in de geest het Engeland van die dagen met als enige grootindustrie de textielindustrie met de industriële ontwikkeling van onze eigen tijd vergelijken, vergelijken wat toen mijnbouw en metaalindustrie waren, welk een nog uiterst onbetekende rol in het openbare leven de spoorwegen en stoomboten, de grote moderne communicatiemiddelen speelden, met de nijverheid van nu, de mijnbouw, de metaalnijverheid, de geweldige reuzenbedrijven, de dichtheid van het spoorweg- en telegraafnet en de plaats welke de moderne vervoermiddelen in de huidige maatschappij innemen. De kolossale vooruitgang van de industrie, de snelle toeneming van het grootbedrijf, de concentratie van de productie, de steeds inniger samengroei van elk afzonderlijk bedrijf met de gehele maatschappelijke orde, de steeds heviger terugstoot van elke stremming in bepaalde bedrijven, in de mijnbouw, de metaalindustrie, het havenbedrijf, het spoorwegbedrijf, op het gehele maatschappelijke leven, al deze verschijnselen vormen de gecompliceerde oorzaak waaruit opkwamen zowel de praktijk van de politieke massastaking als het theoretisch inzicht in de gewichtige rol welke zij waarschijnlijk bestemd is, in de worstelingen van het proletariaat te spelen. Alle grote stakingen van de laatste twintig jaar in die takken van bedrijf waarin een zekere mate van concentratie heerst, krijgen steeds meer een algemeen sociaal, dat is ook een politiek karakter. Zij werken terug op de politieke strijd, zij nopen de volksvertegenwoordiging tot ingrijpen. Hoe dikwijls hebben in de loop van een grote staking of uitsluiting, invloedrijke personen zich opgeworpen als onderhandelaars, om te trachten een dergelijke strijd te voorkomen, beducht voor de gevolgen, de stremming van het verkeer, de onderbreking van de productie, de revolutionerende werking van dit alles op de gehele samenleving!

Aan de andere kant wanneer het proletariaat in zijn geheel direct aan de politieke strijd wil deel nemen, direct en met al zijn kracht, dagen of weken achtereen, daarin wil staan, wanneer het geheel opgaat in politieke hartstocht, wanneer die hartstocht tot het kookpunt gestegen is, hoe kan de arbeidersmassa dan op andere wijze die alles overstemmende hartstocht tonen dan door het in de steek laten van de dagelijkse arbeid? Is het mogelijk die hartstocht en de kracht die zij is te uiten, is het mogelijk voor het proletariaat de gehele druk van zijn geweldige massa in de weegschaal te werpen zonder samen te stromen in het vrije daglicht vanuit de fabrieken, de werkplaatsen, de mijnen, de werven, zonder de straat op te trekken uit al de plaatsen waar het kapitalisme het dag aan dag geketend houdt in zijn dienst? Niet door overleg, maar geheel spontaan, wordt het proletariaat, wanneer het verkeert in de hoogste politieke opwinding, er toe gedreven de werkplaatsen te verlaten, de straten en pleinen te vullen met zijn massa. Daar vindt het zijn verloren, zijn versnipperde eenheid weer, daar pas werkt het als een eenheid, met zijn gehele volle massakracht. Vroeger was het barricadegevecht een middel de kleinburgers en handwerkers te drijven uit hun werkplaats, weg van hun arbeid, uit hun dagelijkse sleur, de straat op, om daar de normale loop van het leven af te binden, om daar als revolutionerende factor hun kracht te geven. Diezelfde rol vervult bij het proletariaat de massastaking. De kleinburgerij in de dagen van 1848 had, zoals wij aantoonden de barricade nodig als een soort van bindmiddel, een vast verenigingspunt. Het proletariaat heeft dat niet meer nodig. Het proletariaat bezit een geestelijk verenigingsmiddel in zijn organisatie, in het bewustzijn van zijn eenheid, dat altijd blijft bestaan.

De politieke massastaking had voor 1904, dus voordat het congres van Amsterdam er zich over uitsprak, reeds een geschiedenis. Reeds hadden verschillende gebeurtenissen plaats gegrepen waaruit men het toenemend belang van dit strijdmiddel kon afleiden. De Belgische mijnwerkers hadden in 1891, niet handelende naar een partijbesluit, maar gedreven door sterke sociale ontevredenheid, zich uitend in de strijd voor het kiesrecht, verscheidene weken een algemene staking zonder bepaald economisch doel volgehouden. Daarna was gekomen de grote door partijbesluit georganiseerde Belgische werkstaking van 1893, waardoor aan het einde van een lange, felle, goed geleide beweging voor het algemeen kiesrecht, die er in geslaagd was door te dringen tot steeds bredere lagen, steeds dieper te ploegen en het revolutionair sentiment op te wekken, het Belgische proletariaat in enkele dagen een einde had gemaakt aan het lange geweifel en getreuzel van de burgerlijke afgevaardigden, en wel niet het gelijke, maar dan toch algemene kiesrecht had veroverd. Verder hadden nog plaats gevonden de indrukwekkende demonstratiestaking van de Zweedse arbeiders voor het algemeen kiesrecht in 1902 en de spoorwegstaking van 1903 in ons eigen land, over welks karakter en oorzaken ik hier niet nader behoef te spreken.

Het was door dit alles gebleken dat de politieke massastaking, verre van te zijn een wapen dat uit zijn aard in tegenstelling tot de gewone, de dagelijkse, de parlementaire strijdmiddelen van het proletariaat stond, integendeel in sommige gevallen kon worden aangewend om die strijdmiddelen hetzij te veroveren, hetzij, waar het coalitie of stakingsrecht werd aangetast, ze te beschermen. Het was daarmee duidelijk geworden dat er absoluut geen principiële tegenstelling tussen de gewone parlementair-politieke actie en vakverenigingsmethode en de politieke staking bestond, dat beide methoden zeer goed verenigbaar waren, dat zij elkaar versterkten, elkaar aanvulden. De vroegere, zuiver negatieve en afwijzende houding tegenover het anarchistische droombeeld van een algemene staking, die het kapitalisme met één slag zou doen ineenstorten, bleek dus verouderd en onhoudbaar. De kentering van de opvattingen toonde zich op het Amsterdams congres. Dit nam een motie aan, van het Dordrechts congres van onze partij afkomstig, waarin de politieke massastaking werd opgenomen onder de strijdmiddelen van het proletariaat, als een strijdmiddel natuurlijk, dat uit zijn aard en wezen slechts vatbaar is om in buitengewone gevallen te worden toegepast. Maar de opvatting, welke zij die aan het formuleren en het aannemen van deze motie meewerkten, op dat ogenblik van de massastaking als politiek strijdmiddel hadden, was, zoals de gebeurtenissen geleerd hebben, nog onvolledig, nog oppervlakkig en schools.

Om te begrijpen hoe dat kwam moeten wij de politieke stakingen, die toen reeds plaatsgevonden hadden, nog wat nader beschouwen. Nog slechts betrekkelijk weinig pogingen van het proletariaat om de massastaking als machtsmiddel te gebruiken, hadden plaatsgevonden. Kort na het Amsterdamse congres werden die pogingen nog vermeerderd door de spontane een miljoen arbeiders omvattende demonstratieve werkstaking van het Italiaanse proletariaat, dat op deze wijze zijn verontwaardiging uitte over de telkens terugkerende schandelijke hak- en moordpartijen van politie en karabiniers op stakende arbeiders.

De gevallen die ik heb opgenoemd hadden alle of bijna alle min of meer een demonstratief karakter. Zij bedoelden nog geen strijd tot het uiterste, geen laatste machtsmiddel te zijn. Sommigen van hun, zoals de grote Belgische staking van 1893, brachten direct succes, andere, zoals de Zweedse van 1902, konden dat niet hebben, omdat zij uitsluitend demonstratief werkten. Maar allen waren op zichzelf staande gevallen, en, op de Italiaanse staking na, waren allen vooruit beraamd en vastgesteld. Het had de schijn, of de politieke massastaking iets was dat gebruikt kon worden ongeveer op dezelfde manier als de overige strijdmiddelen van het proletariaat, iets dat van te voren bepaald en georganiseerd wordt door een partijbestuur of een congres, zoals bv. een meeting voor het algemeen kiesrecht zes maanden van te voren op een bepaalde dag wordt vastgesteld. Deze te nauwe, te schoolse, te dogmatische opvatting van het wezen van de massastaking is, achteraf gezien, met ogen, die door de geschiedenis van de laatste jaren gescherpt zijn, zichtbaar in de te Amsterdam aangenomen resolutie. Die resolutie had iets tastends, iets te voorzichtigs, die resolutie zette nog pas aarzelend de eerste schreden op nieuwe banen. Wij bedoelen natuurlijk niet dat het congres te veel waarde hechtte aan de organisatie van het proletariaat met betrekking tot de politieke staking. Het spreekt vanzelf dat wij voor de toepassing van geen enkel strijdmiddel ooit te grote waarde kunnen hechten aan de organisatie van het proletariaat. Hoe sterker die organisatie, hoe volmaakter de eenheid van inzicht en wil van het proletariaat want dat is toch de kern waarvan de organisatie alleen het omhulsel moet zijn des te groter zijn strijdvaardigheid. Maar wij menen dat in de motie te veel nadruk word gelegd op het vertrouwen een revolutionaire massastaking te kunnen organiseren op gelijke wijze, als men dat in de dagelijkse arbeidersstrijd van de voorkomende demonstraties organiseert, dat al te weinig op het vermogen van de massastaking zelf, opvoedingsmiddel tot organisatie en bewustzijn te kunnen zijn, de aandacht werd gevestigd dat al te zeer verwaarloosd werd de gewichtige invloed die een revolutionair tijdperk op de strijdlust en de opofferingsgezindheid ook van ongeorganiseerde proletariërs uitoefent, en in verband met dit alles te zeer het oog werd gericht op de zeer ondergeschikte, betrekkelijk onbelangrijke vormen van massastaking, die tot dusver hadden plaats gevonden, nl. op de verschillende vormen van demonstratie. Noch het wezen, noch de mogelijkheden van het nieuwe geweldige strijdmiddel werden doorzien. Het was ook weer de ervaring van de laatste dertig jaar, die daartoe leidde, het gebrek aan catastrofale gebeurtenissen in onze eigen tijd en onze eigen omgeving. Reeds het feit dat ten opzichte van de massastaking in de jaren 1903 en 1904 zulk een grote theoretische belangstelling in het proletariaat begon op te komen – dit openbaarde zich o.a. in hoge mate in Duitsland – maakte duidelijk dat een omkeer zich voorbereidde in de voorwaarden van de klassenstrijd.

Het eigenlijke wezen en de onbegrensde mogelijkheden van de massastaking als proletarisch strijdmiddel werden echter eerst aan de sociaaldemocratie geopenbaard en konden haar pas geopenbaard worden door de Russische revolutie. Het was de Russische revolutie, waarin de massastaking voor het eerst werd toegepast, zouden wij kunnen zeggen, in haar volle lengte en breedte en diepte, waarin voor het eerst al haar vormen, haar oneindige verscheidenheden die zich telkens wijzigden met en opkwamen uit de situatie, aan het licht kwamen; zij heeft ons sociaaldemocraten doen begrijpen welke rol de massastaking in de klassenworstelingen van de toekomst spelen zal. Het is gedurende het jaar 1905, dat roemrijke jaar in de geschiedenis van de Russische revolutie, dat wij de politieke en economische massastaking hebben leren kennen als wat zij is, niet één voorval, niet één op zichzelf staande daad, maar de algemene samenvattende naam voor talloze in verband met elkaar staande feiten en daden, voor stakingen van allerlei aard, voor politieke en voor economische stakingen, voor stakingen als demonstratie bedoeld en voor stakingen als machtsmiddel, voor algemene stakingen in enkele steden en enkele bedrijven en voor algemene stakingen, die zich binnen weinige dagen over een reusachtig rijk, over alle voorname bedrijven uitstrekten, kortom, dat wij de massastaking hebben leren kennen als de vorm van de proletarische revolutie, de vorm waarin de economische en de politieke strijd – die in de parlementaire periode streng van elkaar gescheiden zijn, elk hun eigen bedding graven en hun eigen pad volgen – in een woelige revolutionaire tijd, in een tijd van grootste krachtinspanning van het proletariaat, in een tijd waarin al de revolutionaire energie van het proletariaat vloeibaar is geworden, in elkaar stromen. In het revolutiejaar 1905 werden de politieke en de economische strijd van het proletariaat geheel vereenzelvigd, vloeiden zij ineen. Daarom vooral noemde ik de motie van het Internationaal Congres te schools, te eng voor de werkelijkheid, omdat de sociaaldemocratie in die motie nog de opvatting huldigde, dat ook in een revolutionair tijdperk economische en politieke strijd steeds gescheiden zouden blijven, dat een proletariaat in een dergelijke tijd de algemene staking zou beginnen alleen om het kiesrecht te veroveren of te verdedigen of het coalitierecht of welk ander groot noodzakelijk recht dan ook, met uitsluiting van al het andere. Neen, wij hebben gezien in de Russische revolutie, hoe verkeerd die voorstelling is, hoe het juist uit het wezen van een revolutionaire proletarische beweging volgt dat zij zich aldoor tegelijkertijd richt tegen de economische en de politieke onderdrukking; hoe de strijd tegen de ene vorm van onderdrukking voortdurend de strijd tegen de andere vorm bevrucht; hoe de worsteling voor politieke vrijheid, wanneer die geen uitweg vindt, telkens omslaat in een worsteling voor economische voordelen, en omgekeerd alle afzonderlijke economische stakingen, die in een revolutionaire tijd onophoudelijk uitbreken, telkens naar aanleiding van een of andere gebeurtenis weer samenvloeien in de algemene stroom van een grote politieke staking, d.w.z. een staking met een algemeen, het gehele proletariaat rakende doel.

Dat zijn de grote lessen die het internationale proletariaat wat zijn strijdwijze betreft, uit de grootte massa-worstelingen, waarvan wij overtuigd zijn dat zij noodzakelijk zullen komen, uit de Russische revolutie heeft kunnen leren. Nu is het volkomen juist te zeggen: “wij zullen die ervaring niet schools kunnen toepassen, wij kunnen van de Russische revolutie geen kopie maken.” Neen, dat spreekt wel vanzelf. Reeds het feit dat de Russische revolutie een burgerlijke revolutie is en dat de revolutie in West-Europa een proletarische revolutie zal zijn, maakt dat de strijd in velerlei opzicht een ander karakter dragen moet. In Rusland is het vooral de burgerlijke klasse die de vruchten van de revolutionaire beweging in zal plukken. Het zijn naast de grondbezitters vooral de industriëlen, financiers en kooplieden, die daar de macht zullen moeten uitoefenen, die ook daar een burgerlijke orde zullen moeten scheppen, zullen moeten bevestigen, zullen moeten uitbreiden voor er van de overwinning van het proletariaat in socialistische zin sprake kan zijn, en het is klinkklare utopie om iets anders te denken, iets anders te verwachten van de overwinning van de Russische revolutionaire beweging. Maar de burgerlijke revolutie in Rusland vindt plaats onder sociale verhoudingen, oneindig meer ontwikkeld dan die waaronder de burgerlijke revolutie in West-Europa heeft plaats gevonden. In Rusland bestaat het geconcentreerde grootbedrijf, bestaan fabrieken met 2000, 6000, 10.000 arbeiders. Het spoorwegnet heeft in dat land van reuzenafstanden geweldige betekenis. Dit alles was in 1848 in West-Europa nog niet het geval, daardoor kon het proletariaat het proletarische wapen bij uitnemendheid in revolutionaire tijden nog niet hanteren. Het was grotendeels gedwongen de kleinburgerlijke strijdmiddelen, barricadegevechten enz. over te nemen. Het speelde geen voldoende belangrijke rol in de productie, het vormde geen sociale macht van genoeg betekenis, het had niet de samenhang en de eenheid die het krijgt door de grootindustrie en daarom kon het zelfs niet trachten door werkstakingen druk op de heersende klassen uit te oefenen.

De rol van de moderne verkeersmiddelen in het maatschappelijk leven, de rol van het grootbedrijf; hun gevolgen voor het proletariaat: ziedaar de grondslagen van de bij alle punten van verschil grote en gewichtige overeenkomst tussen de voorwaarden van een revolutionaire beweging in West-Europa en in Rusland. Die overeenkomst is de reden waarom het West-Europese proletariaat van het Russische kan leren, waarom wij de revolutionaire strijd van het Russische proletariaat en de wijze waarop die strijd tot uiting kwam, kunnen beschouwen als iets dat ons zelf onmiddellijk aangaat, dat ons ook leert hoe onze eigen toekomst zal zijn.

Er is echter ook een groot punt van verschil, dat wij niet over het hoofd willen zien, en dat is de kwestie van organisatie. Het Russische proletariaat was toen het in de strijd trad in zijn overgrote meerderheid ongeorganiseerd, en ook zijn vijanden, zowel de absolutistische regering als de bourgeoisie, stonden in kracht van organisatie ver achter bij de burgerlijke regeringen en de burgerlijke klassen van West-Europa. En daarom zal een revolutionaire worsteling in West-Europa waarschijnlijk ten dele toch weer andere vormen aannemen, zal van beide zijden met nog grotere hardnekkigheid worden gestreden. Maar hoe groot ook het verschil is in de graad van organisatie door de Russische proletariërs bij het uitbreken van de revolutie bereikt en die van hun West-Europese klassegenoten, wij moeten niet over het hoofd zien dat in en door de revolutie zelf, dat waartoe alle organisatie dient, nl. het vermeerderen van eenheid van inzicht en van wil, uiterst snel toeneemt.

Zonder twijfel heeft de strijd van het Russische proletariaat in 1905 de nadering van de beslissende worstelingen in West-Europa zeer bespoedigd. Bespoedigd ten eerste door de strijdvaardigheid van de West- en Midden-Europese arbeiders op te wekken. De aanvurende werkingen op het proletariaat toonden zich natuurlijk in de allereerste plaats bij de naburen van Rusland, in Oostenrijk en Duitsland. Daar voerden sociaaldemocratie en vakverenigingen reeds sedert jaren de strijd voor het algemeen kiesrecht, een strijd waarin, zoals dat altijd het geval is met een beweging van zeer lange duur, tijden van slapte afwisselden met tijden van grote levendigheid. In 1897 werd, als eerste stap, het curiekiesrecht veroverd, waardoor het proletariaat wel deel kon nemen aan de politieke strijd, maar nog op verre na geen invloed uitoefenen, minstens evenredig aan zijn macht, zijn bewustzijn, zijn organisatie. Het uitbreken van de Russische revolutie elektriseerde het Oostenrijkse proletariaat, en toen in de eerste dagen van november 1905, juist gedurende een algemeen congres van de verschillende nationale partijen in de Oostenrijkse sociaaldemocratie vertegenwoordigd, de tijdingen kwamen van de kolossale algemene staking over heel Rusland, van heroïsche strijd allerwegen, en spoedig van schijnbare volkomen overwinning, toen vlamden geestdrift en strijdlust onder de Oostenrijkse arbeiders hoog op. De ogenblikkelijke overwinning van de Russische revolutie in 1905 heeft de kiesrechtstrijd van het Oostenrijkse proletariaat zeer bevrucht en buiten twijfel hun positie zo versterkt, dat met behulp van andere gunstige omstandigheden – de monarchie zelf zag de noodzakelijkheid het algemeen kiesrecht te geven in, wilde de staat niet uit elkaar vallen – die strijd tot een goed einde kon worden gevoerd. Gedurende dat jaar, dat voorbijging voor het algemene kiesrecht in de grondwet geschreven werd, stonden, kunnen wij zeggen, de Oostenrijkse arbeiders het geweer bij de voet. De mogelijkheid van de algemene werkstaking was onder de ogen gezien. Partij en vakbeweging hadden haar besloten, de organisaties waren gereed en iedere keer dat de vijanden van het algemeen kiesrecht de zaak dreigden te doen mislukken, uitte zich de volksbeweging in geweldige straatdemonstraties en manifestaties. De Oostenrijkse arbeiders waren vastbesloten voor het kiesrecht een strijd tot het uiterste te wagen. Wij moeten natuurlijk niet vergeten dat er ook andere meewerkende gunstige omstandigheden waren, dat de broederlijke verhouding tussen partij en vakbeweging, en de oprecht-socialistische gezindheid, waarmee deze laatste was vervuld, een sterke factor tot het succes zijn geweest, maar het is de Russische revolutie geweest die in de Oostenrijkse arbeidersbeweging de revolutionaire stemming heeft gewekt, nodig om de kiesrechtstrijd tot een gelukkig einde te voeren.

Hoe kwam het dat die revolutie niet datzelfde resultaat heeft gehad voor Pruisen en Saksen, terwijl toch de arbeiders van Pruisen en Saksen tot de best verenigde en meest bewuste behoren van Europa, terwijl nergens anders ter wereld de sociaaldemocratische pers en de sociaaldemocratische organisatie zo sterk zijn als in die twee landen, nergens de klassentegenstellingen scherper, terwijl daar ook het grootbedrijf zich zo heeft ontwikkeld, de moderne vervoermiddelen er zulk een grote rol spelen, terwijl Saksen een van de eerste industriële landen van de wereld is? Hoe komt het dat het proletariaat in Pruisen en Saksen nog altijd staat in de eerste fase van zijn strijd voor het algemeen kiesrecht voor de Landdagen, aan de voet van de berg die het moet beklimmen, en dat wij telkens denken: het zet zich in beweging, het begint, en dat het dan na enkele meters te hebben afgelegd weer blijft staan, weer aarzelt om de beslissende worsteling te aanvaarden? Dat komt juist daardoor, dat het voor het Pruisische en Saksische proletariaat een beslissende worsteling zal zijn, in geheel andere zin dan de strijd voor het algemeen kiesrecht dat was in Oostenrijk, dat is in Nederland, in België, in Hongarije, enz. De kiesrechtstrijd bv. in Oostenrijk bracht een periode van woelingen, van agitatie, maar nu is dat weer tot rust gekomen, nu kan weer een lang tijdsverloop van rustige ontwikkeling beginnen. Zo is het ook in België gegaan. Maar in Duitsland, vooral in Pruisen en Saksen kan dat niet meer; de ontwikkeling is er te vergevorderd voor. Daar is reeds sedert lang het punt bereikt dat de bourgeoisie aan het proletariaat niet het gewichtigste politieke recht wil geven, omdat zij weet dat dat proletariaat het in zijn overgrote meerderheid zal gebruiken tegen haar. Daar is het juist de rijpheid, daar is het juist de sterkte van de organisatie, daar is het juist het klassenbewustzijn van het proletariaat dat maakt dat het kiesrecht in Pruisen nog altijd is het kiesrecht van 1849, het kiesrecht tot stand gekomen gedurende de reactie, na de nederlaag van de revolutie van 1848, en dat in Saksen het bijna algemene kiesrecht voor de Landdag aan het proletariaat in 1895 werd afgenomen, op een dergelijke manier gehavend althans, dat na die tijd nog slechts één sociaaldemocraat in het parlement is kunnen doordringen. Daar gaat de strijd, wanneer hij eenmaal begonnen wordt, niet slechts om het veroveren van een bepaald recht, maar tegen de gehele burgerlijke staatsorde. Daar is het in beweging komen van arbeidersmassa’s, vastbesloten die beweging door te zetten tot de overwinning, het begin van het tijdperk van hevige klassenstrijd, niet langer uitsluitend met wettige, vreedzame middelen gevoerd, maar waarin het telkens tot massastakingen komen zal, die zowel een economisch als een politiek karakter dragen. Daar is het dus het tijdperk dat wij gewoon zijn aan te duiden met de naam van proletarische revolutie, dat geopend wordt met de strijd om het kiesrecht. Dit maakt het begrijpelijk dat slechts zo de Russische revolutie zich verder had kunnen ontplooien, zo zij niet vanaf december 1905 een zware, zij het dan ook zeker tijdelijke, terugslag had geleden, de Pruisische en Saksische arbeiders een revolutionaire beweging waren begonnen. In de maanden van november 1905 tot maart 1906 zag het er naar uit, als zou het tot een dergelijke beweging komen. Vooral in Saksen begon het tot woelige straatdemonstraties te komen, die zo vaak de voorlopers van een revolutionaire beweging zijn gebleken te zijn. Persprocessen waarin de klassenjustitie triomfen vierde, waren niet van de lucht. De uiterst strenge straffen waartoe o.a. de redacteuren van de “Leipziger Volkszeitung” werden veroordeeld, waren een teken van de geweldige ongerustheid van de heersende klasse.

Maar ziet, de Russische revolutie werd neergeslagen en de grote kiesrechtbeweging in Pruisen en Saksen verzandde allengs in de loop van 1906. Zij drong na de eerste aanloop niet verder. En kort daarop vonden de algemene rijksdagverkiezingen van januari 1907 plaats, die voor zovelen in onze partij, vergeleken met 1903, een geweldige teleurstelling zijn geweest. De partij handhaafde haar stemmental, maar een aantal zetels werd haar ontnomen, haar zuiver parlementaire macht en invloed schenen plotseling sterk gedaald te zijn. Dat was geen bewijs, zoals de kleinmoedigen ook in onze eigen rijen het uitlegden, van achteruitgang van de sociaaldemocratie, geen bewijs, dat zij niet de juiste tactiek had gevolgd, geen bewijs dat de resolutie van Dresden slechte gevolgen moest hebben, maar het was een bewijs dat de zegepraal van 1903 en de Russische revolutie het bewustzijn van de klassentegenstellingen hadden opgewekt en vermeerderd, niet alleen bij het proletariaat, maar ook bij de heersende klassen. Voor de eerste keer stond, reeds bij de eerste stemming, een algemeen verbond van alle partijen behalve het Centrum, van de uiterste conservatieven tot de vrijzinnigen, tegenover de sociaaldemocratie. Daarbij voegden zich het effect van de kapitalistische bloei. Een aantal kleinburgers en boeren, die, in 1903 uit ontevredenheid over de politieke en economische toestanden meelopers geworden waren, keerden zich nu het hun goed ging, nu zij hun varkens voordelig verkochten, nu hun zaakjes en winkels floreerden, onder de invloed van de algemene bloei van zaken, weer van de partij af en lieten haar in de steek. De algemene stemming, die er én tengevolge van het zich solidair verklaren van de Duitse partij met de Russische revolutie én tengevolge van de grote levendigheid van bedrijf heerste, deed de kleinburgers en boeren het oor lenen aan het door de regering uitgegeven parool “voor de koloniale politiek, tegen de vijanden des vaderlands”. Bij dit alles voegden zich nog de talrijke groepen: beambten, industriëlen, financiers, die uit de koloniale politiek voordeel halen en haar voortzetting wensten. Als gevolg van dit alles voerden de verkiezingen wel weer tot groei van de eigenlijke maatschappelijke invloed van de sociaaldemocratie, haar stemmental rees, maar tevens tot de vermindering van haar parlementaire macht. Zo werd opnieuw de tegenstelling groter tussen de macht, die haar toekwam, en haar feitelijke machteloosheid, en daardoor weer werd nog duidelijker dat het tijdperk van een groot conflict naderde. De verkiezingen bewezen opnieuw de voortdurende verscherping van de klassentegenstellingen. Zij bewezen dat de macht van de sociaaldemocratie reeds zo groot was dat het te hoop lopen van de burgerlijke partijen, de vorming van een reactionaire massa begon.

Het nabij komen van de proletarische revolutie, het onherroepelijk naderen van grote botsingen, dit alles bracht in het internationale proletariaat twee vraagstukken op de voorgrond, het eerste de verhouding tussen partij en vakbeweging, het tweede die van de klassenstrijd en de militaire macht van de bourgeoisie. Het eerste vraagstuk eist vooral in Duitsland de aandacht. De economische bloei van de laatste vijftien jaren, heeft zoals algemeen bekend is, op de internationale, in de eerste plaats op de Duitse vakbeweging grote invloed gehad. De economische organisatie van het proletariaat is niet minder sterk vooruitgegaan dan zijn politieke. Het vakverenigingswezen is een macht van grote betekenis geworden, en het heeft om de strijd te kunnen voeren tegen de machtige ondernemersgroepen een reeks van instellingen moeten stichten en een hoge mate van centralisatie in het leven moeten roepen. Dit wederom was niet mogelijk zonder een uitgebreide bureaucratie. In de laatste jaren was het in Duitsland enige malen tot een botsing gekomen tussen die bureaucratie en de sociaaldemocratische leiding, evenals tussen haar en het klassengevoel van de massa. Op het Keulse congres van vakverenigingen had zich geopenbaard een sterke afkeer bij de leidende beambten tegen het opnemen van de politieke staking onder de strijdmiddelen van het proletariaat en een even sterke voorliefde voor rustige, geleidelijke ontwikkeling, zonder er zich veel om te bekommeren of een dergelijke ontwikkeling te verwachten viel. Het was noodzakelijk, wilde de partij, wilde de arbeidersklasse zich zo goed mogelijk voorbereiden tot de grote worstelingen in het verschiet, dat deze geschillen tussen de vakverenigingen en de partij tot een goed einde werden gebracht, en het inzicht in de vakverenigingen werd versterkt dat zij bij meningsverschil in dingen, de algemene politiek aangaande, de leiding behoorden over te laten aan de voorvechtster van de algemene klassenbelangen van de arbeiders, aan de sociaaldemocratie. Zoals wij bij de Russische revolutie hebben gezien, in een revolutionaire tijd vloeien de economische en de politieke actie van het proletariaat, die in gewone tijden doorgaans gescheiden zijn, ineen, en willen zij ook bij een georganiseerd proletariaat zonder moeilijkheden ineenvloeien, dan moet het bewustzijn bij de vakverenigingsmannen en hun leiders aanwezig zijn, dat de vakbeweging evengoed als bv. het parlementarisme een onderdeel is van de gehele socialistische beweging en zich naar de eisen van deze, welke tevens die van de maatschappelijke ontwikkeling zijn, moet schikken. De sociaaldemocratie omvat meer dan eenvoudig de politiek-parlementaire strijd van het ogenblik. Zij omvat de algemene klasse-aspiraties, zij komt op voor de algemene klassenbelangen van het proletariaat. In een revolutionaire tijd is het mogelijk, ja zelfs waarschijnlijk, dat deze algemene klassebelangen in conflict komen met de speciale belangen van het vakverenigingswezen; dat een vorm van organisatie, die met zoveel moeite en zorg is opgebouwd, door geweldige worstelingen dreigt te worden geschokt. Welnu, reeds voor het tot een dergelijke situatie komt moet de grootst mogelijke eenheid onder de verschillende onderdelen van de beweging tot stand zijn gebracht, reeds van te voren moet het allen duidelijk zijn geworden dat vakbeweging en sociaaldemocratie niet zijn twee van elkaar onafhankelijke, aan elkaar gelijkberechtigde lichamen, maar dat de vakbeweging een onderdeel is van de algemene strijd van de arbeidersklasse. Dit uit te spreken en zo een weg te banen tot de oplossing van de moeilijkheden tussen vakbeweging en partij, dat is voor Duitsland het grote werk van het congres van Mannheim geweest, zoals voor de internationale sociaaldemocratie van het Stutgarter-congres. Door uit te spreken zoals in de op die twee congressen aangenomen resoluties – één van geest al komen zij niet woordelijk overeen – geschiedt, dat de vakbeweging haar taak niet naar behoren kan vervullen wanneer zij vasthoudt aan het oude vakegoïsme, door uit te spreken dat het nodig is dat de leden van de vakverenigingen worden vervuld van socialistisch bewustzijn – immers wanneer zij daarvan vervuld zijn beschouwen zij hun organisatie vanzelf als een onderdeel van de algemene socialistische beweging – heeft de internationale sociaaldemocratie de weg aangeduid, die alleen tot de grootst mogelijke eenheid onder de verschillende vormen van organisatie van het proletariaat kan voeren, die grootst mogelijke eenheid, welke in de klassenworstelingen die het proletariaat wachten, een noodzakelijke eis zal blijken te zijn.

Er blijft mij thans nog over enkele woorden te wijden aan de kwestie van de militaire macht van de bourgeoisie, die als een laatste slagboom welke zij tegenover de aspiraties en eisen van het proletariaat kan stellen, ons altijd voor ogen staat. De maatschappelijke ontwikkeling waarvan onze eigen actie en onze eigen propaganda een deel zijn, is echter bezig ook die slagboom aan te tasten. Ten eerste heeft die ontwikkeling geleid tot de democratisering van het leger. Niet natuurlijk tot zijn volkomen democratisering, want zolang mogelijk houdt de bourgeoisie aan het militarisme vast, maar de grote veranderingen in de wapentechniek, en de daaruit resulterende grote veranderingen in de wijze van oorlogvoeren hebben toch gemaakt dat het leger niet langer een verzameling kan zijn van machinaal, blindelings gehoorzamende ledenpoppen, maar dat de enkeling zelfstandig moet denken en weten hoe op een gegeven moment te handelen. Dat is een factor van belang. De discipline kan het niet meer hebben, dat volslagen alle initiatief en zelfstandigheid dodende karakter van vroeger. Veel meer dan eertijds moet aan het oordeel van de enkeling worden overgelaten, en natuurlijk, waar dat in militair opzicht het geval is, daar kan men geen muur bouwen om het denken van de mensen. Men kan niet zeggen: gij zult alleen denken waar de dienst het nodig maakt en verder niet. Daarbij komt dan de verkorting van de diensttijd, die bv. onlangs in Frankrijk een feit is geworden en hoe langer hoe meer wordt een economische noodzakelijkheid voor de verschillende staten, omdat zij niet meer in staat zijn de stijgende kosten, die het militarisme eist, op te brengen. Die verkorting van diensttijd heeft noodzakelijk ten gevolge de scheiding tussen leger en volk te verminderen.

In de tweede plaats hebben wij te letten op de veranderde samenstelling van de legers, die gelijke tred houdt met het toenemen van de stedelijke en het afnemen van de landelijke bevolking. Waardoor komt het dat in Rusland het leger nog zulk een geweldige macht is in handen van bureaucratie en absolutisme? Omdat het bijna geheel bestaat uit boerenzoons, onwetende, onbewuste mensen. Wapens, zoals de genie, de artillerie, de marine, die uit andere iets meer ontwikkelde elementen bestaan, hebben duidelijk door talrijke soldatenopstanden – denk maar aan de Potemkingeschiedenis, de opstanden te Sebastopol en Kronstadt, enz. – getoond een veel wrakker, een veel onzekerder stut van het tsarisme te zijn. En het percentage van de stedelijke bevolking, dus mensen die meer hebben geleerd, die minder gewend zijn te vertrouwen op anderen, die minder slaafs zijn en ook meer in aanraking zijn gekomen met de moderne arbeidersbeweging, neemt steeds toe. Dat is een gevolg van het moderne leven.

Tenslotte wil ik nog wijzen op de agitatie in het leger zelf zoals die bv. in Frankrijk gevoerd wordt en vooral ook op de socialistische opvoeding van de jeugd, zoals zij ook te Stuttgart door het congres aan alle socialistische partijen is aanbevolen, als een factor om het militarisme te ondergraven.

Zeker, ondanks dit alles is het natuurlijk niet te verwachten dat het leger als stut van de heerschappij van de bourgeoisie aan de heersende klassen plotseling zal ontzinken. Integendeel, dat zal wellicht eerst het resultaat zijn van langdurige worstelingen. In Rusland hebben wij enigszins gezien hoe het binnendringen van de revolutionaire geest in het leger in zijn werk gaat, maar daar is die ontwikkeling gestuit door de terugslag van de revolutie, hoe het slopen van de militaire macht van de heersende klasse zich door middel van de massastaking voltrekt, door de massastaking opgevat niet als de daad van één dag of één jaar, maar van een onophoudelijk toegepast wapen in een periode, die over een aantal jaren gaat. Het jaar 1905 in Rusland heeft ons doen zien hoe, terwijl vroeger bij toepassing van wat toen het uiterste strijdmiddel bij uitnemendheid was, nl. de gewapende opstand, alles in enkele dagen beslist was, zoals de Junidagen en de Commune leren, en het proletariaat, door het leger overwonnen bloedend en weerloos ter aarde lag, ja weerloos voor lange jaren, juist de massastaking, die aan het leger geen gelegenheid biedt plotseling de beste krachten van het proletariaat weg te maaien, maar het steeds opnieuw met het proletariaat in aanraking brengt, daarin ontevredenheid en geest van verzet doet geboren worden tegen zijn heren, en aldus de bodem bereidt voor het revolutioneren van het leger, zijn omslaan van een werktuig in handen van de heersende klassen, tot een machtsmiddel in handen van het proletariaat.

De heersende klassen weten zeer goed hoe verbazend gevaarlijk het is, om zelfs in niet-revolutionaire tijden het leger te gebruiken tegen de arbeiders, bv. bij werkstakingen. Zij hebben het gevaar daarvan in Frankrijk reeds kunnen opmerken. Het in vrij hoge mate ondergraven worden van de discipline in het Franse leger, dat verschijnsel, dat de bezittende klassen in Frankrijk zoveel schrik aanjaagt, is voor een groot deel het gevolg daarvan, dat het leger om de haverklap wordt gebruikt bij werkstakingen. Wanneer soldaten telkens weer in aanraking komen met arbeiders, dan blijken zij op den duur niet meer in staat een goed instrument tot onderdrukking van die arbeiders te zijn, dan breekt de klassensolidariteit ten laatste door de dunne laag van de discipline, en dat is het wat in een land als Duitsland de bezittende klasse er van teruggehouden heeft om het leger in de economische strijd te gebruiken. Zelfs in de laatste jaren, zelfs nu de strijd heviger wordt, nu een woelige periode nadert, lezen wij van geweldige politiemachten, in Berlijn, Dresden, Leipzig enz. op de been gebracht, maar niet van soldaten. Wanneer de ontwikkeling voortgaat, wanneer wij lezen dat in Berlijn ook het leger bij een demonstratie van de arbeiders op straat is gebracht, niet slechts in de kazernes geconsigneerd, maar werkelijk gebruikt tegen de arbeiders, om hun demonstraties te onderdrukken, of stakers uiteen te drijven enz. dan kunnen wij zeggen: nu heeft het proletariaat in Duitsland – dat land dat zo uiterst belangrijk blijft voor de klassenstrijd, dat in de klassenstrijd van het proletariaat dezelfde rol speelt als Frankrijk deed in de klassenstrijd van de bourgeoisie, dat land waarheen onze ogen zich nog altijd het eerste richten, waarvan waarschijnlijk de eerste stoot zal uitgaan tot het begin van een nieuwe periode – weer een geweldige stap vooruit gedaan. Nu zal de verdere strijd misschien nog ontzaglijk veel offers kosten, maar nu heeft het proletariaat door zijn macht de bezittende klasse gedwongen tot een stap die op hun verderf moet uitlopen. Nu is een begin gemaakt, een eerste begin ook met het slopen van de laatste slagboom van de macht van de bourgeoisie in het land van de militaire macht bij uitnemendheid, in de militaire staat Pruisen.

En hiermee, toehoorders, kom ik tot een eind. Wij hebben de verschillende tijdperken van de proletarische klassenstrijd beschouwd, en zijn eenheid-in-verandering leren kennen. Wij hebben gezien hoe die klassenstrijd aanvankelijk te vergelijken is met een bergstroom, hevig opbruisend, telkens geweldige versperringen en rotsblokken vindend op zijn weg, een bergstroom, die vol schuim en kolken is en zeer onstuimig, maar toch nog zwak en zeer ver van zijn einddoel. Wij hebben toen die stroom als het ware de grootte vlakten, de brede laaglanden van de parlementaire periode zien binnengaan, wij hebben gezien hoe hij daar tientallen jaren gevloeid heeft, betrekkelijk rustig en effen in majestueuze kracht, hoe hij altijd breder en geweldiger werd, steeds meer zijstromen in zich opnemend en zo zijn doel naderend. Er zijn er velen geweest die hebben gedacht en verwacht, zo zal het gaan tot het einde, zo rustig, zo effen, zo majestueus zal de klassenstrijd van het proletariaat, zich steeds verbredend, verder vloeien tot hij uitmondt in de oceaan van het socialisme. Maar zoals wij die klassenstrijd en de daarmee samengaande ontwikkeling van de maatschappij, de ontwikkeling ook, de tegen-ontwikkeling zouden wij kunnen zeggen, van de heersende klassen hebben beschouwd, menen wij tot geen andere overtuiging te kunnen komen dan dat nog eenmaal geweldige dammen, geweldige versperringen voor die stroom van de proletarische klassenstrijd zullen worden opgeworpen, dat er, om de beeldspraak te laten varen, wel ten dele in andere vormen, met andere middelen als aan zijn oorsprong gestreden zal worden, maar dat toch nog eenmaal een periode zal aanbreken van hevige, langdurige worstelingen. Deze overtuiging leidt er ons in het minst niet toe, de vormen van strijd zoals we die kennen voor onvoldoende te verklaren en plotseling te willen veranderen. Maar wel leidt ze er ons toe, het proletariaat ook voor een veranderde strijdwijze geschikt te willen maken. Wij weten niet wanneer zulk een periode zal komen, wij hebben het niet in onze macht haar te doen beginnen, evenmin als haar te vermijden. De groeiende klassentegenstellingen brengen haar of wij willen of niet. Maar dit weten wij zeker, dat het proletariaat des te spoediger in die laatste periode zal overwinnen, dat het des te korter zal tasten naar de weg, hoe groter zijn eenheid en hoe dieper zijn revolutionair bewustzijn is, d.w.z. hoe meer het doordrongen is van de onverzoenlijke klassentegenstellingen tussen arbeidersklasse en bourgeoisie, hoe meer het ervan doordrongen is dat de bourgeoisie van haar machtspositie nimmer gewillig zal afstand doen en hoe meer het bereid is alles te geven, alles te wagen en alles te lijden om de bourgeoisie tot het afstand doen van de politieke macht te dwingen. Alles wat wij in onze strijd doen, onze gehele actie op alle mogelijke manieren, onze parlementaire actie en onze actie in de gemeenteraden, onze pers, onze vergaderingen, onze cursussen, dat alles moet dienen in de eerste plaats, en ook al de voordelen die wij behalen moeten in de eerste plaats daartoe dienen, het proletariaat socialistisch op te voeden, het proletariaat te organiseren, die organisatie te vervullen met socialistische geest, want daar komt het toch vooral op aan. De vorm van de organisatie kan worden verbroken, maar de eenheid, de bewustheid, de socialistische gezindheid, het klassenbewustzijn, eenmaal vast en diep in het proletariaat geworteld, kunnen daaraan nooit weer worden ontnomen.

Wanneer de bijeenkomsten, die wij hier hebben gehouden, enigszins er toe hebben mogen bijdragen, om uw begrip van de taak, die het proletariaat reeds vervuld heeft en ook van de taak die ons nog wacht, te verhelderen, dan meen ik dat ik mijn doel heb bereikt. Ik dank u allen voor de trouwe belangstelling, die voor mij het werk aan deze cursus verbonden zo aangenaam heeft gemaakt en ik hoop dat wij uiteen zullen gaan, vervuld van de overtuiging dat de klassenstrijd van het proletariaat moet leiden tot zijn eindoverwinning, en vervuld van de wil om naar de mate van onze krachten te strijden en te arbeiden in de proletarische beweging. Want ook wij, sociaaldemocraten van de kleine landen, hebben een taak te vervullen. Wij kunnen niet het sein geven, wij kunnen niet de leiding geven, maar het is niet nodig dat wij in tijden van beslissende worsteling als een dood gewicht zullen hangen aan het grote lichaam van de internationale sociaaldemocratie. Hoe bewuster, hoe ontwikkelder, hoe meer georganiseerd en hoe meer vervuld van socialistische gezindheid ook ons proletariaat zal zijn, des te meer zullen ook wij in de strijd, die internationaal zal worden uitgevochten, onze plicht kunnen doen en meewerken de dagen van de socialistische gemeenschap nader te brengen.