Jean-Jacques Rousseau

Het maatschappelijk contract

OF DE GRONDSLAGEN VAN HET POLITIEK RECHT


Bron: www.rousseauonline.ch/home.php
Bibliografie van rousseauonline: 1758-augustus 1761, Openbare en Universitaire Bibliotheek van Genève (eerste versie); “Het manuscript met de (gedrukte) definitieve versie van Le Contrat social, is verdwenen.” De Pléiade-uitgave, deel III, p. 1866. Publicatie, Amsterdam, februari-maart 1762, Marc Michel Rey, enz.; de Pléiade-uitgave, deel III, pp. 347-470, 1866-1874. – Du Peyrou/Moultou 1780-1789, quarto-uitgave; deel I, pp. 187-360 (1782).
Copyright: Creative Commons 4.0 (https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/deed.nl)
Vertaling: MIA-Nederlandstalig
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !


Waarom dit boek?
Het boek beïnvloedde de Verklaring van de rechten van de mens en de burger uit 1789 in de Franse Revolutie en daarmee indirect de latere Universele verklaring van de rechten van de mens (1948), en de Franse grondwet van 1791. (Bron: Wikipedia)


Verwant
Het concept van politieke maatschappij
De onafhankelijke moraal
Utopisch socialisme


faederis aequas
Dicamus leges
Aeneis, boek XI

Boek 1
1. Onderwerp van het eerste boek
2. De eerste samenlevingen
3. Het recht van de sterkste
4. Slavernij
5. We moeten altijd terugkeren naar een eerste overeenkomst
6. Het maatschappelijk contract
7. De soeverein
8. De burgerlijke staat
9. De reële eigendom

Boek 2
1. De soevereiniteit is onvervreemdbaar
2. Dat soevereiniteit ondeelbaar is
3. De algemene wil is feilbaar?
4. De grenzen van de soevereine macht
5. Het recht op leven en dood
6. De wet
7. De wetgever
8. Het volk
9. Het volk (vervolg)
10. Het volk (vervolg)
11. De verschillende wetgevingssystemen
12. De indeling van de wetten

Boek 3
1. De overheid in het algemeen
2. Het beginsel dat ten grondslag ligt aan de verschillende regeringsvormen
3. De indeling van regeringsvormen
4. Democratie
5. Aristocratie
6. Monarchie
7. Gemengde regeringsvormen
8. Niet elke regeringsvorm is geschikt voor elk land
9. De kenmerken van een goed bestuur
10. Het misbruik van de regering en haar neiging tot degeneratie
11. De ondergang van het staatsbestel
12. Hoe de soevereine macht zichzelf in stand houdt
13. Vervolg
14. Vervolg
15. Afgevaardigden of vertegenwoordigers
16. Het instellen van een regering is geen contract
17. De instelling van de regering
18. Hoe de machtsmisbruiken van de regering in toom te houden

Boek 4
1. De algemene wil is onverwoestbaar
2. Stemmen
3. Verkiezingen
4. De Romeinse comitia
5. Het tribunaat
6. De dictatuur
7. De censuur
8. Burgerlijke religie
9. Conclusie

Woord vooraf

Dit korte traktaat maakt deel uit van een omvangrijker werk, waaraan ik destijds ben begonnen zonder mijn krachten goed in te schatten, en dat ik al lang geleden heb opgegeven. Van de verschillende fragmenten die uit het voltooide werk konden worden gehaald, is dit het belangrijkste, en het leek mij het minst onwaardig om aan het publiek te worden aangeboden. De rest bestaat niet meer.

Boek 1

Ik wil onderzoeken of er binnen de maatschappelijke orde een betrouwbare en legitieme bestuursregel kan bestaan, rekening houdend met de mensen zoals ze zijn en met de wetten zoals ze zouden kunnen zijn. Bij dit onderzoek zal ik ernaar streven om altijd datgene wat door het recht wordt goedgekeurd, te verenigen met datgene wat door het belang wordt voorgeschreven, opdat rechtvaardigheid en nut in geen geval van elkaar gescheiden mogen worden.

Ik begin zonder het belang van mijn onderwerp aan te tonen. Men zal mij vragen of ik een vorst of wetgever ben om over politiek te schrijven? Ik antwoord dat dit niet het geval is en dat ik juist daarom over politiek schrijf. Als ik een vorst of wetgever was, zou ik mijn tijd niet verspillen met te zeggen wat er moet gebeuren; ik zou het doen, of ik zou zwijgen.

Als burger van een vrije staat en lid van het soevereine volk geldt, hoe gering de invloed van mijn stem in openbare aangelegenheden ook moge zijn, dat het recht om daarover te stemmen voor mij voldoende is om mij te verplichten mij daarover te informeren. En telkens, wanneer ik over regeringen nadenk, ben ik blij dat ik bij mijn onderzoek steeds weer nieuwe redenen vind om van de regering van mijn land te houden!

1. Onderwerp van het eerste boek

De mens is vrij geboren, en toch is hij overal geketend. Sommigen menen de meester van anderen te zijn, maar zijn zelf niet minder slaaf dan zij. Hoe is deze verandering tot stand gekomen? Dat weet ik niet. Wat kan haar rechtvaardigen? Ik denk deze vraag te kunnen beantwoorden.

Als ik alleen naar de macht zou kijken, en het gevolg dat daaruit voortvloeit, zou ik zeggen: zolang een volk gedwongen wordt te gehoorzamen en gehoorzaamt, handelt het juist; zodra het het juk van zich af kan werpen en dat ook doet, handelt het nog beter: want door zijn vrijheid terug te winnen op grond van hetzelfde recht dat het hem heeft ontnomen, heeft het ofwel het recht om die vrijheid terug te nemen, ofwel had men het recht niet om die vrijheid van hem af te nemen. Maar de sociale orde is een heilig recht, dat als basis dient voor alle andere rechten. Dit recht komt echter niet voort uit de natuur; het is dus gebaseerd op overeenkomsten. De vraag is welke overeenkomsten dat zijn. Voordat ik daarop inga, moet ik eerst bewijzen wat ik zojuist heb betoogd.

2. De eerste samenlevingen

De oudste van alle gemeenschappen en de enige natuurlijke is die van het gezin. Toch blijven de kinderen slechts zolang aan de vader verbonden als zij hem nodig hebben om in leven te blijven. Zodra deze behoefte ophoudt, verdwijnt de natuurlijke band. De kinderen, bevrijd van de gehoorzaamheid die zij aan de vader verschuldigd waren, en de vader, bevrijd van de zorg die hij aan de kinderen verschuldigd was, keren allen in gelijke mate terug naar de onafhankelijkheid. Als zij verenigd blijven, is dat niet langer op natuurlijke wijze, maar vrijwillig, en het gezin zelf blijft alleen bestaan door een overeenkomst.

Deze gemeenschappelijke vrijheid vloeit voort uit de aard van de mens. De eerste wet is te zorgen voor zijn eigen voortbestaan; zijn eerste zorg geldt zichzelf, en zodra hij de leeftijd van het verstand heeft bereikt, wordt hij – als enige rechter over de middelen die geschikt zijn om zichzelf in stand te houden – daardoor zijn eigen meester.

Het gezin is dus, zo men wil, het eerste model van politieke samenlevingen; het hoofd is het evenbeeld van de vader, het volk is het evenbeeld van de kinderen, en aangezien allen gelijk en vrij geboren zijn, doen zij slechts afstand van hun vrijheid ten behoeve van hun eigen welzijn. Het enige verschil is dat in het gezin de liefde van de vader voor zijn kinderen hem beloont voor de zorg die hij hun schenkt, en dat in de staat het genoegen van het heersen in de plaats komt van die liefde die het staatshoofd niet voor zijn volk koestert.

Grotius ontkent dat elke menselijke macht ten bate van de geregeerden is ingesteld: hij geeft de slavernij als voorbeeld. Zijn gebruikelijke manier van redeneren is om het recht altijd op basis van het feit vast te stellen. [“Wetenschappelijk onderzoek naar het publiekrecht is vaak niet meer dan een geschiedenis van vroegere misstanden, en men heeft zich ten onrechte vastgebeten in deze materie door er al te veel aandacht aan te besteden.” Verhandeling over de belangen van Frankrijk ten opzichte van zijn buren, door de markies d’Argenson (gedrukt bij Rey in Amsterdam). Dat is precies wat Grotius heeft gedaan.] Men zou een consequentere methode kunnen hanteren, maar die zou minder gunstig zijn voor de tirannen.

Het is volgens Grotius dus twijfelachtig of het mensdom toebehoort aan een honderdtal mannen, of dat dit honderdtal mannen toebehoort aan het mensdom, en in zijn hele boek lijkt hij de voorkeur te geven aan de eerste opvatting: dat is ook de mening van Hobbes. Zo wordt de menselijke soort verdeeld in kuddes vee, waarvan elk zijn leider heeft, die de kudde bewaakt om ze vervolgens te verslinden.

Net zoals een herder een hogere aard heeft dan zijn kudde, zijn de herders van de mensen, die hun leiders zijn, ook van een hogere aard dan hun volkeren. Zo redeneerde, volgens het verslag van Philo, keizer Caligula; hij concludeerde uit deze analogie dat koningen goden waren, of dat de volkeren beesten waren.

De redenering van deze Caligula komt neer op die van Hobbes en Grotius. Aristoteles had, eerder dan zij beiden, ook al gezegd dat mensen van nature niet gelijk zijn, maar dat de ene geboren is voor de slavernij en de andere voor de heerschappij.

Aristoteles had gelijk, maar hij verwarde het gevolg met de oorzaak. Iedereen die in slavernij wordt geboren, is voor de slavernij bestemd; niets is zekerder. Slaven verliezen alles in hun ketenen, zelfs het verlangen om te ontkomen: zij houden van hun dienstbaarheid zoals de metgezellen van Odysseus van hun verdoving hielden. [Zie een korte verhandeling van Plutarchus, getiteld: Of dieren gebruik maken van de rede.] Als er dus slaven van nature zijn, dan is dat omdat er slaven tegen de natuur in zijn geweest. Geweld heeft de eerste slaven voortgebracht, hun lafheid heeft hen in stand gehouden.

Ik heb niets gezegd over koning Adam, noch over keizer Noach, de vader van drie grote vorsten die de wereld onder elkaar verdeelden, zoals de kinderen van Saturnus dat deden, die men in hen meende te herkennen. Ik hoop dat men mij deze terughoudendheid zal waarderen; want als rechtstreekse afstammeling van een van deze vorsten, en wellicht van de oudste tak, wie weet of ik bij verificatie van de titels niet de rechtmatige koning van het mensdom zou blijken te zijn? Hoe het ook zij, men kan niet ontkennen dat Adam de heerser van de wereld was, net zoals Robinson dat van zijn eiland was, zolang hij de enige bewoner was; en het handige aan dit rijk was dat de vorst, veilig op zijn troon, noch opstanden, noch oorlogen, noch samenzweerders hoefde te vrezen.

3. Het recht van de sterkste

De sterkste is nooit sterk genoeg om altijd de heerser te blijven, tenzij hij zijn kracht in recht omzet en gehoorzaamheid in plicht. Vandaar het recht van de sterkste; een recht dat ogenschijnlijk ironisch wordt opgevat, maar in werkelijkheid als principe is vastgelegd: maar zal men ons dit begrip ooit uitleggen? Kracht is een fysieke macht; ik zie niet in welke moraal uit de gevolgen ervan kan voortvloeien. Toegeven aan kracht is een daad van noodzaak, niet van wil; het is hooguit een daad van voorzichtigheid. In welke zin zou dit een plicht kunnen zijn?

Laten we dit zogenaamde recht even aannemen. Ik zeg dat er alleen maar onbegrijpelijk gebrabbel uit voortvloeit. Want zodra kracht het recht bepaalt, verandert het gevolg met de oorzaak; elke kracht die de eerste overwint, neemt diens recht over. Zodra men straffeloos ongehoorzaam kan zijn, kan men dat ook legitiem doen, en aangezien de sterkste altijd gelijk heeft, gaat het er alleen om ervoor te zorgen dat men de sterkste is. Maar wat is een recht dat ten onder gaat wanneer de macht ophoudt? Als men uit dwang moet gehoorzamen, hoeft men niet uit plicht te gehoorzamen, en als men niet langer gedwongen is te gehoorzamen, is men er ook niet langer toe verplicht. Men ziet dus dat dit woord recht niets toevoegt aan de macht; het betekent hier helemaal niets.

Gehoorzaam de gezagsdragers. Als dat betekent: geef toe aan de dwang, dan is het voorschrift goed, maar overbodig; ik antwoord dat het nooit zal worden overtreden. Alle macht komt van God, dat geef ik toe; maar elke ziekte komt ook van Hem. Betekent dit dat het verboden is de dokter te roepen? Stel dat een rover mij bij de rand van een bos overvalt; niet alleen moet ik hem onder geweld mijn beurs geven, maar als ik dat kan verhinderen, ben ik dan naar mijn geweten verplicht die te geven? Want uiteindelijk is het pistool dat hij vasthoudt ook een macht.

Laten we het er dus over eens zijn dat macht geen recht is, en dat men alleen verplicht is om legitieme gezaghebbenden te gehoorzamen. Zo komt mijn oorspronkelijke vraag steeds weer terug.

4. Slavernij

Aangezien geen enkel mens een natuurlijk gezag over zijn medemens bezit, en aangezien macht geen enkel recht voortbrengt, blijven overeenkomsten dus de grondslag van elk legitiem gezag onder de mensen.

Als een individu, zegt Grotius, zijn vrijheid kan vervreemden en zich tot slaaf van een meester kan maken, waarom zou dan een heel volk zijn vrijheid niet kunnen vervreemden en zich onderwerpen aan een koning? Er zijn hier veel dubbelzinnige woorden die uitleg behoeven, maar laten we ons beperken tot het woord vervreemden. Vervreemden is weggeven of verkopen. Maar een mens die zich tot slaaf van een ander maakt, geeft zichzelf niet weg, hij verkoopt zichzelf, althans voor zijn levensonderhoud; maar waarom zou een volk zich verkopen? Een koning voorziet zijn onderdanen allerminst in levensonderhoud, maar haalt zijn eigen levensonderhoud juist uit hen, en volgens Rabelais leeft een koning niet op kleine voet. Geven de onderdanen zich dus op voorwaarde dat ook hun bezit wordt afgenomen? Ik zie niet in wat er voor hen nog overblijft om te behouden.

Men zal zeggen dat de despoot zijn onderdanen burgerlijke rust garandeert. Goed dan. Maar wat hebben zij eraan, als de oorlogen die zijn ambitie over hen afroept, als zijn onverzadigbare hebzucht, als de verdrukking door zijn bewind hen meer teisteren dan hun onderlinge onenigheden zouden doen? Wat hebben zij eraan als juist die rust, hun ellende is? Ook in kerkers leeft men rustig; is dat voldoende om zich daar goed te voelen? De Grieken die opgesloten zaten in de grot van de Cycloop leefden daar rustig, hun beurt afwachtend om verslonden te worden.

Zeggen dat een mens zich vrijwillig weggeeft, is iets absurds en onvoorstelbaars beweren; een dergelijke daad is onwettig en nietig, alleen al omdat degene die haar verricht niet bij zijn volle verstand is. Hetzelfde zeggen van een heel volk, is veronderstellen dat het een volk van dwazen is: waanzin geeft geen recht.

Hoewel iedereen zichzelf zou kunnen vervreemden, kan hij zijn kinderen niet vervreemden; zij worden als mensen en vrijen geboren; hun vrijheid behoort hun toe, niemand heeft het recht erover te beschikken behalve zijzelf. Voordat zij de jaren des onderscheids hebben bereikt, kan de vader namens hen voorwaarden vastleggen voor hun behoud en welzijn; maar hij mag hen niet onherroepelijk en onvoorwaardelijk weggeven; want een dergelijke schenking is in strijd met de bedoelingen van de natuur en overschrijdt de rechten van het vaderschap. Om een willekeurige regering legitiem te laten zijn, zou het volk dus in elke generatie zelf moeten kunnen beslissen of het deze aanvaardt of verwerpt; maar dan zou deze regering niet langer willekeurig zijn.

Afstand doen van zijn vrijheid betekent afstand doen van zijn mens-zijn, van de rechten van het mensdom, zelfs van zijn plichten. Er is geen enkele mogelijke compensatie voor wie van alles afstand doet. Een dergelijke verzaking is onverenigbaar met de menselijke aard, en het ontnemen van alle wilsvrijheid betekent dat men zijn handelingen van elke moraliteit ontdoet. Ten slotte is het een zinloze en tegenstrijdige overeenkomst om enerzijds absolute autoriteit vast te leggen en anderzijds grenzeloze gehoorzaamheid. Is het niet duidelijk dat men tot niets verplicht is jegens degene van wie men het recht heeft alles te eisen? En leidt deze ene voorwaarde, zonder tegenprestatie, zonder ruil, niet tot de nietigheid van de overeenkomst? Want welk recht zou de slaaf tegen mij hebben, aangezien alles wat hij bezit mij toebehoort, en aangezien zijn recht het mijne is, is dit recht van mij tegen mijzelf een uitdrukking die geen enkele betekenis heeft.

Grotius en de anderen leiden uit de oorlog een andere oorsprong af van het zogenaamde recht op slavernij. Aangezien de overwinnaar volgens hen het recht heeft de overwonnen te doden, kan deze laatste zijn leven afkopen ten koste van zijn vrijheid; een overeenkomst die des te legitiemer is omdat zij beide partijen ten goede komt.

Maar het is duidelijk dat dit zogenaamde recht om de verslagenen te doden op geen enkele wijze voortvloeit uit de oorlogssituatie. Alleen al omdat mensen die in hun oorspronkelijke onafhankelijkheid leven, onderling geen voldoende vaste band hebben om noch een vredestoestand, noch een oorlogstoestand te vormen, zijn zij van nature geen vijanden. Het is de verhouding tussen de dingen – en niet tussen de mensen – die oorlog veroorzaakt; en aangezien de staat van oorlog niet kan voortkomen uit louter persoonlijke verhoudingen, maar uitsluitend uit feitelijke verhoudingen [mais seulement des relations réelles], kan er geen sprake zijn van een particuliere oorlog of een oorlog van mens tegen mens, niet in de natuurlijke toestand, waar geen concrete eigendom [propriété constante] bestaat, niet in de maatschappelijke toestand, waar alles onder het gezag van de wetten staat.

Privégevechten, duels en confrontaties zijn handelingen die geenszins een rechtsstatus vormen; en wat betreft de particuliere oorlogen, die waren toegestaan krachtens de verordeningen van Lodewijk IX, koning van Frankrijk, en die door de godsvrede werden opgeschort, zijn dit misbruiken van het feodale bestel – een systeem dat, als er ooit een absurd systeem heeft bestaan, in strijd is met de beginselen van het natuurrecht en met elk goed bestuur.

Oorlog is dus geen verhouding van mens tot mens, maar een verhouding van staat tot staat, waarin individuen slechts incidenteel vijanden zijn, niet als mensen, noch zelfs als burgers, [De Romeinen, die het oorlogsrecht beter begrepen en meer eerbiedigden dan enig ander volk ter wereld, gingen in dit opzicht zo ver dat het een burger niet was toegestaan als vrijwilliger te dienen zonder zich uitdrukkelijk tegen de vijand te hebben gekeerd, en wel tegen een bepaalde vijand. Toen een legioen waarin Cato de Jongere onder Popilius zijn eerste wapenfeiten verrichtte, werd ontbonden, schreef Cato de Oude aan Popilius dat, indien hij wilde dat zijn zoon hem zou blijven dienen, hij hem een nieuwe militaire eed moest laten afleggen, omdat de eerste ongeldig was geworden en hij daardoor niet langer de wapens tegen de vijand mocht opnemen. En diezelfde Cato schreef aan zijn zoon dat hij zich goed moest hoeden om zich in de strijd te begeven voordat hij deze nieuwe eed had afgelegd. Ik weet dat men mij de belegering van Clusium en andere specifieke gebeurtenissen als tegenargument kan aanvoeren. Maar ik haal wetten en gebruiken aan. De Romeinen zijn degenen die hun wetten het minst hebben overtreden, en zij zijn de enigen die zulke prachtige wetten hebben gehad.] maar als soldaten; niet als leden van het vaderland, maar als verdedigers ervan. Ten slotte kan elke staat alleen andere staten als vijanden hebben en geen individuen, aangezien er tussen zaken van verschillende aard geen echte relatie kan worden vastgesteld.

Dit beginsel is zelfs in overeenstemming met de sinds mensenheugenis gevestigde stelregels en met de vaste praktijk van alle beschaafde volkeren. Oorlogsverklaringen zijn niet zozeer waarschuwingen aan de mogendheden dan aan hun onderdanen. De vreemdeling, of het nu een koning, een individu of een volk is, die onderdanen berooft, doodt of gevangen houdt zonder de vorst de oorlog te verklaren, is geen vijand, maar een rover. Zelfs midden in een oorlog neemt een rechtvaardige vorst in vijandelijk gebied weliswaar alles in beslag wat aan de gemeenschap toebehoort, maar hij respecteert de persoon en de bezittingen van individuen: hij eerbiedigt de rechten waarop zijn eigen rechten zijn gegrondvest. Aangezien het doel van de oorlog de vernietiging van de vijandelijke staat is, heeft men het recht de verdedigers ervan te doden zolang zij de wapens in de hand hebben, maar zodra zij deze neerleggen en zich overgeven, en daarmee ophouden vijanden of instrumenten van de vijand te zijn, worden zij weer gewoon mensen en heeft men geen recht meer op hun leven. Soms kan men de staat vernietigen zonder ook maar één van zijn leden te doden; de oorlog verleent echter geen enkel recht dat niet noodzakelijk is voor het bereiken van dit doel. Deze beginselen zijn niet die van Grotius; ze zijn niet gebaseerd op de autoriteit van dichters, maar vloeien voort uit de aard der dingen en zijn gegrondvest op de rede.

Wat het veroveringsrecht betreft, heeft dit geen andere grondslag dan de wet van de sterkste. Als de oorlog de overwinnaar niet het recht geeft om de verslagen volkeren af te slachten, kan dit recht dat hij niet heeft, evenmin de grondslag vormen voor het recht om hen tot slaaf te maken. Men heeft alleen het recht de vijand te doden wanneer men hem niet tot slaaf kan maken; het recht om hem tot slaaf te maken vloeit dus niet voort uit het recht om hem te doden: het is dan ook een onrechtvaardige ruil om hem zijn leven, waarop men geen enkel recht heeft, te laten kopen ten koste van zijn vrijheid. Door het recht op leven en dood boven het recht op slavernij te stellen, en het recht op slavernij boven het recht op leven en dood, is het dan niet duidelijk dat men in een vicieuze cirkel terechtkomt?

Zelfs als we dit afschuwelijke recht om iedereen te doden zouden aannemen, zeg ik dat een slaaf die in oorlog is, of een overwonnen volk, jegens zijn meester tot niets anders verplicht is dan hem te gehoorzamen voor zover hij daartoe gedwongen wordt. Door een tegenwaarde voor zijn leven te nemen, heeft de overwinnaar hem geen genade geschonken; in plaats van hem vruchteloos te doden, heeft hij hem nuttig gedood. Het is dus verre van, dat hij enige met geweld gepaard gaande autoriteit over hem heeft verworven; de staat van oorlog blijft tussen hen bestaan zoals voorheen, hun verhouding is daar het gevolg van en de uitoefening van het oorlogsrecht veronderstelt geen enkel vredesverdrag. Hebben ze een overeenkomst gesloten; goed dan, maar deze overeenkomst vernietigt de staat van oorlog geenszins, maar veronderstelt juist de voortzetting ervan.

Dus, vanuit welk oogpunt we de kwestie ook bekijken, is het recht op slavernij nietig, niet alleen omdat het onrechtmatig is, maar ook omdat het absurd en zinloos is. De woorden slaaf en recht zijn tegenstrijdig en sluiten elkaar uit. Het zal altijd even dwaas zijn als een mens tegen een ander mens of tegen een volk zegt: “Ik sluit met jullie een overeenkomst die volledig ten koste van jullie gaat en volledig in mijn voordeel is; ik zal me eraan houden zolang ik dat wil, en jullie zullen je eraan houden zolang ik dat wil.”

5. We moeten altijd terugkeren naar een eerste overeenkomst

Zelfs als ik alles zou aanvaarden wat ik tot nu toe heb weerlegd, zouden de voorstanders van het despotisme er niet beter van worden. Er zal altijd een groot verschil zijn tussen het onderwerpen van een menigte en het besturen van een samenleving. Dat verspreide mensen achtereenvolgens aan één persoon onderworpen worden, hoe talrijk zij ook zijn, daar zie ik slechts een meester en slaven: ik zie daarin geen volk en zijn leider; het is, zo men wil, een verzameling, maar geen vereniging; er is daar noch algemeen welzijn, noch een politiek lichaam. Zelfs als deze man de helft van de wereld zou hebben onderworpen, blijft hij slechts een individu; zijn belang, los van dat van anderen, blijft een particulier belang. Mocht deze zelfde man komen te overlijden, dan blijft zijn rijk versnipperd en zonder samenhang; zoals een eik uiteenvalt en in een hoop as verandert, nadat het vuur hem heeft verteerd.

Een volk, zegt Grotius, kan zich aan een koning geven. Volgens Grotius is een volk dus al een volk voordat het zich aan een koning geeft. Deze overgave zelf is een burgerlijke handeling; zij veronderstelt een openbare beraadslaging. Voordat we dus de handeling onderzoeken waarmee een volk een koning kiest, is het goed om de handeling te onderzoeken waardoor een volk een volk is. Want aangezien deze handeling noodzakelijkerwijs voorafgaat aan de andere, vormt zij het ware fundament van de samenleving.

Inderdaad, als er geen eerdere overeenkomst zou zijn, waar zou dan – tenzij de verkiezing unaniem zou zijn – de verplichting liggen voor de minderheid om zich te onderwerpen aan de keuze van de meerderheid, en waar halen honderd mensen die een heerser willen, het recht vandaan om te stemmen voor de tien die er geen willen? De wet van de meerderheid van stemmen is zelf een vastgelegde overeenkomst en veronderstelt ten minste één keer unanimiteit.

6. Het maatschappelijk contract

Ik veronderstel dat de mensen het punt hebben bereikt waarop de obstakels die hun voortbestaan in de natuurlijke toestand in de weg staan, blijk geven van een weerstandskracht die groter is dan de middelen waarover elk individu beschikt om in die toestand te overleven. Die oorspronkelijke toestand kan dan niet langer voortbestaan; en de mensheid zou ten onder gaan, tenzij het zijn manier van bestaan zou veranderen.

Aangezien de mensen echter geen nieuwe krachten kunnen genereren, maar slechts de bestaande kunnen verenigen en sturen, hebben zij geen ander middel om zich te handhaven dan door samenwerking een kracht te vormen die de weerstand kan overwinnen, deze in te zetten vanuit één drijfveer en in onderlinge samenwerking te laten optreden.

Deze som van krachten kan alleen ontstaan uit de samenwerking van velen; maar aangezien de kracht en de vrijheid van elke mens de belangrijkste middelen voor zijn voortbestaan zijn, hoe zal hij deze dan inzetten zonder zichzelf te schaden en zonder de zorg voor zichzelf te verwaarlozen? Deze moeilijkheid, toegepast op mijn onderwerp, kan als volgt worden geformuleerd:
Vind een vorm van vereniging die met alle gezamenlijke kracht de persoon en de bezittingen van elk lid verdedigt en beschermt, en waarbij iedereen zich weliswaar met allen verenigt, maar niettemin alleen aan zichzelf gehoorzaamt en even vrij blijft als voorheen.

Dat is het fundamentele probleem waarop het maatschappelijke contract de oplossing biedt.

De bepalingen van dit contract worden zo sterk bepaald door de aard van de handeling, dat de geringste wijziging ze zinloos en ongeldig zou maken; zodat – hoewel nooit formeel vastgelegd – ze overal dezelfde zijn, overal stilzwijgend aanvaard en erkend, totdat, wanneer het maatschappelijk contract wordt geschonden, ieder zijn oorspronkelijke rechten terugkrijgt; zijn natuurlijke vrijheid herwint en de conventionele vrijheid verliest waarvan hij afstand had gedaan.

Deze bepalingen komen, goed begrepen, allemaal neer op één ding, namelijk de volledige overdracht door elke deelnemer van al zijn rechten aan de gemeenschap. Want ten eerste, aangezien iedereen zich volledig overgeeft, is de voorwaarde voor iedereen gelijk, en aangezien de voorwaarde voor iedereen gelijk is, heeft niemand er belang bij deze voor de anderen bezwarend te maken.

Bovendien is de vereniging, aangezien de overdracht zonder voorbehoud plaatsvindt, zo volmaakt als maar kan en heeft geen enkel lid nog iets te eisen: want als er nog enkele rechten aan individuen zouden overblijven, zou er geen gemeenschappelijke autoriteit zijn die tussen hen en het algemeen belang zou kunnen oordelen; en aangezien ieder op een bepaald punt zijn eigen rechter zou zijn, zou hij al snel aanspraak maken op het recht om dat in alle opzichten te zijn, waardoor de natuurlijke toestand zou voortduren en de vereniging noodzakelijkerwijs tiranniek of zinloos zou worden.

Ten slotte: doordat iedereen zich aan iedereen geeft, geeft men zich aan niemand, en aangezien er geen enkele medemens is ten opzichte van wie men niet hetzelfde recht verwerft als men hem op basis van vertrouwen afstaat, wint men het equivalent van alles wat men verliest, en meer kracht om te behouden wat men heeft.

Als men dus uit het maatschappelijke contract dat weglaat wat niet tot de essentie behoort, zal men zien dat het zich tot het volgende laat herleiden: “Ieder van ons stelt zijn persoon en al zijn kracht in gemeenschap onder de hoogste leiding van de algemene wil; en wij aanvaarden als geheel elk lid als een ondeelbaar deel van het geheel.”

Op dat moment schept deze handeling, in plaats van de individuele persoon als contractant, een moreel en collectief lichaam, bestaande uit evenveel leden als de gemeenschap stemmen telt, en uit diezelfde handeling ontleent het zijn eenheid, zijn gemeenschappelijk ik, zijn leven en zijn wil. Deze publieke entiteit, die aldus ontstaat uit de vereniging van alle andere, werd vroeger de “stadstaat” genoemd en wordt nu de “republiek” of “politiek lichaam” genoemd, dat door zijn leden “staat” wordt genoemd wanneer het passief is, “soeverein” wanneer het actief is, en “macht” wanneer het met soortgelijke entiteiten wordt vergeleken. [De ware betekenis van dit woord is bij de moderne mensen bijna volledig verdwenen; de meesten verwarren een stad met een cité en een burger met een citoyen. Zij weten niet dat huizen de stad vormen, maar dat de burgers de cité vormen. Diezelfde vergissing kwam de Carthagers duur te staan. Ik heb nergens gelezen dat de titel Cives ooit aan een vorst is toegekend, zelfs niet in het verleden aan de Macedoniërs, noch tegenwoordig aan de Engelsen, hoewel zij dichter bij de vrijheid staan dan alle anderen. Alleen de Fransen gebruiken de naam burgers heel nonchalant, omdat ze er geen echt begrip van hebben, zoals te zien is in hun woordenboeken; anders zouden ze, door deze naam onrechtmatig te gebruiken, zich schuldig maken aan majesteitsschennis: bij hen drukt deze naam een deugd uit en geen recht. Toen Bodin het over onze burgers en stadsburgers wilde hebben, beging hij een grove blunder door de ene groep voor de andere aan te merken. De heer d’Alembert heeft zich daarin niet vergist en heeft in zijn artikel over Genève een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de vier klassen van mensen (zelfs vijf, als men de gewone vreemdelingen meetelt) die in onze stad aanwezig zijn, en waarvan er slechts twee de Republiek vormen. Geen enkele andere Franse auteur, voor zover ik weet, heeft de ware betekenis van het woord burger begrepen.] Wat de leden betreft: zij worden gezamenlijk het volk genoemd, en noemen zichzelf in het bijzonder burgers, omdat zij deel hebben aan het soevereine gezag, en onderdanen, omdat zij onderworpen zijn aan de wetten van de staat. Maar deze termen worden vaak door elkaar gehaald en voor elkaar gebruikt; het volstaat ze te kunnen onderscheiden wanneer ze in hun volle betekenis worden gebruikt.

7. De soeverein

Uit deze formulering blijkt dat de verenigingsakte een wederzijdse verbintenis tussen het volk en de individuen inhoudt en dat elk individu dat, om zo te zeggen, een overeenkomst met zichzelf sluit, in tweevoud gebonden is; namelijk als lid van de soeverein jegens de individuen, en als lid van de staat jegens de soeverein. Maar men kan hier de stelregel van het burgerlijk recht niet toepassen, dat niemand gebonden is door een overeenkomst met zichzelf; want er is wel degelijk een verschil tussen zich jegens zichzelf te verplichten, of jegens een geheel waarvan men deel uitmaakt.

Er moet bovendien worden opgemerkt dat de openbare beraadslaging, die alle onderdanen verplichtingen jegens de soeverein kan opleggen vanwege de twee verschillende verhoudingen waarin elk van hen wordt beschouwd, omgekeerd de soeverein geen verplichtingen jegens zichzelf kan opleggen; en dat het bijgevolg in strijd is met de aard van het staatsbestel dat de soeverein zichzelf een wet oplegt die hij niet mag overtreden. Aangezien hij zichzelf slechts vanuit één en dezelfde hoedanigheid kan beschouwen, bevindt hij zich dan in de situatie van een individu die een overeenkomst met zichzelf sluit: waaruit blijkt dat er geen enkele vorm van fundamentele wet bestaat die bindend is voor het volk als een lichaam, zelfs niet het maatschappelijk contract. Dit betekent echter niet dat dit lichaam zich niet uitstekend ten opzichte van anderen kan verbinden, voor zover dit niet in strijd is met dit contract; want ten opzichte van de vreemdeling wordt het een eenvoudig wezen, een individu.

Maar aangezien het staatsapparaat of de soeverein zijn bestaan uitsluitend ontleent aan de heiligverklaring van het contract, kan het zich nooit, zelfs niet jegens anderen, verbinden tot iets dat afwijkt van deze oorspronkelijke akte, zoals het afstaan van een deel van zichzelf of het onderwerpen aan een andere soeverein. Het schenden van de akte waardoor het bestaat, zou neerkomen op zelfvernietiging, en wat niets is, brengt niets voort.

Zodra deze menigte aldus tot één lichaam is verenigd, kan men geen van de leden schaden zonder het lichaam aan te vallen; en nog minder het lichaam schaden zonder dat de leden daar de gevolgen van ondervinden. Zo verplichten zowel de plicht als het eigenbelang beide contractpartijen ertoe elkaar wederzijds bij te staan en moeten dezelfde mensen trachten alle voordelen die hiermee samenhangen in dit dubbele opzicht te verenigen.

Welnu, aangezien de soeverein slechts bestaat uit de individuen waaruit hij is samengesteld, heeft hij geen belangen die tegengesteld zijn aan die van hen, noch kan hij die hebben; bijgevolg heeft de soevereine macht geen enkele behoefte aan een waarborg jegens de onderdanen; want het is onmogelijk dat het lichaam al zijn leden kwaad wil doen; en wij zullen hierna zien dat het geen enkel lid afzonderlijk kwaad kan doen. De soeverein is, louter door het feit dat hij bestaat, altijd alles wat hij moet zijn.

Dit geldt echter niet voor de onderdanen ten opzichte van de soeverein, aan wie – ondanks het gemeenschappelijk belang – niets van hun verplichtingen zou worden nagekomen, indien hij geen middelen zou vinden om zich van hun trouw te verzekeren.

Elk individu kan immers, als mens, een eigen wil hebben die tegengesteld is aan of verschilt van de algemene wil die hij heeft als burger. Zijn eigenbelang kan hem op een heel andere manier aanspreken dan het algemeen belang; zijn absolute en van nature onafhankelijke bestaan kan hem ertoe brengen wat hij aan de gemeenschappelijke zaak verschuldigd is te beschouwen als een vrijwillige bijdrage, waarvan het verlies voor anderen minder schadelijk zal zijn dan de kosten ervan voor hemzelf; en door de rechtspersoon die de staat vormt te beschouwen als een rationeel wezen – omdat het geen mens is – zou deze burgerrechten genieten zonder de plichten van de onderdaan: een onrechtvaardigheid waarvan het voortschrijden de ondergang van het staatsbestel zou veroorzaken.

Opdat het maatschappelijk contract geen loze formaliteit zou zijn, bevat het stilzwijgend dit engagement, die als enige de andere macht kan geven, namelijk dat eenieder die weigert de algemene wil te gehoorzamen, daartoe door het apparaat zal worden gedwongen: wat niets anders betekent dan dat men hem zal dwingen vrij te zijn; want dit is de voorwaarde die, doordat elke burger zich aan het vaderland geeft, hem vrijwaart van elke vorm van persoonlijke afhankelijkheid;; een voorwaarde die de kern en werking van het apparaat vormt en als enige de burgerlijke verbintenissen legitiem maakt, die zonder deze voorwaarde absurd, tiranniek en vatbaar voor de meest enorme misbruiken zou zijn.

8. De burgerlijke staat

Deze overgang van de natuurstaat naar de burgerlijke staat brengt bij de mens een opmerkelijke verandering teweeg, doordat in zijn gedrag gerechtigheid in de plaats komt van het instinct en zijn handelingen de moraliteit krijgen die ze voorheen ontbeerden. Pas dan, wanneer de stem van de plicht de plaats inneemt van de fysieke impuls en het recht de plaats van de begeerte, ziet de mens, die tot dan toe alleen naar zichzelf had gekeken, zich gedwongen volgens andere principes te handelen en zijn verstand te raadplegen alvorens naar zijn neigingen te luisteren. Hoewel hij zich in deze toestand berooft van de vele voordelen van de natuur, wint hij er grote voor terug: zijn vermogens worden geoefend en ontwikkeld, zijn ideeën verbreed, zijn gevoelens worden veredeld, zijn hele ziel verheft zich zodanig dat, als de misbruiken van deze nieuwe toestand hem niet vaak zouden verlagen tot onder het niveau waaruit hij is voortgekomen, zou hij toch onophoudelijk het moment moeten zegenen dat hem daar voorgoed uit heeft gerukt, en dat van een dom en bekrompen dier een intelligent wezen en een mens heeft gemaakt.

Laten we deze hele afweging terugbrengen tot termen die gemakkelijk te vergelijken zijn. Wat de mens door het maatschappelijk contract verliest, is zijn natuurlijke vrijheid en een onbeperkt recht op alles wat hem aanspreekt en wat hij kan bereiken; wat hij wint, is de burgerlijke vrijheid en het eigendom van alles wat hij bezit. Om zich in deze afwegingen niet te vergissen, moet men een duidelijk onderscheid maken tussen de natuurlijke vrijheid, die alleen door de kracht van het individu wordt begrensd, en de burgerlijke vrijheid, die door de algemene wil wordt beperkt; en tussen het bezit, dat slechts het gevolg is van kracht of het recht van de eerste inbezitnemer, en het eigendom, dat alleen op een rechtstitel kan berusten.

Aan het bovenstaande zou men aan de verworvenheden van de burgerlijke staat de morele vrijheid kunnen toevoegen, die als enige de mens werkelijk meester over zichzelf maakt; want het louter laten leiden door begeerte is slavernij, en gehoorzaamheid aan de wet die men zichzelf heeft opgelegd is vrijheid. Maar ik heb hierover al meer dan genoeg gezegd en de filosofische betekenis van het woord vrijheid valt hier buiten mijn onderwerp.

9. De reële eigendom

Elk lid van de gemeenschap geeft zich aan de gemeenschap op het moment dat deze tot stand komt, zoals hij op dat moment is, met al zijn krachten, waaronder zijn bezittingen. Het is niet zo dat door deze handeling het bezit van aard verandert door van eigenaar te wisselen, en eigendom wordt in de handen van de soeverein; maar aangezien de macht van de staat onvergelijkbaar groter is dan die van een individu, is het openbaar bezit in feite ook sterker en onherroepelijker, zonder dat het legitiemer is, althans voor buitenstaanders. Want de staat is ten opzichte van zijn leden heer en meester over al hun bezittingen door het maatschappelijke contract, dat in de staat als grondslag dient voor alle rechten; maar ten opzichte van andere mogendheden is hij dat alleen door het recht van de eerste inbezitneming, dat hij overnam van de individuen.

Het recht van de eerste bezitter, hoewel reëler dan dat van de sterkste, wordt pas een echt recht na het vestigen van het eigendomsrecht. Ieder mens heeft van nature recht op alles wat voor hem noodzakelijk is; maar de positieve handeling die hem eigenaar maakt van een bepaald goed, sluit hem uit van al het overige. Nu zijn deel is vastgesteld, moet hij zich daartoe beperken en heeft hij geen enkel recht meer op de gemeenschap. Daarom verdient het recht van de eerste inbezitnemer, dat in de natuurlijke toestand zo zwak is, het respect van elke beschaafde mens. Men respecteert in dit recht wat aan anderen toebehoort minder dan wat niet aan zichzelf toebehoort.

Over het algemeen zijn de volgende voorwaarden nodig om het recht van de eerste inbezitnemer op een stuk grond te rechtvaardigen. Ten eerste dat dit stuk grond nog door niemand bewoond wordt; ten tweede dat men er slechts zoveel van in bezit neemt als nodig is om in leven te blijven; ten derde dat men er bezit van neemt, niet door een nutteloze ceremonie, maar door arbeid en teelt, het enige blijk van eigendom dat, bij gebrek aan juridische titels, door anderen moet worden gerespecteerd.

Is het toekennen van het recht van de eerste bezitter aan behoefte en arbeid immers niet gelijk aan het recht, dit zo ver uit te breiden als het maar kan? Kan men aan dit recht geen grenzen stellen? Is het voldoende om een voet op het gemeenschappelijk terrein te zetten om er onmiddellijk aanspraak op te maken als eigenaar? Is het voldoende om de macht te hebben anderen er van weg te houden om hen het recht te ontnemen er ooit nog terug te keren? Hoe kan een mens of een volk zich een uitgestrekt gebied toe-eigenen en de gehele mensheid daarvan beroven, anders dan door een strafbare usurpatie, aangezien dit de overige mensen de woonplaats en het levensonderhoud ontneemt die de natuur hun gezamenlijk schenkt? Toen Núñez de Balboa vanaf de kust bezit nam van de Zuidzee en heel Zuid-Amerika in naam van de kroon van Castilië, was dat dan voldoende om alle bewoners daarvan te onteigenen en alle vorsten van de wereld daarvan uit te sluiten? Op die manier namen deze plechtigheden nogal zinloos toe, en de katholieke koning hoefde alleen maar vanuit zijn kabinet in één klap bezit te nemen van de gehele wereld; waarbij hij achteraf slechts een voorbehoud hoeft te maken ten aanzien van wat reeds in het bezit was van andere vorsten.

Men begrijpt hoe de samengevoegde en aaneengesloten gronden van de individuen openbaar domein worden, en hoe het soevereiniteitsrecht, dat zich uitstrekt van de onderdanen tot het land dat zij bewonen, tegelijkertijd reëel en persoonlijk wordt; wat de bezitters in een grotere afhankelijkheid plaatst, en hun eigen krachten hun trouw waarborgt. Een voordeel dat niet goed lijkt te zijn begrepen door vroegere vorsten, die zich slechts koningen van de Perzen, de Scythen en de Macedoniërs noemden en zichzelf eerder als leiders van de mensen dan als heersers over het land leken te beschouwen. De heersers van vandaag noemen zich behendig koningen van Frankrijk, Spanje, Engeland, enz. Door op deze manier hun positie te behouden, zijn ze er zeker van dat ze de inwoners onder hun hoede houden.

Het bijzondere aan deze vervreemding is dat de gemeenschap, door de bezittingen van individuen te aanvaarden, deze geenszins van hun bezit berooft, maar juist hun rechtmatige bezit ervan waarborgt, de onrechtmatige toe-eigening omzet in een waar recht, en het genot in eigendom. Aangezien de eigenaars worden beschouwd als hoeders van het algemeen belang, hun rechten door alle leden van de staat worden gerespecteerd en met alle kracht tegen buitenlandse invloeden worden verdedigd, hebben zij – door een overdracht die gunstig is voor het algemeen belang en nog meer voor henzelf – als het ware alles verworven wat zij hebben afgestaan. Een paradox die gemakkelijk te verklaren is door het onderscheid tussen de rechten die de soeverein en de eigenaar op hetzelfde land hebben, zoals hierna zal blijken.

Het kan ook voorkomen dat mensen zich beginnen te verenigen voordat zij iets bezitten, en dat zij, nadat zij vervolgens voldoende grond voor iedereen in bezit hebben genomen, daarvan gezamenlijk genieten, of dat zij deze onderling verdelen, hetzij gelijkelijk, hetzij volgens verhoudingen die door de soeverein zijn vastgesteld. Op welke wijze dit ook plaatsvindt, het recht dat elk individu op zijn eigen grond heeft, is altijd ondergeschikt aan het recht dat de gemeenschap op alle grond heeft; anders zou er noch stabiliteit in de sociale samenhang zijn, noch echte macht in de uitoefening van de soevereiniteit.

Ik eindig dit hoofdstuk en dit boek met een opmerking die als basis moet dienen voor het gehele sociale stelsel: namelijk dat het fundamentele contract, in plaats van de natuurlijke gelijkheid te vernietigen, juist een morele en legitieme gelijkheid in de plaats stelt van de fysieke ongelijkheid die de natuur tussen de mensen had kunnen aanbrengen, en dat zij, hoewel zij ongelijk kunnen zijn in kracht of talent, door overeenkomst en van rechtswege allen gelijk worden. [Onder slecht bestuur is deze gelijkheid schijnbaar en illusoir; zij dient alleen om de arme in zijn ellende en de rijke in zijn onrechtmatige bezit te houden. In feite zijn wetten altijd nuttig voor degenen die bezitten en schadelijk voor degenen die niets hebben: daaruit volgt dat de maatschappelijke toestand voor de mensen slechts voordelig is voor zover zij allen iets hebben en geen van hen te veel heeft.]

Boek 2

1. De soevereiniteit is onvervreemdbaar

De eerste en belangrijkste conclusie die uit de tot nu toe door ons vastgestelde beginselen kan worden getrokken, is dat alleen de algemene wil de staat kan sturen in overeenstemming met het doel waarvoor deze is opgericht, namelijk het algemeen welzijn: want hoewel de botsing van particuliere belangen de oprichting van samenlevingen noodzakelijk maakte, was het juist de overeenstemming tussen deze belangen die dit mogelijk maakte. Het gemeenschappelijke element in deze verschillende belangen vormt de maatschappelijke band; en als er geen enkel punt van overeenstemming tussen al deze belangen zou bestaan, zou er geen samenleving kunnen bestaan. Het is uitsluitend op basis van dit gemeenschappelijke belang dat elke samenleving bestuurd moet worden.

Ik ben dan ook van mening dat soevereiniteit, die niets minder is dan de uitoefening van de algemene wil, nooit kan worden overgedragen en dat de soeverein, die niets minder is dan een collectief wezen, alleen door zichzelf kan worden vertegenwoordigd: de macht kan weliswaar worden overgedragen, maar de wil niet.

Het is immers mogelijk dat een individuele wil op een bepaald punt overeenkomt met de algemene wil, maar het is in ieder geval onmogelijk dat deze overeenstemming duurzaam en constant is: de individuele wil neigt immers van nature naar voorkeuren, terwijl de algemene wil naar gelijkheid neigt. Het is nog onmogelijker dat er een waarborg voor deze overeenkomst zou bestaan, ook al zou dit altijd het geval moeten zijn; dit zou niet het gevolg zijn van kunde, maar van toeval. De soeverein kan wel zeggen: “Ik wil op dit moment wat een bepaalde man wil, of althans wat hij zegt te willen”; maar hij kan niet zeggen: “Wat deze man morgen zal willen, zal ik ook willen”; aangezien het absurd is dat de wil zichzelf ketenen oplegt voor de toekomst, bovendien is het geen enkele wil eigen, om in te stemmen met iets dat in strijd is met het welzijn van het wezen dat wil. Als het volk dus belooft te gehoorzamen, lost het zich door deze daad op en verliest het zijn hoedanigheid als volk; zodra er een meester is, is er geen soeverein meer, en vanaf dat moment is het politieke lichaam vernietigd.

Dit wil niet zeggen dat de bevelen van de heersers niet als algemene wil kunnen worden beschouwd, zolang de soeverein, die vrij is zich daartegen te verzetten, dit niet doet. In een dergelijk geval moet uit het algemene stilzwijgen de instemming van het volk worden afgeleid. Dit zal nader worden toegelicht.

2. Dat soevereiniteit ondeelbaar is

Om dezelfde reden dat de soevereiniteit onvervreemdbaar is, is zij ook ondeelbaar. Want de wil is algemeen, of zij is het niet [Om van een algemene wil te kunnen spreken, is het niet altijd noodzakelijk dat deze unaniem is, maar het is wel noodzakelijk dat alle stemmen worden geteld; elke formele uitsluiting doet afbreuk aan het algemene karakter]; zij is die van het volk als geheel, of slechts van een deel daarvan. In het eerste geval is de wil, wanneer deze wordt uitgesproken, een daad van soevereiniteit en vormt deze de wet. In het tweede geval is het een individuele wil, of een daad van een overheid; het is hooguit een decreet.

Maar onze politici, die de soevereiniteit in principe niet kunnen opsplitsen, splitsen haar op wat betreft haar voorwerp; zij splitsen haar op in macht en wil, in wetgevende en uitvoerende macht, in belasting-, rechts- en oorlogsrechten, in binnenlands bestuur en in de bevoegdheid om met het buitenland te onderhandelen: nu eens verwarren zij al deze onderdelen, en nu eens scheiden zij ze van elkaar; zij maken van de soeverein een fantasiefiguur, samengesteld uit losse onderdelen; het is alsof zij de mens zouden samenstellen uit verschillende lichamen, waarvan het ene ogen zou hebben, de andere armen, of nog een andere voeten en verder niets. Charlatans in Japan snijden, zo wordt gezegd, een kind in stukken voor de ogen van de toeschouwers, waarna ze alle ledematen één voor één in de lucht gooien en het kind levend en heel weer in zijn geheel laten neerkomen. Zo zien de goocheltrucs van onze politici er ongeveer uit; nadat ze het maatschappelijke lichaam hebben uiteengereten met een goocheltruc die een kermis waardig is, brengen ze de stukken op de een of andere manier weer bij elkaar.

Deze dwaling is te wijten aan het feit dat men zich geen juist beeld had gevormd van het soevereine gezag, en dat men zaken die slechts uitingen daarvan waren, als onderdelen van dat gezag beschouwde. Zo heeft men bijvoorbeeld het uitroepen van oorlog en het sluiten van vrede beschouwd als handelingen van soevereiniteit, wat niet het geval is; aangezien elk van deze handelingen geen wet is, maar slechts een toepassing van de wet, een bijzondere handeling die de toepassing van de wet bepaalt, zoals duidelijk zal worden wanneer het begrip dat aan het woord wet verbonden is, vastligt.

Als men op dezelfde wijze de overige onderverdelingen zou volgen, zou men vaststellen dat men zich telkens vergist wanneer men meent de soevereiniteit verdeeld te zien; dat de rechten die men beschouwt als onderdelen van deze soevereiniteit, er allemaal ondergeschikt aan zijn en altijd uitgaan van een hoogste wil, waarvan deze rechten de uitvoering zijn.

Het valt niet te zeggen in hoeverre dit gebrek aan nauwkeurigheid de beslissingen van de auteurs op het gebied van het staatsrecht heeft vertroebeld, toen zij de respectieve rechten van koningen en volkeren wilden beoordelen aan de hand van de door hen vastgestelde beginselen. Iedereen kan in de hoofdstukken 3 en 4 van het eerste boek van Grotius zien hoe deze geleerde en zijn vertaler Barbeyrac in de knoop raken, verstrikt raken in hun drogredenen, uit angst om te veel of juist te weinig te zeggen volgens hun opvattingen, waardoor de belangen die zij met elkaar in evenwicht moeten brengen, worden geschaad. Grotius, die zijn toevlucht had gezocht in Frankrijk, ontevreden over zijn vaderland en in de hoop in de gunst te komen bij Lodewijk XIII, aan wie zijn boek is opgedragen, spaart geen moeite om de volkeren al hun rechten te ontnemen en de koningen daarmee te bekleden met alle mogelijke kunstgrepen. Dat zou ook de voorkeur van Barbeyrac zijn geweest, die zijn vertaling opdroeg aan de Engelse koning George I. Maar helaas dwingt de expulsie van Jacobus II – die hij troonsafstand noemt – hem tot terughoudendheid, tot het verdraaien van de feiten en tot het draaien om de hete brij, om Willem niet tot een usurpator te maken. Als deze twee schrijvers de ware beginselen hadden aangenomen, zouden alle moeilijkheden zijn weggenomen en zouden zij consequent zijn geweest; maar zij zouden op trieste wijze de waarheid hebben gesproken en zouden alleen het volk hebben geëerd. Welnu, de waarheid leidt niet tot fortuin, en het volk schenkt noch ambassades, noch leerstoelen, noch pensioenen.

3. De algemene wil is feilbaar?

Uit het voorgaande volgt dat de algemene wil altijd oprecht is en steeds gericht op het algemeen belang; hieruit volgt echter niet dat de besluiten van het volk altijd even oprecht zijn. Men wil altijd het beste voor zichzelf, maar men ziet dat niet altijd in; men corrumpeert het volk nooit, maar men misleidt het vaak; en alleen dan lijkt het alsof het het kwade wil.

Er is vaak een groot verschil tussen de wil van allen en de algemene wil: deze laatste heeft alleen oog voor het gemeenschappelijk belang, de andere voor het particulier belang, en is slechts een som van het individuele willen; maar haal uit diezelfde willen de plus- en minpunten weg die elkaar tenietdoen [Elk belang, zegt de markies van Argenson, heeft verschillende uitgangspunten. De overeenstemming tussen twee individuele belangen ontstaat in tegenstelling tot dat van een derde. Hij had eraan kunnen toevoegen dat de overeenstemming tussen alle belangen ontstaat in tegenstelling tot dat van elk afzonderlijk. Als er geen verschillende belangen zouden zijn, zou men het gemeenschappelijk belang nauwelijks voelen, aangezien het nooit op weerstand zou stuiten: alles zou vanzelf gaan, en de politiek zou ophouden een kunst te zijn], dan blijft de algemene wil als som van de verschillen over.

Indien, wanneer het voldoende geïnformeerde volk beraadslaagt, de burgers onderling geen contact zouden hebben, zou uit het grote aantal kleine verschillen altijd de algemene wil voortkomen, en zou de beraadslaging altijd goed zijn. Maar wanneer er groeperingen ontstaan, verenigingen die ten koste gaan van het grote geheel, wordt de wil van elk van deze verenigingen algemeen ten opzichte van haar leden, en particulier ten opzichte van de staat; men kan dan stellen dat er niet langer evenveel kiezers zijn als er mensen zijn, maar slechts evenveel als er verenigingen zijn. De verschillen worden minder talrijk en leveren een minder algemeen resultaat op. Uiteindelijk, wanneer een van deze groeperingen zo groot is dat zij de anderen overtreft, is het resultaat niet langer een som van kleine verschillen, maar één enkel verschil; dan is er geen algemene wil meer, en is de mening die de overhand heeft een particuliere mening.

Om de algemene wil goed tot uitdrukking te brengen, is het dus van belang dat er binnen de staat geen particuliere gemeenschappen bestaan en dat elke burger uitsluitend zijn eigen mening vormt. [Het is waar, zegt Machiavelli, dat sommige verdeeldheden schadelijk zijn voor republieken, en andere nuttig: schadelijk zijn die welke gepaard gaan met sekten en partijgangers; nuttig zijn die welke zonder sekten en zonder partijgangers standhouden. Aangezien een stichter van een republiek dus niet kan voorkomen dat er vijandschappen in die republiek bestaan, moet hij er ten minste voor zorgen dat er geen sekten zijn. Hist. Florent, boek 7.] Dat was de enige en verheven instelling van de grote Lycurgus. Als er deelgemeenschappen bestaan, moet men het aantal daarvan vermeerderen en ongelijkheid voorkomen, zoals Solon, Numa en Servius deden. Deze voorzorgsmaatregelen zijn de enige goede om ervoor te zorgen dat de algemene wil altijd duidelijk is en dat het volk zich niet vergist.

4. De grenzen van de soevereine macht

Indien de staat of de stad een rechtspersoon is waarvan het bestaan berust op de gemeenschap van zijn leden, en zijn belangrijkste zorg het zelfbehoud is, dan heeft hij een universele en dwingende macht nodig om elk onderdeel te sturen en in te zetten op de wijze die het meest geschikt is voor het geheel. Zoals de natuur aan elke mens absolute macht over al zijn ledematen geeft, zo verleent het maatschappelijk contract aan het staatsapparaat absolute macht over al zijn leden, en het is juist deze macht die, geleid door de algemene wil, zoals ik al zei, de naam soevereiniteit draagt.

Maar naast de publieke persoon moeten we ook rekening houden met de individuele personen waaruit deze bestaat, en wier leven en vrijheid van nature onafhankelijk zijn van de publieke persoon. Het gaat er dus om een duidelijk onderscheid te maken tussen de respectievelijke rechten van de burgers en die van de soeverein [Aandachtige lezers, haast u alstublieft niet om mij hier van een tegenstrijdigheid te beschuldigen. Gezien de beperkte mogelijkheden van de taal kon ik dit in mijn bewoordingen niet vermijden; maar heb geduld.] en de plichten die de eersten als onderdanen moeten vervullen, naast het natuurrecht waarvan zij als mensen moeten genieten.

Men is het erover eens dat alles wat eenieder via het maatschappelijk contract van zijn macht, zijn bezittingen en zijn vrijheid afstaat, slechts dat deel is waarvan het gebruik van belang is voor de gemeenschap; men moet echter ook erkennen dat alleen de soeverein bevoegd is om over dit belang te oordelen.

Alle diensten die een burger de staat kan bewijzen, is hij verschuldigd zodra de soeverein daarom vraagt; maar de soeverein van zijn kant mag de onderdanen geen last opleggen die voor de gemeenschap nutteloos is; hij mag dat zelfs niet willen; want volgens de wet van de rede gebeurt niets zonder reden, evenmin als volgens de wet van de natuur.

De verbintenissen die ons aan de samenleving binden, zijn bindend omdat ze wederzijds zijn, en hun aard is zodanig dat men bij het nakomen ervan niet voor anderen kan werken zonder ook voor zichzelf te werken. Waarom is de algemene wil altijd rechtvaardig, en waarom willen allen voortdurend het geluk van ieder van hen, tenzij omdat er niemand is die zich het woord ieder niet eigen maakt, en niet aan zichzelf denkt wanneer hij voor allen stemt? Dit bewijst dat gelijkheid in rechten en het begrip van rechtvaardigheid dat daaruit voortvloeit, voortkomt uit de voorkeur die ieder zichzelf toekent en bijgevolg uit de aard van de mens; dat de algemene wil, om werkelijk als zodanig te zijn, zowel in haar doel als in haar wezen zo moet zijn; dat zij van allen moet uitgaan om op allen van toepassing te zijn, en dat zij haar natuurlijke rechtvaardigheid verliest wanneer zij op een individueel en bepaald doel is gericht, omdat wij dan, wanneer wij oordelen over wat ons vreemd is, geen waar principe van billijkheid hebben dat ons leidt.

Zodra het namelijk gaat om iets, of een bijzonder recht, dat niet is geregeld door een algemene en eerdere overeenkomst, wordt de zaak omstreden. Het is een rechtszaak waarin de betrokken individuen de ene partij vormen en het publiek de andere, maar waarin ik noch de wet zie die moet worden gevolgd, noch de rechter die uitspraak moet doen. Het zou belachelijk zijn om dan een beroep te willen doen op een uitdrukkelijke beslissing van de algemene wil, die slechts de conclusie van één van de partijen kan zijn, en bijgevolg voor de andere partij slechts een vreemde, bijzondere wil is, die in dit geval tot onrechtvaardigheid leidt en vatbaar is voor dwaling. Net zoals een individuele wil de algemene wil niet kan vertegenwoordigen, verandert de algemene wil op haar beurt van aard wanneer zij een specifiek doel heeft, en kan zij als algemene wil geen uitspraak doen over een persoon of een gebeurtenis. Bijvoorbeeld, toen het volk van Athene zijn leiders benoemde of afzette, of de ene eerbewijzen toekende, en de andere straffen oplegde, en door een veelheid aan afzonderlijke besluiten zonder onderscheid alle handelingen van de regering uitoefende, had het volk op dat moment geen algemene wil meer in de eigenlijke zin van het woord; het handelde niet langer als soeverein, maar als overheid. Dit lijkt in strijd met de gangbare opvattingen, maar geef mij de tijd om mijn eigen ideeën uiteen te zetten.

Men moet hieronder verstaan dat wat de wil algemeen maakt, niet zozeer het aantal stemmen is, als wel het gemeenschappelijk belang dat hen verenigt; want in deze instelling onderwerpt ieder zich noodzakelijkerwijs aan de voorwaarden die hij aan de anderen oplegt; een bewonderenswaardige overeenstemming tussen belang en rechtvaardigheid, die de gezamenlijke beraadslagingen een karakter van billijkheid verleent dat men bij de bespreking van elke afzonderlijke zaak ziet verdwijnen, bij gebrek aan een gemeenschappelijk belang dat de rechtsregel verenigt met en gelijkstelt aan die van de partij.

Van welke kant men het principe ook benadert, men komt altijd tot dezelfde conclusie; namelijk dat het maatschappelijk contract tussen de burgers een zodanige gelijkheid tot stand brengt dat zij zich allen onder dezelfde voorwaarden verbinden en allen dezelfde rechten moeten genieten. Zo verplicht of begunstigt, door de aard van het contract, elke soevereine handeling – dat wil zeggen elke authentieke uiting van de algemene wil – alle burgers in gelijke mate, zodat de soeverein alleen het volk als geheel erkent en geen onderscheid maakt tussen degenen waaruit het bestaat. Wat is dan eigenlijk een soevereine handeling? Het is geen overeenkomst tussen de meerdere en de ondergeschikte, maar een overeenkomst tussen het volk en elk van zijn leden: een legitieme overeenkomst, omdat het gebaseerd is op het maatschappelijk contract; rechtvaardig, omdat het voor iedereen geldt; nuttig, omdat het geen ander doel kan hebben dan het algemeen welzijn; en solide, omdat het wordt gewaarborgd door de openbare macht en de hoogste autoriteit. Zolang de onderdanen aan dergelijke overeenkomsten onderworpen zijn, gehoorzamen zij aan niemand, maar alleen aan de eigen wil; en vragen in hoeverre de respectievelijke rechten van de soeverein en de burgers reiken, is vragen tot op welk punt deze zich ten opzichte van zichzelf kunnen verbinden, ieder jegens allen en allen jegens ieder van hen.

Hieruit blijkt dat de soevereine macht, hoe absoluut, heilig en onschendbaar zij ook is, de grenzen van de algemene overeenkomsten niet overschrijdt en ook niet kan overschrijden, en dat ieder mens volledig kan beschikken over wat hem door deze overeenkomsten aan bezit en vrijheid is overgelaten; zodat de soeverein nooit het recht heeft de ene onderdaan zwaarder te belasten dan de andere, want wanneer de zaak een bijzonder karakter krijgt, is zijn macht niet langer van toepassing.

Zodra dit onderscheid eenmaal aanvaard is, is het volstrekt onjuist dat er in het maatschappelijk contract sprake is van een afstaan van rechten door de individuen, en dat hun situatie door dit contract daadwerkelijk beter is dan voorheen, en dat zij, in plaats van een vervreemding, ze een voordelige ruil hebben verricht: van een onzekere en precaire levenswijze tegen een betere en zekerder, van natuurlijke onafhankelijkheid tegen vrijheid, van de macht om anderen schade te berokkenen tegen hun eigen veiligheid, en van hun kracht – die anderen konden overwinnen – tegen een recht dat door de maatschappelijke eenheid onoverwinnelijk wordt. Zelfs hun leven, gewijd aan de staat, wordt daardoor voortdurend beschermd, en wanneer zij het ter verdediging ervan op het spel zetten, wat doen zij dan anders dan de staat teruggeven wat zij van hem hebben ontvangen? Wat doen zij anders dan wat zij in de natuurtoestand vaker en met groter gevaar zouden doen, wanneer zij in onvermijdelijke gevechten met gevaar voor eigen leven datgene zouden verdedigen wat hen in staat stelt hun leven te behouden? Iedereen moet indien nodig voor het vaderland strijden, dat is waar; maar niemand hoeft ooit voor zichzelf te strijden. Winnen we er niet bij dat we nu al een deel van de risico’s nemen die we zouden lopen zodra onze veiligheid ons zou worden ontnomen?

5. Het recht op leven en dood

Men vraagt zich af hoe individuen, die geen recht hebben om over het eigen leven te beschikken, datzelfde recht, dat zij niet hebben, aan de soeverein kunnen overdragen? Deze vraag lijkt moeilijk te beantwoorden omdat ze verkeerd is gesteld. Ieder mens heeft het recht zijn leven op het spel te zetten om het te behouden. Is er ooit gezegd dat iemand die uit een raam springt om aan een brand te ontsnappen, schuldig is aan zelfmoord? Is deze misdaad ooit ten laste gelegd aan iemand die omkomt in een storm waarvan bij het inschepen dat gevaar gekend was?

Het maatschappelijk contract heeft tot doel de contractpartijen in leven te houden. Wie het doel nastreeft, aanvaardt ook de middelen, en deze middelen zijn onlosmakelijk verbonden met bepaalde risico’s, ja zelfs met verliezen. Wie zijn leven ten koste van anderen wil behouden, moet het ook voor hen opofferen wanneer dat nodig is. Welnu, de burger is niet langer de rechter over het gevaar waaraan de wet hem wil blootstellen, en wanneer de vorst hem heeft gezegd: “Het is in het belang van de staat dat je sterft”, dan moet hij sterven; want alleen onder die voorwaarde heeft hij tot dan toe in veiligheid geleefd en is zijn leven niet langer een zegen van de natuur, maar een voorwaardelijke gave van de staat.

De doodstraf aan misdadigers opgelegd, kan min of meer vanuit hetzelfde standpunt worden bekeken: men stemt ermee in te sterven als men het slachtoffer van een moordenaar wordt, juist om zelf niet het slachtoffer van een moordenaar te worden. In dit contract doen wij geenszins afstand van ons eigen leven, maar denken wij uitsluitend aan het veilig te stellen ervan, en er mag niet worden aangenomen dat een van de partijen op dat moment verwacht te worden opgehangen.

Bovendien wordt elke misdadiger die het maatschappelijk recht schendt door zijn misdaden een rebel en een verrader van het vaderland; hij houdt op lid te zijn door de wetten ervan te overtreden en voert zelfs oorlog tegen het vaderland. Dan is het voortbestaan van de staat onverenigbaar met het zijne; een van beiden moet dood, en wanneer men de schuldige ter dood brengt, is dat niet als burger, wel als vijand. De procedures en het vonnis zijn het bewijs en de verklaring dat hij het maatschappelijk contract heeft verbroken, bijgevolg dat hij geen lid meer is van de staat. Maar aangezien hij zich als zodanig heeft bekend, al was het maar door zijn verblijf, moet hij worden uitgesloten door verbanning als overtreder van het verdrag, of door de dood als publieke vijand; want zo’n vijand is geen rechtspersoon, maar een mens, en in dat geval schrijft het oorlogsrecht voor dat de overwonnen vijand moet worden gedood.

Maar, zal men zeggen, de veroordeling van een misdadiger is een bijzondere daad. Daar ben ik het mee eens; deze veroordeling behoort dan ook niet tot de bevoegdheid van de soeverein; het is een recht dat hij kan opdragen zonder het zelf te moeten uitoefenen. Al mijn ideeën sluiten op elkaar aan, maar ik kan ze niet allemaal tegelijk uiteenzetten.

Overigens is het veelvuldig toepassen van de doodstraf altijd een teken van zwakte of luiheid bij de regering. Er is geen enkele slechterik die men niet tot iets goeds zou kunnen maken. Men heeft alleen het recht om iemand ter dood te brengen, zelfs ter afschrikking, als men hem niet zonder gevaar kan in leven laten.

Wat het recht van gratie betreft, of een schuldige vrij te stellen van de straf, door de wet voorgeschreven en door de rechter uitgesproken, komt dit recht uitsluitend toe aan degene die boven de rechter en de wet staat, dat wil zeggen aan de soeverein; toch is zijn recht hierin niet geheel duidelijk, en zijn de gevallen waarin hiervan gebruik wordt gemaakt zeer zeldzaam. In een goed bestuurde staat zijn er weinig straffen, niet omdat er veel gratie wordt verleend, maar omdat er weinig misdadigers zijn: de overvloed aan misdaden zorgt ervoor dat deze ongestraft blijven wanneer de staat in verval raakt. Onder de Romeinse republiek hebben noch de senaat, noch de consuls ooit geprobeerd gratie te verlenen: zelfs het volk deed dat niet, hoewel het soms zijn eigen oordeel herriep. Frequente gratieverleningen zijn een voorbode dat er binnenkort geen gratie meer nodig zal zijn, en iedereen ziet waar dat toe leidt. Maar ik voel dat mijn hart mort en mijn pen tegenwerkt; laten we deze kwesties overlaten aan de rechtvaardige man die nooit heeft gefaald en die zelf nooit gratie nodig heeft gehad.

6. De wet

Door het maatschappelijk contract hebben wij het staatsapparaat tot bestaan en leven gebracht: nu gaat het erom het door middel van wetgeving, beweging en wil te geven. Want de oorspronkelijke daad waardoor dit apparaat wordt gevormd en verenigd, bepaalt nog niets van wat het moet doen om zichzelf in stand te houden.

Wat goed is en in overeenstemming met de orde, is dat door de aard der dingen en onafhankelijk van menselijke overeenkomsten. Alle rechtvaardigheid komt van God. Hij alleen is de bron; maar als we die rechtvaardigheid vanuit die hoge bron zouden weten te ontvangen, zouden we noch een regering, noch wetten nodig hebben. Er bestaat ongetwijfeld een universele rechtvaardigheid die uitsluitend uit de rede voortkomt; maar om onder ons aanvaard te worden, moet die rechtvaardigheid wederzijds zijn. Als we de zaken vanuit menselijk oogpunt bekijken, zijn de wetten van de gerechtigheid onder de mensen zinloos bij gebrek aan een natuurlijke sanctie; ze werken alleen maar in het voordeel van de slechte en ten nadele van de rechtvaardige, wanneer deze zich er samen met iedereen aan houdt, terwijl niemand anders zich eraan houdt. Er zijn dus overeenkomsten en wetten nodig om rechten aan plichten te koppelen en de rechtvaardigheid op haar doel te richten. In de natuurtoestand, waar alles gemeenschappelijk is, ben ik niets verschuldigd aan wie ik niets heb beloofd; ik erken alleen datgene als eigendom van anderen wat voor mijzelf nutteloos is. Zo is het niet in de burgerlijke toestand, waar alle rechten bij wet zijn vastgelegd.

Maar wat is een wet? Zolang men zich ermee tevredenstelt om aan dit woord alleen metafysische ideeën te verbinden, zal men blijven redeneren zonder elkaar te begrijpen, en wanneer men heeft gezegd wat een natuurwet is, zal men nog steeds niet beter weten wat een staatswet is.

Ik heb al gezegd dat er geen algemene wil bestaat met betrekking tot een specifiek onderwerp. Dit specifieke onderwerp bevindt zich immers binnen of buiten de staat. Als het buiten de staat ligt, is het een wil die er vreemd aan is, ten opzichte van dat onderwerp niet algemeen; en als dit onderwerp binnen de staat ligt, maakt het er deel van uit: dan ontstaat er tussen het geheel en het deel een verhouding die er twee afzonderlijke entiteiten van maakt, waarvan het deel het ene is, en het geheel minus datzelfde deel het andere. Maar het geheel minus een deel is niet het geheel, en zolang deze verhouding bestaat, is er geen geheel, maar zijn er twee ongelijke delen; waaruit volgt dat de wil van het ene deel evenmin algemeen is ten opzichte van het andere.

Maar wanneer het gehele volk over het gehele volk beslist, ziet het alleen zichzelf, en als er dan een verhouding ontstaat, is dat van het gehele object vanuit het ene gezichtspunt tot het gehele object vanuit een ander gezichtspunt, zonder enige verdeling van het geheel. Dan is de materie waarover beslist wordt algemeen, net als de wil die beslist. Deze handeling noem ik een wet.

Als ik zeg dat het voorwerp van de wetten altijd algemeen is, bedoel ik dat de wet de onderdanen als geheel en de handelingen als abstracte begrippen beschouwt, nooit een mens als individu noch een bepaalde handeling. De wet kan dus wel bepalen dat er voorrechten zullen zijn, maar zij kan deze niet aan een bepaalde persoon toekennen; de wet kan verschillende klassen van burgers instellen, zelfs de hoedanigheden vaststellen die recht geven op het behoren tot deze klassen, maar zij kan niet deze of gene aanwijzen om te worden toegelaten; zij kan een koninklijke regering en een erfelijke troonopvolging instellen, maar zij kan geen koning kiezen, noch een koninklijke familie benoemen; kortom, elke functie die betrekking heeft op een individueel voorwerp behoort niet tot de wetgevende macht.

Vanuit dit idee wordt onmiddellijk duidelijk dat men zich niet langer hoeft af te vragen aan wie het toekomt wetten te maken, aangezien dit daden van de algemene wil zijn; noch of de vorst boven de wetten staat, aangezien hij lid is van de staat; noch of de wet onrechtvaardig kan zijn, aangezien niemand onrechtvaardig is jegens zichzelf; noch hoe men vrij is en tegelijkertijd aan de wetten onderworpen, aangezien deze slechts een weergave zijn van onze wil.

We zien nogmaals dat, aangezien de wet de universaliteit van de wil en die van het object verenigt, wat een mens, wie hij ook moge zijn, op eigen gezag beveelt, geen wet is; wat zelfs de soeverein met betrekking tot een bepaald object beveelt, is evenmin een wet, maar een decreet, en geen daad van soevereiniteit, maar van een overheid.

Ik noem dus elke staat die door wetten wordt bestuurd een republiek, ongeacht de vorm van bestuur: want alleen dan regeert het algemeen belang en is de openbare zaak iets van betekenis. Elke legitieme regering is republikeins. [Ik bedoel met dit woord niet alleen een aristocratie of een democratie, maar in het algemeen elke regering die wordt geleid door de algemene wil, die de wet is. Om legitiem te zijn, mag de regering niet worden verward met de soeverein, maar moet zij diens dienaar zijn: dan is zelfs de monarchie een republiek. Dit zal in het volgende boek worden verduidelijkt.] Ik zal hierna uitleggen wat een regering is.

Wetten zijn strikt genomen de voorwaarden van de burgermaatschappij. Het volk dat aan de wetten onderworpen is, moet er de opsteller van zijn; het is uitsluitend aan degenen die zich verenigen om de voorwaarden van de samenleving vast te stellen; maar hoe zullen zij die vaststellen? Zal dat in onderlinge overeenstemming gebeuren, door een plotselinge ingeving? Heeft het staatsapparaat een orgaan om zijn wil kenbaar te maken? Wie zal het de nodige vooruitziendheid geven om besluiten op te stellen en deze van tevoren bekend te maken, of hoe zal het deze uitspreken op het moment dat het nodig is? Hoe zou een blinde menigte, die vaak niet is wat zij wil, omdat zij zelden ziet wat goed voor haar is, uit eigen beweging een onderneming kunnen uitvoeren die zo groot en zo moeilijk is als een wetgevingssysteem? Het volk wil van nature altijd het goede, maar ziet dat niet altijd zelf in. De algemene wil is altijd rechtvaardig, maar het oordeel dat haar leidt, is niet altijd verlicht. Men moet haar de zaken laten zien zoals ze zijn, soms zoals ze haar moeten voorkomen, haar de juiste weg wijzen die zij zoekt, haar beschermen tegen de verleidingen van individuele belangen, het verschil tussen plaats en tijd voor ogen stellen, en de aantrekkingskracht van huidige en tastbare voordelen afwegen tegen het gevaar van verre en verborgen kwaden. Individuen zien het goede dat zij verwerpen; het publiek wil het goede dat het niet ziet. Allen hebben evenzeer gidsen nodig. De enen moeten worden gedwongen hun wil in overeenstemming te brengen met hun verstand; de anderen moeten leren te weten wat zij willen. Uit deze verlichting vloeit dus de eenheid van verstand en wil binnen de samenleving voort, vandaar de naadloze samenwerking tussen de verschillende delen, en ten slotte de grootste kracht van het geheel. Vandaar ontstaat de noodzaak van een wetgever.

7. De wetgever

Om de beste maatschappelijke regels te ontdekken — geschikt voor naties — zou een superieur verstand nodig zijn, dat alle menselijke hartstochten doorziet en zelf er niet vatbaar voor is, dat geen enkele band met onze natuur heeft en deze toch grondig kent, waarvan het geluk onafhankelijk is van ons, en dat zich niettemin graag met het onze zou willen bezighouden; kortom, die, terwijl hij zich in de loop der tijden een verre roem verwierf, in het ene tijdperk kon werken en in het andere genieten. [Een volk wordt pas beroemd wanneer zijn wetgeving in verval komt. Men weet niet hoeveel eeuwen de organisatie van Lycurgus het geluk van de Spartanen verzekerde, voordat er in de rest van Griekenland over hen werd gesproken.] Er zijn goden nodig om de mensen wetten te geven.

Dezelfde redenering die Caligula hanteerde met betrekking tot de feiten, hanteerde Plato met betrekking tot het recht om de burgerlijke of koninklijke mens te definiëren die hij zoekt in zijn boek over het koningschap; maar als het waar is dat een groot vorst een zeldzame man is, wat zal dan een groot wetgever zijn? De eerste hoeft slechts het model te volgen dat de andere moet voorstellen. De ene is de monteur die de machine uitvindt, de andere is de arbeider die haar in elkaar zet en laat draaien. Bij het ontstaan van samenlevingen, zo zegt Montesquieu, zijn het de leiders van de republieken die de instelling tot stand brengen, en vervolgens is het de instelling die de leiders van de republieken vormt.

Wie het aandurft een volk te organiseren, moet zich in staat achten om, bij wijze van spreken, de menselijke natuur te veranderen; elk individu, dat op zichzelf een volmaakt en op zichzelf staand geheel is, te veranderen in een deel van een groter geheel, waaruit dit individu als het ware zijn leven en zijn bestaan ontleent; de aard van de mens te wijzigen om deze te versterken; het fysieke en onafhankelijke bestaan dat wij allen van de natuur hebben ontvangen, te vervangen door een gedeeld en moreel bestaan. Kortom, hij moet de mens zijn eigen krachten ontnemen om hem krachten te geven die hem vreemd zijn en waarvan hij geen gebruik kan maken zonder de hulp van anderen. Hoe meer deze natuurlijke krachten zijn uitgedoofd en tenietgedaan, hoe groter en duurzamer de verworven krachten zijn, en des te steviger en volmaakter is de instelling: zodat, indien elke burger niets is en niets kan zonder alle anderen, en de door het geheel verworven kracht gelijk is aan of groter is dan de som van de natuurlijke krachten van alle individuen, kan men zeggen dat de wetgeving het hoogste punt van volmaaktheid heeft bereikt dat zij kan bereiken.

De wetgever is in alle opzichten een buitengewone mens binnen de staat. Als hij dat al is vanwege zijn genie, dan is hij dat niet minder vanwege het ambt. Het is geen rechterlijke overheid, het is geen soevereiniteit. Dit ambt, dat de republiek vormt, maakt geen deel uit van de grondwet: het is een bijzondere en superieure functie die niets gemeen heeft met het menselijk zijn [l’empire humain]; want zoals degene die over mensen heerst niet over de wetten mag heersen, zo mag degene die over de wetten heerst evenmin over de mensen heersen; anders zouden zijn wetten, als dienaren van zijn hartstochten, vaak slechts zijn onrechtvaardigheden bestendigen, en zou hij nooit kunnen voorkomen dat persoonlijke belangen de heiligheid van zijn werk zouden aantasten.

Toen Lycurgus aan zijn vaderland wetten gaf, begon hij met afstand te doen van het koningschap. Het was de gewoonte in de meeste Griekse steden om het opstellen van hun wetten aan vreemdelingen toe te vertrouwen. De moderne republieken van Italië volgden dit gebruik vaak; die van Genève ook en dat bleek goed te zijn. [Zij die Calvijn slechts als theoloog beschouwen, kennen de reikwijdte van zijn genie niet. Het opstellen van onze wijze edicten, waaraan hij in hoge mate heeft bijgedragen, strekt hem evenzeer tot eer als zijn instituties. Welke omwenteling de tijd ook in onze godsdienst moge teweegbrengen, zolang de liefde voor het vaderland en de vrijheid onder ons niet is gedoofd, zal de herinnering aan deze grote man altijd een zegen blijven.] Rome zag in zijn bloeitijd alle misdaden van de tirannie in zijn midden herleven en stond op het punt ten onder te gaan, omdat het de wetgevende macht en de soevereine macht in dezelfde handen had verenigd.

Toch hebben de decemviri zich nooit het recht toegeëigend om op eigen gezag enige wet aan te nemen. “Niets van wat wij u voorstellen”, zeiden zij tegen het volk, “kan tot wet worden verheven zonder uw instemming. Romeinen, wees zelf de opstellers van de wetten die uw geluk moeten bewerkstelligen.”

Degene die de wetten opstelt, heeft dus geen wetgevend recht, noch mag hij dat hebben, en zelfs het volk kan, zelfs als het dat zou willen, zich dit onvervreemdbare recht niet ontnemen; want volgens het grondverdrag is het alleen de algemene wil die de individuen bindt, en kan men er nooit zeker van zijn dat een individuele wil in overeenstemming is met de algemene wil, dan nadat deze aan de vrije stemming van het volk is onderworpen: ik heb dit al gezegd, maar het is niet overbodig om het te herhalen.

Zo vinden we in het wetgevende werk twee zaken die onverenigbaar lijken: een opdracht die de menselijke kracht te boven gaat, en om die uit te voeren, een gezag dat niets is.

Er is een andere moeilijkheid die aandacht verdient. De wijzen die tot het volk willen spreken in hun eigen taal in plaats van die van het volk, zij zouden niet begrepen worden. Er zijn echter duizend soorten ideeën die onmogelijk in de taal van het volk kunnen worden vertaald. Te algemene visies en te verafgelegen zaken liggen eveneens buiten het bereik; aangezien elk individu geen ander regeringsplan waardeert dan dat wat betrekking heeft op zijn eigenbelang, ziet hij moeilijk de voordelen in die hij zou moeten halen uit de voortdurende ontberingen die goede wetten opleggen. Opdat een ontluikend volk de gezonde politieke stelregels zou kunnen waarderen en de fundamentele regels van de staatsraison zou kunnen volgen, zou het gevolg de oorzaak moeten worden, zou de maatschappelijke geest – die het werk van de instelling moet zijn – de instelling zelf moeten leiden, en zouden de mensen vóór de wetten al moeten zijn wat zij door die wetten moeten worden. Aangezien de wetgever dus noch geweld noch redenering kan aanwenden, is het noodzakelijk dat hij zijn toevlucht neemt tot een autoriteit van een andere orde, die zonder geweld kan meeslepen en zonder te overtuigen kan overhalen.

Dit is wat de vaderen der naties van oudsher ertoe heeft gedwongen een beroep te doen op de tussenkomst van de hemel en de goden te eren met hun eigen wijsheid, opdat de volkeren, die zich zowel aan de wetten van de staat als aan die van de natuur onderwerpen en dezelfde macht erkennen in de schepping van de mens als in die van de staat, in vrijheid gehoorzamen, en het juk van het algemeen welzijn geduldig zouden dragen.

Deze verheven rede, uitstijgend boven het begrip van de gewone mensen, is die waarvan de wetgever de beslissingen in de mond van de onsterfelijken legt, om door goddelijke autoriteit diegenen te overtuigen die anders door menselijke voorzichtigheid niet te bewegen zijn. [E veramente, zegt Machiavelli, mai non fù alcuno ordinatore di leggi straordinarie in un popolo, che non ricorresse à Dio, perche altrimenti non sarebbero accettate; perche sono molti beni conosciuti da uno prudente, i quali non hanno in se raggioni evidenti da potergli persuadere ad altrui. Discorsi sopra Tito Livio. L. I. c. XI.] Maar het is niet aan ieder mens om de goden te laten spreken, noch om te worden geloofd wanneer hij zich als hun tolk voordoet. De grote ziel van de wetgever is het ware wonder dat zijn missie moet bewijzen. Iedereen kan stenen tafelen graveren, of een orakel kopen, of doen alsof hij in het geheim met een of andere godheid communiceert, of een vogel africhten om hem in het oor te fluisteren, of andere grove middelen vinden om het volk te misleiden. Wie niet meer kan dan dat, zal misschien bij toeval een groep dwazen bijeenbrengen, maar hij zal nooit een rijk stichten, en zijn buitengewoon werk zal spoedig met hem ten onder gaan. IJdele schijn vormt een vluchtige band; alleen wijsheid maakt die duurzaam. De nog steeds bestaande Joodse wet, die van het kind van Ismaël die al tien eeuwen lang de helft van de wereld regeert, getuigt ook vandaag nog van de grote mannen die ze hebben opgesteld; en terwijl de hoogmoedige filosofie of de blinde partijgeest in hen slechts gelukkige bedriegers ziet, bewondert de ware politicus in hun instellingen dat grote en machtige genie dat aan de basis ligt van duurzame instituties.

Hieruit mag men niet, net als Warburton, concluderen dat politiek en religie bij ons een gemeenschappelijk doel hebben, maar wel dat bij het ontstaan van naties de ene als instrument voor de andere dient.

8. Het volk

Net zoals de architect, voordat hij een groot bouwwerk opricht, de grond observeert en onderzoekt of deze het gewicht kan dragen, zo begint de wijze wetgever niet met het opstellen van wetten die op zichzelf goed zijn, maar onderzoekt hij eerst of het volk waarvoor hij ze bestemt, in staat is ze te dragen. Daarom weigerde Plato wetten te geven aan de Arcadiërs en de Cyreniërs, wetende dat deze twee volkeren rijk waren en geen gelijkheid konden verdragen; daarom zien we op Kreta goede wetten en slechte mensen, omdat Minos een volk had gedisciplineerd dat vol ondeugden zat.

Duizenden volkeren hebben op aarde geschitterd die goede wetten nooit zouden hebben kunnen verdragen, en zelfs de volkeren die dat wel hadden gekund, hebben gedurende hun hele bestaan maar een zeer korte periode gehad om dat te doen. De meeste volkeren, net als mensen, zijn alleen in hun jeugd volgzaam; naarmate ze ouder worden, worden ze onverbeterlijk; wanneer de gewoonten eenmaal zijn ingeburgerd en de vooroordelen diep geworteld, is het een gevaarlijke en vergeefse onderneming om ze te willen hervormen; het volk kan het zelfs niet verdragen dat men zijn kwalen aanraakt om ze te vernietigen, net als die dwaze en moedeloze zieken die huiveren bij het zien van de dokter.

Het is niet zo dat, net zoals sommige ziekten het menselijk verstand in de war brengen en hen de herinnering aan het verleden ontnemen, dat er in de loop van de geschiedenis van staten soms geen gewelddadige periodes voorkomen waarin revoluties met de volkeren doen wat bepaalde crises met individuen doen, waarin de afschuw voor het verleden in de plaats komt van vergetelheid, en waarin de staat, in vuur en vlam door burgeroorlogen, als het ware uit zijn as herrijst en de kracht van de jeugd terugkrijgt door zich uit de greep van de dood te bevrijden. Zo was Sparta in de tijd van Lycurgus, zo was Rome na de Tarquijnen, en zo waren bij ons Nederland en Zwitserland na de verdrijving van de tirannen.

Maar dergelijke gebeurtenissen zijn zeldzaam; het zijn uitzonderingen waarvan de oorzaak altijd te vinden is in de bijzondere grondwet van de betreffende staat. Ze zouden zelfs niet twee keer bij hetzelfde volk kunnen plaatsvinden, want het kan zich bevrijden zolang het nog barbaars is, maar dat kan het niet meer wanneer het burgerlijk gezag is uitgeput. Dan kunnen de onrusten het volk vernietigen zonder dat revoluties het weer kunnen herstellen, en zodra zijn ketenen zijn verbroken, valt het uiteen en bestaat het niet meer: het heeft voortaan een meester nodig en geen bevrijder. Vrije volkeren, onthoud deze stelregel: vrijheid kan worden veroverd, maar nooit herwonnen.

Jeugd is niet hetzelfde als kindertijd. Voor naties geldt, net als voor mensen, een tijd van jeugd, of zo men wil, van volwassenheid, die men moet afwachten, voor men hen aan wetten onderwerpt; maar de volwassenheid van een volk is niet altijd gemakkelijk te herkennen, en als men er te snel op vooruitloopt, is het werk mislukt. Het ene volk is vanaf het begin disciplineerbaar, het andere niet, zelfs na tien eeuwen nog niet. De Russen zullen nooit echt beschaafd zijn, omdat ze dat te vroeg zijn geworden. Peter [de Grote] had een imitatief genie; hij had niet het ware genie, dat alles uit het niets schept en maakt. Sommige dingen die hij deed, waren goed, maar de meeste waren misplaatst. Hij zag dat zijn volk barbaars was, maar hij zag niet in dat het nog niet rijp was voor beschaving; hij wilde het beschaven terwijl het alleen maar gehard moest worden. Hij wilde er eerst Duitsers en Engelsen van maken, terwijl hij er eerst Russen van had moeten maken; hij heeft zijn onderdanen belet ooit te worden wat ze hadden kunnen zijn, door hen ervan te overtuigen dat ze waren wat ze niet zijn. Zo vormt een Franse privéleraar zijn leerling, om in zijn kindertijd te schitteren en daarna nooit iets te worden. Het Russische Rijk zal Europa willen onderwerpen en zal zelf onderworpen worden. De Tataren, zijn onderdanen of zijn buren, zullen zijn meesters en de onze worden: deze omwenteling lijkt mij onvermijdelijk. Alle koningen van Europa werken samen om dit te bespoedigen.

9. Het volk (vervolg)

Net zoals de natuur grenzen heeft gesteld aan de lichaamslengte van een normaal gebouwde mens, waarboven zij alleen nog reuzen of dwergen voortbrengt, zo zijn er ook, wat de optimale samenstelling van een staat betreft, grenzen aan de omvang die deze kan hebben, opdat hij niet te groot zou zijn om goed bestuurd te worden, noch te klein om zichzelf in stand te houden. Elk politiek lichaam heeft een maximale kracht die het niet kan overschrijden, en waarvan het vaak afwijkt naarmate het groter wordt. Hoe meer de maatschappelijke band zich uitbreidt, hoe meer deze verzwakt, en over het algemeen is een kleine staat proportioneel sterker dan een grote.

Duizenden redenen bevestigen deze stelregel. Ten eerste wordt het bestuur moeilijker naarmate de afstanden groter worden, net zoals een gewicht zwaarder wordt aan het einde van een lange hefboom. Het wordt ook duurder naarmate het aantal bestuursniveaus toeneemt; want elke stad heeft eerst haar eigen bestuur, betaald door het volk, elk district heeft het zijne ook eveneens door het volk betaald, vervolgens elke provincie, daarna de grote gouvernementen, de satrapieën, de landvoogden, die steeds duurder worden naarmate men opklimt, en altijd ten koste van het ongelukkige volk; ten slotte komt het hoogste bestuur, dat alles verplettert. Zoveel extra lasten putten de onderdanen voortdurend uit; verre van beter bestuurd te worden door al deze verschillende instanties, worden zij slechter bestuurd dan wanneer er slechts één boven hen zou staan. Toch blijven er nauwelijks middelen over voor buitengewone gevallen, en wanneer men daar een beroep op moet doen, staat de staat altijd op de rand van de ondergang.

Dat is nog niet alles; niet alleen treedt de regering minder krachtig en snel op om de wetten te handhaven, pesterijen te voorkomen, misstanden te corrigeren en opstandige acties te voorkomen die zich op afgelegen plaatsen kunnen voordoen; maar het volk koestert ook minder genegenheid voor zijn leiders, die het nooit ziet, voor het vaderland, dat in zijn ogen de hele wereld is, en voor zijn medeburgers, van wie de meesten hem vreemden zijn. Dezelfde wetten kunnen niet geschikt zijn voor zoveel uiteenlopende provincies die verschillende zeden hebben, die onder tegengestelde klimaten leven en die niet dezelfde regeringsvorm kunnen verduren. Verschillende wetten leiden alleen maar tot onrust en verwarring onder volkeren die, onder dezelfde leiders en in voortdurend contact met elkaar, bij elkaar over en weer reizen of met elkaar trouwen, en die, onderworpen aan andere gewoonten, nooit zeker weten of hun erfgoed wel echt het hunne is. Talenten blijven verborgen, deugden genegeerd, ondeugden blijven ongestraft in deze menigte die elkaar niet kennen en door het hoogste bestuursorgaan op één plek worden bijeengebracht. De leiders, overweldigd door zaken, zien zelf niets; de ambten besturen de staat. Ten slotte nemen de maatregelen die moeten worden genomen om het algemene gezag te handhaven – waaraan zoveel verafgelegen ambtenaren zich willen onttrekken of dat willen ondermijnen – alle publieke aandacht in beslag, er blijft niets meer over voor het geluk van het volk, er blijft nauwelijks iets over voor zijn verdediging indien nodig, en zo stort een lichaam — te groot voor zijn constitutie — in en gaat ten onder, verpletterd onder zijn gewicht.

Toch moet de staat zichzelf een basis verschaffen om stevigheid te hebben, om de schokken te weerstaan die hij zal ondervinden en de inspanningen die hij zal moeten leveren om zichzelf in stand te houden: want alle volkeren bezitten een soort centrifugale kracht, waardoor zij voortdurend tegen elkaar werken en ernaar streven zich ten koste van hun buren uit te breiden, zoals de wervelingen van Descartes. Zo lopen de zwakken het risico te worden opgeslokt, en niemand kan zich werkelijk handhaven dan door zich met allen in een soort evenwicht te plaatsen, waardoor de druk overal min of meer gelijk blijft.

Hieruit blijkt dat er redenen zijn om uit te breiden en redenen om in te krimpen, en het is niet het kleinste talent van de politicus om tussen beide de verhouding te vinden die het meest gunstig is voor het behoud van de staat. In het algemeen kan worden gesteld dat de eerste redenen, die uiterlijk en relatief zijn, ondergeschikt moeten zijn aan de andere, die intern en absoluut zijn; een gezonde en sterke staatsinrichting is het eerste waarnaar men moet streven, en men moet meer rekenen op de kracht die voortkomt uit een goed bestuur dan op de middelen dat een groot grondgebied oplevert.

Overigens zijn er staten geweest die zo waren ingericht dat de noodzaak tot veroveringen in hun grondwet was verankerd en dat zij, om te kunnen voortbestaan, gedwongen waren zich voortdurend uit te breiden. Misschien waren zij blij met deze noodzaak, die hun echter, samen met het einde van hun grootheid, het onvermijdelijke moment van hun ondergang liet zien.

10. Het volk (vervolg)

Een politieke eenheid kan op twee manieren worden gemeten, namelijk aan de hand van de omvang van het grondgebied en aan de hand van het aantal inwoners, en tussen deze twee maatstaven bestaat een passende verhouding die de staat zijn ware grootte geeft: het zijn de mensen die de staat vormen, en het is het land dat de mensen voedt; deze verhouding houdt dus in dat het land voldoende is voor het onderhoud van zijn inwoners en dat er evenveel inwoners zijn als het land kan voeden. In deze verhouding ligt de maximale kracht van een bepaald aantal inwoners; want als er te veel land is, is het onderhoud ervan te duur, de gewassen onvoldoende en de producten overbodig; dit is de directe oorzaak van verdedigingsoorlogen; als er niet genoeg grond is, is de staat voor het tekort overgeleverd aan de willekeur van zijn buren; dit is de directe oorzaak van aanvalsoorlogen. Elk volk dat door zijn ligging slechts de keuze heeft tussen handel of oorlog, is op zichzelf zwak; het is afhankelijk van zijn buren, het is afhankelijk van de gebeurtenissen; het kent een onzeker en kort bestaan. Het onderwerpt anderen en verandert van situatie, of het wordt onderworpen en is niets. Het kan zich alleen vrij houden door kleinheid of door grootheid.

Men kan geen vaste verhouding berekenen tussen de omvang van het land en het aantal mensen dat in elkaars behoeften kan voorzien, zowel vanwege de verschillen van de grond, de mate van vruchtbaarheid, de aard van de producten, de invloed van het klimaat, alsook vanwege de verschillen in temperament van de bewoners, van wie sommigen weinig verbruiken in een vruchtbaar land, anderen veel op een onvruchtbare bodem. Er moet ook rekening worden gehouden met de grotere of kleinere vruchtbaarheid van de vrouwen, met de mate waarin het land al dan niet goed is voor de bevolking, en met de mate waarin de wetgever kan hopen hieraan bij te dragen door zijn instellingen; zodat hij zijn oordeel niet moet baseren op wat hij ziet, maar op wat hij voorziet, en zich niet evenzeer moet richten op de huidige toestand van de bevolking als op de toestand die zij van nature zal bereiken. Ten slotte zijn er talloze gevallen waarin de specifieke toevallige omstandigheden van de plaats vereisen of toestaan dat men meer grond neemt dan op het eerste gezicht noodzakelijk lijkt. Zo zal de bevolking zich sterk uitbreiden in een bergachtig gebied, waar de natuurlijke rijkdommen – namelijk bossen en weiden – minder arbeid vergen, waar de ervaring leert dat vrouwen vruchtbaarder zijn dan in de vlakten, en waar een uitgestrekte helling slechts een klein horizontaal oppervlak biedt, het enige dat voor de vegetatie van belang is. Daarentegen kan men zich aan de kust concentreren, zelfs tussen rotsen en bijna onvruchtbaar zand; omdat de visserij daar grotendeels de landopbrengsten kan aanvullen, omdat de mensen dichter bij elkaar moeten wonen om piraten af te weren, en omdat het bovendien gemakkelijker is om het land via de koloniën te ontlasten van de bewoners waarmee het overbevolkt is.

Aan deze voorwaarden voor het stichten van een volk moet er nog één worden toegevoegd die door geen enkele andere kan worden vervangen, maar zonder welke alle andere zinloos zijn; namelijk dat men in overvloed en vrede leeft; want het moment waarop een staat wordt geordend is, net als het moment waarop een bataljon wordt gevormd, het ogenblik waarop het lichaam het minst in staat is tot weerstand en het gemakkelijkst te vernietigen is. Men zou beter weerstand bieden in absolute wanorde dan in een moment van onrust, waarin iedereen zich bezighoudt met zijn eigen positie en niet met het gevaar. Mocht er in deze crisistijd een oorlog, een hongersnood of een opstand uitbreken, dan zal de staat onvermijdelijk ten val komen.

Het is niet zo dat er tijdens dergelijke onrustige tijden niet veel regeringen worden gevormd; maar juist die regeringen zijn het dan die de staat ten gronde richten. De usurpatoren roepen dergelijke tijden van onrust altijd op of kiezen ze uit om, misbruik makend van de algemene angst, afbraak-wetten door te drukken die het volk bij heldere geest nooit zou aannemen. De keuze van het tijdstip van wetgeving is een van de kenmerken waarmee men het werk van de wetgever kan onderscheiden van dat van de tiran.

Welk volk is dan geschikt om wetten te maken? Dat volk dat, hoewel het reeds verbonden is door een band van afkomst, belang of overeenkomst, nog niet het ware juk van de wetten heeft gedragen; het volk dat noch diepgewortelde gewoonten noch bijgeloof kent; het volk dat niet vreest te worden overweldigd door een plotselinge invasie, dat, zonder zich te mengen in de twisten van zijn buren, elk van hen op eigen kracht kan weerstaan, of de hulp van de een kan inroepen om de ander af te weren; degene waarvan elk lid bij iedereen bekend kan zijn, en waar men niet gedwongen is een mens een zwaardere last op te leggen dan een mens kan dragen; degene die zonder andere volkeren kan en waarvan elk ander volk zonder kan; het volk dat noch rijk noch arm is en in zijn eigen behoeften kan voorzien; kortom, het volk dat de standvastigheid van een oud volk combineert met de volgzaamheid van een nieuw volk. [Als van twee naburige volkeren het ene niet zonder het andere zou kunnen, zou dat een zeer moeilijke situatie zijn voor het eerste en zeer gevaarlijk voor het tweede. Elke wijze natie zal in een dergelijk geval snel trachten de andere van deze afhankelijkheid te bevrijden. De republiek Thlascala, ingesloten in het Mexicaanse Rijk, gaf er de voorkeur aan zonder zout te leven, in plaats van het van de Mexicanen te kopen, en zelfs in plaats van het gratis aan te nemen. De wijze Thlascalanen doorzagen de valstrik die achter deze vrijgevigheid schuilging. Zij bleven vrij, en deze kleine staat, ingesloten in dit grote rijk, werd uiteindelijk het instrument van diens ondergang.] Wat het opstellen van wetgeving zo moeizaam maakt, is niet zozeer wat er moet worden vastgelegd, maar wat er moet worden afgeschaft; en wat succes zo zeldzaam maakt, is de onmogelijkheid om de eenvoud van de natuur te verenigen met de behoeften van de maatschappij. Al deze voorwaarden zijn, dat is waar, moeilijk in één geheel te verenigen. Daarom ziet men weinig goed georganiseerde staten.

Er is in Europa nog één land dat in staat is tot wetgeving; dat is het eiland Corsica. De moed en standvastigheid waarmee dit dappere volk zijn vrijheid heeft herwonnen en verdedigd, zouden het zeker verdienen dat een wijs man hen leert hoe ze die kunnen behouden. Ik heb het voorgevoel dat dit kleine eiland op een dag Europa zal verbazen.

11. De verschillende wetgevingssystemen

Als men onderzoekt wat precies het hoogste goed van allen is – dat het doel van elk rechtsstelsel moet zijn – zal men vaststellen dat dit neerkomt op twee hoofddoelen: vrijheid en gelijkheid. Vrijheid, omdat elke vorm van afhankelijkheid evenveel kracht wegneemt aan het staatsbestel; gelijkheid, omdat vrijheid zonder haar niet kan bestaan.

Ik heb reeds uiteengezet wat burgerlijke vrijheid inhoudt; wat gelijkheid betreft, moet men onder dit begrip niet verstaan dat de mate van macht en rijkdom absoluut gelijk zijn, maar dat macht boven elke vorm van geweld staat en uitsluitend wordt uitgeoefend op grond van rang en wetten; en wat rijkdom betreft, dat geen enkele burger zo rijk is dat hij een ander kan kopen, en niemand zo arm dat hij gedwongen wordt zichzelf te verkopen. [Wilt u de staat dan enige samenhang geven? Breng de uitersten zo dicht mogelijk bij elkaar; tolereer noch de rijken, noch de armen. Deze twee standen, die van nature onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, zijn schadelijk voor het algemeen welzijn; uit de ene komen de aanstichters van tirannie, en uit de andere de tirannen; de handel in de openbare vrijheid vindt altijd tussen hen plaats; de een koopt haar en de ander verkoopt.] Dit veronderstelt aan de kant van de rijken matigheid in bezit en krediet, en aan de kant van de armen matigheid in gierigheid en hebzucht.

Deze gelijkheid, zeggen zij, is een speculatieve hersenschim die in de praktijk niet kan bestaan. Maar als misbruik onvermijdelijk is, volgt daar dan uit dat het niet op zijn minst moet worden gereguleerd? Juist omdat de kracht der dingen er altijd toe neigt de gelijkheid te vernietigen, moet de kracht van wetgeving er altijd naar streven deze in stand te houden.

Maar deze algemene doelstellingen van elke goede instelling moeten in elk land worden aangepast aan de omstandigheden die voortvloeien uit zowel de lokale situatie als het karakter van de inwoners; en op basis van deze omstandigheden moet aan elk volk een specifiek institutioneel systeem worden toegewezen, dat het beste is, niet per se op zichzelf, maar voor de staat waarvoor het bestemd is. Is de grond bijvoorbeeld ondankbaar en onvruchtbaar, of is het land te krap voor de inwoners? Richt u dan op de industrie en de kunsten, waarvan u de producten zult ruilen voor de levensmiddelen die ontbreken. Heeft u daarentegen rijke vlaktes en vruchtbare hellingen? Hebt u op vruchtbare grond een tekort aan inwoners? Richt dan al uw aandacht op de landbouw, die de bevolking doet groeien, en verdrijf de kunsten die het land alleen maar verder zouden ontvolken door de weinige inwoners die het heeft op enkele plaatsen van het grondgebied te concentreren. [Geen enkele tak van de buitenlandse handel, aldus de heer d’A**** [Argenson], levert een koninkrijk in het algemeen meer dan een ogenschijnlijk nut op; zij kan weliswaar enkele particulieren, en zelfs enkele steden, verrijken, maar de natie als geheel heeft er niets aan, en het volk is er niet beter van geworden.] Bezit u uitgestrekte en gunstig gelegen kusten? Vul de zee dan met schepen, stimuleer de handel en de scheepvaart; het zal een kort maar roemrijk bestaan leiden. Als de zeekust bestaat uit nauwelijks toegankelijke rotsen? Blijf dan barbaars en visetend; u zult rustiger leven, misschien beter, en zeker gelukkiger. Kortom, naast de beginselen die alle naties gemeen hebben, bezit elke natie iets eigens dat deze beginselen een specifieke invulling geeft en haar wetgeving tot iets geheel eigen maakt. Zo hadden vroeger de Hebreeën en recentelijk de Arabieren de godsdienst als het belangrijkste, de Atheners de letteren, Carthago en Tyrus de handel, Rhodos de zeevaart, Sparta de oorlog en Rome de moed. De auteur van De geest van de wetten heeft aan de hand van talloze voorbeelden aangetoond op welke wijze de wetgever de grondwet op elk van deze doelstellingen afstemt.

Wat een staat werkelijk solide en duurzaam maakt, dat is wanneer de regels zo nauwgezet worden nageleefd dat de natuurlijke verhoudingen en de wetten altijd op dezelfde punten samenvallen en dat deze wetten, om zo te zeggen, de andere bevestigen, begeleiden en bijsturen. Maar als de wetgever zich in zijn doel vergist en een ander uitgangspunt hanteert dan dat wat komt uit de aard der dingen; als het ene uitgaat naar slavernij en het andere naar vrijheid; het ene naar rijkdom, het andere naar bevolkingsgroei; het ene naar vrede, het andere naar veroveringen; dan zullen we zien dat de wetten onmerkbaar verzwakken, de staat verandert en de staat zal voortdurend in onrust verkeren totdat hij vernietigd of veranderd is, en de onoverwinnelijke natuur haar heerschappij weer heeft herwonnen.

12. De indeling van de wetten

Om orde te scheppen in het geheel, of de openbare zaken de best mogelijke vorm te geven, moeten verschillende verhoudingen in aanmerking worden genomen. Ten eerste de activiteit van heel het lichaam op zichzelf, dat wil zeggen de verhouding van het geheel tot het geheel, of van de soeverein tot de staat; en deze verhouding bestaat uit de verhouding tussen de tussenliggende termen, zoals we hierna zullen zien.

De wetten die deze verhouding regelen, worden politieke wetten genoemd, en worden ook wel grondwetten genoemd, niet zonder reden als deze wetten wijs zijn. Want als er in elke staat slechts één goede manier is om deze te ordenen, moet het volk dat deze heeft gevonden zich daaraan houden; maar als de gevestigde orde slecht is, waarom zou men dan wetten als fundamenteel beschouwen die verhinderen dat deze goed wordt? Overigens is een volk, hoe de zaken er ook voorstaan, altijd vrij om zijn wetten te wijzigen, zelfs de beste; want als het zichzelf schade wil toebrengen, wie heeft dan het recht om het daarvan te weerhouden?

De tweede verhouding is die tussen de leden onderling of met het geheel, en deze verhouding moet in het eerste geval zo klein en in het tweede zo groot mogelijk zijn, zodat elke burger volkomen onafhankelijk is van alle anderen en in uiterste afhankelijkheid van de staat; wat altijd op dezelfde wijze tot stand komt, want alleen de kracht van de staat zorgt voor de vrijheid van zijn leden. Uit deze tweede verhouding komen de burgerlijke wetten voort.

Er kan nog een derde soort verhouding tussen de mens en de wet worden genoemd, namelijk die van ongehoorzaamheid aan de straf, en deze leidt tot de invoering van strafwetten, die in wezen niet zozeer een bijzondere soort wetten zijn, als wel de sanctie voor alle andere.

Bij deze drie soorten wetten voegt zich een vierde, de belangrijkste van allemaal, en niet in marmer of in brons gegraveerd, maar in de harten van de burgers; die de ware grondwet van de staat vormt; die elke dag nieuwe kracht krijgt; die, wanneer de andere wetten verouderen of verdwijnen, deze nieuw leven inblaast of vervangt, een volk in de geest van zijn instellingen houdt, en onmerkbaar de macht der gewoonte in de plaats stelt van die van het gezag. Ik spreek over de zeden, de gewoonten en vooral de publieke opinie; een aspect dat onbekend is bij onze politici, maar waarvan het succes van alle andere afhangt; een onderdeel waarmee de grote wetgever zich in het geheim bezighoudt, terwijl hij zich schijnbaar beperkt tot specifieke voorschriften die slechts de boog van het gewelf vormen, waarvan de zeden, die langzamer tot stand komen, uiteindelijk de sluitsteen vormen.

Van deze verschillende categorieën hebben de politieke wetten, die de regeringsvorm bepalen, als enige betrekking op mijn onderwerp.

Boek 3

Alvorens de verschillende regeringsvormen te bespreken, trachten we eerst de precieze betekenis van dit woord vast te stellen, dat tot nu toe niet goed is uitgelegd.

1. De overheid in het algemeen

Ik wijs de lezer erop dat dit hoofdstuk rustig moet worden gelezen en dat ik niet de kunst beheers om duidelijk te zijn voor wie niet aandachtig is.

Elke vrije handeling komt tot stand door het samengaan van twee oorzaken: de ene is moreel, namelijk de wil die de handeling bepaalt; de andere is lichamelijk, namelijk de kracht die deze uitvoert. Wanneer ik naar een voorwerp stap, moet ik ten eerste daarheen willen gaan; ten tweede moeten mijn voeten mij dragen. Als een verlamde wil rennen en een niet-verlamde dat juist niet wil, blijven ze allebei waar ze zijn. Een politiek lichaam heeft dezelfde drijfveren; ook daar onderscheiden we kracht en wil; de eerste onder de naam wetgevende macht, de andere onder de naam uitvoerende macht. Niets gebeurt daar, of mag daar gebeuren, zonder hun medewerking.

We hebben gezien dat de wetgevende macht bij het volk berust, en alleen bij het volk kan berusten. Uit de hierboven vastgestelde beginselen blijkt daarentegen duidelijk dat de uitvoerende macht niet aan het volk als wetgever of soeverein kan toebehoren, omdat deze macht uitsluitend bestaat uit specifieke handelingen die niet onder de bevoegdheid van de wet vallen, en bijgevolg evenmin onder die van de soeverein, wiens handelingen uitsluitend wetten kunnen zijn.

De openbare macht heeft dus een eigen vertegenwoordiger nodig die haar verenigt en laat werken volgens de richtlijnen van de algemene wil, die dient als schakel tussen de staat en de soeverein, en die in zekere zin in de publieke persoon doet wat bij de mens de vereniging van ziel en lichaam doet. Dat is in de staat de reden van bestaan van de regering, die ten onrechte wordt verward met de soeverein, waarvan zij de dienaar is.

Wat is de regering dan? Een tussenorgaan dat is ingesteld tussen de mensen en de soeverein om hun onderlinge communicatie mogelijk te maken, belast met de uitvoering van de wetten en het handhaven van zowel de burgerlijke als de politieke vrijheid.

De leden van dit orgaan worden overheidspersonen of koningen genoemd, dat wil zeggen bestuurders, en het gehele orgaan draagt de naam van vorst. [Zo wordt in Venetië aan het college de naam “zeer verheven vorst” gegeven, zelfs wanneer de doge niet aanwezig is.] Degenen die beweren dat de handeling waarmee een volk zich aan leiders onderwerpt geen contract is, hebben dus volkomen gelijk. Het is louter een opdracht, een ambt waarin zij, als eenvoudige overheidspersonen van de soeverein, in zijn naam de macht uitoefenen die hij hun heeft toevertrouwd en die hij kan beperken, wijzigen en intrekken wanneer het hem behaagt; het vervreemden van een dergelijk recht is immers onverenigbaar met de aard van het maatschappelijke lichaam en in strijd met het doel van de vereniging.

Ik noem dus de legitieme uitoefening van de uitvoerende macht de “regering” of het “hoogste bestuur”, en de persoon of het orgaan dat met dit bestuur is belast “vorst” of “overheidspersoon”.

In de regering bevinden zich de intermediaire krachten, waarvan de verhoudingen samen de verhouding van het geheel tot het geheel, of van de soeverein tot de staat, vormen. Deze laatste verhouding kan worden voorgesteld door die van de uitersten van een continue verhouding, waarvan de proportionele gemiddelde waarde de regering is. De regering ontvangt van de soeverein de bevelen die deze aan het volk geeft, en opdat de staat in een goed evenwicht verkeert, moet er, alles in aanmerking genomen, gelijkheid bestaan tussen het resultaat of de macht van de regering op zichzelf beschouwd en het resultaat of de macht van de burgers, die enerzijds soevereinen en anderzijds onderdanen zijn.

Bovendien kan geen van de drie termen worden gewijzigd zonder dat de verhouding onmiddellijk wordt geschaad. Als de soeverein wil regeren, of als de overheid wetten wil uitvaardigen, of als de onderdanen weigeren te gehoorzamen, volgt wanorde op de orde, werken kracht en wil niet langer in onderlinge overeenstemming, en de ontbonden staat vervalt zo in despotisme of anarchie. Ten slotte, aangezien er slechts één evenredige middenweg bestaat tussen elke verhouding, is er in de staat ook maar één goede regering mogelijk; maar aangezien duizend gebeurtenissen de verhoudingen van een volk kunnen veranderen, kunnen niet alleen verschillende regeringen goed zijn voor verschillende volkeren, maar ook voor hetzelfde volk in verschillende tijden.

Om een idee te geven van de verschillende verhoudingen die tussen deze twee uitersten kunnen bestaan, neem ik het aantal inwoners als voorbeeld, aangezien dit een verhouding is die gemakkelijk uit te drukken is.

Laten we aannemen dat de staat uit tienduizend burgers bestaat. De soeverein kan alleen collectief en als één lichaam worden beschouwd. Maar elke particulier wordt in zijn hoedanigheid van onderdaan als individu beschouwd: zo verhoudt de soeverein zich tot de onderdaan als tienduizend tot één; dat wil zeggen dat elk lid van de staat voor zijn deel slechts het tienduizendste deel van de soevereine macht bezit, hoewel hij er volledig aan onderworpen is. Zelfs als het volk uit honderdduizend mensen bestaat, verandert de toestand van de onderdanen niet en draagt ieder evenzeer de volledige last van de wetten, terwijl zijn stemrecht, teruggebracht tot een honderdduizendste, tien keer minder invloed heeft. Aangezien de onderdaan altijd één blijft, neemt de verhouding tot de soeverein toe naarmate het aantal burgers toeneemt. Hieruit volgt dat naarmate de staat groter wordt, de vrijheid afneemt.

Wanneer ik zeg dat de verhouding toeneemt, bedoel ik dat deze zich van de gelijkheid verwijdert. Hoe groter de verhouding in de meetkundige betekenis, hoe minder er sprake is van een verhouding in de algemene betekenis; in het eerste geval wordt de verhouding beschouwd vanuit de hoeveelheid en gemeten aan de hand van de exponent, en in het tweede geval beschouwd vanuit de identiteit en bepaald aan de hand van de gelijkheid.

Hoe minder de individuele wil aansluit bij de algemene wil – d.w.z., hoe minder de zeden aansluiten bij de wetten – hoe meer de repressieve macht moet toenemen. Om goed te zijn, moet de regering dus relatief sterker zijn naarmate het volk talrijker wordt.

Anderzijds geldt dat, naarmate de staat groter wordt en de gezagdragers meer verleidingen en middelen krijgen om hun macht te misbruiken, de regering meer macht moet hebben om het volk in toom te houden, en de soeverein op zijn beurt weer meer macht moet hebben om de regering in toom te houden. Ik spreek hier niet van absolute macht, maar van de relatieve macht van de verschillende onderdelen van de staat.

Uit deze dubbele verhouding volgt dat de continue verhouding tussen de soeverein, de vorst en het volk geen willekeurig idee is, maar een noodzakelijk gevolg van het staatsbestel. Hieruit volgt verder dat, aangezien een van de uitersten – namelijk het volk als onderdaan – vastligt en wordt vertegenwoordigd door als eenheid, telkens wanneer de dubbele reden toeneemt of afneemt, de enkele reden op dezelfde wijze toeneemt of afneemt en dat bijgevolg het middenpunt verandert. Hieruit blijkt dat er geen enkele, absolute regeringsvorm bestaat, maar dat er evenveel regeringen van verschillende aard kunnen zijn als er staten van verschillende omvang zijn.

Als men dit systeem belachelijk wil maken, kan men zeggen dat het, om deze gemiddelde verhouding te vinden en het bestuurlijk orgaan te vormen, het volgens mij slechts nodig is de vierkantswortel uit het aantal inwoners te trekken; maar ik zou antwoorden dat ik dit getal als voorbeeld neem, dat de verhoudingen waarover ik spreek niet alleen worden afgemeten aan het aantal mensen, maar in het algemeen aan de omvang van de handeling, het resultaat van een vele oorzaken; dat ik overigens, om het met minder woorden te zeggen, even de termen uit de meetkunde gebruik, ik ben me er echter terdege van bewust dat geometrische nauwkeurigheid bij morele grootheden geen rol speelt.

De regering is in het klein wat het politieke apparaat in het groot is. Het is een rechtspersoon, begiftigd met bepaalde vermogens, actief als soeverein, passief als staat, die kan worden opgesplitst in andere soortgelijke verhoudingen waaruit bijgevolg een nieuwe verhouding ontstaat en daarbinnen weer een andere volgens de rangorde van de rechtbanken, totdat men uitkomt bij een ondeelbare middenterm, dat wil zeggen bij één enkel hoofd of opper-overheidspersoon, die men zich in het midden van deze reeks kan voorstellen, zoals de eenheid tussen de reeks van breuken en die van getallen.

Zonder ons te verliezen in deze veelheid aan termen stellen we ons tevreden met de regering te beschouwen als een nieuw lichaam binnen de staat, onderscheiden van het volk en de soeverein, en als tussenpersoon tussen beide.

Er is een wezenlijk verschil tussen deze twee lichamen: de staat bestaat uit zichzelf, terwijl de regering alleen bestaat door toedoen van de soeverein. Zo is de heersende wil van de vorst niets anders dan de algemene wil of de wet, en is zijn macht niets anders dan de openbare macht die in hem is geconcentreerd; zodra hij uit zichzelf een absolute en onafhankelijke handeling wil verrichten, begint de samenhang van het geheel te verslappen. Mocht het ten slotte gebeuren dat de vorst een eigen wil zou hebben die actiever is dan die van de soeverein, en dat hij, om aan deze eigen wil te gehoorzamen, gebruik zou maken van de openbare macht die in zijn handen ligt, zodat er als het ware twee soevereinen zouden zijn, de ene naar het recht en de andere de facto; dan zou de maatschappelijke eenheid onmiddellijk verdwijnen en zou het politieke lichaam worden ontbonden.

Om echter te kunnen bestaan, om een echt leven te leiden dat het onderscheidt van het staatslichaam, en opdat al zijn leden in onderlinge overeenstemming kunnen handelen en het doel kunnen verwezenlijken waarvoor het is ingesteld, heeft het een eigen identiteit nodig, een gemeenschappelijk bewustzijn onder zijn leden, een kracht en een eigen wil gericht op zijn voortbestaan. Dit bestaan veronderstelt vergaderingen, raden, de bevoegdheid om te beraadslagen en besluiten te nemen, rechten, titels en voorrechten die uitsluitend aan de vorst toebehoren, en die de overheid des te eervoller maken, naarmate de moeilijkheid. De moeilijkheden liggen in de manier waarop al dit ondergeschikte in het geheel moet worden ingepast, zodat het de algemene staatsinrichting niet aantast terwijl het zijn eigen positie versterkt, zodat het altijd een onderscheid maakt tussen zijn eigen specifieke macht, die bedoeld is voor zijn eigen behoud, en de openbare macht, die bedoeld is voor het behoud van de staat, en zodat het, kortom, altijd bereid is de regering op te offeren aan het volk en niet het volk aan de regering.

Trouwens, hoewel het kunstmatige lichaam van de regering het werk is van een ander kunstmatig lichaam, en in zekere zin slechts een afgeleid en ondergeschikt bestaan leidt, belet dit niet dat het met meer of minder kracht of snelheid kan handelen, en als het ware een min of meer robuuste gezondheid kan genieten. Ten slotte kan de regering, zonder direct af te wijken van het doel van haar functioneren, daar min of meer van afwijken, afhankelijk van de wijze waarop zij is samengesteld.

Uit al deze verschillen komen de uiteenlopende verhoudingen die de regering heeft met het staatslichaam, afhankelijk van de toevallige en specifieke omstandigheden waardoor diezelfde staat wordt beïnvloed. Want vaak zal de op zich beste regering, de meest verdorven worden als haar verhoudingen niet worden aangepast aan de tekortkomingen van het staatsapparaat waartoe zij behoort.

2. Het beginsel dat ten grondslag ligt aan de verschillende regeringsvormen

Om de algemene oorzaak van deze verschillen uiteen te zetten, moet onderscheid worden gemaakt tussen de vorst en de regering, zoals ik eerder onderscheid heb gemaakt tussen de staat en de soeverein.

De overheid kan uit een groter of kleiner aantal mensen bestaan. We hebben gezegd dat de verhouding tussen de soeverein en zijn onderdanen des te groter is naarmate het volk talrijker is, en door een duidelijke analogie kunnen we hetzelfde zeggen van de regering ten opzichte van de overheid.

Aangezien de totale macht van de regering altijd die van de staat is, varieert deze niet; daaruit volgt dat hoe meer zij deze macht op haar eigen leden uitoefent, hoe minder er overblijft om op het hele volk in te werken.

Dus hoe talrijker de overheid is, hoe zwakker de regering is. Aangezien deze stelregel fundamenteel is, zullen we ons inspannen dit beter te verduidelijken.

We kunnen in het overheidslichaam drie wezenlijk verschillende wilskrachten onderscheiden. Ten eerste de eigen wil van het individu, die uitsluitend gericht is op zijn persoonlijk voordeel; ten tweede, de gemeenschappelijke wil van de overheid, die uitsluitend betrekking heeft op het voordeel van de vorst, en die men de collectieve wil kan noemen, welke algemeen is ten opzichte van de regering, en bijzonder ten opzichte van de staat, waarvan de regering deel uitmaakt; ten derde, de wil van het volk of de soevereine wil, welke algemeen is, zowel ten opzichte van de staat beschouwd als het geheel, als ten opzichte van de regering beschouwd als deel van het geheel.

In een volmaakte wetgeving moet de particuliere of individuele wil geen rol spelen, moet de eigen wil van de regering in hoge mate ondergeschikt zijn, en moet bijgevolg de algemene of soevereine wil altijd de overhand hebben en de enige regel zijn voor alle andere.

Volgens de natuurlijke orde daarentegen worden deze verschillende wilskrachten actiever naarmate ze zich concentreren. Zo is de algemene wil altijd de zwakste, neemt de wil van de overheid de tweede plaats in, en de individuele wil de eerste van allemaal: zodat in de regering elk lid in de eerste plaats zichzelf is, vervolgens lid van de overheid, en daarna burger. Een gradatie die rechtstreeks tegengesteld is aan de maatschappelijke orde.

Dit vastgesteld zijnde: stel dat de gehele regering in handen is van één enkele man. Dan zijn de individuele wil en de groepswil verenigd, en bijgevolg bereikt de groepswil de hoogst mogelijke intensiteit. Aangezien het gebruik van kracht echter afhangt van de mate van wilskracht, en aangezien de absolute kracht van de regering niet varieert, volgt hieruit dat de meest daadkrachtige regeringsvorm die is waarin één persoon regeert.

Verenigen we daarentegen de regering met de wetgevende macht; laten we de vorst tot soeverein maken, en van alle burgers evenzoveel overheid: dan zal de collectieve wil, vermengd met de algemene wil, niet meer daadkracht hebben dan deze laatste, en de individuele wil in al haar kracht laten bestaan. Zo zal de regering, altijd met dezelfde absolute kracht, zich op het minimum van haar relatieve kracht of daadkracht bevinden.

Deze verhoudingen zijn onbetwistbaar, en nog andere overwegingen bevestigen ze. Men ziet bijvoorbeeld dat elke ambtsdrager actiever is binnen zijn eigen groep dan elke burger binnen de zijne, en dat bijgevolg de individuele wil veel meer invloed heeft op de handelingen van de regering dan op die van de soeverein; want elk lid van de overheid is bijna altijd belast met een of andere regeringsfunctie, terwijl elke burger afzonderlijk geen enkele soevereine functie bekleedt. Bovendien geldt: hoe groter de staat, hoe meer zijn macht toeneemt, hoewel deze niet evenredig toeneemt met zijn omvang; maar als de staat hetzelfde blijft, kan het aantal overheidspersonen nog toenemen, de regering verwerft daardoor geen grotere effectieve kracht, omdat deze kracht die van de staat is, waarvan de omvang altijd gelijk blijft. Zo neemt de relatieve kracht of de activiteit van de regering af, zonder dat haar absolute of werkelijke kracht kan toenemen.

Het staat ook vast dat de afhandeling van zaken trager verloopt naarmate er meer mensen bij betrokken zijn, dat men door te veel voorzichtigheid te weinig aan het geluk toekent, dat men de kans laat liggen, en dat men door al dat beraad vaak de vruchten van dat beraad misloopt.

Ik heb zojuist aangetoond dat de regering aan kracht inboet naarmate het aantal overheidspersonen toeneemt, en ik heb eerder aangetoond dat hoe talrijker het volk is, hoe meer de repressieve macht moet toenemen. Hieruit volgt dat de verhouding tussen overheid en regering omgekeerd evenredig moet zijn aan de verhouding tussen de onderdanen en de soeverein: dat wil zeggen dat, naarmate de staat groter wordt, de regering sterker moet worden; zodanig dat het aantal leiders afneemt naarmate het volk toeneemt.

Overigens spreek ik hier alleen over de relatieve kracht van de regering, en niet over haar rechtvaardigheid: want integendeel, hoe talrijker de overheidspersonen zijn, hoe beter de collectieve wil de algemene wil benadert; terwijl onder één enkele persoon diezelfde collectieve wil, zoals ik al zei, slechts een individuele wil is. Zo verliest men aan de ene kant wat men aan de andere kant kan winnen, en de kunst van de wetgever bestaat erin het punt te bepalen waarop de kracht en de wil van de regering, die altijd in onderlinge verhouding staan, samenkomen in de voor de staat meest voordelige verhouding.

3. De indeling van regeringsvormen

In het vorige hoofdstuk hebben we gezien waarom men de verschillende soorten of vormen van regeringen onderscheidt op basis van het aantal leden waaruit ze bestaan; in dit hoofdstuk blijft nog te bezien hoe deze indeling tot stand komt.

De vorst kan in de eerste plaats het bestuur toevertrouwen aan het gehele volk of aan het grootste deel ervan, zodat er meer burgers overheidspersoon zijn dan gewone burgers. Deze regeringsvorm wordt democratie genoemd.

Of hij kan de regering in handen van een klein aantal mensen concentreren, zodat er meer gewone burgers zijn dan overheidspersonen, en deze staatsvorm wordt aristocratie genoemd.

Ten slotte kan hij de gehele regering concentreren in de handen van één enkele overheidspersoon, van wie alle anderen hun macht ontlenen. Deze derde vorm komt het meest voor en wordt monarchie of koninklijke regering genoemd.

Opgemerkt moet worden dat al deze vormen, of in ieder geval de eerste twee, in meer of mindere mate variabel zijn en zelfs een vrij grote speelruimte hebben; want de democratie kan het hele volk omvatten of zich beperken tot de helft ervan. Ook de aristocratie kan zich vanuit een deel van het volk inkrimpen tot een zo klein mogelijk aantal. Zelfs het koningschap kan op de een of andere manier worden verdeeld. Sparta had volgens zijn constitutie steeds twee koningen, en in het Romeinse Rijk waren er ooit tot acht keizers tegelijk, zonder dat men kon zeggen dat het Rijk verdeeld was. Er is dus een punt waarop elke regeringsvorm overgaat in de volgende, en men ziet dat de regering, onder slechts drie benamingen, in feite evenveel verschillende vormen kan aannemen als de staat burgers telt.

Meer: aangezien diezelfde regeringsvorm in bepaalde opzichten kan worden onderverdeeld in andere delen, waarvan het ene op de ene manier en het andere op een andere manier wordt bestuurd, kan uit deze drie gecombineerde vormen een veelheid aan gemengde vormen voortkomen, waarvan elk kan worden vermenigvuldigd met alle eenvoudige vormen.

Er is van oudsher veel gediscussieerd over de beste regeringsvorm, zonder erbij stil te staan dat elk van deze vormen in bepaalde gevallen de beste is, en in andere gevallen de slechtste.

Als in de verschillende staten het aantal hoge overheidspersonen omgekeerd evenredig moet zijn aan dat van de burgers, volgt daaruit dat in het algemeen de democratische regeringsvorm geschikt is voor kleine staten, de aristocratische voor middelgrote, en de monarchale voor grote. Deze regel vloeit rechtstreeks voort uit het beginsel; maar hoe moeten we rekening houden met de vele omstandigheden die uitzonderingen kunnen opleveren?

4. Democratie

Degene die de wet maakt, weet beter dan wie ook hoe deze moet worden uitgevoerd en geïnterpreteerd. Het lijkt dus alsof er geen betere constitutie kan bestaan dan die waarin de uitvoerende macht met de wetgevende is verenigd; maar juist dat maakt deze regeringsvorm in bepaalde opzichten ontoereikend, omdat zaken die van elkaar gescheiden moeten worden, dat niet zijn, en omdat de vorst en de soeverein, aangezien zij één en dezelfde persoon zijn, als het ware een regering zonder regering vormen.

Het is niet goed dat degene die de wetten maakt, deze ook uitvoert, noch dat het volk wegkijkt van de algemene belangen om zich op individuele zaken te richten. Niets is gevaarlijker dan de invloed van individuele belangen in openbare aangelegenheden, en misbruik van de wetten door de regering is een kleiner kwaad dan de corruptie van de wetgever, een onvermijdelijk gevolg van individuele belangen. Wanneer de staat dan in zijn wezen is aangetast, wordt elke hervorming onmogelijk. Een volk dat nooit misbruik zou maken van de regering, zou evenmin misbruik maken van de onafhankelijkheid; een volk dat altijd goed zou regeren, zou niet geregeerd hoeven te worden.

Als we de term strikt opvatten, heeft er nooit een ware democratie bestaan en zal die er ook nooit zijn. Het is in strijd met de natuurlijke orde dat de grote meerderheid regeert en de kleine minderheid geregeerd wordt. Men kan zich niet voorstellen dat het volk voortdurend bijeen blijft om zich met openbare aangelegenheden bezig te houden, men ziet gemakkelijk in dat het daarvoor geen commissies zou kunnen instellen zonder dat de vorm van het bestuur verandert.

Ik meen namelijk als principe te kunnen stellen dat wanneer de taken van de regering over meerdere lichamen zijn verdeeld, de minder talrijke vroeg of laat de grootste autoriteit verwerven; al was het maar vanwege het gemak waarmee zaken kunnen worden afgehandeld, wat hen daar van nature toe brengt.

Bovendien, hoeveel moeilijk te verenigen zaken veronderstelt deze regeringsvorm niet? Ten eerste een zeer kleine staat waar het volk gemakkelijk te verzamelen is en waar elke burger alle anderen gemakkelijk kan leren kennen; ten tweede grote eenvoud van gewoonten, die een overvloed aan zaken en netelige discussies voorkomt; vervolgens veel gelijkheid in rang en vermogen, zonder welke gelijkheid in rechten en gezag niet lang zou standhouden; ten slotte weinig of geen luxe; want ofwel is luxe het gevolg van rijkdom, ofwel maakt zij die noodzakelijk; zij corrumpeert zowel de rijke als de arme, de ene door bezit, de andere door begeerte; zij verkoopt het vaderland aan de zwakheid en de ijdelheid; zij beroofd de staat al zijn burgers om hen aan elkaar te onderwerpen, en allen aan de publieke opinie.

Daarom heeft een beroemde auteur de deugd als grondbeginsel van de republiek gesteld; want al deze voorwaarden zouden zonder de deugd niet kunnen bestaan: maar omdat hij het nodige onderscheid niet heeft gemaakt, schoot dit schitterende genie vaak tekort in nauwkeurigheid, soms in duidelijkheid, en zag hij niet in dat, aangezien het soevereine gezag overal hetzelfde is, hetzelfde principe in elke goed georganiseerde staat moet gelden, zij het in meer of mindere mate, dat is waar, afhankelijk van de regeringsvorm.

Laten we hieraan toevoegen dat er geen regeringsvorm is die zo vatbaar is voor burgeroorlogen en interne onrust als de democratische of volksregering, omdat er geen enkele is die zo sterk en zo voortdurend neigt tot verandering van vorm, noch die meer waakzaamheid en moed vereist om in haar huidige vorm te worden gehandhaafd. Juist in deze staatsvorm moet de burger zich wapenen met kracht en standvastigheid, en elke dag uit de grond van zijn hart zeggen wat een rechtschapen paltsgraaf [De paltsgraaf van Posen, vader van de koning van Polen, hertog van Lotharingen.] in de Poolse Landdag zei: “Malo periculosam libertatem quam quietum servitium.”

Als er een volk van goden zou bestaan, zou het zichzelf democratisch besturen. Een zo volmaakte regeringsvorm past niet bij mensen.

5. Aristocratie

We hebben hier te maken met twee zeer verschillende rechtspersonen, namelijk de regering en de soeverein, bijgevolg twee algemene wilskrachten: de ene met betrekking tot alle burgers, de andere uitsluitend voor de overheid. Hoewel de regering haar interne orde dus naar eigen goeddunken kan regelen, kan zij zich nooit tot het volk richten dan in naam van de soeverein, d.w.z. in naam van het volk zelf; dit mag men nooit vergeten.

De eerste maatschappijen werden aristocratisch bestuurd. De familiehoofden beraadslaagden onderling over openbare aangelegenheden; de jongeren onderwierpen zich zonder moeite aan het gezag van de ervaring. Vandaar de benamingen priesters, oudsten, senaat, geronten. De inheemse volkeren van Noord-Amerika worden nog steeds op deze wijze bestuurd en zeer goed bestuurd.

Maar naarmate de ongelijkheid van de instellingen de overhand kreeg op de natuurlijke ongelijkheid, kreeg rijkdom of macht [Het is duidelijk dat het woord optimates bij de Ouden niet langer “de besten” betekende, maar “de machtigsten”] de voorkeur boven leeftijd en werd de aristocratie verkiesbaar. Tot slot maakte de macht die samen met het bezit van de vader aan de kinderen werd overgedragen – waardoor families tot de patriciërs behoorden – de regering erfelijk en zag men senatoren van twintig jaar oud.

Er zijn dus drie soorten aristocratie: natuurlijke, verkiesbare en erfelijke. De eerste is alleen geschikt voor eenvoudige volkeren; de derde is de slechtste van alle regeringsvormen. De tweede is de beste; dit is de aristocratie in de eigenlijke zin van het woord.

Naast het voordeel van de scheiding tussen de twee machten, biedt zij het voordeel van de keuze van haar leden; want in een volksregering worden alle burgers als overheidspersonen geboren; maar deze beperkt hen tot een klein aantal, en zij worden dat pas door verkiezing. [Het is belangrijk de wijze van verkiezing van de overheidspersonen bij wet te regelen: want door deze aan de wil van de vorst over te laten, kan men niet voorkomen dat men in een erfelijke aristocratie terechtkomt, zoals is gebeurd in de republieken Venetië en Bern. De eerste is dan ook al lange tijd een uiteengevallen staat, maar de tweede houdt stand dankzij de buitengewone wijsheid van haar senaat: het is een zeer eervolle en zeer gevaarlijke uitzondering.] Dat is een middel waardoor rechtschapenheid, kennis, ervaring en alle andere redenen voor voorkeur en publieke waardering evenzoveel nieuwe garanties vormen dat men wijs zal worden bestuurd.

Bovendien verlopen de vergaderingen soepeler; zaken worden beter besproken en met meer orde en ijver afgehandeld; het aanzien van de staat wordt in het buitenland beter ondersteund door eerbiedwaardige senatoren dan door een onbekende of verachte menigte.

Kortom, het is de beste en meest natuurlijke orde dat de wijsten de menigte besturen, wanneer men er zeker van is dat zij deze tot voordeel en niet tot eigen voordeel zullen besturen; men moet de bestuursorganen niet tevergeefs vermenigvuldigen, niet met twintigduizend mannen doen wat honderd uitverkoren mannen nog beter kunnen doen. Maar er moet worden opgemerkt dat het algemeen belang hier de openbare macht minder sterk stuurt op basis van de algemene wil, en dat een andere, onvermijdelijke ontwikkeling, de uitvoerende macht aan de wetten onttrekt.

Wat de specifieke omstandigheden betreft, mag de staat niet zo klein zijn en het volk niet zo eenvoudig en rechtschapen, dat de uitvoering van de wetten onmiddellijk voortvloeit uit de publieke wil, zoals in een goede democratie. Evenmin mag de natie zo groot zijn dat de verspreide leiders die haar besturen, elk in hun eigen departement, zich van de soeverein kunnen afscheiden en zich eerst onafhankelijk maken om uiteindelijk de heersers te worden.

Maar hoewel de aristocratie minder deugden vereist dan de volksregering, vereist zij andere die haar eigen zijn, zoals matigheid bij de rijken en tevredenheid bij de armen; want het lijkt erop dat een strikte gelijkheid daar misplaatst zou zijn: deze werd zelfs in Sparta niet in acht genomen.

Overigens, als deze regeringsvorm een ongelijkheid in vermogen met zich meebrengt, dan is dat juist om het bestuur van de openbare zaken in het algemeen toe te vertrouwen aan degenen die er al hun tijd aan kunnen besteden, maar niet, zoals Aristoteles zegt, opdat de rijken de voorkeur zouden krijgen. Integendeel, het is belangrijk dat een tegengestelde keuze het volk er soms op wijst dat er in de verdiensten van mensen redenen voor voorkeur schuilgaan die belangrijker zijn dan rijkdom.

6. Monarchie

Tot nu toe hebben we de vorst beschouwd als een rechtspersoon en een collectief, verenigd door de kracht van de wettelijkheid, en als drager van de uitvoerende macht in de staat. Nu moeten we deze macht beschouwen die geconcentreed is in de handen van een natuurlijke persoon, een echte man, die als enige het recht heeft om er volgens de wetten over te beschikken. Dit is wat men een monarch of een koning noemt.

In tegenstelling tot de andere bestuursvormen, waar een collectief wezen een individu vertegenwoordigt, vertegenwoordigt hier een individu een collectief wezen; zodat de morele eenheid die de vorst vormt tegelijkertijd een fysieke eenheid is, waarin alle bevoegdheden die de wet in de andere bestuursvorm met zoveel moeite samenbrengt, van nature verenigd zijn.

Zo beantwoorden de wil van het volk, de wil van de vorst, de openbare macht van de staat en de specifieke macht van de regering allemaal aan dezelfde drijfveer; alle radertjes van het mechanisme bevinden zich in dezelfde hand; alles is gericht op hetzelfde doel; er zijn geen tegengestelde krachten die elkaar tenietdoen; en men kan zich geen enkele constitutie voorstellen waarin een geringe inspanning een groter effect teweegbrengt. Archimedes, die rustig aan de oever zit en moeiteloos een groot schip te water laat, doet mij denken aan een bekwame vorst die vanuit zijn kabinet zijn uitgestrekte rijk bestuurt en alles in beweging brengt terwijl hij zelf onbeweeglijk lijkt.

Maar hoewel er geen regering bestaat die krachtiger is, is er ook geen enkele waarin de wil van een enkel individu meer invloed heeft en de anderen gemakkelijker overheerst: alles is weliswaar op hetzelfde doel gericht, maar dat doel is niet het algemeen welzijn, en juist de kracht van het bestuur werkt voortdurend ten nadele van de staat.

Koningen willen absolute macht hebben, en van veraf wordt hen toegeroepen dat de beste manier om die te verkrijgen is zichzelf geliefd te maken bij hun volk. Deze stelregel is zeer mooi en in bepaalde opzichten zelfs zeer waar. Helaas zal men er aan de hoven altijd de spot mee drijven. De macht die voortkomt uit de liefde van het volk is ongetwijfeld de grootste; maar zij is wankel en voorwaardelijk, en vorsten zullen zich daar nooit mee tevreden stellen. Zelfs de beste koningen willen wreed kunnen zijn als het hen behaagt, zonder op te houden te heersen: een politieke commentator kan hen wel vertellen dat de kracht van het volk ook hun kracht is, en dat het in hun eigen belang is dat het volk bloeit, talrijk en geducht is; ze weten heel goed dat dat niet waar is. Hun persoonlijk belang is in de eerste plaats dat het volk zwak en ellendig is en zich nooit tegen hen kan verzetten. Ik geef toe dat, in de veronderstelling dat de onderdanen altijd volkomen onderdanig zouden zijn, het belang van de vorst dan zou zijn dat het volk machtig was, opdat deze macht, die de zijne zou zijn, hem geducht zou maken voor zijn buren; maar aangezien dit belang secundair en ondergeschikt is, en dat beide veronderstellingen onverenigbaar zijn, is het natuurlijk dat vorsten altijd de voorkeur geven aan de stelregel die hen het meest direct nuttig is. Dit is wat Samuel de Hebreeën nadrukkelijk voorhield; dit is wat Machiavelli duidelijk heeft aangetoond. Door te doen alsof hij de koningen lessen gaf, heeft hij de volkeren belangrijke lessen gegeven. De Vorst van Machiavelli is het boek van de republikeinen. [Machiavelli was een eerlijk man en een goede burger; maar omdat hij verbonden was aan het huis van de Medici, zag hij zich, onder de onderdrukking van zijn stad, genoodzaakt zijn liefde voor de vrijheid te verhullen. Alleen al de keuze van zijn verfoeilijke held maakt zijn geheime bedoeling duidelijk genoeg, en de tegenstelling tussen de stelregels in zijn boek De vorst en die in zijn verhandelingen over Titus Livius en zijn geschiedenis van Florence, toont aan dat deze diepzinnige politicus tot nu toe alleen oppervlakkige of verdorven lezers heeft gehad. Het Hof van Rome heeft zijn boek streng verboden, dat geloof ik wel; het is immers het Hof dat hij het duidelijkst beschrijft.]

Uit de algemene verhouding hebben we geconstateerd dat de monarchie alleen geschikt is voor grote staten, en dat zullen we opnieuw vaststellen als we haar onderzoeken. Hoe omvangrijker de overheid is, hoe meer de verhouding tussen de vorst en de onderdanen afneemt en de gelijkheid nadert, zodat deze verhouding in een democratie gelijk is aan één of zelfs gelijkheid zelf is. Deze verhouding neemt toe naarmate de regering kleiner wordt, en bereikt haar hoogtepunt wanneer de regering in handen is van één persoon. Dan ontstaat er een te grote afstand tussen vorst en volk, en ontbreekt het de staat aan samenhang. Om die samenhang te creëren zijn er tussenliggende rangen nodig: hiervoor zijn de vorsten, hoogwaardigheidsbekleders en adel nodig. Maar niets van dit alles is geschikt voor een kleine staat, die door al deze niveaus ten onder gaat.

Maar als het al moeilijk is om een grote staat goed te besturen, dan is het nog veel moeilijker die door één enkele man goed te laten besturen, en dat is wat er gebeurt wanneer de koning plaatsvervangers aanstelt.

Een wezenlijk en onvermijdelijk gebrek, waardoor de monarchale regering altijd onderdoet voor de republikeinse, is dat in de laatste de publieke opinie bijna altijd verlichte en bekwame mannen naar de hoogste posities stuurt, die deze met eer vervullen; terwijl zij die in de monarchie opklimmen, meestal onbeduidende figuren, kleine schurken en intriganten zijn, wier beperkte talenten – waarmee zij aan het hof hoge posities bereiken – dienen om het publiek hun onbekwaamheid te tonen zodra zij die posities hebben bereikt. Het volk vergist zich veel minder in deze keuze dan de vorst, en een man van ware verdienste is in het ministerie bijna even zeldzaam als een dwaas aan het hoofd van een republikeinse regering. Wanneer dan door een gelukkig toeval een van deze mannen, die geboren zijn om te regeren, het roer overneemt in een monarchie die bijna ten onder is gegaan aan die zogenaamde bekwame bestuurders, is men zeer verrast door de vindingrijkheid die hij aan de dag legt, en dat betekent een keerpunt in een land.

Om een monarchie goed te besturen, zou de omvang of uitgestrektheid ervan in verhouding moeten staan tot de bekwaamheden van degene die regeert. Het is gemakkelijker om te veroveren dan om te regeren. Met voldoende hefboomwerking kun je met één vinger de wereld aan het wankelen brengen, maar om haar overeind te houden heb je de schouders van Hercules nodig. Hoe groot een staat ook is, de vorst is bijna altijd te klein. Wanneer daarentegen de staat te klein is voor zijn leider – wat zeer zelden voorkomt – wordt hij nog steeds slecht bestuurd, omdat de leider, altijd gedreven door een grootse visie, de belangen van het volk uit het oog verliest en hen niet minder ongelukkig maakt door misbruik te maken van de talenten die hij te over heeft, dan een bekrompen leider dat doet door het gebrek aan talenten. Het zou, om het zo te zeggen, zo moeten zijn dat een koninkrijk zich bij elke regeerperiode uitbreidt of inkrimpt, afhankelijk van het gewicht van de vorst; terwijl de staat, dankzij de soliditeit van een senaat, constante grenzen kan hebben en het bestuur niet minder goed kan functioneren.

Het grootste nadeel van een eenpersoonsregering is het ontbreken van die voortdurende opvolging die in de andere twee regeringsvormen ononderbroken is. Als een koning sterft, is er een nieuwe nodig; verkiezingen zorgen voor gevaarlijke tussenperiodes, ze verlopen stormachtig, en tenzij de burgers blijk geven van een onbaatzuchtigheid en integriteit die deze regering nauwelijks kent, sluipen er intriges en corruptie binnen. Het is moeilijk te voorkomen dat degene aan wie de staat zich heeft verkocht, deze op zijn beurt niet weer verkoopt en zich niet vergoedt uit de schamele bedragen die de machtigen hem hebben afgedwongen. Vroeg of laat wordt alles onder een dergelijk bestuur te koop aangeboden, en de vrede waarvan men dan onder de koningen geniet, is erger dan de wanorde van een interregnum.

Wat is er gedaan om deze problemen te voorkomen? Men heeft de koninklijke kronen in bepaalde families erfelijk gemaakt, en er zijn regels voor de troonopvolging vastgesteld die elk geschil bij het overlijden van de koningen voorkomen: dat wil zeggen dat men, door het nadeel van regentschappen in de plaats te stellen van dat van verkiezingen, de voorkeur heeft gegeven aan schijnbare rust boven een wijs bestuur, en dat men liever het risico heeft genomen om kinderen, monsters of dwazen als leiders te hebben, dan te moeten twisten over de keuze van goede koningen. Er is geen rekening mee gehouden dat men, door zich op deze manier bloot te stellen aan de risico’s van het alternatief, vrijwel alle kansen tegen zich zelf keert. Het was een zeer verstandige opmerking van de jonge Dionysius, toen zijn vader hem een schandelijke daad verweet en zei: “Heb ik je daar het voorbeeld van gegeven?” “Ach,” antwoordde de zoon, “uw vader was geen koning!

Alles draagt ertoe bij dat een man die is opgevoed om over anderen te heersen, van gerechtigheid en gezond verstand wordt beroofd. Men doet naar verluidt veel moeite om jonge vorsten de kunst van het regeren bij te brengen; het lijkt er echter niet op dat deze opvoeding hen ten goede komt. Men zou er beter aan doen hen eerst de kunst van het gehoorzamen bij te brengen. De grootste koningen die de geschiedenis prijst, zijn niet opgevoed om te regeren; regeren is een kunst die verder van ons verwijderd is, naarmate we er over leren, en die we beter onder de knie krijgen door te gehoorzamen dan door te bevelen. Nam utilissimus idem ac brevissimus bonarum malarumque rerum delectus, cogitare quid aut nolueris sub alio principe aut volueris. [Tacitus, Historiae, I.]

Een gevolg van dit gebrek aan samenhang is een wispelturigheid van de koninklijke regering, die zich nu eens naar het ene, dan weer naar het andere richt, afhankelijk van het karakter van de heersende vorst of van de mensen die voor hem regeren, en daardoor op lange termijn geen vast doel noch een consequente koers volgen: veranderingen die ervoor zorgen dat de staat voortdurend in beweging is, van stelregel tot stelregel, van plan tot plan, en die zich niet voordoen in andere regeringen, waar de vorst altijd dezelfde is. Zo zien we dan ook dat er over het algemeen, hoewel er aan het hof meer sluwheid heerst, in de senaat meer wijsheid te vinden is, en dat republieken hun doelen bereiken door middel van een standvastiger en beter doorgevoerd beleid. Terwijl elke machtswisseling in het ministerie een omwenteling in de staat teweegbrengt; aangezien het algemene motto van alle ministers, en bijna alle koningen, is om in alles het tegenovergestelde te doen van hun voorganger.

Uit diezelfde tegenstrijdigheid wordt ook de oplossing geput voor een drogreden die de koninklijke politici maar al te goed kennen; namelijk niet alleen de burgerlijke regering te vergelijken met het gezinshoofd, en de vorst met de vader van het gezin, een dwaling die al is weerlegd, maar ook door deze ambtsdrager royaal alle deugden toe te kennen die hij nodig zou hebben, en er altijd van uit te gaan dat de vorst is wat hij zou moeten zijn: een veronderstelling op grond waarvan het koninklijk bestuur duidelijk de voorkeur verdient boven elk ander, omdat het onbetwistbaar het sterkste is, en omdat het, om ook het beste te zijn, alleen nog een collectieve wil ontbreekt die beter aansluit bij de algemene wil.

Maar als volgens Plato [In De staat], de koning van nature zo zeldzaam is, hoe vaak zullen de natuur en het lot dan samenwerken om hem te kronen, en als de koninklijke opvoeding noodzakelijkerwijs corrumpeert, wat valt er dan te verwachten van een reeks mannen die zijn opgevoed om te regeren? Het is dus zelfbedrog om het koninklijk bestuur te verwarren met dat van een goede koning. Om te zien wat dit bestuur op zich is, moet men het observeren onder bekrompen of slechte vorsten; want zij zullen als zodanig op de troon komen, of de troon zal hen zo maken.

Deze moeilijkheden zijn onze auteurs niet ontgaan, maar zij voelen zich er niet door in verlegenheid gebracht. De remedie, zeggen zij, is om zonder morren te gehoorzamen. God zendt slechte koningen in zijn toorn, en men moet hen verdragen als straffen van de hemel. Deze redenering is ongetwijfeld stichtelijk; maar ik weet niet of zij niet beter op de preekstoel thuishoort dan in een boek over politiek. Wat valt er te zeggen over een arts die wonderen belooft, en wiens hele kunst erin bestaat zijn patiënt tot geduld aan te sporen? Men weet heel goed dat men een slechte regering moet verdragen als men die heeft; de vraag is veeleer of men een goede kan vinden.

7. Gemengde regeringvormen

Strikt genomen bestaat er geen eenvormige regering. Een enkele leider moet ondergeschikten hebben; een volksregering moet een leider hebben. Zo is er bij de verdeling van de uitvoerende macht altijd een gradatie van het grote aantal naar het kleinste, met dit verschil dat soms het grote aantal afhankelijk is van het kleine, en soms het kleine van het grote.

Soms is er sprake van een gelijke verdeling; hetzij wanneer de samenstellende delen onderling van elkaar afhankelijk zijn, zoals de Engelse regering; hetzij wanneer het gezag van elk deel onafhankelijk maar onvolledig is, zoals in Polen. Deze laatste vorm is niet goed omdat er geen eenheid in de regering is en de staat samenhang mist.

Wat is beter, een eenvormige regering of een gemengde? Dit is een veelbesproken vraag onder politici, en het antwoord is hetzelfde als wat ik eerder heb gegeven over elke regeringsvorm.

De enkelvoudige regeringsvorm is op zich de beste, alleen al omdat zij eenvoudig is. Maar wanneer de uitvoerende macht onvoldoende afhankelijk is van de wetgevende macht, dat wil zeggen wanneer de vorst nauwer verbonden is met de soeverein dan het volk met de vorst, moet dit gebrek aan evenwicht worden verholpen door de verdeling van het bestuur; want alle onderdelen hebben dan evenveel gezag over de onderdanen, terwijl hun verdeling ervoor zorgt dat zij gezamenlijk minder sterk staan tegenover de soeverein.

Men voorkomt hetzelfde nadeel ook door tussenliggende overheidspersonen aan te stellen, die de regering in haar geheel laten bestaan en alleen dienen om de twee machten in evenwicht te houden en hun respectievelijke rechten te handhaven. Dan is de regering niet gemengd, maar gematigd.

Met soortgelijke middelen kan men het tegenovergestelde nadeel verhelpen, en wanneer de regering te zwak is, rechtbanken instellen om de macht te bundelen. Dit wordt in alle democratieën in praktijk gebracht. In het eerste geval wordt de regering opgesplitst om haar te verzwakken, en in het tweede om haar te versterken; want de uitersten van kracht en zwakte komen eveneens voor in de eenvormige regeringsvormen, terwijl de gemengde vormen een gemiddelde kracht leveren.

8. Niet elke regeringsvorm is geschikt voor elk land

Aangezien vrijheid niet in alle klimaten tot bloei komt, ligt zij niet binnen het bereik van alle volkeren. Hoe meer men nadenkt over dit door Montesquieu vastgestelde beginsel, hoe meer men de waarheid ervan voelt. Hoe meer men het betwist, hoe meer motivatie om het met nieuwe bewijzen te staven.

In alle regeringen die er bestaan, verbruikt de staat zonder te produceren. Waar haalt ze dan de verbruikte substanties vandaan? Uit de arbeid van zijn bewoners. Het is het overschot van individuen dat het noodzakelijke voor de staat voortbrengt. Hieruit volgt dat de staat slechts kan voortbestaan voor zover de arbeid van de mensen meer oplevert dan hun behoeften.

Dit overschot is niet in alle landen hetzelfde. In sommige landen is het aanzienlijk, in andere matig, in weer andere nihil, en in nog andere negatief. Deze verhouding hangt af van de vruchtbaarheid van het klimaat, van de soort arbeid die de grond vereist, van de aard van de opbrengsten, van de kracht van de inwoners, van de meer of minder grote consumptie die zij nodig hebben, en van talrijke andere soortgelijke factoren waaruit zij is samengesteld.

Aan de andere kant zijn niet alle regeringen van dezelfde aard; sommige zijn meer of minder uitbuitend, en de verschillen zijn gebaseerd op dit andere principe, namelijk dat openbare heffingen des te zwaarder wegen naarmate ze verder van hun bron af staan. Dit moet niet worden afgemeten aan de hoogte van de belastingen, maar aan de weg die zij afleggen om terug te keren naar de handen waaruit zij zijn voortgekomen; wanneer deze circulatie vlot en goed geregeld verloopt, maakt het niet uit of men weinig of veel betaalt; het volk is altijd rijk en de financiën staan er altijd goed voor. Integendeel, hoe weinig het volk ook geeft, wanneer dat weinige niet terugkeert, raakt het door het voortdurend geven spoedig uitgeput; de staat is nooit rijk en het volk is altijd arm.

Hieruit volgt dat naarmate de afstand tussen het volk en de regering toeneemt, de belastingen zwaarder worden; zo wordt het volk in de democratie het minst belast, in de aristocratie meer, en in de monarchie draagt het de zwaarste last. De monarchie is dus alleen geschikt voor welvarende naties, de aristocratie voor staten die zowel qua rijkdom als qua omvang middelmatig zijn, en de democratie voor kleine en arme staten.

Immers, hoe meer men erover nadenkt, hoe meer verschillen men hierin aantreft tussen vrije staten en monarchieën; in de eerste wordt alles ingezet voor het algemeen nut; in de andere staan de publieke en individuele krachten tegenover elkaar, en de ene wordt sterker door de zwakte van de andere. Ten slotte: in plaats van de onderdanen te besturen om hen gelukkig te maken, maakt het despotisme hen ellendig om hen te kunnen besturen.

Zo zijn er dus in elk klimaat natuurlijke oorzaken die bepalend zijn voor de regeringsvorm waartoe het klimaat leidt, en op basis waarvan zelfs kan worden vastgesteld welk soort inwoners het moet hebben. De onvruchtbare en dorre gebieden waar de opbrengst de arbeid niet waard is, moeten onbebouwd en verlaten blijven, of bevolkt door wilden; de gebieden waar de menselijke arbeid het noodzakelijke oplevert, moeten bewoond worden door barbaarse volkeren; elke vorm van staatsinrichting zou daar onmogelijk zijn; de plaatsen waar het overschot van de opbrengst ten opzichte van de arbeid matig is, zijn geschikt voor vrije volkeren; plaatsen waar de vruchtbare en overvloedige grond veel opbrengt tegen weinig arbeid, willen monarchisch geregeerd worden, om het overschot aan overvloed van de onderdanen te verbruiken voor de luxe van de vorst; want het is beter dat dit overschot door de regering wordt opgebruikt dan door individuen verspild. Er zijn uitzonderingen, dat weet ik; maar juist deze uitzonderingen bevestigen de regel, doordat ze vroeg of laat revoluties teweegbrengen die de zaken weer in de natuurlijke orde herstellen.

Laten we altijd onderscheid maken tussen algemene wetten en specifieke oorzaken die het effect ervan kunnen beïnvloeden. Zelfs als het hele zuiden bezaaid zou zijn met republieken en het hele noorden met despotische staten, zou het niet minder waar zijn dat, door de invloed van het klimaat, despotisme past bij warme landen, barbarij bij koude landen, en een goed bestuur bij de tussenliggende gebieden. Ik zie ook dat, hoewel men het principe aanvaardt, men kan twisten over de toepassing ervan: men zou kunnen zeggen dat er zeer vruchtbare koude landen zijn, en zeer onvruchtbare zuidelijke landen. Maar deze moeilijkheid is er alleen voor degenen die de zaak niet in haar totaliteit onderzoeken. Men moet, zoals ik al heb gezegd, rekening houden met de arbeid, de krachten, het verbruik, enz.

Stel dat van twee gelijke stukken land het ene vijf opbrengt en het andere tien. Als de bewoners van het eerste vier verbruiken en die van het tweede negen, dan is het overschot van de eerste opbrengst een vijfde, en dat van de tweede een tiende. Aangezien de verhouding tussen deze twee overschotten dus omgekeerd evenredig is aan die van de opbrengsten, zal het stuk land dat maar vijf opbrengt een dubbel zo groot overschot opleveren als het stuk land dat tien opbrengt.

Maar er is geen sprake van een dubbele opbrengst, en ik geloof niet dat iemand in het algemeen de vruchtbaarheid van koude landen op één lijn durft te stellen met die van warme landen. Laten we echter deze gelijkheid veronderstellen; laten we, zo men wil, Engeland tegen Sicilië afwegen, en Polen tegen Egypte. Verder naar het zuiden hebben we Afrika en Indië; verder naar het noorden hebben we niets meer. Wat is, bij deze gelijkheid in opbrengst, het verschil in de landbouw? Op Sicilië moet men de grond slechts licht bewerken; in Engeland kost het veel moeite om hem te bewerken! Welnu, waar er meer arbeidskrachten nodig zijn om hetzelfde product te vervaardigen, zal het overschot noodzakelijkerwijs kleiner zijn.

Bedenk bovendien dat hetzelfde aantal mensen in warme landen veel minder verbruiken. Het klimaat vereist dat men daar sober leeft om gezond te blijven: Europeanen die daar willen leven zoals thuis, sterven allemaal aan dysenterie en spijsverteringsstoornissen. Wij zijn, zegt Chardin, roofdieren, wolven, in vergelijking met de Aziaten. Sommigen schrijven de soberheid van de Perzen toe aan het feit dat hun land minder gecultiveerd is, maar ik geloof juist het tegenovergestelde: dat hun land minder voedselrijk is omdat de inwoners er minder van nodig hebben. Als hun soberheid, zo vervolgt hij, het gevolg zou zijn van de schaarste in het land, zouden alleen de armen weinig eten, terwijl het juist over het algemeen iedereen betreft, en zou men in elke provincie meer of minder eten, afhankelijk van de vruchtbaarheid van het land, terwijl dezelfde soberheid in het hele koninkrijk te vinden is. Ze zijn erg trots op hun levenswijze en zeggen dat men alleen maar naar hun teint hoeft te kijken om te zien hoeveel beter die is dan die van de christenen. De teint van de Perzen is inderdaad egaal; ze hebben een mooie, fijne en gladde huid, terwijl de teint van de Armeniërs – hun onderdanen die op Europese wijze leven – ruw en rood is, en hun lichamen dik en zwaar zijn.

Hoe dichter men bij de evenaar komt, hoe meer men met weinig volstaat. Ze eten bijna geen vlees; rijst, maïs, couscous, gierst en cassave zijn hun gebruikelijke voedsel. In India zijn er miljoenen mensen wier voedsel geen cent per dag kost. Zelfs in Europa zien we merkbare verschillen in eetlust tussen de mensen uit het noorden en die uit het zuiden. Een Spanjaard zou acht dagen kunnen leven van het avondmaal van een Duitser. In landen waar de mensen een grotere eetlust hebben, richt de luxe zich ook op verbruiksartikelen. In Engeland komt dat tot uiting in een tafel vol vlees; in Italië word je getrakteerd op suiker en bloemen.

Ook op het gebied van kleding ziet men soortgelijke verschillen. In klimaten waar de seizoenswisselingen snel en heftig zijn, draagt men betere en eenvoudigere kleding; in klimaten waar men zich alleen ter versiering kleedt, zoekt men meer schittering dan bruikbaarheid, en is de kleding zelf al een luxe. In Napels ziet men elke dag op de Posillipo mannen wandelen in een gouden jasje en zonder kousen. Hetzelfde geldt voor gebouwen; men besteedt alles aan pracht en praal wanneer men niets te vrezen heeft van weersinvloeden. In Parijs en Londen wil men warm en comfortabel wonen. In Madrid heeft men prachtige salons, maar geen ramen die dichtgaan, en men slaapt er als in rattennesten.

Het voedsel in de warme landen is voedzamer en smakelijker; dat is een derde verschil dat onvermijdelijk van invloed is op het tweede. Waarom eet men in Italië zoveel groenten? Omdat ze daar lekker, voedzaam en van uitstekende smaak zijn; in Frankrijk, zijn ze te waterig gevoed, ze zijn niet voedzaam en zijn op tafel bijna niet te zien. Toch nemen ze niet minder land in beslag en kost het minstens evenveel moeite om ze te verbouwen. Het is bewezen dat de tarwe uit Barbarije – overigens inferieur aan die uit Frankrijk – veel meer meel oplevert, en dat die uit Frankrijk op haar beurt weer meer oplevert dan de tarwe uit het noorden. Hieruit kan worden afgeleid dat een soortgelijke gradatie over het algemeen in dezelfde richting van de evenaar naar de pool wordt waargenomen. Is het geen duidelijk nadeel om bij een gelijk product een kleinere hoeveelheid voedsel te hebben?

Aan al deze verschillende overwegingen kan ik er nog één toevoegen die hieruit voortvloeit en ze versterkt, namelijk dat warme landen minder behoefte hebben aan inwoners dan koude landen, en er meer zouden kunnen onderhouden; wat een dubbele overvloed teweegbrengt die altijd in het voordeel is van het despotisme. Hoe groter het gebied dat door hetzelfde aantal inwoners wordt bewoond, hoe moeilijker opstanden worden; omdat men noch snel noch in het geheim kan afspreken, en het voor de regering altijd gemakkelijk is om plannen te verijdelen en de communicatie te dwarsbomen; maar hoe dichter een talrijk volk bij elkaar woont, hoe minder de regering de macht van de vorst kan usurperen. De leiders beraadslagen net zo vastberaden in hun kamers als de vorst in zijn raad, en de menigte verzamelt zich net zo snel op de pleinen als de troepen in hun kwartieren. Het voordeel van een tirannieke regering ligt dus hierin: op grote afstand te kunnen handelen. Met behulp van de steunpunten die zij zichzelf verschaft, neemt haar kracht net als bij hefbomen aanzienlijk toe. [Dit is niet in tegenspraak met wat ik eerder heb gezegd in boek 2, hoofdstuk 9, over de nadelen van grote staten; want daar ging het om het gezag van de regering over haar inwoners, hier gaat het om haar kracht tegen de onderdanen. De verspreide inwoners dienen hem als steunpunten om op afstand op het volk in te werken, maar hij heeft geen enkel steunpunt om rechtstreeks op diezelfde inwoners in te werken. Zo is in het ene geval de lengte van de hefboom de zwakte ervan, in het andere geval de kracht.] De macht van het volk daarentegen werkt alleen als ze geconcentreerd is; ze vervaagt en gaat verloren naarmate ze zich uitbreidt, net als buskruit dat over de grond is uitgestrooid en slechts korrel voor korrel vlam vat. De dunst bevolkte gebieden zijn dan ook het meest vatbaar voor tirannie: woeste dieren heersen alleen in de woestijnen.

9. De kenmerken van een goed bestuur

Wanneer men dus uitdrukkelijk vraagt wat de beste regering is, stelt men een vraag die zowel onoplosbaar als onbepaald is; of, zo men wil, er zijn evenveel goede antwoorden als er mogelijke combinaties zijn in de absolute en relatieve posities van de volkeren.

Maar als men zou vragen waaraan men kan herkennen of een bepaald volk goed of slecht wordt bestuurd, zou dat iets anders zijn, en zou de vraag kunnen worden opgelost.

Toch wordt deze vraag niet opgelost, omdat iedereen haar op zijn eigen manier wil oplossen. De onderdanen roemen de openbare rust, de burgers de vrijheid van het individu; de een geeft de voorkeur aan de veiligheid van het bezit, en de ander aan die van personen; de een dat de beste regering de strengste is, de ander beweert dat het de mildste is; de een wil dat misdaden worden bestraft, de ander dat ze worden voorkomen; de een vindt het goed dat men door de buren wordt gevreesd, de ander heeft liever dat men door hen wordt genegeerd; de een is tevreden als het geld circuleert, de ander eist dat het volk brood heeft. Zelfs als men het over deze en soortgelijke punten eens zou worden, zou er dan vooruitgang zijn? Aangezien morele grootheden geen precieze maatstaf kennen, hoe zou men, zelfs als men het eens was, het dan eens kunnen zijn over de waardering?

Wat mij betreft, verbaast het mij altijd dat men zo’n eenvoudig kenmerk over het hoofd ziet, of dat men te kwader trouw is om het erover eens te zijn. Wat is het doel van de politieke gemeenschap? Het is het behoud en de welvaart van de mensen. En wat is het zekerste teken dat zij zich handhaven en bloeien? Dat is hun aantal en bevolkingsgroei. Ga dat kenmerk dus niet ergens anders zoeken. Als alle andere omstandigheden gelijk blijven, is de regering waaronder de bevolking – zonder buitenlandse middelen, zonder naturalisatie en zonder koloniën – groeit en zich verder vermenigvuldigt, ongetwijfeld de beste; de regering waaronder een volk afneemt en wegkwijnt, is de slechtste. Rekenbazen, het is nu aan jullie; reken, meet, vergelijk. [Volgens hetzelfde principe moeten we beoordelen welke eeuwen de voorkeur verdienen met het oog op het welzijn van de mensheid. We hebben te veel bewondering gehad voor die volkeren waarin de letteren en de kunsten tot bloei kwamen, zonder het verborgen doel van hun beschaving te doorgronden, zonder rekening te houden met de rampzalige gevolgen ervan: idque apud imperitos humanitas vocabatur, quum pars servitutis esset. Zullen we in de wijsheden van de boeken ooit het platvloerse belang ontdekken dat de auteurs ertoe aanzet te spreken? Nee, wat zij er ook van mogen zeggen: wanneer een land, ondanks zijn uitstraling, ontvolkt, dan is het niet waar dat alles goed gaat, en het volstaat niet dat een dichter honderdduizend livres aan rente ontvangt om zijn eeuw tot de beste van alle te maken. Men moet minder letten op de schijnbare rust en vrede van de leiders dan op het welzijn van de naties, vooral van de dicht bevolkte staten. Hagel verwoest enkele kantons, maar veroorzaakt zelden voedseltekorten. Opstanden en burgeroorlogen jagen de leiders grote schrik aan, maar zij zijn niet het ongeluk van de volkeren, die zelfs enige verlichting kunnen ervaren terwijl men twist over wie hen zal tiranniseren. Het is uit hun situatie dat hun welvaart of hun rampspoed voortkomt; wanneer alles onder het juk verpletterd blijft, dan gaat alles ten onder, dan vernietigen de leiders hen naar believen, en noemen zij de eenzaamheid die zij veroorzaken “vrede” (ubi solitudinem faciunt, pacem appellant). Toen de intriges van de grote heren het koninkrijk Frankrijk in rep en roer brachten, en de coadjutor van Parijs met een dolk in zijn zak naar het parlement ging, belette dat het Franse volk niet om gelukkig en talrijk te leven in een eerlijke en vrije welvaart. Vroeger bloeide Griekenland te midden van de wreedste oorlogen: het bloed vloeide er in stromen en het hele land was bezaaid met mannen. Het leek erop, zegt Machiavelli, dat onze republiek te midden van de moorden, de verbanningen en de burgeroorlogen juist machtiger werd; de deugdzaamheid van haar burgers, hun zeden en hun onafhankelijkheid hadden meer invloed om haar sterker te maken dan al haar onenigheden om haar te verzwakken. Een beetje onrust geeft de zielen veerkracht, en wat de mensheid werkelijk doet bloeien is niet zozeer vrede als wel vrijheid.]

10. Het misbruik van de regering en haar neiging tot degeneratie

Zoals de individuele wil voortdurend tegen de algemene wil ingaat, zo spant de regering zich voortdurend in tegen de soevereiniteit. Hoe groter deze inspanning, hoe meer de staatsinrichting wordt aangetast, en aangezien er hier geen andere wil van het volk is die weerstand biedt aan die van de vorst en daarmee een tegenwicht vormt, zal het vroeg of laat zo ver komen dat de vorst uiteindelijk de soeverein onderdrukt en het maatschappelijk contract verbreekt. Dat is het aangeboren en onvermijdelijke tekort vanaf het ontstaan van het staatsapparaat, dat onophoudelijk erop gericht is het te vernietigen, net zoals ouderdom en dood uiteindelijk het lichaam van de mens vernietigen.

Algemeen zijn er twee manieren waarop een regering ontaardt, namelijk wanneer zij krimpt, of wanneer de staat uiteenvalt.

De regering wordt steeds kleiner wanneer zij van een groot aantal naar een klein aantal overgaat: dat wil zeggen, van democratie naar aristocratie, en van aristocratie naar koningschap. Dat is haar natuurlijke neiging. [Het langzame ontstaan en ontwikkeling van Venetië in haar lagunes geeft een opmerkelijk voorbeeld: het is verbazingwekkend dat de Venetianen, na meer dan twaalfhonderd jaar, nog steeds in de tweede fase lijken te verkeren, die begon bij de Serrar di Consiglio in 1198. Wat de vroegere hertogen betreft en wat het “squitinio della libertà veneta” ook moge beweren, het staat vast dat zij niet hun soevereinen zijn geweest. Men zal mij ongetwijfeld de Romeinse republiek als tegenvoorbeeld aanvoeren, die, zo zal men zeggen, een geheel tegengestelde ontwikkeling doormaakte, van monarchie naar aristocratie, en van de aristocratie naar democratie. Ik deel die mening niet. De eerste staatsvorm die Romulus instelde, was een gemengde regering die al snel ontaardde in despotisme. Door bijzondere omstandigheden ging de staat voortijdig ten onder, zoals men een pasgeborene ziet sterven voordat hij de volwassen leeftijd heeft bereikt: de verdrijving van de Tarquijnen was het werkelijke begin van de republiek. Maar deze nam aanvankelijk geen vaste vorm aan, omdat men slechts de helft van het werk had verricht door het patriciaat niet af te schaffen. Want op die manier bleef de erfelijke aristocratie, die de slechtste van alle legitieme bestuursvormen is, in conflict met de democratie en werd de vorm van de regering – die altijd onzeker en wisselvallig was – pas vastgelegd, zoals Machiavelli heeft aangetoond, bij de instelling van de volkstribunen; pas toen was er sprake van een echte regering en een ware democratie. Het volk was toen immers niet alleen soeverein, maar ook overheid en rechter; de senaat was een ondergeschikte, die tot taak had de regering in toom te houden en te coördineren, en zelfs de consuls, hoewel patriciërs, hoewel de hoogste overheid, hoewel volwaardige generaals in oorlogstijd, zij waren in Rome maar voorzitters van het volk. Vanaf dat moment zag men ook dat de regering haar natuurlijke neiging volgde en richting aristocratie ging. Toen het patriciërsstelsel als vanzelf verdween, lag de aristocratie niet langer bij de patriciërs, zoals in Venetië en Genua, maar bij de senaat, die bestond uit patriciërs en plebejers, en zelfs bij de volkstribunen toen zij begonnen actieve macht naar zich toe te trekken; want woorden veranderen niets aan de feiten, en wanneer het volk leiders heeft die voor hen regeren, is het altijd een aristocratie, welke naam die leiders ook dragen. Uit het misbruik van de aristocratie ontstonden de burgeroorlogen en het triumviraat. Sulla, Julius Caesar en Augustus werden in feite ware monarchen en uiteindelijk werd de staat onder het despotisme van Tiberius ontbonden. De Romeinse geschiedenis spreekt mijn principe dus geenszins tegen; zij bevestigt het.] Als het van klein naar groot zou teruggaan, zou men kunnen zeggen dat men het vrij laat; maar deze omgekeerde ontwikkeling is onmogelijk.

Want de regeringsvorm verandert alleen wanneer de veer te zwak is om de vorm te kunnen behouden. Als de regering echter nog verder zou verzwakken terwijl ze uitbreidt, zou haar kracht volledig tenietgaan en zou ze nog minder standhouden. Men moet dus de veer weer opwinden en aanspannen naarmate ze meebuigt, anders zou de staat die zij ondersteunt in verval raken.

De ontbinding van de staat kan op twee manieren plaatsvinden. Ten eerste, wanneer de vorst de staat niet langer volgens de wetten bestuurt en de soevereine macht naar zich trekt. Dan vindt er een opmerkelijke verandering plaats; namelijk dat niet de regering, maar de staat krimpt: ik bedoel dat de grote staat uiteenvalt en dat er binnen die staat een andere ontstaat, die uitsluitend bestaat uit de leden van de regering, en die voor de rest van het volk niets anders is dan zijn meester en zijn tiran. Zodat op het moment dat de regering de soevereiniteit naar zich trekt, het maatschappelijk contract wordt verbroken en alle gewone burgers, die van rechtswege hun natuurlijke vrijheid hebben herwonnen, gedwongen zijn, maar niet verplicht, om te gehoorzamen.

Hetzelfde gebeurt ook wanneer de regeringsleden afzonderlijk zich de macht toe-eigenen, die zij slechts als een lichaam mogen uitoefenen; wat een ernstige schending van de wetten is en nog grotere wanorde veroorzaakt. Dan heeft men, om zo te zeggen, evenveel vorsten als overheid, en de staat, niet minder verdeeld dan de regering, gaat ten onder of verandert van vorm.

Wanneer de staat uiteenvalt, krijgt het misbruik van de regering, van welke aard dan ook, de algemene benaming “anarchie”. Als we onderscheid maken, ontaardt de democratie in ochlocratie, de aristocratie in oligarchie; ik zou hieraan willen toevoegen dat het koningschap ontaardt in tirannie, maar dit laatste woord is dubbelzinnig en vraagt om uitleg.

In de algemene betekenis is een tiran een koning die met geweld regeert en geen acht slaat op rechtvaardigheid en wetten. In de strikte betekenis is een tiran een particulier die zich het koninklijk gezag toe-eigent zonder daar recht op te hebben. Zo begrepen de Grieken het woord “tiran”: zij pasten het zonder onderscheid toe op zowel goede als slechte vorsten wier gezag niet legitiem was. [Omnes enim et habentur et dicuntur Tyranni qui potestate utuntur perpetuâ, in eâ Civitate quae libertate usa est (Corn. Nep. in Miltiad.). Het is waar dat Aristoteles in Ethica Nicomachea, boek VIII, hoofdstuk 10, de tiran van de koning onderscheidt, in die zin dat de eerste regeert voor eigen voordeel, en de tweede uitsluitend voor het voordeel van zijn onderdanen; maar afgezien van het feit dat alle Griekse auteurs het woord “tiran” over het algemeen in een andere betekenis hebben gebruikt, zoals vooral blijkt uit de Hieron van Xenophon; zou uit het onderscheid van Aristoteles volgen dat er sinds het begin van de wereld nog geen enkele koning zou hebben bestaan.] Zo zijn “tiran” en “usurpator” twee volkomen synonieme woorden.

Om verschillende dingen verschillende namen te geven, noem ik de usurpator van het koninklijk gezag een “tiran” en de usurpator van de soevereine macht een “despoot”. De tiran is degene die zich, in strijd met de wetten, mengt in het regeren volgens de wetten; de despoot is degene die zich boven de wetten plaatst. Zo kan de tiran geen despoot zijn, maar de despoot is altijd een tiran.

11. De ondergang van het staatsbestel

Dit is de natuurlijke en onvermijdelijke neiging van zelfs de best opgezette regeringen. Als Sparta en Rome ten onder zijn gegaan, welke staat kan dan hopen eeuwig te blijven bestaan? Als wij een duurzaam bestel willen, laten wij er dan niet aan denken het eeuwig te maken. Om te slagen moeten wij het onmogelijke niet nastreven, noch onszelf voorhouden dat wij het werk van mensen een duurzaamheid kunnen geven die menselijke zaken niet toelaten.

Het staatsbestel begint, net als het menselijk lichaam, al bij de geboorte te sterven en draagt de oorzaken van zijn ondergang in zich. Maar beide kunnen een meer of minder robuuste constitutie hebben, waardoor ze meer of minder lang blijvend zijn. De constitutie van de mens is het werk van de natuur, die van de staat is het werk van mensen. Het ligt niet in de macht van de mensen om hun eigen leven te verlengen, maar het ligt wel in hun macht om het bestaan van de staat zo lang mogelijk te verlengen door hem de best mogelijke constitutie te geven. Zelfs de beste staat zal ten onder gaan, maar later dan een andere, tenzij een onvoorziene gebeurtenis zijn ondergang voortijdig veroorzaakt.

Het beginsel van het politieke leven ligt in het soevereine gezag. De wetgevende macht is het hart van de staat, de uitvoerende macht is het brein, dat alle onderdelen in beweging brengt. Het brein kan verlamd raken en het individu kan nog steeds leven. Een mens kan zwakzinnig zijn en leven; maar zodra het hart stopt, is de mens dood.

De staat bestaat niet door de wetten, maar door de wetgevende macht. De wet van gisteren is vandaag niet meer bindend, maar uit het zwijgen wordt stilzwijgende instemming afgeleid, en van de vorst wordt verwacht dat hij de wetten die hij niet intrekt – terwijl hij daartoe wel bevoegd is – onverwijld bekrachtigt. Alles wat hij ooit heeft verklaard te willen, wil hij nog steeds, tenzij hij het intrekt.

Waarom wordt er dan zoveel respect getoond voor oude wetten? Precies om die reden. Men moet aannemen dat alleen de voortreffelijkheid van de wil uit het verleden ervoor heeft gezorgd dat ze zo lang bewaard zijn gebleven; als de soevereinen ze niet voortdurend als heilzaam hadden erkend, zouden ze ze al duizendmaal hebben ingetrokken. Daarom worden de wetten, in plaats van te verzwakken, in elke goed georganiseerde staat voortdurend sterker; het vooroordeel van ouderdom maakt ze elke dag eerbiedwaardiger; terwijl overal waar de wetten met het verstrijken van de tijd aan kracht inboeten, dit bewijst dat er geen wetgevende macht meer bestaat en dat de staat niet meer leeft.

12. Hoe de soevereine macht zichzelf in stand houdt

Aangezien de soeverein geen andere kracht heeft dan de wetgevende macht, handelt hij uitsluitend door middel van wetten, en aangezien wetten niets anders zijn dan authentieke uitingen van de algemene wil, kan de soeverein alleen handelen wanneer het volk bijeen is. Het volk in vergadering bijeen, zal men zeggen, wat een hersenschim! Vandaag de dag is het een hersenschim, maar tweeduizend jaar geleden was dat niet zo: zijn de mensen van aard veranderd?

De grenzen van het mogelijke op moreel gebied zijn minder krap dan we denken: het zijn onze zwakheden, onze ondeugden, onze vooroordelen die ze vernauwen. Kleingeestige mensen geloven niet in grote mannen: laffe slaven glimlachen spottend bij het horen van het woord “vrijheid”.

Laten we aan de hand van wat er is bereikt, zien wat er mogelijk is. Ik zal niet spreken over de oude Griekse republieken, maar de Romeinse republiek was, naar mijn mening, een grote staat, en de stad Rome een grote stad. De laatste volkstelling telde in Rome vierhonderdduizend gewapende burgers, en de laatste telling van het Rijk meer dan vier miljoen burgers, de onderdanen, vreemdelingen, vrouwen, kinderen en slaven niet meegerekend.

Welke moeilijkheid kan men zich niet voorstellen om de enorme bevolking van deze hoofdstad en haar omgeving regelmatig bijeen te brengen! Toch gingen er maar weinig weken voorbij zonder dat het Romeinse volk bijeenkwam, en dat zelfs meermaals. Het oefende niet alleen de soevereine rechten uit, maar ook een deel van de regeringsbevoegdheden. Het behandelde bepaalde zaken, sprak recht in bepaalde rechtszaken, en dit hele volk was op het openbare plein bijna even vaak overheid als burger.

Als we teruggaan naar de vroegste tijden van de volkeren, zouden we ontdekken dat de meeste oude regeringen, zelfs monarchale zoals die van de Macedoniërs en de Franken, soortgelijke raden hadden. Hoe het ook zij, dit ene onbetwistbare feit biedt een antwoord op alle moeilijkheden: van het bestaande naar het mogelijke, dat lijkt mij een goede gevolgtrekking.

13. Vervolg

Het volstaat niet dat het bijeengekomen volk één keer de staatsinrichting heeft vastgesteld door wetten goed te keuren; het volstaat niet dat het een permanente regering heeft ingesteld of dat het voor eens en voor altijd de verkiezing heeft geregeld van de overheidsfunctionarissen. Naast de buitengewone vergaderingen wegens onvoorziene omstandigheden, moeten er vaste en periodieke vergaderingen zijn die niet kunnen worden afgeschaft of uitgesteld, zodat het volk op de vastgestelde dag rechtmatig bij wet wordt bijeengeroepen, zonder dat daarvoor enige andere formele oproeping nodig is.

Maar afgezien van deze vergaderingen, die louter door hun datum al wettig zijn, moet elke volksvergadering die niet is bijeengeroepen door de daartoe aangewezen overheidspersonen en in overeenstemming met de voorgeschreven vorm, als onwettig worden beschouwd en alles wat daar gebeurt als nietig; want het bevel om bijeen te komen moet zelf voortkomen uit de wet.

Wat betreft de min of meer frequente bijeenkomsten van de wettige vergaderingen: deze hangen af van zoveel overwegingen dat men hierover geen precieze regels kan geven. Alleen kan men in het algemeen zeggen dat hoe meer macht de regering heeft, hoe vaker de soeverein zich moet laten zien.

Dit, zo zal men mij zeggen, geldt misschien voor één enkele stad; maar wat te doen wanneer de staat uit meerdere steden bestaat? Moet men de soevereine macht verdelen, of moet men deze in één enkele stad concentreren en de rest onderwerpen?

Ik antwoord dat noch het ene, noch het andere moet. Ten eerste is de soevereine macht enkelvoudig en één, men kan haar niet verdelen zonder haar te vernietigen. Ten tweede kan noch een stad, noch een natie rechtmatig onderdaan zijn van een andere, omdat de essentie van het staatsapparaat ligt in de harmonie tussen gehoorzaamheid en vrijheid, en omdat de begrippen “onderdaan” en “soeverein” identieke begrippen zijn waarvan de betekenis samenvalt in het enkele begrip “burger”.

Ik antwoord nogmaals dat het altijd een slechte zaak is om meerdere steden tot één stad samen te voegen, en dat men, wanneer men deze samenvoeging wil doorvoeren, zich niet moet wijsmaken dat men de natuurlijke nadelen ervan kan vermijden. Men mag het misbruik van grote staten niet aanvoeren als bezwaar tegen degene die kleine staten wensen; maar hoe kan men kleine staten voldoende kracht geven om weerstand te bieden aan de grote? Zoals vroeger de Griekse steden weerstand boden aan de grote koning, en zoals meer recent Nederland en Zwitserland weerstand boden aan het Huis van Oostenrijk.

Als men de staat niet tot de juiste grenzen kan beperken, blijft er nog één uitweg over: geen hoofdstad toestaan, de regering afwisselend in elke stad laten zetelen en daar ook beurtelings de Staten van het land bijeenroepen.

Bevolk het grondgebied gelijkmatig, verleen overal dezelfde rechten, breng overal welvaart en leven; zo zal de staat tegelijkertijd de sterkste en de best bestuurde worden. Vergeet niet dat de stadsmuren alleen maar bestaan uit het puin van de huizen op het platteland. Bij elk paleis dat ik in de hoofdstad zie verrijzen, lijkt het alsof ik zie hoe een heel land tot een ruïne wordt gebracht.

14. Vervolg

Op het moment dat het volk rechtmatig als soeverein orgaan bijeen is, houdt elke bevoegdheid van de regering op, wordt de uitvoerende macht opgeschort en is de persoon van de gewone burger even heilig en onschendbaar als die van het staatshoofd, want waar de vertegenwoordigde zich bevindt, is er geen vertegenwoordiger meer. De meeste onlusten die in Rome tijdens de comitia uitbraken, waren het gevolg van het negeren of veronachtzamen van deze regel. De consuls waren toen slechts voorzitters van het volk, de volkstribunen louter redenaars: [Ongeveer in de zin waarin deze benaming in het Engelse parlement wordt gebruikt. De gelijkenis tussen deze functies zou tot een conflict tussen de consuls en de volksvertegenwoordigers hebben geleid, zelfs als alle rechtsbevoegdheid was opgeschort.] De senaat stelde niets voor.

Deze tussenpozen, waarin de vorst een daadwerkelijke meerdere erkent of moet erkennen, zijn hem altijd angstaanjagend geweest, en deze volksvergaderingen, de bescherming van het staatsapparaat en de rem op de regering, zijn van oudsher een gruwel voor de leiders: daarom sparen zij nooit moeite, bezwaren, moeilijkheden of beloften om de burgers ervan af te brengen. Wanneer deze burgers gierig, laf en kleinmoedig zijn, en meer van rust houden dan van vrijheid, houden zij het niet lang vol tegen de verdubbelde inspanningen van de regering; zo verdwijnt uiteindelijk, naarmate de weerstand toeneemt, het soevereine gezag, en vallen en vergaan de meeste steden voortijdig.

Maar tussen het soevereine gezag en de willekeurige regering dringt zich soms een tussenliggende macht op, waarover we moeten spreken.

15. Afgevaardigden of vertegenwoordigers

Zodra de openbare dienst niet langer de belangrijkste zorg van de burgers is, en zij liever met hun geld dan met hun persoon bijdragen, is de staat al bijna ten onder gegaan. Moet er ten strijde worden getrokken? Dan betalen ze troepen en blijven ze thuis. Moeten ze naar de raad gaan? Ze benoemen afgevaardigden en blijven thuis. Door luiheid en geld hebben ze soldaten om het vaderland te dienen en vertegenwoordigers om het te verkopen.

Het is het gedoe van de handel en de ambachten, het is de hebzuchtige drang naar winst, het is de luiheid en de voorliefde voor comfort, die persoonlijke diensten transformeren in geld. Men staat een deel van zijn winst af om deze op zijn gemak te vergroten. Geef geld en spoedig zul je ketenen krijgen. Het woord “financiën” is een woord van slaven; het is onbekend in de stad. In een werkelijk vrije staat doen de burgers alles met hun eigen handen en niets met geld; in plaats van te betalen om zich van hun plichten te ontslaan, zouden ze betalen om die zelf te vervullen. Ik sta ver af van de gangbare opvattingen; ik geloof dat corvee minder in strijd is met de vrijheid dan belastingen.

Hoe beter de staat is ingericht, des te meer prevaleren openbare aangelegenheden boven privézaken bij de burgers. Er zijn zelfs veel minder privézaken, omdat het algemeen geluk een aanzienlijker deel bijdraagt aan het geluk van elk individu, waardoor er voor hem minder overblijft om de eigen belangen na te streven. In een goed bestuurde stad snelt iedereen naar de vergaderingen; onder een slecht bestuur wil niemand ook maar een stap zetten om erheen te gaan, omdat niemand belangstelling heeft voor wat daar gebeurt, men verwacht dat de algemene wil er niet zal zegevieren, en ten slotte nemen de huishoudelijke zorgen alles in beslag. Goede wetten leiden tot betere wetten, slechte wetten tot slechtere. Zodra iemand over staatszaken zegt: “Wat kan mij dat schelen?”, moet men ervan uitgaan dat de staat verloren is.

Een zwakke vaderlandsliefde, het streven naar eigenbelang, de enorme omvang van de staten, de veroveringen en het machtsmisbruik door de regering hebben geleid tot het idee van afgevaardigden of volksvertegenwoordigers in de volksvergaderingen. Dit is wat men in sommige landen de Derde Stand durft te noemen. Zo worden de individuele belangen van twee standen op de eerste en tweede plaats gezet, terwijl het algemeen belang pas op de derde plaats komt.

De soevereiniteit kan niet worden vertegenwoordigd, om dezelfde reden dat zij niet kan worden vervreemd; zij bestaat in wezen uit de algemene wil, en de wil laat zich niet vertegenwoordigen: zij is dezelfde, of zij is een andere; er is geen middenweg. De volksafgevaardigden zijn dus geen vertegenwoordigers van het volk en kunnen dat ook niet zijn; zij zijn commissarissen; zij kunnen niets definitief besluiten. Elke wet die niet door het volk zelf is bekrachtigd, is nietig; het is geen wet. Het Engelse volk denkt vrij te zijn; het vergist zich schromelijk, het is slechts vrij tijdens de verkiezing van de parlementsleden; zodra zij zijn gekozen, is het een slaaf, het is niets. In de korte tijd dat het vrij is, verdient het door de manier waarop het die vrijheid gebruikt, om die vrijheid te verliezen.

Het idee van vertegenwoordigers is modern: het stamt af van de feodale regering, die onrechtvaardige en absurde regeringsvorm waarin de mensheid wordt vernederd en waarin de naam “mens” in ongenade is geraakt. In de oude republieken en zelfs in de monarchieën had het volk nooit vertegenwoordigers; men kende dat woord niet eens. Het is zeer merkwaardig dat men in Rome, waar de volkstribunen zo heilig waren, niet eens had kunnen bedenken dat zij de taken van het volk zouden kunnen overnemen, en dat zij te midden van zo’n grote menigte nooit hebben geprobeerd om op eigen initiatief ook maar één volksbesluit door te voeren. Men kan zich echter een beeld vormen van de verwarring die de menigte soms veroorzaakte, aan de hand van wat er in de tijd van de Gracchi gebeurde, toen een deel van de burgers zijn stem uitbracht vanop de daken.

Waar recht en vrijheid alles zijn, zijn de nadelen niets. Bij dit wijze volk was alles in de juiste verhouding: het liet zijn lictoren doen wat zijn volkstribunen niet hadden durven doen; het vreesde niet dat zijn lictoren het zouden willen vertegenwoordigen.

Om echter uit te leggen hoe de volkstribunen het volk soms vertegenwoordigden, volstaat het te begrijpen hoe de regering de soeverein vertegenwoordigt. Aangezien de wet de getuigenis is van de algemene wil, is het duidelijk dat het volk in de wetgevende macht niet vertegenwoordigd kan worden; maar het kan en moet wel vertegenwoordigd worden in de uitvoerende macht, die niets anders is dan de toegepaste macht op de wet. Hieruit blijkt dat men, bij nader onderzoek, zou vaststellen dat maar heel weinig volkeren wetten hebben. Hoe het ook zij, het staat vast dat de volksvertegenwoordigers, aangezien zij geen enkel deel van de uitvoerende macht bezaten, het Romeinse volk nooit konden vertegenwoordigen op grond van de rechten van hun ambt, maar alleen door zich de rechten van de senaat toe te eigenen.

Bij de Grieken deed het volk alles wat het te doen had zelf. Het kwam voortdurend bijeen op het plein, het leefde in een mild klimaat, het was niet hebzuchtig; slaven verrichtten het werk, en de belangrijkste zorg was de vrijheid. Als men niet langer dezelfde voordelen heeft, hoe kan men dan dezelfde rechten behouden? Jullie strenger klimaat brengt meer behoeften met zich mee: [Als men in koude landen de luxe en de zachtheid van de oosterlingen overneemt, betekent dat dat men zich hun ketenen wil opleggen; het betekent dat men zich daar nog noodzakelijker aan onderwerpt dan zijzelf.] Zes maanden per jaar is het openbaar leven onhoudbaar; jullie doffe stemmen kunnen in de open lucht niet worden gehoord, jullie hechten meer waarde aan jullie winst dan aan jullie vrijheid, en jullie zijn veel minder bang voor slavernij dan voor ellende.

Wat! Kan vrijheid alleen worden gehandhaafd met behulp van onderworpenheid? Misschien. De twee uitersten raken elkaar. Alles wat niet in de natuur ligt, heeft nadelen, en de burgerlijke samenleving meer dan al het andere. Er zijn zulke ongelukkige situaties waarin men zijn vrijheid alleen ten koste van die van anderen kan behouden, en waarin de burger pas volkomen vrij kan zijn als de slaaf uiterst slaaf is. Zo was de situatie in Sparta. Wat jullie betreft, moderne volkeren, jullie hebben geen slaven, maar jullie zijn het zelf; jullie betalen hun vrijheid met die van jullie. U kunt deze voorkeur nog zo aanprijzen; ik zie er meer lafheid in dan menselijkheid.

Ik bedoel hiermee geenszins dat men slaven moet hebben, noch dat het recht op slavernij legitiem is, aangezien ik het tegendeel heb bewezen. Ik noem alleen de redenen waarom moderne volkeren, die zichzelf als vrij beschouwen, vertegenwoordigers hebben, en waarom volkeren uit de oudheid die niet hadden. Hoe het ook zij, op het moment dat een volk zich vertegenwoordigers geeft, is het niet langer vrij; het bestaat niet meer.

Alles wel overwogen, zie ik niet in hoe de soeverein voortaan zijn rechten onder ons zou kunnen blijven uitoefenen, tenzij de stad heel klein is. Maar als ze heel klein is, zal ze dan niet onderworpen worden? Nee. Ik zal hierna [Dat was mijn voornemen in het vervolg van dit werk, wanneer ik bij het behandelen van de buitenlandse betrekkingen bij de confederaties zou zijn aangekomen. Een geheel nieuw onderwerp, waar de grondbeginselen nog moeten worden vastgesteld.] aantonen hoe men de externe macht van een groot volk kan verenigen met de soepele openbare orde en de goede organisatie van een kleine staat.

16. Het instellen van een regering is geen contract

Zodra de wetgevende macht er stevig staat, moet ook de uitvoerende macht worden gevestigd; want deze laatste, die uitsluitend via afzonderlijke besluiten functioneert, maakt geen deel uit van de essentie van de eerste en staat er dus van nature gescheiden van. Als het mogelijk zou zijn dat de soeverein, als zodanig beschouwd, de uitvoerende macht zou hebben, zouden recht en feit zo met elkaar verweven raken dat men niet meer zou weten wat wet is en wat niet, en zou het zo ontwrichte staatsbestel spoedig ten prooi vallen aan het geweld waartegen het juist was ingesteld.

Aangezien alle burgers op grond van het maatschappelijk contract gelijk zijn, kan iedereen voorschrijven wat iedereen moet doen, terwijl niemand het recht heeft om van een ander te eisen wat hij zelf niet doet. Welnu, juist dit recht, dat onmisbaar is om het staatsbestel in stand te houden en te laten functioneren, verleent de soeverein aan de vorst bij het instellen van de regering.

Velen hebben beweerd dat de oprichting van deze instelling neerkwam op een overeenkomst tussen het volk en de leiders die het zelf aanstelde: een overeenkomst waarin beide partijen de voorwaarden vastlegden waaronder de ene partij zich ertoe verbond te heersen en de andere te gehoorzamen. Men zal, daar ben ik zeker van, beamen dat dit een merkwaardige manier is om een overeenkomst te sluiten! Maar laten we eens kijken of deze opvatting houdbaar is.

Ten eerste kan het hoogste gezag evenmin worden gewijzigd als vervreemd; het beperken ervan komt neer op het vernietigen ervan. Het is absurd en tegenstrijdig dat de soeverein een meerdere boven zichzelf aanstelt; zich ertoe verbinden een meester te gehoorzamen, zou neerkomen op een terugkeer naar absolute vrijheid.

Bovendien is het duidelijk dat dit contract van het volk met deze of gene personen een specifieke handeling zou zijn. Hieruit volgt dat dit contract geen wet noch een daad van soevereiniteit zou kunnen zijn, en dat het bijgevolg onwettig zou zijn.

We zien opnieuw dat de contractpartijen onderling uitsluitend aan de wetten van de natuur zouden zijn onderworpen en zonder enige garantie voor hun wederzijdse verbintenissen, hetgeen in alle opzichten in strijd is met het burgerlijk recht: aangezien degene die de macht in handen heeft altijd de baas is over de uitvoering, zou je dus net zo goed de term “contract” kunnen gebruiken voor een handeling van een man die tegen een ander zou zeggen: “ik geef u al mijn bezit, op voorwaarde dat u mij daarvan teruggeeft wat u maar wilt.”

Er bestaat slechts één contract in de staat, namelijk dat van de vereniging; alleen dat sluit elk ander contract uit. Men kan zich geen enkel openbaar contract voorstellen dat geen schending van het eerste zou zijn.

17. De instelling van de regering

Hoe moeten we dan de handeling opvatten waarmee de regering wordt ingesteld? Ik wil allereerst opmerken dat deze handeling complex is of bestaat uit twee andere handelingen, namelijk het invoeren van de wet en de uitvoering van de wet.

Door de eerste bepaalt de soeverein dat er een overheid zal worden ingesteld in deze of gene vorm; en het is duidelijk dat deze handeling een wet is.

Door de tweede benoemt het volk de leiders die belast zullen worden met de ingestelde regering. Aangezien deze benoeming een afzonderlijke handeling is, is zij geen tweede wet, maar slechts een voortvloeisel van de eerste en een functie van de regering.

De moeilijkheid ligt in het begrijpen hoe er sprake kan zijn van een regeringshandeling voordat de regering bestaat, en hoe het volk, dat slechts soeverein of onderdaan is, onder bepaalde omstandigheden vorst of een overheid kan worden.

Ook hier komt een van die verbazingwekkende eigenschappen van het politieke lichaam aan het licht, waardoor het schijnbaar tegenstrijdige processen met elkaar verzoent. Dit gebeurt namelijk door een plotselinge omzetting van soevereiniteit in democratie; zodat, zonder enige merkbare verandering, en louter door een nieuwe verhouding van allen tot allen, de burgers – die nu overheidspersonen zijn geworden – overgaan van algemene besluiten naar individuele besluiten, en van de wet naar de uitvoering ervan.

Deze verandering in de verhouding is geenszins een speculatieve subtiliteit, zonder een voorbeeld in de praktijk: zij vindt dagelijks plaats in het Engelse parlement, waar het Lagerhuis bij bepaalde gelegenheden overgaat in een groot comité om de zaken beter te bespreken, en zo verandert van een soevereiniteit, dat het een ogenblik tevoren was, in een eenvoudige commissie; zodat zij vervolgens aan zichzelf, als Lagerhuis, verslag uitbrengt over wat zij zojuist in de grote commissie heeft geregeld, en opnieuw beraadslaagt over een punt dat zij al heeft behandeld, onder een andere naam.

Dit is een voordeel dat eigen is aan de democratische regering, namelijk dat zij in feite kan worden ingesteld door een eenvoudige daad van de algemene wil. Daarna blijft deze voorlopige regering aan, indien dat de gekozen vorm is, of stelt zij namens de soeverein de door de wet voorgeschreven regering in, en alles verloopt aldus volgens de regels. Het is niet mogelijk de regering op enige andere legitieme wijze in te stellen, zonder af te zien van de hierboven vastgestelde beginselen.

18. Hoe de machtsmisbruiken van de regering in toom te houden

Uit deze verduidelijkingen volgt, ter bevestiging van hoofdstuk 16, dat de handeling waarmee de regering wordt ingesteld geen overeenkomst is maar een wet, dat de dragers van de uitvoerende macht niet de meesters van het volk zijn maar diens ambtenaren, dat het volk hen kan aanstellen en afzetten wanneer het dat wenst, dat het voor hen geen kwestie is van overeenkomsten sluiten maar van gehoorzamen, en dat zij, door de taken op zich te nemen die de staat hun oplegt, slechts hun plicht als burgers vervullen, zonder op enigerlei wijze het recht te hebben om over de voorwaarden te onderhandelen.

Wanneer het volk dus een erfelijke regering instelt, hetzij monarchaal binnen een familie, hetzij aristocratisch binnen de burgerstand, gaat het geen verbintenis aan; het geeft het bestuur slechts een voorlopige vorm, totdat het besluit anders te handelen.

Het is waar dat dergelijke veranderingen altijd gevaarlijk zijn, en dat men de gevestigde regering nooit mag aanvallen, tenzij deze onverenigbaar wordt met het algemeen belang; maar deze terughoudendheid is een politieke stelregel en geen rechtsregel, en de staat is niet meer verplicht het burgerlijk gezag aan zijn leiders over te laten dan het militair gezag aan zijn generaals.

Het is ook waar dat men in een dergelijk geval niet zorgvuldig genoeg kan zijn bij het naleven van alle vereiste formaliteiten om een regelmatige en legitieme handeling te onderscheiden van een opstandig oproer, en de wil van een heel volk van het geschreeuw van een factie. Juist hier mag men aan de verfoeilijke situatie niet meer toekennen dan wat men haar volgens de strikte letter van de wet niet kan ontzeggen, en uit deze verplichting put de vorst een groot voordeel om zijn macht ondanks het volk te behouden, zonder dat men kan zeggen dat hij deze heeft toegeëigend: want door te doen alsof hij slechts gebruik maakt van zijn rechten, is het voor hem gemakkelijk deze uit te breiden en, onder het voorwendsel van openbare rust, de bijeenkomsten te verhinderen die bedoeld zijn om de goede orde te herstellen; zodat hij zich beroept op een stilzwijgen dat hij verhindert te doorbreken, of op onregelmatigheden die hij laat begaan, om in zijn voordeel de bekentenis te veronderstellen van degenen die door angst het zwijgen zijn opgelegd, en om degenen te straffen die het aandurven te spreken. Zo probeerden de decemviri, aanvankelijk voor een jaar gekozen en vervolgens voor nog een jaar herbenoemd, hun macht voor onbepaalde tijd te behouden door de comitia niet langer toe te staan bijeen te komen; en op deze eenvoudige wijze onttrekken alle regeringen ter wereld, zodra zij de openbare macht hebben, zich vroeg of laat aan de soevereine autoriteit.

De periodieke vergaderingen waarover ik hierboven heb gesproken, zijn geschikt om dit onheil te voorkomen of uit te stellen, vooral wanneer er geen formele bijeenroeping nodig is; want dan zou de vorst ze niet kunnen verhinderen zonder zich openlijk als wetsovertreder en staatsvijand te profileren.

De bijeenroeping van deze vergaderingen, die uitsluitend tot doel hebben het maatschappelijk contract in stand te houden, moet altijd plaatsvinden aan de hand van twee voorstellen die nooit kunnen worden verworpen en die afzonderlijk in stemming worden gebracht.

De eerste: of het de soeverein behaagt de huidige regeringsvorm te handhaven.

De tweede: of het volk ermee instemt het bestuur over te laten aan degenen die daar momenteel mee belast zijn.

Ik ga hier uit van wat ik, naar mijn mening, heb aangetoond, namelijk dat er in de staat geen enkele grondwet bestaat die niet kan worden ingetrokken, zelfs niet het maatschappelijk contract; want als alle burgers bijeenkwamen om dit contract in onderlinge overeenstemming te verbreken, zou er geen twijfel over bestaan dat het op volkomen legitieme wijze zou zijn verbroken. Grotius is zelfs van mening dat iedereen afstand kan doen van de staat waarvan hij lid is, en zijn natuurlijke vrijheid en bezittingen kan terugkrijgen door het land te verlaten. [Het spreekt vanzelf dat men niet vertrekt om zich aan zijn plicht te onttrekken en zich te onttrekken aan de plicht om zijn vaderland te dienen op het moment dat het ons nodig heeft. Wat dan zou volgen, zou misdadig en strafbaar zijn; het zou geen terugtrekking meer zijn, maar desertie.] Het zou echter absurd zijn als alle burgers samen niet zouden kunnen doen wat ieder van hen afzonderlijk wel kan.

Boek 4

1. De algemene wil is onverwoestbaar

Zolang een groep mensen zichzelf als één geheel beschouwt, hebben zij één wil, die gericht is op het behoud van de gemeenschap en het algemeen welzijn. Dan zijn alle staatsmechanismen krachtig en eenvoudig, zijn de grondbeginselen duidelijk en helder, zijn er geen verwarde of tegenstrijdige belangen, is het algemeen welzijn overal duidelijk zichtbaar en is er slechts gezond verstand nodig om het te onderkennen. Vrede, eenheid en gelijkheid zijn vijanden van de politieke spitsvondigheden. Oprechte en eenvoudige mensen zijn moeilijk te misleiden juist vanwege hun eenvoud; schijnvertoningen en geraffineerde voorwendsels maken geen indruk op hen; ze zijn zelfs niet scherpzinnig genoeg om voor de gek gehouden te worden. Als we zien dat bij de gelukkigste mensen ter wereld, boeren onder een eik staatszaken regelen en daarbij altijd wijs handelen, kunnen we dan anders dan neerkijken op de vindingrijke methoden van andere volkeren, die zichzelf met veel kunstgrepen en mysterie roemrijk én ellendig maken?

Een staat op deze manier bestuurd heeft weinig wetten nodig, en naarmate het nodig is om nieuwe wetten uit te vaardigen, wordt dat door iedereen ingezien. Degene die ze als eerste voorstelt, die verwoordt wat iedereen al aanvoelde, en er is geen sprake van intriges of welsprekendheid om tot wet te maken wat iedereen al heeft besloten te doen, zodra men er zeker van is dat de anderen het net zo zullen doen als hij.

Theoretici laten zich misleiden, omdat zij alleen staten zien die vanaf het begin fout zijn georganiseerd, en denken dat het onmogelijk is een dergelijk beleid op die staten toe te passen. Ze maken veel ophef over alle absurditeiten die een sluwerd of een veelprater de bevolking van Parijs of Londen zou kunnen wijs maken. Ze weten niet dat Cromwell door de inwoners van Bern aan “de klokken” zou zijn opgehangen, en dat de hertog van Beaufort door de Genevers in de tredmolen zou zijn gezet.

Maar wanneer de maatschappelijke band verslapt en de staat verzwakt; wanneer individuele belangen zich doen gelden en kleine gemeenschappen invloed gaan uitoefenen op de grote, dan vervaagt het gemeenschappelijk belang en krijgt het tegenstanders; er is geen eensgezindheid meer, de algemene wil is niet langer de wil van allen, er ontstaan tegenstrijdigheden en discussies, en zelfs het beste advies wordt niet zonder onenigheid aangenomen.

Ten slotte, wanneer de staat, aan de vooravond van zijn ondergang, slechts nog in een illusoire en ijdele vorm bestaat, wanneer de maatschappelijke band in alle harten is verbroken, wanneer het laagste eigenbelang zich schaamteloos tooit met de heilige naam van het algemeen belang; dan verstomt de algemene wil; iedereen, geleid door verborgen motieven, geven niet langer hun mening als burgers, alsof de staat nooit had bestaan, en men voert ten onrechte onder de naam van wetten onrechtvaardige decreten door die uitsluitend het eigenbelang tot doel hebben.

Volgt daaruit dat de algemene wil teniet is gedaan of gecorrumpeerd? Nee, zij is altijd standvastig, onveranderlijk en zuiver; maar zij is ondergeschikt aan anderen die boven haar staan. Iedereen die zijn eigenbelang loskoppelt van het algemeen belang, beseft wel dat hij het niet volledig kan scheiden, maar zijn aandeel in het algemeen onheil lijkt hem niets, in vergelijking met het exclusieve voordeel dat hij voor zichzelf opeist. Afgezien van dat individuele, wil hij het algemeen welzijn voor zijn eigen belang net zo sterk als ieder ander. Zelfs wanneer hij zijn stem voor geld verkoopt, dooft hij de algemene wil in zichzelf niet, maar ontwijkt ze. De fout die hij begaat, is dat hij de strekking van de vraag verandert en iets anders antwoordt dan wat hem wordt gevraagd: in plaats dus door middel van zijn stem te zeggen dat het in het voordeel van de staat is, zegt hij dat het in het voordeel is van die of die man of die of die partij, dat dit of dat standpunt wordt aangenomen. De regel in de volksvergaderingen bestaat dus niet zozeer in het handhaven van de algemene wil, als wel ervoor te zorgen dat deze altijd ter discussie wordt gesteld en altijd antwoord geeft.

Ik zou hier talrijke overwegingen kunnen uiteenzetten over het eenvoudige recht om bij elke uitoefening van soevereiniteit te stemmen – een recht dat niemand de burgers kan ontnemen – en ook over het recht om standpunten naar voren te brengen, voorstellen te doen, meningen te delen en te debatteren, een recht dat de regering altijd zorgvuldig uitsluitend aan haar leden voorbehoudt; maar dit belangrijke onderwerp zou een aparte verhandeling vereisen, en het is onmogelijk om alles in één enkel werk te behandelen.

2. Stemmen

Uit het vorige hoofdstuk blijkt dat de manier waarop algemene aangelegenheden worden behandeld een vrij betrouwbare indicatie kan geven van de huidige stand van zeden en gezondheid van het politieke bestel. Hoe meer eensgezindheid er in de vergaderingen heerst, dat wil zeggen, hoe meer de meningen de unanimiteit benaderen, des te meer is ook de algemene wil overheersend; maar langdurige debatten, onenigheden en tumult duiden op de overhand van individuele belangen en het verval van de staat.

Dit lijkt minder vanzelfsprekend wanneer twee of meer standen deel uitmaken van het staatsbestel, zoals in Rome de patriciërs en de plebejers, wier twisten de comitia vaak verstoorden, zelfs in de bloeitijd van de republiek; maar deze uitzondering is meer schijn dan werkelijkheid, want dan heeft men, als gevolg van het inherente gebrek van het staatsapparaat, als het ware twee staten in één. Wat niet voor beide samen geldt, geldt wel voor elk afzonderlijk. En inderdaad, zelfs in de meest stormachtige tijden verliep de volksstemming, wanneer de senaat zich er niet mee bemoeide, altijd rustig en met een grote meerderheid van stemmen: aangezien de burgers slechts één belang hadden, had het volk slechts één wil.

Aan het andere uiteinde van de cirkel keert de eenstemmigheid terug. Dat is wanneer de burgers, die in slavernij zijn vervallen, noch vrijheid noch eigen wil meer hebben. Dan veranderen angst en vleierij de stemmen in toejuichingen; er wordt niet meer beraadslaagd, men aanbidt of vervloekt. Dat was de verachtelijke manier waarop de senaat onder de keizers zijn stem uitbracht. Soms gebeurde dit met belachelijke voorzorgsmaatregelen. Tacitus merkt op dat de senatoren onder Otho, terwijl zij Vitellius met vervloekingen overladen, tegelijkertijd een verschrikkelijk lawaai maakten, opdat hij, mocht hij toevallig aan de macht komen, niet zou kunnen weten wat ieder van hen had gezegd.

Uit deze verschillende overwegingen komen de stelregels, waarop men de wijze van tellen van de stemmen en het vergelijken van de meningen moet baseren, al naargelang de algemene wil al dan niet gemakkelijk te doorgronden is, en de staat al dan niet in verval verkeert.

Er is slechts één wet die van nature unanieme instemming vereist. Dat is het maatschappelijk contract: want de burgerlijke vereniging is de meest vrijwillige daad ter wereld; aangezien ieder mens vrij en meester over zichzelf geboren is, kan niemand hem, onder welk voorwendsel dan ook, onderwerpen zonder zijn instemming. Beslissen dat de zoon van een slavin als slaaf wordt geboren, betekent beslissen dat hij niet als mens wordt geboren.

Als er dus bij het sluiten van het maatschappelijk contract tegenstanders zijn, maakt hun verzet de overeenkomst niet ongeldig, maar zorgt het er alleen voor dat zij niet worden meegeteld; zij zijn vreemdelingen onder de burgers. Wanneer de staat wordt opgericht, ligt de instemming in het verblijf; op het grondgebied wonen betekent zich onderwerpen aan de soevereiniteit. [Dit moet worden opgevat als van toepassing op een vrije staat; want familie, bezittingen, het ontbreken van een toevluchtsoord, noodzaak of geweld kan iemand tegen zijn wil in een land houden; en dan houdt zijn verblijf daar op zich niet langer in dat hij instemt met de overeenkomst of met de schending ervan.]

Buiten dit oorspronkelijke contract is de stem van de meerderheid altijd bindend voor alle anderen; dit vloeit voort uit het contract zelf. Maar men vraagt zich af hoe een mens vrij kan zijn en tegelijk gedwongen om zich te schikken naar wilskrachten die niet de zijne zijn. Hoe kunnen tegenstanders vrij zijn en onderworpen aan de wetten waarmee zij niet hebben ingestemd?

Ik antwoord dat de vraag fout is gesteld. De burger stemt in met alle wetten, zelfs met die welke tegen zijn wil worden aangenomen, en zelfs met die welke hem straffen wanneer hij er een durft te overtreden. De standvastige wil van alle leden van de staat is de algemene wil, daardoor zijn zij burgers én vrij. [In Genua is het woord “Libertas” te lezen boven de ingang van de gevangenissen en op de kettingen van de galeislaven. Deze toepassing van het motto is goed en rechtvaardig. Het zijn immers alleen misdadigers uit alle lagen van de bevolking die de burger beletten vrij te zijn. In een land waar zulke mensen op de galeien zouden zitten, zou men de volmaakte vrijheid genieten.] Wanneer er in de volksvergadering een wet wordt voorgesteld, wordt hen niet specifiek gevraagd of zij het voorstel goedkeuren of verwerpen, maar of het al dan niet in overeenstemming is met de algemene wil die de hunne is; door zijn stem uit te brengen geeft ieder zijn mening hierover, en uit de telling van de stemmen wordt de verklaring van de algemene wil afgeleid. Wanneer dus een mening die tegengesteld is aan de mijne de overhand krijgt, bewijst dat niets anders dan dat ik me vergiste en dat wat ik als de algemene wil beschouwde, dat in werkelijkheid niet was. Als mijn persoonlijke mening de overhand had gekregen, zou ik het tegenovergestelde hebben bereikt van wat ik wilde; en juist in dat geval zou ik niet vrij zijn geweest.

Dit veronderstelt weliswaar dat alle kenmerken van de algemene wil nog steeds in de meerderheid aanwezig zijn; wanneer dat niet langer het geval is, is er, welke kant men ook kiest, geen vrijheid meer.

Door hierboven aan te tonen hoe in de openbare beraadslagingen individuele wilskrachten in de plaats werden gesteld van de algemene wil, heb ik voldoende aangegeven welke praktische middelen er zijn om dit misbruik te voorkomen; ik zal hier later nog op terugkomen. Wat betreft het proportionele aantal stemmen om deze wil tot uitdrukking te brengen, heb ik ook de beginselen aangegeven op basis waarvan men dit kan bepalen. Het verschil van slechts één stem verbreekt de gelijkheid; één enkele tegenstem verbreekt de unanimiteit; maar tussen unanimiteit en gelijkheid bestaan er verschillende ongelijke verdelingen, waarbij men voor elk daarvan dit aantal kan vaststellen al naar gelang de toestand en de behoeften van het staatsbestel.

Twee algemene stelregels kunnen dienen om deze verhoudingen te regelen: de ene is dat hoe belangrijker en ernstiger de beraadslagingen zijn, hoe dichter het winnende standpunt bij de unanimiteit moet liggen; de andere is dat hoe meer de behandelde zaak spoed vereist, hoe kleiner het voorgeschreven verschil in de verdeling van de meningen moet zijn; bij beraadslagingen die onmiddellijk moeten worden afgerond, volstaat een meerderheid van slechts één stem. De eerste stelregel lijkt geschikter voor wetten, de tweede voor praktische aangelegenheden. Hoe dan ook, het is op basis van hun combinatie dat de beste verhoudingen worden vastgesteld die men de meerderheid kan geven om een besluit te nemen.

3. Verkiezingen

Wat betreft de verkiezingen van de vorst en de overheidspersonen, die, zoals ik al zei, complex zijn, zijn er twee manieren om deze te laten verlopen, namelijk door keuze en door loting. Beide zijn in diverse republieken toegepast en men ziet nog steeds een ingewikkelde vermenging van beide bij de verkiezing van de doge van Venetië.

Verkiezing door loting,” zegt Montesquieu, “is eigen aan de democratie.” Daar ben ik het mee eens, maar hoe? “Loting,” vervolgt hij, “is een manier om keuzes te maken die voor niemand oneerlijk zijn; het biedt elke burger een redelijke hoop om zijn land te dienen.” Dit zijn geen redenen.

Als men er rekening mee houdt dat de verkiezing van bestuurders een taak van de regering is en geen kwestie van soevereiniteit, zal men inzien waarom loting de methode is die het meest natuurlijk is voor de democratie, waarin het bestuur des te beter functioneert naarmate het aantal besluiten dat het neemt beperkt is.

In elke ware democratie is het ambt geen voorrecht, maar een zware last, die terecht niet aan de ene persoon kan worden opgelegd en niet aan de andere. Alleen de wet kan dit opleggen aan degene op wie het lot valt. Want dan zijn de omstandigheden voor iedereen gelijk, en aangezien de keuze niet afhangt van enige menselijke wil, is er geen specifieke toepassing die de universaliteit van de wet aantast.

In een aristocratie kiest de vorst de vorst, de regering handhaaft zichzelf, en daar zijn de stemmen aldus geregeld.

Het voorbeeld van de verkiezing van de doge van Venetië bevestigt dit onderscheid in plaats van het te ontkrachten; deze gemengde vorm past bij een gemengde regering. Het is namelijk een vergissing om de regering van Venetië als een ware aristocratie te beschouwen. Hoewel het volk daar geen enkele rol speelt in de regering, is de adel daar zelf het volk. Een groot aantal arme Barnaboten heeft nooit een ambt bekleed en bezit van zijn adelstand slechts de lege titel van Excellentie en het recht om zitting te nemen in de Grote Raad. Aangezien deze Grote Raad even talrijk is als onze Algemene Raad in Genève, genieten zijn vooraanstaande leden niet meer voorrechten dan onze gewone burgers. Het staat vast dat, afgezien van de enorme ongelijkheid tussen de twee republieken, de bourgeoisie van Genève precies overeenkomt met het patriciaat van Venetië; onze inheemsen en inwoners komen overeen met de stadsburgers en het volk van Venetië; onze boeren komen overeen met de onderdanen op het vasteland; en hoe men die republiek ook beschouwt, als men haar omvang buiten beschouwing laat, is haar regering niet aristocratischer dan de onze. Het enige verschil is dat wij, aangezien wij geen levenslang heerser hebben, niet, zoals Venetië, de loting hoeven te gebruiken.

Verkiezingen door loting zouden weinig nadelen hebben in een ware democratie, waar alles gelijk is – zowel wat zeden en talenten betreft als wat leefregels en fortuin betreft – en de keuze daardoor bijna onbelangrijk zou worden. Maar ik heb al gezegd dat er geen ware democratie bestaat.

Wanneer keuze en loting met elkaar verweven zijn, moet het eerste worden toegepast op functies die specifieke vaardigheden vereisen, zoals militaire functies; het andere is geschikt voor functies waar gezond verstand, rechtvaardigheid en integriteit volstaan, zoals rechterlijke ambten; want in een goed georganiseerde staat zijn deze eigenschappen eigen aan alle burgers.

In een monarchie is er geen plaats voor loting of stemming. Aangezien de vorst van rechtswege de enige vorst en opper-overheid is, behoort de keuze van zijn plaatsvervangers uitsluitend hem toe. Toen de abt van St. Pierre voorstelde om het aantal raden van de koning van Frankrijk uit te breiden en de leden daarvan via een stemming te kiezen, besefte hij niet dat hij daarmee voorstelde de regeringsvorm te wijzigen.

Ik zou nu moeten ingaan op de wijze waarop de stemmen worden uitgebracht en geteld in de volksvergadering; maar wellicht zal de geschiedenis van de Romeinse polis in dit opzicht alle stelregels die ik zou kunnen opstellen, duidelijkheid geven. Het is voor een kritische lezer zeker de moeite waard om in detail te bekijken hoe openbare en individuele aangelegenheden werden behandeld in een raad van tweehonderdduizend mannen.

4. De Romeinse comitia

We beschikken over geen enkele betrouwbare bron uit de vroegste tijd van Rome; het lijkt er zelfs sterk op dat het merendeel van wat erover wordt verteld, fabels zijn; [De naam Rome, waarvan men beweert dat hij afkomstig is van Romulus, is Grieks en betekent kracht; de naam Numa is eveneens Grieks en betekent wet. Hoe waarschijnlijk is het dat de eerste twee koningen van deze stad al namen droegen die zo goed aansluiten bij wat zij hebben gedaan?] en in het algemeen is het meest leerzame deel van de annalen van volkeren, namelijk de geschiedenis van hun ontstaan, juist datgene wat het meest ontbreekt. De ervaring leert ons elke dag welke oorzaken tot de omwentelingen van rijken leiden; maar aangezien er tegenwoordig geen nieuwe volkeren meer ontstaan, hebben we bijna niets anders dan vermoedens om te verklaren hoe ze tot stand zijn gekomen.

De gebruiken die we als gevestigd aantreffen, tonen in ieder geval aan dat deze gebruiken een oorsprong hadden. De tradities die teruggaan tot die oorsprong, die door de meest gezaghebbende bronnen worden ondersteund en die door de sterkste bewijzen worden bevestigd, moeten als de meest zekere worden beschouwd. Dit zijn de stelregels die ik heb geprobeerd te volgen bij mijn onderzoek naar de wijze waarop het meest vrije en machtigste volk op aarde zijn oppermacht uitoefende.

Na de stichting van Rome werd de ontluikende republiek, dat wil zeggen het leger van de stichter, bestaande uit Albaniërs, Sabijnen en vreemdelingen, verdeeld in drie klassen, die naar deze indeling de naam tribus kregen. Elk van deze tribus werd onderverdeeld in tien curies, en elke curie in décuries, aan het hoofd waarvan leiders werden aangesteld die curions en décurions werden genoemd.

Daarnaast werd uit elke tribus een korps van honderd ruiters of ridders samengesteld, een centurie genaamd: hieruit blijkt dat deze indelingen, die in een stad nauwelijks nodig waren, aanvankelijk militair van aard waren. Maar het lijkt erop dat een drang naar grandeur de kleine stad Rome ertoe bracht zich al vroeg een bestuur te geven dat paste bij een wereldhoofdstad.

Uit deze eerste indeling volgde al snel een nadeel. De stam van de Albaniërs [Ramnenses] en die van de Sabijnen [Tatienses] bleven namelijk altijd even groot, terwijl die van de vreemdelingen [Luceres] voortdurend groeide door de voortdurende instroom van deze laatsten, waardoor deze laatste al snel de andere twee in aantal overtrof. De oplossing die Servius vond voor dit gevaarlijke misbruik was om de indeling te wijzigen en de indeling op basis van afkomst, die hij afschafte, te vervangen door een andere, gebaseerd op de delen van de stad die door elke stam werden bewoond. In plaats van drie stammen maakte hij er vier; elk bezette een van de heuvels van Rome en droeg de naam daarvan. Zo verhielp hij de bestaande ongelijkheid en voorkwam ze ook voor de toekomst; en opdat deze indeling niet alleen op plaatsen maar ook op mensen zou betrekking hebben, verbood hij de inwoners van een wijk om naar een andere over te gaan, wat voorkwam dat de stammen zich vermengden.

Hij verdubbelde ook de drie oude ruiters centuriën en voegde er twaalf anderen aan toe, maar altijd onder de oude namen; een eenvoudige en verstandige manier waarmee hij het ridderkorps definitief onderscheidde van dat van het volk, zonder dat dit laatste ging morren.

Aan deze vier stedelijke stammen voegde Servius nog vijftien andere toe, die landelijke stammen werden genoemd, omdat ze bestonden uit de bewoners van het platteland, verdeeld over evenzoveel kantons. In de loop van de tijd werden er nog evenveel nieuwe bijgevoegd, en zo werd het Romeinse volk uiteindelijk verdeeld in vijfendertig stammen; een aantal dat tot het einde van de republiek ongewijzigd bleef.

Dit onderscheid tussen stadsstammen en plattelandsstammen had een opmerkelijk gevolg, omdat er geen ander voorbeeld van bestaat en omdat Rome hieraan zowel het behoud van zijn zeden als de uitbreiding van zijn rijk te danken had. Men zou denken dat de stedelijke stammen al snel de macht en de eer naar zich toe zouden trekken en de plattelandsstammen snel zouden verachten; het was juist het tegenovergestelde. De voorliefde van de eerste Romeinen voor het landleven is bekend. Deze voorliefde hadden zij te danken aan de wijze stichter, die vrijheid combineerde met landelijke en militaire werkzaamheden, en de kunsten, ambachten, intriges, rijkdom en slavernij als het ware naar de stad verbande.

Aangezien dus alle vooraanstaande burgers van Rome op het platteland woonden en de grond bewerkten, raakten de mensen eraan gewend om juist daar de steunpilaren van de republiek te zoeken. Aangezien deze stand die van de meest waardige patriciërs was, werd hij door iedereen geëerd: het eenvoudige en arbeidszame leven op het land kreeg de voorkeur boven het luie en lakse leven van de stadsbewoners van Rome, en iemand die in de stad een ongelukkige proletariër zou zijn geweest, werd als landarbeider op het platteland een gerespecteerde burger. Het is niet zonder reden, zo zei Varro, dat onze grootmoedige voorouders in het dorp de kweekvijver vestigden voor deze robuuste en dappere mannen die hen in tijden van oorlog verdedigden en hen in tijden van vrede onderhielden. Plinius stelt nadrukkelijk dat de plattelandsstammen werden geëerd vanwege de mannen waaruit ze bestonden; terwijl lafaards, die men in diskrediet wilde brengen, als een publieke schande werden overgeplaatst naar de stadsstammen. Toen de Sabijn Appius Claudius zich in Rome kwam vestigen, werd hij daar met eerbewijzen overladen en ingeschreven in een plattelandsstam die later de naam van zijn familie aannam. Ten slotte traden vrijgelatenen altijd toe tot de stedelijke stammen, maar nooit tot de plattelandsstammen; evenmin is er in de hele republiek ook maar één voorbeeld te vinden van een vrijgelatene die, hoewel hij burger was geworden, een ambt bekleedde.

Deze stelregel was uitstekend; maar men ging er zo ver in mee, dat dit uiteindelijk leidde tot een verandering en ongetwijfeld tot misbruik binnen de polis.

Ten eerste stonden de censoren, nadat ze lange tijd het recht hadden opgeëist om burgers willekeurig van de ene stam naar de andere over te plaatsen, de meeste mensen toe zich in te schrijven bij welke stam ze maar wilden. Deze toestemming had zeker geen positief effect en beroofde de censuur bovendien van een van haar belangrijkste middelen. Bovendien lieten de groten en machtigen zich allemaal inschrijven in de stammen op het platteland, terwijl de vrijgelatenen die burger waren geworden bij het gewone volk in de stadsstammen bleven; zo verloren beide al snel elke lokale of territoriale betekenis en raakte alles zo in de war dat de leden van de ene stam niet meer van die van de andere konden worden onderscheiden, behalve aan de hand van de registers; zodat het begrip stam een persoonlijk in plaats van een reëel begrip werd, of liever gezegd, weinig meer dan een hersenschim.

Het gebeurde ook dat de stadsstammen, die het dichtstbij waren, in de comitia vaak de overhand hadden en de staat verkochten aan degenen die zich verlaagden tot het kopen van de stemmen van het gepeupel waaruit deze stammen bestonden.

Aangezien de stichter in elke stam tien curiae had opgericht, bestond het gehele Romeinse volk, dat zich destijds binnen de stadsmuren bevond, uit dertig curiae, elk met zijn eigen tempels, goden, ambtenaren, priesters en feesten, die compitalia werden genoemd en overeenkwamen met de paganalia die later door de plattelandsstammen werden gehouden.

Toen Servius zijn nieuwe indeling doorvoerde, konden de dertig curiae niet egaal over zijn vier stammen worden verdeeld, en aangezien hij zich daar niet mee wilde bemoeien, vormden zij een andere indeling van de inwoners van Rome, geheel onafhankelijk van de stammen: maar in het geval van de plattelandstammen en hun leden was er geen sprake van curiae, aangezien de stammen toen een louter burgerlijke instelling waren geworden en er een ander systeem was ingevoerd voor de rekrutering van troepen, waardoor de militaire indelingen van Romulus overbodig waren geworden. Hoewel dus elke burger bij een stam was ingeschreven, waren er zeer velen die geen lid waren van een curia.

Servius voerde nog een derde indeling door die geen verband hield met de twee voorgaande en die door haar gevolgen de belangrijkste van allemaal werd. Hij verdeelde het gehele Romeinse volk in zes klassen, die hij niet onderscheidde naar plaats of naar personen, maar naar bezit; zodat de eerste klassen bestonden uit rijken, de laatste uit de armen, en de middelste uit degenen met een bescheiden vermogen. Deze zes klassen waren onderverdeeld in 193 andere groepen, centuriae genaamd, en deze groepen waren zodanig verdeeld dat de eerste klasse alleen al meer dan de helft ervan omvatte, terwijl de laatste er slechts één vormde. Zo kwam het dat de klasse met het minste aantal mannen het grootste aantal centuriën telde, en dat de gehele laatste klasse slechts als één onderverdeling werd geteld, hoewel zij alleen al meer dan de helft van de inwoners van Rome omvatte.

Om ervoor te zorgen dat het volk zo min mogelijk inzicht zou krijgen in de gevolgen van deze regeling, probeerde Servius er een militair karakter aan te geven: in de tweede klasse nam hij twee centuriën wapensmeden op, en in de vierde twee centuriën makers van oorlogsinstrumenten; in elke klasse, behalve de laatste, maakte hij onderscheid tussen jongeren en ouderen, dat wil zeggen tussen degenen die verplicht waren de wapens op te nemen en degenen die vanwege hun leeftijd wettelijk waren vrijgesteld. Het was dit onderscheid, en niet zozeer dat van rijkdom, dat een veelvuldige herhaling van de volkstelling of telling noodzakelijk maakte. Ten slotte gaf hij opdracht dat de volksvergadering op het Marsveld zou worden gehouden, en dat allen die de dienstplichtige leeftijd hadden bereikt daar gewapend moesten verschijnen.

De reden waarom hij in de laatste klasse niet dezelfde indeling in jongeren en ouderen aanhield, is dat men het gepeupel waaruit deze klasse bestond, niet de eer gunde van wapens voor het vaderland te dragen; een man moest een haard bezitten om het recht te verwerven deze te verdedigen, en van alle troepen bedelaars die vandaag de dag glans verlenen aan de legers van koningen, is er misschien niet één die niet met minachting uit een Romeins cohort zou zijn verdreven, in een tijd waarin soldaten de verdedigers van de vrijheid waren.

Toch werd er binnen de laatste klasse nog een onderscheid gemaakt tussen de proletariërs en degenen die men capite censi noemde. De eersten, die niet helemaal tot niets waren gereduceerd, leverden de staat ten minste burgers op, soms zelfs soldaten in dringende noodsituaties. Degenen die helemaal niets bezaten en die men alleen aan de hand van hun aantal kon tellen, werden volkomen als niets beschouwd, en Marius was de eerste die zich verwaardigde hen in dienst te nemen.

Zonder nu al te oordelen of deze derde regeling op zich goed of slecht was, denk ik te kunnen stellen dat zij alleen werkbaar kon zijn dankzij de eenvoudige zeden, de onbaatzuchtigheid, de voorliefde voor de landbouw en minachting voor de handel en voor het winstbejag, kenmerkend voor de vroege Romeinen. Onder welk modern volk, waarin alles wordt beheerst door onverzadigbare hebzucht, onrust, intriges, voortdurende verhuizingen en eeuwige wisselvalligheden, zou een dergelijk systeem twintig jaar stand kunnen houden zonder de staat op zijn kop te zetten? We moeten inderdaad vaststellen dat de moraal en de censuur, die sterker waren dan deze instelling, de tekortkomingen ervan in Rome hebben gecorrigeerd, en dat de rijke man zich gedegradeerd zag tot de klasse van de armen omdat hij te veel pronkte met zijn rijkdom.

Uit dit alles kan men gemakkelijk begrijpen waarom er bijna nooit meer dan vijf klassen worden genoemd, hoewel er in werkelijkheid zes waren. De zesde leverde noch soldaten aan het leger, noch stemgerechtigden op het Marsveld, [Ik zeg op het Marsveld, omdat de comitia daar per centurie bijeenkwamen; in de twee andere vormen kwam het volk bijeen op het forum of elders; en toen hadden de capite censi evenveel invloed en gezag als de vooraanstaande burgers.] en omdat zij in de republiek vrijwel geen rol speelde, werd zij zelden als van belang beschouwd.

Dit waren de verschillende indelingen van het Romeinse volk. Laten we nu kijken welk effect ze hadden in de vergaderingen. Legitiem samengeroepen vergaderingen, werden comitia genoemd; ze werden gewoonlijk gehouden op het marktplein of op het Marsveld, en werden onderscheiden in comitia per curiae, comitia per centuriae en comitia per tribus, afhankelijk van de vorm waarin ze waren georganiseerd: de comitia per curiae waren ingesteld door Romulus, die per centuriae door Servius, en die per tribus door de volkstribunen. Geen enkele wet werd bekrachtigd en geen enkele overheidspersoon werd gekozen buiten de comices om, en aangezien er geen enkele burger was die niet was ingeschreven in een curie, een centurie of een stam, volgde hieruit dat geen enkele burger werd uitgesloten van het kiesrecht, en dat het Romeinse volk zowel in rechte als in feite werkelijk soeverein was.

Om de comitia rechtmatig bijeen te roepen en om wat daar beslist werd kracht van wet te geven, moesten drie voorwaarden vervuld zijn: ten eerste dat het orgaan of de overheidspersoon die ze bijeenriep de nodige bevoegdheid bezat; ten tweede dat de vergadering plaatsvond op een van de door de wet toegestane dagen; ten derde dat de auguren gunstig waren.

De reden voor de eerste regel behoeft geen uitleg; de tweede is een kwestie van beleid. Zo mochten de comitia niet worden gehouden op feestdagen of marktdagen, wanneer de plattelandsbewoners, die voor zaken naar Rome kwamen, geen tijd hadden om de dag op het plein door te brengen. Door middel van de derde regel hield de senaat het trotse en onrustige volk in toom en beteugelde hij op gepaste wijze het elan van opruiende volksvertegenwoordigers, die echter meer dan één manier vonden om aan deze belemmering te ontsnappen.

De wetten en de verkiezing van leiders waren niet de enige punten die aan het oordeel van de volksvergaderingen werden voorgelegd: aangezien het Romeinse volk de belangrijkste regeringsfuncties had overgenomen, kan men zeggen dat het lot van Europa in deze vergaderingen werd bepaald. Door deze verscheidenheid aan onderwerpen namen deze vergaderingen verschillende vormen aan, afhankelijk van de onderwerpen waarover er een uitspraak moest worden gedaan.

Om deze verschillende vormen te beoordelen, volstaat het ze met elkaar te vergelijken. Toen Romulus de curiae instelde, had hij tot doel de senaat in toom te houden door middel van het volk en het volk door middel van de senaat, waarbij hij over beiden in gelijke mate heerste. Hij gaf het volk via deze vorm alle gezag dat voortkwam uit het aantal, om daarmee een tegenwicht te bieden aan de macht en de rijkdom die hij aan de patriciërs liet. Maar in de geest van de monarchie kende hij de patriciërs niettemin meer voordelen toe door de invloed die hun cliënten hadden op de meerderheid van de stemmen. Deze voortreffelijke instelling van beschermheer en cliënt was een meesterwerk van staatsmanschap en menselijkheid, zonder welke het patriciaat – dat flagrant in tegenspraak was met de republikeinse geest – niet had kunnen overleven. Alleen Rome heeft de eer gehad de wereld dit mooie voorbeeld te geven, waaruit nooit misbruik is voortgekomen en dat toch nooit is nagevolgd.

Aangezien deze vorm van de curiae onder de koningen tot aan Servius in stand bleef, en de heerschappij van de laatste Tarquin niet als legitiem werd beschouwd, werden de koninklijke wetten algemeen aangeduid met de naam leges curiatae.

Onder de republiek voldeden de curiae, die nog steeds beperkt waren tot de vier stedelijke stammen en uitsluitend de gewone bevolking van Rome omvatten, noch aan de Senaat, die de patriciërs aanvoerde, noch aan de volksvertegenwoordigers, die weliswaar plebejers waren, maar aan het hoofd stonden van de welgestelde burgers. Ze raakten daarom in diskrediet, en hun verval was zo groot dat dertig lictoren bijeenkwamen om te doen wat de comitia curiata eigenlijk hadden moeten doen.

De indeling in centuriën was zo gunstig voor de aristocratie dat men op het eerste gezicht niet begrijpt waarom de senaat niet altijd de overhand had in de comitia die deze naam droegen en waarin de consuls, de censoren en de andere curule-ambten werden gekozen. Van de honderddrieënnegentig centuriën die de zes klassen van het gehele Romeinse volk vormden, bestond de eerste klasse er namelijk uit negenentachtig, en aangezien de stemmen alleen per centurie werden geteld, won deze eerste klasse alleen al in aantal stemmen van alle andere. Wanneer al deze centuriën het eens waren, ging men niet eens door met het tellen van de stemmen; wat door de kleinste groep was besloten, gold als een besluit van de menigte, en men kan zeggen dat in de comitia per centurie de zaken veel meer werden geregeld door de meerderheid van de écu’s [een oude Franse daalder] dan door de stemmen zelf.

Maar deze extreme autoriteit werd op twee manieren getemperd. Ten eerste behoorden de tribunen, in de regel, en altijd een groot aantal plebejers, tot de klasse van de rijken, en vormden zij zo een tegenwicht voor de invloed van de patriciërs in de eerste klasse.

De tweede manier was als volgt. In plaats van de centuriën in volgorde te laten stemmen – wat zou hebben betekend dat men altijd met de eerste moest beginnen – kozen de Romeinen altijd één centurie door loting [Deze aldus door loting bepaalde centurie werd “praerogativa” genoemd, omdat zij de eerste was aan wie om haar stem werd gevraagd, en daar komt het woord “prerogatief” vandaan.], die vervolgens alleen aan de verkiezing deelnam; daarna werden alle centuriën op een andere dag bijeengeroepen op basis van hun rang en werd dezelfde verkiezing herhaald en in de regel bekrachtigd. Zo werd de rol van het voorbeeld weggenomen en op basis van een democratisch principe toegekend aan de loting.

Dit gebruik had nog een ander voordeel: de burgers op het platteland hadden tussen de twee verkiezingen zo de tijd om zich te informeren over de kwaliteiten van de voorlopig benoemde kandidaat, zodat zij hun stem met kennis van zaken konden uitbrengen. Maar onder het voorwendsel van snelheid slaagde men erin deze gewoonte af te schaffen en de twee verkiezingen vonden op dezelfde dag plaats.

De vergaderingen per stam waren in feite de raad van het Romeinse volk. Ze werden alleen bijeengeroepen door de tribunen; de tribunen werden daar gekozen en hielden er hun volksstemming. Niet alleen had de senaat daar geen rang, hij had zelfs niet het recht om aanwezig te zijn, en omdat de senatoren gedwongen waren zich te houden aan wetten waarover zij niet hadden gestemd, waren zij in dit opzicht minder vrij dan de gewone burgers. Deze onrechtvaardigheid werd volstrekt verkeerd begrepen en volstond op zich al om de besluiten van een orgaan ongeldig te maken waar niet al zijn leden werden toegelaten. Zelfs als alle patriciërs deze comitia zouden hebben bijgewoond overeenkomstig het recht dat zij als burgers hadden, zouden zij, eenmaal gewone burgers geworden, nauwelijks invloed hebben gehad op een stemprocedure waarbij de stemmen per persoon werden geteld en waarbij de minste proletariër evenveel te zeggen had als de eerste van de senaat.

We zien dus dat, afgezien van de orde die voortvloeide uit deze verschillende indelingen voor het verzamelen van de stemmen van zo’n groot volk, deze indelingen niet beperkt bleven tot vormen die op zichzelf onbelangrijk waren, maar dat elk van hen -gevolgen had die verband hielden met de doelstellingen, waarom er de voorkeur aan werd gegeven.

Zonder hier verder in detail op in te gaan, blijkt uit het voorgaande dat de comitia per tribus het meest gunstig waren voor de volksregering, en de comitia per centuriae voor de aristocratie. De comitia curiata, waarin het gewone volk van Rome de meerderheid had, waren alleen geschikt om tirannie en kwaadaardige plannen in de hand te werken en raakten daardoor natuurlijk in diskrediet; zelfs opstandige personen onthielden zich ervan gebruik te maken van een methode die hun plannen maar al te duidelijk blootlegde. Het staat buiten kijf dat de gehele majesteit van het Romeinse volk uitsluitend berustte in de comitia centuriata, die als enige iedereen omvatte; want de comitia curiata sloot de plattelandsstammen uit, en de comitia tributa de senaat en de patriciërs.

Wat betreft de wijze van het tellen van de stemmen: deze was bij de vroege Romeinen even eenvoudig als hun zeden, hoewel nog minder eenvoudig dan in Sparta. Ieder bracht zijn stem hardop uit, een griffier schreef ze in volgorde op; de meerderheid van de stemmen in elke stam bepaalde de uitslag van de stam, de meerderheid van de stemmen tussen de stammen bepaalde de uitslag van het volk, en zo ook bij de curiae en de centuriën. Deze gewoonte was goed zolang er eerlijkheid heerste onder de burgers en iedereen zich schaamde om in het openbaar zijn stem uit te brengen voor een onrechtvaardig voorstel of een onwaardige kandidaat; maar toen het volk corrupt werd en stemmen werden gekocht, leek het verstandig om de stemmen in het geheim uit te brengen, om de kopers door het wantrouwen in toom te houden en de schurken de mogelijkheid te bieden geen verraders te zijn.

Ik weet dat Cicero deze verandering veroordeelt en de ondergang van de republiek er gedeeltelijk aan toeschrijft. Maar hoewel ik de autoriteit van Cicero hier besef, kan ik het niet met hem eens zijn. Ik denk integendeel dat men, door niet genoeg dergelijke veranderingen door te voeren, de ondergang van de staat zal bespoedigen. Net zoals een gezondheidsregime niet geschikt is voor zieken, moet men een verdorven volk niet willen besturen met dezelfde wetten die geschikt zijn voor een goed volk. Niets illustreert deze stelling beter dan de levensduur van de republiek van Venetië, waarvan de façade nog bestaat, louter omdat haar wetten alleen geschikt zijn voor slechte mensen.

Er werden dus tabletten uitgedeeld waarmee iedereen kon stemmen zonder dat men wist wat zijn mening was. Er werden ook nieuwe formaliteiten ingesteld voor het inzamelen van de stemmen, het tellen van de stemmen, het vergelijken van de aantallen, enz. Dit nam echter niet weg dat de trouw van de overheidspersonen die met deze taken waren belast [Custodes, diribitores, Rogatores suffragiorum.] vaak in twijfel werd getrokken. Ten slotte werden er verordeningen uitgevaardigd om intriges en stemmenkoop te voorkomen; maar juist het grote aantal ervan bewijst hoe zinloos ze waren.

In latere tijden zag men zich vaak genoodzaakt zijn toevlucht te nemen tot buitengewone maatregelen om de tekortkomingen van de wetten te verhelpen. Nu eens veronderstelde men wonderen; maar dit middel, dat indruk kon maken op het volk, maakte geen indruk op degenen die het bestuurden; nu eens riep men plotseling een vergadering bijeen voordat de kandidaten de tijd hadden gehad om hun verkiezingscampagnes te voeren, nu eens besteedde men een hele zitting aan debatteren wanneer men zag dat het volk beïnvloed was en op het punt stond een verkeerde beslissing te nemen. Maar uiteindelijk wist de ambitie alles te omzeilen, en wat ongelooflijk is, is dat dit immense volk, temidden van zoveel misbruik, dankzij zijn oude voorschriften, niet naliet een overheid te kiezen, wetten aan te nemen, rechtszaken te behandelen en individuele en openbare zaken af te handelen, bijna net zo gemakkelijk als de senaat dat had kunnen doen.

5. Over het tribunaat

Wanneer er geen exacte verhouding kan worden vastgesteld tussen de delen van de staat, of wanneer onveranderlijke oorzaken de verhoudingen daartussen voortdurend verstoren, dan wordt er een bijzondere overheid ingesteld die geen eenheid vormt met de anderen, die elk onderdeel weer in zijn juiste verhouding plaatst en een verbinding of een tussenvorm is, hetzij tussen de vorst en het volk, hetzij tussen de vorst en de soeverein, hetzij aan beide kanten tegelijk indien dat nodig is.

Dit orgaan, dat ik het tribunaat zal noemen, is de bewaker van de wetten en van de wetgevende macht. Het dient soms om de soeverein tegen de regering te beschermen, zoals de volkstribunen in Rome deden, soms om de regering tegen het volk te steunen, zoals de Raad van Tien nu in Venetië doet, en soms om het evenwicht aan beide kanten te handhaven, zoals de eforen in Sparta deden.

Het tribunaat is geen constitutief onderdeel van de stadstaat en mag geen aandeel hebben in de wetgevende of uitvoerende macht, maar juist daardoor is zijn macht des te groter: want omdat het niets kan doen, kan het alles verhinderen. Het wordt als verdediger van de wetten meer vereerd en gerespecteerd dan de vorst die ze uitvoert en dan de soeverein die ze maakt. Dit werd heel duidelijk in Rome toen die trotse patriciërs, die het hele volk altijd hadden geminacht, gedwongen werden te buigen voor een eenvoudige overheidspersoon, die noch bescherming noch rechtsbevoegdheid bezat.

Het tribunaat, mits wijselijk in toom gehouden, is de stevigste steunpilaar van een goed georganiseerde staat; maar zodra het ook maar een beetje te veel macht heeft, zet het alles op zijn kop: zwakheid ligt niet in zijn aard, en als er al iets is, dan is het nooit minder dan nodig is.

Het ontaardt in tirannie wanneer het de uitvoerende macht toe-eigent, waarop het slechts de toeziet, en de wetten wil toepassen die het moet handhaven. De enorme macht van de eforen, die geen gevaar vormde zolang Sparta zijn zeden behield, versnelde het begonnen verval. Het bloed van Agis, die door deze tirannen werd afgeslacht, werd gewroken door zijn opvolger: zowel de misdaad als de bestraffing van de eforen versnelden de ondergang van de republiek, en na Cleomenes was Sparta niets meer. Rome ging op dezelfde manier ten onder, en de buitensporige macht van de volkstribunen, die geleidelijk aan was toegeëigend, diende uiteindelijk, met behulp van wetten die waren aangenomen ter bescherming van de vrijheid, als bescherming voor de keizers die deze vrijheid tenietdeden. Wat betreft de Raad van Tien in Venetië: dat is een bloedig tribunaal, dat zowel voor de patriciërs als voor het volk afschuwelijk is, en dat, in plaats van de wetten krachtig te beschermen, na de aantasting daarvan alleen nog dient om in het duister daden te verrichten die men niet durft te laten zien.

Het tribunaat verzwakt, net als de regering, door de toename van het aantal leden. Toen de volkstribunen van het Romeinse volk, aanvankelijk twee in getal en later vijf, dit aantal wilden verdubbelen, liet de Senaat hen hun gang gaan, uiteraard in de hoop dat zij elkaar in toom zouden houden; en dat gebeurde dan ook.

De beste manier om misbruik van zo’n geducht orgaan te voorkomen – een waaraan tot nu toe geen enkele regering aan heeft gedacht – zou zijn om dit orgaan niet permanent te maken, maar om vast te leggen hoe lang het telkens niet actief is. Deze tussenpozen, die niet zo lang mogen zijn dat het misbruik de tijd krijgt om zich te verankeren, kunnen bij wet worden vastgesteld, zodat ze indien nodig gemakkelijk kunnen worden verkort door middel van buitengewone commissies.

Deze maatregel lijkt mij niet nadelig, omdat, zoals ik al zei, het tribunaat geen deel uitmaakt van de constitutie en dus kan worden afgeschaft zonder dat de staat daaronder lijdt, en hij lijkt mij doeltreffend, omdat een pas aangestelde overheidspersoon niet uitgaat van de macht die zijn voorganger had, maar van de macht die de wet hem geeft.

6. De dictatuur

De onbuigzaamheid van de wetten, die verhinderen dat zij zich plooien naar de gebeurtenissen, kan hen in bepaalde gevallen schadelijk maken en daardoor de ondergang van de staat bij een crisis veroorzaken. De orde en de traagheid van de formaliteiten vergen tijd die de omstandigheden soms niet toestaan. Er kunnen zich duizend gevallen voordoen waar de wetgever geen rekening mee heeft gehouden, en het is een zeer noodzakelijke vooruitziendheid om te beseffen dat men niet alles kan voorzien.

Men mag de politieke instellingen dus niet zodanig versterken dat men zichzelf de bevoegdheid ontneemt om de werking ervan op te schorten. Zelfs Sparta heeft zijn wetten wel eens buiten werking gesteld.

Maar alleen de grootste gevaren kunnen opwegen tegen het gevaar van het aantasten van de openbare orde, en men mag de heilige macht van de wetten nooit opschorten, tenzij het gaat om het welzijn van het vaderland. In deze zeldzame en duidelijke gevallen wordt de openbare veiligheid gewaarborgd door een bijzondere handeling die de verantwoordelijkheid daarvoor toevertrouwt aan de meest waardige persoon. Deze opdracht kan op twee manieren worden verleend, afhankelijk van de aard van het gevaar.

Als het volstaat om de activiteit van de regering te intensiveren om het gevaar te verhelpen, wordt deze bevoegdheid geconcentreerd bij één of twee van haar leden; zo wordt niet de gezag van de wetten aangetast, maar slechts de wijze van toepassing. Maar als het gevaar zo groot is dat het wettelijk stelsel een belemmering vormt om zich ertegen te beschermen, dan wordt er een opper-overheidspersoon aangesteld die alle wetten buiten werking stelt en het soevereine gezag tijdelijk opschort; in een dergelijk geval bestaat er geen twijfel over de algemene wil, en is het duidelijk dat het voornaamste streven van het volk is, dat de staat niet ten onder gaat. Op deze manier leidt het opschorten van de wetgevende macht niet tot de afschaffing ervan; de overheidspersoon die haar het zwijgen oplegt, kan haar niet aan het woord laten komen; hij heerst over haar zonder haar te kunnen vertegenwoordigen; hij kan alles doen, behalve wetten maken.

Het eerste middel werd door de Romeinse senaat toegepast wanneer hij de consuls via een vastgestelde formule opdroeg te zorgen voor het welzijn van de republiek; het tweede wanneer een van de twee consuls een dictator benoemde [Dit vond ’s nachts en in het geheim plaats, alsof men zich schaamde een man boven de wetten te plaatsen.] – een gebruik waarvan Alba in Rome het voorbeeld had gegeven.

In de beginjaren van de republiek werd vaak een beroep gedaan op de dictatuur, omdat de staat nog niet over een voldoende stevige basis beschikte om zijn constitutie te handhaven. Aangezien de zeden van die tijd veel voorzorgsmaatregelen overbodig maakten die in een andere tijd noodzakelijk zouden zijn geweest, vreesde men niet dat een dictator zijn gezag zou misbruiken, of dat hij zou proberen het na afloop van zijn termijn te behouden. Het leek eerder alsof zo’n grote macht een last was voor degene die ermee was bekleed, zo haastig was hij om zich ervan te ontdoen; alsof het een te zware en te gevaarlijke taak was om de plaats van de wetten in te nemen!

Het is dan ook niet het gevaar van misbruik, maar wel dat van verloedering dat mij ertoe brengt het ondoordachte gebruik van dit opperste gezag in de beginperiode te veroordelen. Want terwijl men er rijkelijk gebruik van maakte bij verkiezingen, bij inwijdingen en bij louter formele aangelegenheden, was te vrezen dat het in geval van nood aan kracht zou inboeten, en dat men eraan gewend zou raken het als een ijdele titel te beschouwen wanneer het alleen bij ijdele ceremonies werd ingezet.

Tegen het einde van de republiek waren de Romeinen, inmiddels voorzichtiger geworden, even onredelijk terughoudend in het toekennen van het dictaat als ze voorheen royaal waren geweest. Het is duidelijk dat hun angsten ongegrond waren, dat de zwakte van de hoofdstad haar juist beschermde tegen de overheidspersonen in hun midden; dat een dictator in bepaalde gevallen de openbare vrijheid weliswaar kon verdedigen, maar deze nooit in gevaar kon brengen; en dat de ketenen van Rome niet in Rome zelf, maar in haar legers zouden worden gesmeed. Het zwakke verzet dat Marius tegen Sulla en Pompeius tegen Caesar boden, toonde duidelijk aan wat er van het gezag in eigen land te verwachten viel tegenover geweld van buitenaf.

Deze misvatting bracht hen ertoe grote fouten te begaan. Zo was er bijvoorbeeld de fout om geen dictator te hebben benoemd in de zaak van Catilina, want aangezien het alleen om de binnenstad ging, hooguit in een of andere provincie van Italië, had hij met de onbeperkte bevoegdheid die de wetten aan de dictator gaven, de samenzwering gemakkelijk kunnen verijdelen, die pas werd gesmoord door een samenloop van gelukkige toevalligheden waarop menselijke voorzichtigheid nooit mocht steunen.

In plaats daarvan nam de senaat genoegen met het overdragen van al zijn macht aan de consuls; waardoor Cicero, om doeltreffend te kunnen optreden, gedwongen was deze macht op een cruciaal punt over te dragen, en hoewel zijn optreden in een vlaag van vreugde werd goedgekeurd, werd hem terecht later verantwoording gevraagd voor het bloed van de burgers dat in strijd met de wetten was vergoten; een verwijt dat men aan een dictator niet had kunnen maken. Maar de welsprekendheid van de consul gaf de doorslag; en hoewel hij zelf een Romein was, hechtte hij meer waarde aan zijn eigen roem dan aan zijn vaderland, en zocht hij niet zozeer naar de meest legitieme en zekerste manier om de staat te redden, als wel naar de manier waarop hij alle eer van deze zaak voor zichzelf kon opeisen. [Dat was wat hij zelf niet kon, toen hij een dictator voorstelde; hij durfde zichzelf niet aan te wijzen en kon er niet zeker van zijn dat zijn collega hem zou aanwijzen.] Zo werd hij terecht geëerd als bevrijder van Rome, en terecht gestraft als overtreder van de wetten. Hoe schitterend zijn terugroeping ook was, het staat vast dat het een gunst was.

Overigens, op welke wijze deze belangrijke functie ook wordt toegekend, is het van belang de duur ervan wordt vastgesteld op een zeer korte periode, die nooit kan worden verlengd. In de crises die aanleiding geven tot de instelling ervan, is de staat spoedig vernietigd of gered, en zodra de dringende noodzaak voorbij is, wordt de dictatuur tiranniek of zinloos. In Rome waren de dictators voor zes maanden aangesteld, en de meesten traden vóór het verstrijken van die termijn af. Als de termijn langer was geweest, zouden zij wellicht in de verleiding zijn gekomen om deze nog verder te verlengen, zoals de decemviri deden met hun termijn van een jaar. De dictator had slechts de tijd om voorzieningen te treffen tegen noodzaak die tot zijn verkiezing had geleid; hij had geen tijd om aan andere plannen te denken.

7. De censuur

Net zoals de algemene wil door de wet tot uitdrukking wordt gebracht, zo wordt het oordeel van het volk tot uitdrukking gebracht door de censuur; de publieke opinie is een soort wet waarvan de censor de dienaar is, toegepast op specifieke gevallen, naar het voorbeeld van de vorst.

Het censoriale tribunaal is dus geen scheidsrechter omtrent de mening van het volk, maar de verkondiger ervan, en zodra het daarvan afwijkt, zijn zijn beslissingen zinloos en zonder gevolg.

Het heeft geen zin om de moraal van een volk te onderscheiden van de zaken die het hoog in het vaandel draagt; beide berusten op hetzelfde principe en zijn noodzakelijkerwijs niet van elkaar te onderscheiden. Bij alle volkeren ter wereld is het niet de natuur, maar de publieke opinie die bepalend is voor de keuze van hun genoegens. Breng de opvattingen van de mensen op het juiste spoor en hun zeden zullen vanzelf zuiver worden. Men houdt altijd van wat goed is of van wat men als goed beschouwt; het is bij het beoordelen van wat goed is dat men in de fout gaat. Dit oordeel moet dus worden bijgestuurd. Wie over moraliteit oordeelt, oordeelt over eer; en wie over eer oordeelt, vindt zijn wet in de publieke opinie.

De opvattingen van een volk komen voort uit zijn constitutie; hoewel de wet de moraal niet regelt, is het toch de wetgeving die haar tot stand brengt. Wanneer de wetgeving verzwakt, gaat de moraal achteruit; maar in dergelijke gevallen zal het oordeel van de censoren niet bewerkstelligen wat de kracht van de wetten niet heeft kunnen bewerkstelligen.

Hieruit volgt dat censuur nuttig kan zijn tot behoud van de zeden, maar nooit om ze te herstellen. Zet censoren in zolang de wetten nog krachtig zijn; zodra ze hun kracht hebben verloren, is alle hoop vervlogen; geen enkele legitieme macht kan haar gezag behouden wanneer de wetten dat hebben verloren.

De censuur handhaaft de zedelijkheid door te voorkomen dat het oordeel verdorven raakt, door de rechtschapenheid ervan te bewaren door middel van verstandige toepassing, en soms zelfs door het te corrigeren wanneer het nog twijfelachtig is. Het gebruik van secondanten bij duels, dat in Frankrijk tot waanzin was gekomen, werd daar afgeschaft door slechts deze woorden uit een koninklijk edict: “Wat betreft degenen die zo laf zijn om secondanten op te roepen.” Dit oordeel, dat vooruitliep op dat van het publiek, bracht het in één klap tot een einde. Maar toen dezelfde edicten wilden verklaren dat het ook lafheid was om in een duel te vechten – wat volkomen waar is, maar in strijd met de algemene opinie – spotte het publiek met deze beslissing, waarover het zich al een oordeel had gevormd.

Ik heb elders [Ik geef in dit hoofdstuk slechts een indicatie van wat ik uitvoeriger heb behandeld in een brief aan de heer d’Alembert.] gezegd dat, aangezien de publieke opinie niet aan dwang onderworpen is, dat daarvan geen spoor mag te vinden zijn in het tribunaal dat haar vertegenwoordigde. Men kan niet genoeg bewondering hebben voor de kunstzinnigheid waarmee dit vermogen, dat bij de moderne mensen volledig verloren is gegaan, bij de Romeinen en nog beter bij de Spartanen werd toegepast.

Toen een man van slechte zeden in de Spartaanse Raad een goed voorstel had ingediend, negeerden de eforen dit en zorgden ervoor dat hetzelfde voorstel door een deugdzame burger werd ingediend. Wat een eer voor de ene, en wat een schande voor de andere, zonder dat aan een van beiden lof of verwijt werd gegeven! Enkele dronkaards uit Samos [Zij waren afkomstig van een ander eiland, de fijngevoeligheid van onze taal verbiedt het nu bij naam te noemen.] bezoedelden het tribunaal van de eforen: de volgende dag werd bij openbaar edict aan de Samiërs toegestaan om schurken te zijn. Een echte straf zou minder streng zijn geweest dan een dergelijke straffeloosheid. Wanneer Sparta heeft beslist wat eerbaar is en wat niet, gaat Griekenland niet in beroep tegen haar vonnissen.

8. Burgerlijke religie

Aanvankelijk hadden de mensen geen andere koningen dan de goden, noch een andere regeringsvorm dan de theocratische. Zij volgden de redenering van Caligula, en toen redeneerden zij juist. Het duurt lang voordat dat gevoel zodanig verandert dat mensen tot het besluit komen om hun gelijken als meesters te aanvaarden, in de hoop dat ze daar voordeel uit zullen halen.

Uit het simpele feit dat God boven elke politieke gemeenschap stond, volgde dat er evenveel goden waren als volkeren. Twee volkeren die elkaar niet kenden en bijna altijd vijanden waren, konden niet lang dezelfde heer erkennen; twee legers die elkaar bestreden, konden niet dezelfde leider gehoorzamen. Nationale verdeeldheid leidde dus tot polytheïsme, en dit weer gaf aanleiding tot theologische en burgerlijke onverdraagzaamheid, die, zoals we zullen zien, in wezen hetzelfde zijn.

De neiging van de Grieken om hun goden onder de barbaren te herontdekken, kwam voort uit de manier waarop zij zichzelf beschouwden als de natuurlijke heersers over zulke volkeren. Maar er is niets zo absurd als de huidige geleerdheid die de goden van de verschillende volkeren met elkaar gelijkstelt en door elkaar haalt. Alsof Moloch, Saturnus en Chronos dezelfde god zouden kunnen zijn! Alsof de Fenicische Baäl, de Griekse Zeus en de Latijnse Jupiter dezelfde kunnen zijn! Alsof er iets gemeenschappelijks zou kunnen zijn tussen denkbeeldige wezens met verschillende namen!

Als men vraagt hoe het kon dat er in het heidendom, waar elke staat zijn eigen godsdienst en goden had, geen godsdienstoorlogen waren, dan antwoord ik dat dit juist kwam doordat elke staat, die zowel zijn eigen godsdienst als zijn eigen regering had, geen onderscheid maakte tussen zijn goden en zijn wetten. De politieke oorlog was ook theologisch: de grenzen van de goden werden, om zo te zeggen, bepaald door de grenzen van de naties. De god van een volk had geen enkel recht over andere volkeren. De goden van de heidenen waren geen jaloerse goden; zij verdeelden onderling de heerschappij over de wereld. Zelfs Mozes en het Hebreeuwse volk sloten zich soms bij dit idee aan wanneer zij spraken over de God van Israël. Zij beschouwden weliswaar de goden van de Kanaänieten – verbannen volkeren, voor vernietiging bestemd, en wier plaats zij moesten innemen – als nietig; maar zie hoe zij spraken over de goden van de naburige volkeren die zij niet mochten aanvallen! “Het bezit van wat toebehoort aan Chamos uw God,” zei Jefta tegen de Ammonieten, “komt u dat wettig toe? Wij bezitten onder dezelfde titel de landen, welke onze God, de overwinnaar, zich verworven heeft.” [Nonne ea quoe possidet Chamos Deus tuus tibi jure debentur? Zo luidt de tekst van de Vulgaat. Père de Carrieres heeft dit vertaald met: “Gelooft u niet dat u het recht hebt om te bezitten wat aan Chamos, uw God, toebehoort!” Ik weet niet wat de betekenis van de Hebreeuwse tekst is, maar ik zie dat Jefta in de Vulgaat het recht van de god Chamos nadrukkelijk erkent, en dat de Franse vertaler deze erkenning afzwakt met een “volgens u”, dat niet in het Latijn voorkomt.] Dat was, zo lijkt het mij, een algemeen erkende gelijkwaardigheid tussen de rechten van Chamos en die van de God van Israël.

Maar toen de Joden, onderworpen aan de koningen van Babylon en later aan de koningen van Syrië, hardnekkig weigerden een andere God dan de hunne te erkennen, bracht deze weigering, die werd beschouwd als een opstand tegen de overwinnaar, hun de vervolgingen die we in hun geschiedenis lezen, en waarvan men vóór het christendom geen enkel ander voorbeeld ziet. [Het is overduidelijk dat de oorlog van de Feniciërs, de zogenaamde “Heilige Oorlog”, geen godsdienstoorlog was. Het doel was het bestraffen van heiligschennis, niet de overheersing van de ongelovigen.]

Aangezien elke godsdienst dus uitsluitend gebonden was aan de voorgeschreven wetten van de staat, was er geen andere manier om een volk te bekeren dan het te onderwerpen, noch waren er andere missionarissen dan de veroveraars; en aangezien de verplichting om van godsdienst te veranderen de wet was waaraan de overwonnenen zich moesten onderwerpen, was het noodzakelijk om eerst de overwinning te behalen alvorens een dergelijke verandering voor te stellenµ. Verre van dat mensen voor de goden vochten, waren het, net als bij Homerus, de goden die voor de mensen vochten; ieder smeekte zijn eigen god om de overwinning en betaalde die met nieuwe altaren. Voordat de Romeinen een lokaliteit innamen, sommeerden zij de goden ervan die plaats te verlaten, en wanneer zij de Tarentijnen hun vertoornde goden lieten behouden, was dat omdat zij deze goden toen beschouwden als onderworpen aan de hunne en gedwongen hadden om hun eer te bewijzen. Zij lieten de goden aan de overwonnenen, net zoals hun wetten. Een krans voor Jupiter op het Capitool was vaak het enige eerbetoon dat zij oplegden.

Toen de Romeinen ten slotte, samen met hun rijk, hun godsdienst en hun goden hadden verspreid en zelf vaak de goden van de overwonnen volkeren hadden overgenomen – door beide groepen dezelfde burgerrechten te verlenen – merkten de volkeren van dat uitgestrekte rijk ongemerkt dat ze te maken hadden met een veelheid aan goden en godsdiensten, die bijna overal hetzelfde waren; en zo werd het heidendom in de hele bekende wereld uiteindelijk één en dezelfde godsdienst.

Het was onder deze omstandigheden dat Jezus kwam, om op aarde een geestelijk koninkrijk te stichten, dat – door het theologische van het politieke systeem te scheiden – ervoor zorgde dat de staat niet langer één geheel vormde, en zo de interne verdeeldheid teweegbracht die de christelijke volkeren sindsdien voortdurend in verwarring heeft gebracht. Maar aangezien het nieuwe idee van een koninkrijk in het hiernamaals bij de heidenen nooit zou zijn opgekomen, beschouwden zij de christenen altijd als echte rebellen, die, terwijl zij deden alsof zij zich onderwierpen, alleen maar wachtten op de kans om zich onafhankelijk te maken en hun meesters te worden, en om door list het gezag te usurperen dat zij in hun zwakheid schijnbaar respecteerden. Dit was de oorzaak van de vervolgingen.

Wat de heidenen hadden gevreesd, is gebeurd: toen veranderde alles van aard, de nederige christenen veranderden van toon, en al snel zag men hoe dit zogenaamde koninkrijk van de andere wereld onder een zichtbare leider uitgroeide tot de meest gewelddadige despotie in deze wereld.

Aangezien er echter altijd al een vorst en burgerlijke wetten zijn geweest, heeft deze dubbele macht en dit bevoegdheidsconflict elk goed staatsbestel in christelijke staten onmogelijk gemaakt; en men is er nooit in geslaagd uit te zoeken of men verplicht was de vorst of de priester te gehoorzamen.

Verschillende volkeren, in Europa of omgeving, wilden echter het oude systeem behouden of herstellen, maar zonder succes; de geest van het christendom heeft alles gewonnen. De heilige eredienst is altijd onafhankelijk van de vorst gebleven of weer onafhankelijk geworden, en zonder een noodzakelijke band met het staatsbestel. Mohammed had zeer gezonde opvattingen; hij bracht zijn politieke systeem goed tot stand, en zolang de regeringsvorm onder zijn opvolgers, de kaliefen, standhield, was die regering in dat opzicht volkomen eendrachtig en goed. Maar de Arabieren, die welvarend, geletterd, beschaafd, lui en laf waren geworden, werden door barbaren overwonnen: de scheiding tussen de twee krachten begon opnieuw; en hoewel deze bij de mohammedanen minder duidelijk zichtbaar is dan bij de christenen, bestaat ze niettemin, vooral binnen de sekte van Ali, en er zijn staten, zoals Perzië, waar men dit voortdurend voelt.

Bij ons hebben de koningen van Engeland zichzelf tot hoofden van de Kerk uitgeroepen, en de tsaren hebben hetzelfde gedaan; maar deze titel heeft hen niet zozeer tot meesters als wel tot dienaren gemaakt; zij hebben niet zozeer het recht verworven om de Kerk te veranderen, als wel de macht om haar in stand te houden: zij zijn niet haar wetgevers, maar slechts haar vorsten. Overal waar de geestelijkheid een rechtspersoon is, is zij meester en wetgever in het eigen land. [Er moet wel worden opgemerkt dat het niet langer de formele samenkomsten zijn, zoals in Frankrijk, die de geestelijkheid tot één geheel verbinden, maar de gemeenschap tussen de Kerken. De communie en de excommunicatie zijn het sociaal pact van de geestelijkheid, een pact waarmee zij altijd zal heersen over volkeren en koningen. Alle priesters die samen de communie vieren, zijn medeburgers, ook al bevinden zij zich aan een uiteinde van de wereld. Deze vondst is een meesterwerk op politiek gebied. Bij de heidense priesters bestond er niets dergelijks; daarom zijn zij ook nooit een clerus geworden.] Er zijn dus twee machten, twee soevereinen, in Engeland en in Rusland, evenals elders.

Van alle christelijke schrijvers is de filosoof Hobbes de enige die het kwaad en de remedie daartegen goed heeft ingezien, die het heeft aangedurfd voor te stellen de twee koppen van de adelaar te verenigen en alles terug te brengen tot politieke eenheid, zonder welke de staat noch de regering ooit goed zal zijn geregeld. Maar hij had moeten inzien dat de verheven geest van het christendom onverenigbaar is met zijn systeem, en dat het belang van de geestelijkheid altijd zwaarder zou wegen dan dat van de staat. Het is niet zozeer wat er onjuist en afschuwelijk is aan zijn politieke theorie, als wel wat er rechtvaardig en waar is, dat de haat erop heeft uitgelokt. [Zie onder andere in een brief van Grotius aan zijn broer, van 11 april 1643, wat deze geleerde goedkeurt en wat hij afkeurt in het boek Cive. Het is waar dat hij, geneigd tot toegeeflijkheid, de auteur het goede lijkt te vergeven ten gunste van het kwade; maar niet iedereen is zo mild.]

Ik geloof dat men, door de historische feiten vanuit dit oogpunt te belichten, gemakkelijk de tegengestelde opvattingen van Bayle en Warburton kan weerleggen, waar de ene beweert dat geen enkele godsdienst nuttig is voor het staatsbestel, en de andere volhoudt dat het christendom de stevigste steunpilaar ervan is. Aan de eerste zou men kunnen tonen dat er nooit een staat is gesticht zonder dat de godsdienst als basis diende, en aan de tweede dat de christelijke wet in wezen schadelijker is dan nuttig voor een sterke staatsinrichting. Om mijn standpunt volledig duidelijk te maken hoef ik alleen maar de vage begrippen van godsdienst met betrekking tot mijn onderwerp nauwkeuriger te omschrijven.

De religie, beschouwd in relatie tot de maatschappij – die al dan niet algemeen of bijzonder is – kan ook in twee soorten worden onderverdeeld, namelijk de religie van de mens en die van de burger. De eerste, die noch tempels, noch altaren, noch rituelen kent en zich beperkt tot de louter innerlijke verering van de allerhoogste god en de eeuwige plichten van de moraal, is de religie van het Evangelie in haar puurste vorm, het ware theïsme, wat men het natuurlijke goddelijke recht of de goddelijke wet zou kunnen noemen. De andere, in een land verankerd, geeft dat land zijn eigen goden, zijn eigen beschermheiligen; zij heeft haar dogma’s, haar rituelen, haar door wetten voorgeschreven uiterlijke eredienst; behalve de natie die deze religie aanhangt, beschouwt zij de hele wereld als ongelovig, vreemd en barbaars; de plichten en rechten van de mens reiken voor haar slechts tot aan haar eigen altaren. Van deze aard waren alle religies van de vroege volkeren, die wij kunnen omschrijven als burgerlijk of goddelijk recht of wet.

Er bestaat nog een derde, nog vreemdere vorm van religie, die de mensen twee wetgevingen, twee leiders en twee vaderlanden oplegt, waardoor zij tegenstrijdige plichten moeten vervullen en niet tegelijkertijd gelovigen en burgers kunnen zijn. Dat is de religie van de lama’s, dat is die van de Japanners, dat is het rooms-katholicisme. Men zou deze laatste de religie van de priester kunnen noemen. Hieruit vloeit een soort gemengd en onverenigbaar recht voort, dat geen naam heeft.

Als we deze drie religies vanuit politiek oogpunt bekijken, hebben ze allemaal hun gebreken. De derde is zo overduidelijk slecht dat het tijdverspilling is om dat aan te tonen. Alles wat de maatschappelijke eenheid verstoort, is niets waard; alle instellingen die de mens in tegenspraak met zichzelf brengen, zijn niets waard.

De tweede is goed omdat zij de goddelijke eredienst en de liefde voor de wetten verenigt, omdat zij, door het vaderland tot voorwerp van verering van de burgers te maken, hen leert dat het dienen van de staat neerkomt op het dienen van de beschermgod. Het is een soort theocratie waarin men geen andere hogepriester mag hebben dan de vorst, noch andere priesters dan de overheidspersonen. Dan is sterven voor het vaderland hetzelfde als het martelaarschap, het overtreden van de wetten is goddeloosheid, en een schuldige aan de publieke verachting onderwerpen is hem overleveren aan de toorn van de goden; sacer estod! [= het straffeloos doden].

Maar zij is slecht omdat zij, gebasseerd op dwaling en leugens, de mensen misleidt, hen lichtgelovig en bijgelovig maakt, en de ware verering van de godheid doet verdrinken in een zinloze ceremonie. Zij is ook slecht wanneer zij, door exclusief en tiranniek te worden, een volk bloeddorstig en onverdraagzaam maakt; zodat het alleen nog maar moord en bloed ademt, en meent een heilige daad te verrichten door iedereen te doden die zijn goden niet aanvaardt. Dit brengt een dergelijk volk in een natuurlijke staat van oorlog met alle andere volkeren, wat zeer schadelijk is voor zijn eigen veiligheid.

Wat dan overblijft is de religie van de mens, oftewel het christendom, niet dat van vandaag, maar dat van het Evangelie, dat er volkomen anders uitziet. Door deze heilige, verheven en ware religie erkennen de mensen, kinderen van dezelfde God, elkaar allemaal als broeders, en de gemeenschap die hen verenigt valt zelfs bij de dood niet uiteen.

Maar aangezien deze godsdienst geen bijzondere band heeft met het staatsbestel, laat zij de wetten op zich hun kracht behouden er andere aan toe te voegen, en zo faalt een van de grote banden die de gemeenschap als geheel bijeenhouden. Sterker: in plaats van de harten van de burgers aan de staat te binden, maakt zij hen er juist van los, net als van alle aardse zaken; ik ken niets dat meer in strijd is met het maatschappelijk denken.

Men zegt ons dat een volk van ware christenen de meest volmaakte gemeenschap zou vormen die men zich kan voorstellen. Ik zie in deze veronderstelling één grote moeilijkheid: dat een samenleving van ware christenen geen gemeenschap van mensen zou zijn.

Ik zeg zelfs dat deze veronderstelde gemeenschap, bij al haar volmaaktheid, noch de sterkste, noch de meest duurzame zou zijn: juist omdat zij zo volmaakt is, zou zij samenhang missen; haar vernietigende tekortkoming zou juist in haar volmaaktheid liggen.

Ieder zou zijn plicht vervullen; het volk zou zich aan de wetten onderwerpen, de leiders zouden rechtvaardig en gematigd zijn, de overheid integer en onomkoopbaar, de soldaten zouden de dood verachten, er zou geen ijdelheid of luxe zijn; dat is allemaal heel mooi, maar laten we verder kijken.

Het christendom is als religie volledig spiritueel en houdt zich uitsluitend bezig met hemelse zaken; het vaderland van de christen ligt niet in deze wereld. Hij vervult weliswaar zijn plicht, maar doet dat met een diepe onverschilligheid ten aanzien van het wel- of mislukken van zijn inspanningen. Zolang hij zichzelf niets te verwijten heeft, maakt het hem weinig uit of het hier op aarde goed of slecht gaat. Als de staat welvarend is, durft hij nauwelijks te delen in het algemene geluk, uit angst dat hij trots zou worden op de glorie van zijn land; als de staat wegkwijnt, prijst hij de hand van God die hard optreedt tegen zijn volk.

Om de gemeenschap vredig te houden en de harmonie te bewaren, zouden alle burgers zonder uitzondering even goede christenen moeten zijn; maar als er helaas ook maar één ambitieus persoon is, één huichelaar, bijvoorbeeld een Catilina of een Cromwell, dan zal die zeker korte metten maken met zijn vrome landgenoten. De christelijke naastenliefde staat niet gemakkelijk toe dat men kwaad denkt van zijn naaste. Zodra hij door enige list de kunst heeft gevonden om indruk op hen te maken en een deel van het openbaar gezag in handen te krijgen, heeft die man een waardigheid bekomen; God wil dat men hem respecteert; en snel is daar dan een macht. God wil dat men hem gehoorzaamt. Maakt de drager van deze macht er misbruik van? Dat is de roede waarmee God zijn kinderen straft. Men zou zich geroepen voelen de usurpator te verdrijven; men zou de openbare rust moeten verstoren, geweld moeten gebruiken, bloed moeten vergieten; dit alles strookt slecht met de zachtmoedigheid van de christen; en wat maakt het uiteindelijk uit of men vrij is of slaaf in dit dal van ellende? Het wezenlijke is het paradijs te bereiken, en berusting is een extra middel daartoe.

Breekt er een buitenlandse oorlog uit? De burgers trekken moeiteloos ten strijde, niemand denkt eraan te vluchten; zij doen hun plicht, maar zonder drang naar de overwinning; zij verkiezen te sterven boven te overwinnen. Of zij nu overwinnaars of verslagenen zijn, wat maakt het uit? Weet de voorzienigheid niet beter dan zij, wat ze nodig hebben? Stel je eens voor welk voordeel een trotse, onstuimige, hartstochtelijke vijand uit hun stoïcisme kan halen! Zet daar tegenover die edelmoedige volkeren die verteerd werden door een vurige liefde voor roem en voor hun vaderland; stel je voor dat jouw christelijke republiek oog in oog komt te staan met Sparta of Rome: de vrome christenen zullen worden verslagen, verpletterd en vernietigd, voordat ze doorhebben wat er gebeurt, of zullen hun veiligheid uitsluitend te danken hebben aan de minachting die hun vijand voor hen zal koesteren. Het was naar mijn mening een prachtige eed die de soldaten van Fabius aflegden, die zwoeren niet te veroveren of te sterven, maar zegevierend terug te keren – en hun eed nakwamen. Christenen zouden nooit zo’n eed hebben afgelegd; zij zouden het hebben beschouwd als het tarten van God.

Maar ik heb ongelijk als ik het over een christelijke republiek heb; die twee begrippen sluiten elkaar uit. Het christendom predikt alleen maar onderdanigheid en afhankelijkheid. Zijn geest staat zo welwillend tegenover tirannie dat het altijd profiteert van een dergelijk regime. Ware christenen zijn voorbestemd om slaven te zijn, en dat weten ze, en het kan hen niet veel schelen: dit korte leven telt in hun ogen niet veel.

Christelijke troepen zijn uitstekend, zo wordt ons verteld. Dat ontken ik. Laat men mij zulke troepen maar zien! Wat mij betreft, ik ken geen christelijke troepen. Men zal mij de kruistochten aanhalen. Zonder te twisten over de dapperheid van de kruisvaarders, merk ik op dat zij verre van christenen waren, maar soldaten van de priester, burgers van de Kerk; zij vochten voor haar geestelijk rijk, dat zij op onbekende wijze tot een wereldlijk rijk had gemaakt. Goed beschouwd valt dit onder het heidendom; aangezien het evangelie geen nationale godsdienst oplegt, is een heilige oorlog onder christenen onmogelijk.

Onder de heidense keizers waren de christelijke soldaten dapper; elke christelijke schrijver bevestigt dit, en ik geloof het: het was een kwestie van eervolle wedijver met de heidense troepen. Zodra de keizers christelijk werden, verdween deze wedijver, en toen het kruis de adelaar had verdrongen, verdween de Romeinse moed volledig.

Maar laten we de politieke overwegingen even buiten beschouwing en terugkeren naar het recht en de beginselen op dit belangrijke punt. Het recht dat het maatschappelijk contract de soeverein ten opzichte van zijn onderdanen verleent, reikt, zoals ik al zei, niet verder dan de grenzen van het algemeen belang. [In de republiek, zegt de markies van Argenson, is iedereen volkomen vrij in dat wat anderen geen schade berokkent. Dat is de onveranderlijke grens; men kan deze niet nauwkeuriger vaststellen. Ik heb het genoegen niet kunnen weerstaan om dit manuscript, hoewel het niet bij het publiek bekend is, af en toe te citeren, ter ere van de nagedachtenis van een illustere en respectabele man, die zelfs tijdens zijn ambtsperiode het hart van een ware burger had behouden en oprechte en gezonde opvattingen had over het bestuur van zijn land.] De onderdanen zijn de vorst dus alleen verantwoording verschuldigd voor hun opvattingen voor zover deze van belang zijn voor de gemeenschap. Welnu, het is voor de gemeenschap van groot belang dat elke burger een godsdienst heeft. Dat zorgt ervoor dat hij zijn plicht graag vervult; maar de dogma’s van die godsdienst hebben slechts in zoverre betrekking op de staat en zijn leden, voor zover zij verband houden met de moraal en met de plichten die degene die zich daartoe bekent, jegens anderen moet nakomen. Bovendien mag iedereen denken zoals hij wil, zonder dat het de soeverein toekomt daarvan op de hoogte te zijn. Want aangezien de vorst geen gezag heeft in het hiernamaals, is dat niet zijn zaak – wat het lot van zijn onderdanen in het hiernamaals ook moge zijn, mits zij in dit leven goede burgers zijn.

Er bestaat dus een burgerlijke gelofte waarvan het aan de vorst toekomt de artikelen vast te stellen, niet als religieuze dogma’s, maar als maatschappelijke overtuigingen zonder welke een mens geen goede burger of trouwe onderdaan kan zijn. [Caesar, die voor Catilina pleitte, trachtte het dogma van de sterfelijkheid van de ziel vast te stellen; Cato en Cicero hielden zich, om dit te weerleggen, niet bezig met filosofie: zij beperkten zich ertoe aan te tonen dat Caesar sprak als een slechte burger en een voor de staat schadelijke leer verkondigde. Dit was immers waarover de senaat van Rome moest oordelen, en niet over een theologische kwestie.] Zonder iemand te kunnen verplichten dat te geloven, kan hij iedereen die ze niet gelooft uit de staat verbannen; hij kan hem verbannen, niet als goddeloos, maar als onmaatschappelijk, als iemand die niet in staat is de wetten en de gerechtigheid oprecht te koesteren en indien nodig zijn leven op te offeren voor zijn plicht. Mocht iemand, na deze dogma’s openbaar te hebben erkend, zich gedragen alsof hij er niet in gelooft, dan moet hij ter dood worden veroordeeld; hij heeft de grootste misdaad begaan, hij heeft voor de wetten gelogen.

De dogma’s van de burgerlijke godsdienst moeten eenvoudig zijn, in aantal beperkt, nauwkeurig geformuleerd, zonder uitleg of commentaar. Het bestaan van de almachtige, intelligente, welwillende, vooruitziende en voorzienige Godheid, het hiernamaals, het geluk van de rechtvaardigen, de bestraffing van de goddelozen, de heiligheid van het maatschappelijk contract en van de wetten; dat zijn de positieve dogma’s. Wat de negatieve dogma’s betreft, beperk ik mij tot één: dat is onverdraagzaamheid; deze komt voor in de godsdiensten die wij hebben uitgesloten.

Degenen die een onderscheid maken tussen burgerlijke intolerantie en theologische intolerantie, vergissen zich naar mijn mening. Deze twee vormen van intolerantie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het is onmogelijk om in vrede te leven met mensen die men als verdoemd beschouwt; van hen houden zou neerkomen op het haten van God, die hen straft; men moet hen absoluut tot inkeer brengen of hen kwellen. Overal waar theologische onverdraagzaamheid wordt aanvaard, is het onmogelijk dat dit geen enkel burgerlijk effect heeft. [Het huwelijk bijvoorbeeld, dat een burgerlijk contract is, heeft burgerlijke gevolgen, zonder welke het zelfs onmogelijk is dat de samenleving blijft bestaan. Stel dus dat een geestelijkheid erin slaagt zich het recht toe te eigenen om deze handeling in haar eentje te verrichten; een recht dat zij in elke intolerante religie noodzakelijkerwijs moet usurperen. Is het dan niet duidelijk dat zij, door op het juiste moment het gezag van de Kerk te doen gelden, dat van de vorst teniet zal doen, die dan alleen nog onderdanen zal hebben die de geestelijkheid hem wil geven? Als hij de macht heeft om mensen al dan niet te laten trouwen, afhankelijk van het al dan niet aanhangen van deze of gene leer, afhankelijk van het al dan niet aanvaarden of verwerpen van deze of gene belijdenis, afhankelijk van de mate waarin zij hem toegewijd zijn, en hij zich daarbij voorzichtig gedraagt en standvastig blijft, is het dan niet duidelijk dat hij als enige zal beschikken over de erfenissen, de ambten, de burger, en zelfs de staat zelf, die niet zou kunnen voortbestaan als hij alleen nog maar uit bastaarden bestond. Maar, zo zal men zeggen, men zal het als misbruik aanmerken, men zal het uitstellen, decreten uitvaardigen, het wereldlijke in beslag nemen. Wat jammer! De geestelijkheid zal, voor zover zij, ik zeg niet moed, maar gezond verstand bezit, het op zijn beloop laten en haar gang gaan; zij zal rustig toestaan dat er beroep wordt aangetekend, dat zaken worden uitgesteld, dat besluiten worden genomen en dat bezit in beslag wordt genomen, en zal uiteindelijk de baas blijven. Het is, zo lijkt mij, geen groot offer om een deel op te geven, wanneer men er zeker van is het geheel in handen te krijgen.] En zodra zij dat in handen heeft, is de vorst geen vorst meer, zelfs niet in wereldlijke zaken; vanaf dat moment zijn de priesters de ware meesters, en zijn de koningen hun functionarissen.

Nu er geen exclusieve nationale godsdienst meer bestaat en ook niet meer kan bestaan, dient er tolerantie te worden betoond aan alle godsdiensten die anderen tolereren, mits hun leerstellingen niets bevatten dat in strijd is met de plichten van het burgerschap. Maar wie het aandurft te zeggen: “Buiten de Kerk is er geen verlossing”, zou uit de staat moeten worden verdreven, tenzij de staat de Kerk is en de vorst de paus. Een dergelijk dogma is alleen aanvaardbaar in een theocratisch bestuur; in elk ander bestel is het fataal. De reden waarom Hendrik IV naar verluidt de rooms-katholieke godsdienst zou hebben omarmd, zou elke eerlijke mens ertoe moeten brengen deze te verlaten, en nog meer elke vorst die weet hoe hij moet redeneren.

9. Conclusie

Nu ik de ware beginselen van het politieke recht heb uiteengezet en heb getracht de staat een fundament te geven, zou ik hem moeten versterken door middel van zijn externe relaties, waaronder het volkenrecht, de handel, het recht op oorlog en verovering, het publiekrecht, bondgenootschappen, onderhandelingen, verdragen, enz. Maar dit alles is een nieuw onderwerp en veel te omvangrijk voor mijn beperkte opzet. Ik had me veel meer moeten beperken tot een kleiner gebied.