Jelle Haemers, Bart De Wilde,
Hendrik Callewier, Jan Dumolyn, Tjen Mampaey

België. Een geschiedenis van onderuit


Bron: België. Een geschiedenis van onderuit, uitgeverij EPO (www.epo.be)
Copyright: onder auteursrecht
Deze versie: enkel de hoofdstukken, 4. ‘We sterven liever door lood dan van honger’ en 7. ‘In de hoogste nood is het geloof het meest levendig’
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !

Qr-MIA

       


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


Verwant
1302 herbekeken
De Eeuw van de Rede
Armoede en kapitalisme in pre-industrieel Europa
Neoliberale globalisering en armoede

4. ‘We sterven liever door lood dan van honger’

De strijd voor sociale en politieke erkenning

Jelle Haemers en Bart De Wilde

Deed de kleine man aan politiek? Wat waren de politieke verzuchtingen van de kleine vrouw? Wat wou de middeleeuwse opstandeling met zijn actie bereiken? Wat dreef de negentiende-eeuwse textielarbeider om op de barricades te staan? Hebben de figuren uit de films van de gebroeders Dardenne überhaupt politieke ideeën? De documenten in dit hoofdstuk tonen aan van wel. Groepen die in het verleden de ‘passieve’ onderdaan speelden, hadden wel degelijk een eigen visie op de bestuursdaden van schepenen, ministers en politici. Noodgedwongen laten we voornamelijk de anonieme massa aan het woord. De denkbeelden van enkelingen waren vaak geïnspireerd door de heersende ideeën van hun groep of sociale klasse – wiens ideeën zijn dat niet? Het was voor groepen veiliger dan voor een enkeling om de orde te verstoren en klaagschriften of pamfletten te verspreiden. Bijgevolg trad en treedt de kleine man vaak in groep op. Toch laten we ook enkele individuen aan het woord: nobele onbekenden, maar vertegenwoordigers van een ruim publiek.

Soms zijn er namelijk bronnen van de kleine man bewaard, en dat heeft dan vaak een specifieke reden. Ofwel werd hun eis naar politieke vertegenwoordiging gehoord, en hielden generatiegenoten en nazaten de herinnering aan deze heroïsche episode schriftelijk (en mondeling) levendig. Ofwel noteerden klerken getuigenissen van personen in juridische documenten, en krijgt de historicus op die manier een unieke inkijk in het doen en laten van de gewone man. Voor de historicus die een onderzoek plant naar de politieke ideeën van machteloze mensen is het in elk geval opvallend dat zij voornamelijk in de context van opstanden, stakingen, en collectieve acties opduiken. Ook dat maakt hun geschiedenis ‘donker’ en gewelddadig, hoewel de personen die deelnemen aan dergelijke acties vaak minder agressief waren dan op het eerste gezicht uit hun daden blijkt. Mensen worden soms tot wanhoop gedreven, of beseffen dat machthebbers hen enkel horen als ze doen wat ze zelden durven. Door middel van luid geroep, of door gericht de orde te verstoren (op barricades staan of kasseien werpen), hopen deze figuren vooral dat hun stem wordt gehoord. In dit hoofdstuk beperken we het politieke verhaal van de kleine man niet tot dit geweld. We gaan op zoek naar de ideeën en omstandigheden die mensen tot dergelijke daden aanzetten, soms met gevaar voor zichzelf en hun omgeving. We luisteren dan ook bewust naar die enkele keren dat een groep of enkeling erin geslaagd is het woord te nemen, of, in de woorden van de Franse filosoof Michel de Certeau als het ware de Bastille te bestormen (‘En mai dernier’, schreef hij over de protestbewegingen van 1968, ‘on a pris la parole, comme on a pris la Bastille en 1789’).

Damme, 1280: ‘De klacht van Damme’

Het ingedommelde stadje Damme in de poldervlakte rond Brugge was ooit een bloeiende haven in de Zwinmonding. De middeleeuwse rijkdom van de stad en de macht van zijn bestuurders vallen makkelijk af te lezen aan de prachtige gotische architectuur van het stadhuis. Op het eerste gezicht lijkt dit prestigieuze gebouw een bastion van de rijke handelselite die de stad bestuurde, maar dit is slechts schijn. Het stadhuis staat namelijk symbool voor de uitzonderlijke positie die ambachten in Damme in de loop van de dertiende eeuw verworven hebben. Meer nog, de machtsstrijd in en om het Damse stadhuis heeft zowat de oudste sporen van een prise de la plume van de kleine man nagelaten.

In een document uit het jaar 1280 kaartte de ‘ghemeente’ van Damme een aantal bestuurlijke praktijken in de stad aan bij Robrecht van Béthune, graaf van Nevers, zoon van de graaf van Vlaanderen. De Damse handwerkers eisten van het stadsbestuur dat ze haar politieke macht zou verantwoorden en een scheefgelopen situatie zou rechtzetten. ‘De klacht van Damme’ is een belangrijke getuigenis van de lang vervlogen strijd om politieke erkenning van de ambachten in de Zuidelijke Nederlanden. Het is ook een van de opmerkelijkste documenten uit de geschiedenis van de kleine man in onze gewesten, opgesteld in de taal van de gewone man, het sappige Middelnederlands. Ongetwijfeld bleef het bewaard omdat Robrecht van Béthune verplicht werd de klachten van de ‘ghemeente’ ernstig te nemen.

De opstandige golf van de jaren 1280 luidde een periode van politieke inspraak van de ambachten in de stedelijke politiek in Vlaanderen in. Deze periode zou ruim drie eeuwen duren. Ze leverde de ambachten in Damme zelfs vertegenwoordigers in het stadsbestuur op, net zoals in Brugge, Gent, Ieper, Brussel en Leuven. Inspraak en medebestuur zetten deze groepen ertoe aan verregaand in de bouw van stenen symbolen van de stedelijke macht te investeren. De fraaie gotische stadhuizen van de genoemde steden getuigen nog steeds van die laatmiddeleeuwse ‘opkomst van het gemeen’. Zonder hun politieke en financiële inbreng zouden deze gebouwen allicht nooit gebouwd zijn.

Van de eerste politieke vertegenwoordiging in Vlaanderen bleven niet enkel stenen, maar ook geschreven sporen bewaard. De bevolkingsgroep die in Damme de pen nam om zich over zijn bestuurders te beklagen, noemde zichzelf de ‘ghemeente van den Damme’. Deze courante term duidde in de dertiende eeuw een groep met gemeenschappelijke belangen aan. De termen ‘(ghe)meente’ of ‘gemeen’ verwijzen niet zozeer naar een administratieve of geografische omschrijving zoals nu, maar naar de gemeenschap van inwoners van een dorp of stad. In middeleeuwse documenten refereert het begrip in engere zin doorgaans aan een groepering van personen die bijdragen aan de instandhouding van een gemeenschap, zoals belastingbetalers. Allicht in die betekenis moeten we het gebruik van dit begrip in ‘De klacht van Damme’ uit 1280 interpreteren.

Tot een revolutie, zoals in 1789 in Frankrijk, is het in Damme in 1280 niet gekomen. Het gemeen wenste allerminst de sociale of politieke orde omver te werpen. Het eiste respect voor haar rechten en de bestraffing van overtredingen door gezagsdragers die met het gemeenschapsgeld de stad hadden bestuurd.

De leefomstandigheden van de ‘armen die hun brood winnen met hun ledematen’, zoals het pamflet ze noemt, waren allerminst benijdenswaardig. De bevolking van Damme had zwaar te lijden onder hoge belastingen, die recent en zonder haar instemming verhoogd waren. De belasting op bier moest omlaag. Bier was de drank van het gewone volk, dat niet over proper water beschikte. De handwerkers lijken zich over uitbuiting te beklagen, want hun bestuurders hadden buiten hun wil om de belastingtarieven aangepast. Uit de vele berichten over stakingen en opstanden in de tweede helft van de dertiende eeuw leiden we af dat de werkomstandigheden voor handwerkers in de steden in de afgelopen decennia zwaarder geworden waren. Zoals in de negentiende eeuw hokten in de buitenwijken van de steden mogelijk verpauperde volksmassa’s samen. Ze waren gedwongen om tegen een hongerloon zware handenarbeid te leveren. Dat deze arbeiders zelf naar de pen hebben gegrepen, lijkt onwaarschijnlijk. Zoals in de periode van priester Daens hebben allicht bepaalde personen uit hogere echelons zich over hen ontfermd, al dan niet om de macht van gevestigde elites te breken. Het valt namelijk op dat niet enkel het gewone volk maar ook meer welgestelde lagen van de bevolking in het pamflet eisen formuleerden. Dat deden ze gezamenlijk, als woordvoerders van recent opgerichte vakverenigingen, de ambachten.

Om te weten wat die ambachten eisten, werpen we een blik op drie gewichtige klachten in het pamflet.

‘Van de ghemeente van Damme, aan de edele erfgenaam van Vlaanderen, de graaf van Nevers, die wij groeten en gedienstig zijn.

1. Heer, over de accijnzen die geheven worden op brood, wijn, bier en mede, vragen wij u het volgende. Deze accijnzen wegen zwaarder door in het budget van de handwerkers dan van de rijken. [...] Omdat de armen en de ‘ghemeente’ hierdoor zware schade hebben opgelopen, vragen wij u om, bij Gods wil, de belasting op bier te verminderen. En dat men in het vervolg deze accijnzen zowel door de ‘ghemeente’ als door de schepenen laat opstellen.

...
9. Wij verlangen voort dat de ambachtslieden deken en vinders zouden hebben die uit het eigen ambacht afkomstig zijn [...].
10.Voorts beklagen wij ons over de manier waarop het bestuur van de stad sinds lange tijd de middelen van de stad heeft beheerd. Daarom vragen wij u dat de ‘ghemeente’ voortaan meerdere vertegenwoordigers zou hebben als er beslissingen worden genomen over allerlei bestuurszaken, zoals het heffen van belastingen, het verlenen van charters of het overhevelen van gelden aan de graaf. U weet wel dat wij het meest belastingen betalen, maar we hebben geen benul waaraan dit geld gespendeerd werd.’
(Bron: Antoine De Smet, 1950)

Die laatste eis is meteen de belangrijkste. De ambachten in Damme verlangden politieke inspraak en vertegenwoordiging in het stadsbestuur. Onder het motto ‘geen belasting zonder inspraak’ wenste de ‘ghemeente’ betrokken te worden in het stedelijke besluitvormingsproces. Wie belastingen betaalt, heeft het recht te weten waar de opbrengst aan gespendeerd wordt en om te beslissen over de besteding ervan. Collectief dragen de kleine man en vrouw in de stad het meest bij tot de middelen waarover een stadsbestuur kan beschikken, sluit het klaagschrift droogjes af, maar zij weten amper waaraan dit geld besteed wordt.

Een democratie zoals we die nu kennen, eisten de Dammenaren niet. Enkel ambachten, dus de handwerkers die lid waren van de corporatie, verkregen op die manier een vorm van politieke inspraak. Allicht kunnen we daartoe ook de leiders van het verzet rekenen, de iets welgesteldere groeperingen die in naam van de handwerkers de pen voerden.

Gelijkaardige pogingen om aan de macht deel te nemen, ondernamen handwerkers en hun sympathisanten ook in andere steden. Met succes. Het tijdperk van politieke onmondigheid sneuvelde als het ware op het slagveld van 1302, toen de ambachtsmilities hun militaire en politieke macht te Kortrijk etaleerden. Deze veldslag luidde niet zozeer een periode van (vermeende) onafhankelijkheid van de Franse kroon in, zoals nog al te vaak gedacht wordt. Eerder verbreedde het de politieke participatie in de Vlaamse en Brabantse steden. Om hun macht niet definitief te verliezen, verkozen gevestigde families, weliswaar niet zonder slag of stoot, om de macht voortaan te delen. Deze ‘corporatieve’ periode in de middeleeuwse geschiedenis zou drie eeuwen duren. In ‘De klacht van Damme’ lezen we wat de kenmerken van de corporatieve periode inhouden. Essentieel was de aanzienlijke mate van onafhankelijkheid die corporatieve instellingen zoals ambachten dankzij privileges en allerlei voorrechten verwierven. Plechtige charters waarborgden onder andere lidmaatschapsrechten en zelfbestuur door de leden van de corporatie. Ambachtslieden mochten voortaan zelf hun bestuurders (‘de deken en vinders’) verkiezen, die op hun beurt vertegenwoordigers in het stadsbestuur kregen. Dergelijke rechten van inspraak werden een strijdpunt voor tal van gelijkaardige verenigingen, zoals de vakbonden en de politieke partijen van de negentiende eeuw.

Hoewel meer personen dan voorheen iets in de pap te brokken hadden, was er van een democratisch bestuur na 1300 geen sprake. In de ambachten monopoliseerden al snel gegoede families uit de belangrijkste economische sectoren de politieke macht. Na de democratiseringsgolf tussen 1280 en 1302 had een grote groep inwoners inspraak verworven, maar nog steeds wogen rijke en machtige personen zwaarder op het beleid dan de kleine man. Toch verkoos de handwerker een beleid dat gemaakt werd door zijn gegoede collega’s op de werkvloer boven één dat gestuurd werd door rijke kooplieden en machtige families in de stad. In meer dan één opstand hebben de handarbeiders het corporatieve bestuurssysteem van de steden in de Zuidelijke Nederlanden met hand en tand verdedigd.

Eiste het Damse pamflet geen democratie, het legde de stadsbestuurders wel een zekere gedragscode op, vergelijkbaar met de eed die politici vandaag afleggen bij het opnemen van een publiek mandaat. Misschien ligt daar wel de grootste verwezenlijking van de dertiende-eeuwse opstanden. Het gemeen van Damme verwachtte dat de schepenen de rechten en de wetten van hun stad zouden naleven. Het pamflet beschrijft een concreet voorbeeld. Burgemeester Willem van der Speye had een inwoner van Damme laten opsluiten buiten de stad. Omdat het Damse recht dit verbood, beschuldigde de ‘ghemeente’ de burgemeester van willekeurige justitie. Het pamflet eiste een passende straf en de terugtrekking van de burgemeester uit de politiek. Hij had niet alleen zijn eigen eed gebroken, maar tevens de stedelijke rechten verregaand overtreden.

‘Hieromme, so begheren wie, dat hie nemmermeer ne worde burgghemeister no scepene omdat hie daer dede jeghe sinen eede ende jeghe trechte ende jeghe die vrihede van der port.’

(Wij verlangen dat hij nooit meer burgemeester noch schepen zou worden omdat hij zijn beloftes niet is nagekomen en het recht en de privileges van de stad heeft overtreden.)

De inwoners van Damme wensten dat hun bestuurders voortaan rekenschap zouden afleggen van hun beleid en hun verantwoordelijkheid zouden opnemen. Bestuurders van steden moesten het recht van de stad en de wetten die ze zelf afkondigden, naleven. Ze hadden een voorbeeldfunctie en een zekere vorm van openbaarheid van bestuur na te streven.

Het is ook geen toeval dat de oudste stadsrekeningen in vele Vlaamse steden uit deze periode stammen. De ‘ghemeente’ eiste in Damme, net als in andere steden, om voortaan controle uit te oefenen op de besteding van de publieke gelden. Stadsrekeningen werden een toetssteen voor de verworven inspraak en controle van inwoners op hun bestuurders, en dat is vandaag nog altijd het geval. Groepen die voordien van de macht waren uitgesloten, zouden vanaf nu de (bestuurs)daden van schepenen afrekenen aan de hand van hun afgelegde eed. Eedbreuk en overtreding van de stedelijke wetgeving werden een reden om het ontslag van schepenen te eisen, maar evengoed om in opstand te komen, desnoods met geweld, tegen bestuurders die het niet al te nauw namen met het beheer van de publieke middelen.

Gent, 1477 – 1539: Jan De Rouc neemt de pen

‘De klacht van Damme’ was de eisenbundel van een groep. Maar ook de individuele kleine man kwam voor zijn rechten op. Jan De Rouc, een voor het overige onbekende tijkwever uit Gent, liet ons een uitzonderlijk relaas na. (Tijkwevers vervaardigden stoffen voor matrassen.) In een soort dagboekfragment beschrijft Jan De Rouc hoe de Gentse ambachten in februari 1477 op de Vrijdagmarkt verzamelden om het beleid aan te klagen van Karel de Stoute.

De hertog van Bourgondië en graaf van Vlaanderen wilde zijn rijk met nog meer gebieden en titels uitbreiden. Om zijn leger meer slagkracht te geven, had hij onder andere hoge belastingen geheven. Tevergeefs, in januari 1477 kwam hij om te Nancy in een poging Lotharingen te veroveren. Zijn achttienjarige dochter Maria van Bourgondië nam het roer over, maar de Nederlanden waren stuurloos. Van het tijdelijke machtsvacuüm dat de dood van Karel de Stoute aan het Bourgondische hof in Vlaanderen veroorzaakte, maakten zijn tegenstanders in zowat alle steden gebruik om een aantal verloren rechten opnieuw op te eisen. Jan De Rouc was één van hen.

De ambachten hadden sinds de veertiende eeuw een reeks rechten en privileges verworven. Ze hadden de ambachtsmeester toenemende welvaart bezorgd. Het monopolie op de productie van sommige goederen, zoals laken, goudsmeedwerk of allerlei luxeproducten, beschermde hen tegen – in hun ogen – oneerlijke concurrentie. Veel ambachten hadden een klein atelier waar ze, al dan niet met personeel en gezellen, hun producten vervaardigden. Hun producten verkochten ze op de markt of rechtstreeks aan een rijke koopman uit de Gentse elite of het buitenland. Maar medestanders van Karel de Stoute hadden hun privileges flink uitgehold. Bovendien had het Gentse stadsbestuur hun zelfbestuur beknot. Geen wonder dus dat de ambachten bereid waren die voorrechten heftig te verdedigen.

Samen met vele kompanen eiste Jan De Rouc op 15 februari 1477 in een rumoerige samenkomst op de Vrijdagmarkt deze rechten terug. Sommigen riepen om vergelding, anderen om ‘justicie’. De opstandelingen wilden de verantwoordelijken voor de overtreding van hun rechten aan de bevoegde gerechtsinstanties uitleveren. Uiteindelijk eindigden verschillende bewindvoerders, onder wie de voormalige kanselier, zeg maar de ‘premier’ van het Bourgondische staatsapparaat, na een kort proces op het schavot.

De ambachtslieden wensten om als het ware terug te keren naar het jaar 1419, zoals Jan De Rouc verhaalt. Toen trad Filips de Goede, de vader van Karel de Stoute, als graaf van Vlaanderen aan. Hij bevestigde de ambachten in al hun rechten. Dat waren gouden tijden.

Met een verpauperde massa, zoals in het dertiende-eeuwse Damme, hebben we ditmaal niet te maken. De opstandelingen van 1477 behoorden eerder tot de middengroepen van de samenleving, die het beter hadden dan de handwerkers uit de dertiende eeuw.

Om te weten wat er in 1477 exact gebeurde, volgen we het verhaal van Jan De Rouc zelf.

Dit fragment vond de zoon van Jan De Rouc, die ook Jan heette, terug in een geschrift van zijn vader na diens overlijden.

‘In het jaar 1477 legde Maria van Bourgondië te Gent de eed af als gravin van Vlaanderen. Ze gaf de stad Gent alle privileges terug die haar grootvader, Filips van Bourgondië op 20 september 1419, bezworen had. De schepenen en bewindvoerders hadden dit echter graag belet. Maar vooraleer Maria de eed aflegde, verzamelden de tijkwevers en andere ambachten in hun ambachtshuis, omdat de stedelijke bewindvoerders nog steeds tegenwerkten. Ze gaven tot zes of zeven maal valse documenten aan de weledele vrouw Maria. Maar de schepenen slaagden niet in hun opzet, want Maria werd snel gewaar dat hun beweringen kwaadaardig waren.’
(Bron: Haemers, 2010)

Een deel van de Gentse elite had duidelijk graag verhinderd dat de ambachten opnieuw van hun oude privileges en rechten konden genieten. Maar Maria van Bourgondië kon geen kant meer op. Kort na de bezetting van de Vrijdagmarkt gaf ze de Gentse ambachten hun privileges terug. Een aantal van haar medestanders stierven op het schavot.

De tegenwind waarmee de ambachten in 1477 moesten afrekenen, zou de daaropvolgende decennia in kracht toenemen. In de opstand van 1539 tegen keizer Karel V, de achterkleinzoon van Maria van Bourgondië, koos een deel van de Gentse elite duidelijk partij voor de keizer. Op die manier wilde ze de politieke macht van de ambachten fnuiken. Karel V kon echter relatief makkelijk de opstand in de kiem smoren en het Gentse verzet symbolisch de strop omdoen. De ambachten verloren opnieuw hun corporatieve rechten. Na de onderdrukking van een nieuwe opstand op het einde van de zestiende eeuw, hadden de Gentse ambachten, net als in de rest van Vlaanderen, de politieke slagkracht verloren die ze in de dertiende en veertiende eeuw hadden veroverd.

Zover was het nog lang niet in 1477. Het fragment geeft ons een boeiende inkijk in de manier waarop ambachtslieden in opstand kwamen. Jan De Rouc vertelt namelijk hoe de tijkwevers en de andere ambachten hun werk neerlegden, zich in hun ambachtshuizen verzamelden en vandaar gezamenlijk optrokken naar een centraal plein in de stad. In Gent was dat de Vrijdagmarkt. Het plein was in de veertiende eeuw aangelegd om de ambachten een economisch, maar ook een politiek forum te geven. Doorgaans bezetten de ambachten dit plein als aan hun rechten geraakt werd. Het is allicht geen toeval dat de Gentse socialisten dit plein nog altijd ‘bezetten’ op 1 mei. Niet voor niets staat het standbeeld van de veertiende-eeuwse opstandelingenleider Jacob van Artevelde in het midden van de Vrijdagmarkt.

In februari 1477 verzamelden de ambachten op de Vrijdagmarkt met de wens om te onderhandelen met het stadsbestuur en het Bourgondische hof. De luidruchtige, maar geweldloze bezetting van een marktplein was in de middeleeuwen het wapen bij uitstek om bestuurders tot toegevingen te dwingen. Vaak overhandigden de ambachten op zo’n moment een geschreven pamflet aan de gezagsdragers. Indien ze geen gehoor vonden, grepen ze wel eens naar de wapens. Het geweld bleef gericht, enkel tegen de verantwoordelijken voor bestuurlijke wanpraktijken. In 1477 zouden enkele Gentse medestanders van Maria van Bourgondië en Karel de Stoute op het schavot sterven, maar van een algemene gewelddadige opstand was geen sprake. De ambachten wisten maar al te goed dat geen enkel regime een algemene staking of de bezetting van een centraal plein in de stad kon negeren. Ze waren er zich goed van bewust hoe ver ze konden gaan, wellicht omdat ze zich verhalen (zoals dat van Jan De Rouc) over vorige opstanden herinnerden.

Het fragment zegt ook iets over de manier waarop de knowhow van een opstand werd doorgegeven. De tekst vangt immers aan met de vondst door de zoon van Jan De Rouc van het geschrift dat zijn vader ‘tzijnder memorie’ had bijgehouden. Niet toevallig had Jan junior dit fragment gekopieerd tijdens de opstand van 1539, leren we uit een aantekening bij het geciteerde fragment. Blijkbaar greep Jan tijdens de toenmalige gebeurtenissen terug naar oudere geschriften van zijn vader om ze te kopiëren en wellicht verder te vertellen. Het was een courante praktijk van groepen die vaak in opstand kwamen. Collectieve herinneringen van verzet in heroïsche perioden werden mondeling en schriftelijk bewaard. Deze vorm van herinneren was functioneel, want ze onderhield de groepsidentiteit. Ze was ook selectief: opstandelingen hielden enkel zaken en gebeurtenissen bij die vroegere opstanden, en in het geval van Jan De Rouc ook de toenmalige opstand, konden rechtvaardigen. Net als in 1477 hoopten de Gentse ambachten in 1539 te kunnen verhinderen dat de Gentse elite hun opstand zou onderdrukken.

De ambachten zouden in 1539 niet in hun opzet slagen. Keizer Karel bleek te sterk en vernietigde de symbolen van hun identiteit. Hij gebood de afbraak van de ambachtshuizen waar neringdoeners zoals Jan De Rouc zich tijdens de opstand hadden verzameld. De keizer confisqueerde daarnaast de ambachtsarchieven. Ook het door Jan De Rouc gekopieerde fragment werd aangeslagen. Deze confiscatie had een ironisch effect. In de moeilijke bewaaromstandigheden van privépersonen was het fragment van Jan De Rouc allicht verloren gegaan. Dankzij de betere bewaarcondities van het keizerlijke archief beschikken we nog steeds over de tekst.

Door de verhuis van hun archieven naar keizerlijke depots in 1540 verloren de Gentse ambachten de toetssteen van hun herinneringscultuur. Op lange termijn zou dit alternatieve politieke geheugen van de stad verdwijnen en werd het keizerlijke standpunt op het verleden dominant. Antonio Gramsci noemt dit de ‘culturele hegemonie’ van de overheersers. Een ideologische dominantie laat wel ruimte voor alternatieve denkpatronen, maar geeft de aanhangers ervan geen kans om ze openbaar te uiten. Onder meer door de taferelen die ze uit- en afbeelden tijdens Blijde Intredes en keizerlijke ceremonies in de stad, etaleerden Karel V en zijn opvolgers hun (selectieve) visie op het verleden. Door hun visie op te dringen, verbanden ze concurrerende opvattingen uit het geheugen van de toeschouwers. Hoe dat in zijn werk ging en of dergelijke ceremonies hun doel bereikten, is een ander verhaal.

Het afschrift van het boek van Jan De Rouc belandde uiteindelijk in het archief van de Rekenkamer van Rijsel. Op het einde van de achttiende eeuw verhuisden deze archieven naar het immense Habsburgse keizersarchief in Wenen. Daar bevindt het fragment van Jan De Rouc zich nog steeds, als een stille getuige van het uitgewiste geheugen van de verdwenen Gentse ambachten.

Lize (Seraing), 1879: onbeschermd tegen industrieel geweld

Ook meer recent noteerden handwerkers persoonlijke herinneringen aan barre tijden. In 1944 bijvoorbeeld verscheen in de Verenigde Staten de autobiografie Belgium was my Home. Het is het levensverhaal van Leona Lalonde, een van de vele duizenden Belgen die in de loop van de negentiende eeuw het land verlieten. In 1879, op zestienjarige leeftijd, vertrok ze samen met haar ouders en zes broers en zussen vanuit haar geboortedorp Lize bij Seraing naar Amerika, op zoek naar een beter bestaan. De passages waarin ze het vertrek beschrijft, illustreren hoe uitzichtloos velen de situatie in die periode ervoeren. Ambachten die collectief rechten verdedigden, bestonden al lang niet meer. Individuen waren vaak aan zichzelf en het lot overgeleverd om aan de harde levensomstandigheden te ontsnappen.

Leona Lalonde was afkomstig van Lize, vroeger een landelijk gehucht, maar in de loop van de negentiende eeuw opgeslorpt door het uitdijende industriële centrum Seraing. De traditionele omgangsvormen verdwenen in de nieuwe, drukbevolkte arbeiderswijk Lize. De ongeschoolde vader van Leona, die geiten en schapen hoedde, kon er zijn werk niet langer uitvoeren. Hij werkte een tijdje als helper bij de bouw van kleine arbeiderswoningen, maar zag migratie als enige uitweg uit een uitzichtloos bestaan.

‘Naarmate de tijd verstreek, praatte vader steeds meer over Amerika. Hij was bijzonder enthousiast als hij brieven kreeg van vrienden in Amerika. De verhalen in die brieven klonken ons als muziek in de oren. Wij kenden alleen maar het armoedige leven in ons kleine dorpje, waar iedereen bovendien in het stof kroop voor de machtigen en rijken, waar we helemaal niet vrijuit konden spreken, waar we niet zomaar mochten gaan jagen of vissen in de rivier. Geen wonder dat mijn vader droomde van een vrij leven in Amerika. Maar moeder bleef tegenspartelen. Ze zag het voordeel niet van de trek naar de States. (...) Ze zei: “François, zijt gij wel zeker dat ge u niet vergist? We wonen hier toch graag?” En vader zei: “Ge hebt gelijk, liefste. Gij en ik wonen hier graag, maar welke toekomst hebben onze kinderen hier? (...) Ongeacht hoe groot uw ambitie hier is, een mens kan er hier nooit in slagen genoeg geld te verdienen om zijn hele familie te kleden en te voeden. Hard werken en uzelf elke vorm van luxe ontzeggen is nauwelijks genoeg om uw kinderen groot te brengen. (...) Laat ons het risico nemen. De Atlantische Oceaan oversteken is niet zonder risico, ik weet dat. Maar anderen hebben het ons voorgedaan.” Op een dag ging vader naar de stad om ons huis te verkopen en wanneer hij thuiskwam, gooide hij zijn hoed in de lucht en riep: “Goodbye Belgium, Vive l’Amérique!”’

Voor veel dagloners en arbeiders wogen het risico en het gevaar, verbonden aan migratie, niet op tegen het troosteloze toekomstbeeld van een armzalig bestaan in eigen land of streek. Deze situatie was in de loop van de negentiende eeuw langzaam gegroeid.

Op het einde van de achttiende eeuw konden ondernemers dankzij de mechanisatie van de eerste industriële revolutie de productie opdrijven en uniform maken. De traditionele productiemethodes wijzigden grondig. Grote aantallen goedkope, ongeschoolde arbeiders in grote ruimtes en onder streng toezicht garandeerden een constante productie, ongeacht de seizoenen. Fabrieksarbeid brak radicaal met het verleden van huisarbeid en kleine ambachtsateliers. Veel arbeiders waren niet zonder meer bereid zich ‘(...) voor wat water en brood als gevangenen te laten opsluyten om geheel en al als slaven te werken’. In het begin was het voor de meeste ondernemers dan ook niet eenvoudig arbeiders te vinden én te behouden.

Een aantal wettelijke bepalingen van de Franse (vanaf 1795), de Nederlandse (vanaf 1815) en de Belgische overheden (vanaf 1830) leverden de arbeider onbeschermd en machteloos over aan het industriële geweld. De middeleeuwse en vroegmoderne zekerheden die de ambachten boden, werden ongedaan gemaakt. De collectieve actie, het sterke wapen van de ambachten, was verloren. In zijn eentje stond de kleine man machteloos.

Het decreet-d’Allarde (1791) schafte de beroepsverenigingen af. De wet-Le Chapelier verbood zelfs elke organisatie of samenwerking die de prijs van de arbeid zou kunnen beïnvloeden. Bij verandering van werkgever moesten arbeiders het verplichte werkboekje (1803) voorleggen, met daarin genoteerd ‘vrij van alle verplichtingen’. Het bleek een perfect controlemiddel om het behoud van arbeiders te garanderen. Het artikel 1781 uit het Burgerlijk Wetboek van 1804 bevoordeelde de ondernemer bij betwistingen: ‘Le maître est cru sur son affirmation, pour la quotité des gages, pour le paiement du salaire de l’année échue (...)’ (‘De meester wordt op zijn woord geloofd, voor wat betreft het afgesproken loon, voor wat betreft het uitbetaalde loon het afgelopen jaar (...)’).

Over arbeidsduur, kinder- en vrouwenarbeid, rustdagen, lonen (en hoe ze uitbetaald werden) legde de wet niets vast. Arbeiders aanvaardden de voorwaarden die werkgevers oplegden. Ook op het platteland werden de gevolgen van de industrialisatie al vlug merkbaar. Eeuwenlang hadden ongeschoolde arbeiders en dagloners het gezinsinkomen aangevuld met thuisarbeid als weven en spinnen tijdens de ‘stille periodes’. De garens en weefsels die de fabrieken in de stad mechanisch produceerden, overspoelden in de loop van de negentiende eeuw de markten. De prijzen van op het platteland vervaardigde garens en weefsels kelderden. Het leidde tot een wijdverbreid systeem van uitbuiting in de industriële centra en ‘zelfuitbuiting’ op het platteland. De mensen werkten steeds langer, harder en meer. Om het met de woorden van de Nevelse boer Paemel in de roman Het gezin van Paemel van Cyriel Buysse te zeggen: ‘weirken tot da ge creveert’. Alle gezinsleden werkten steeds meer mee om te kunnen overleven.

Mannen werkten als dagloners op het land. Ze haalden de oogst binnen, onderhielden de velden of snoeiden de bomen. Sommige vrouwen leverden betaalde hulp aan landbouwers door was te bleken of garen te spinnen. Anderen vulden het gezinsinkomen aan met kant- of naaiwerk in opdracht van grote winkels in de steden. Ook de kinderen leverden vanaf een steeds jongere leeftijd een bijdrage. De jongsten zorgden voor een extraatje bij het dagelijks menu door in het veld molsla te plukken. Ze vulden het gezinsbudget aan door kikkers te vangen of mest te verzamelen en de kikkers en de gedroogde mest vervolgens te verkopen. Oudere kinderen kregen van vader of moeder een opleiding in de thuisarbeid of werkten als beginnende dagloner in de oogst. Slechts door noeste arbeid was de familie in staat het hoofd net boven water te houden.

Een andere keuze was er niet. Een sociaal zekerheidsstelsel ontbrak. In de negentiende eeuw balanceerde de overgrote meerderheid van de ongeschoolde arbeiders en dagloners dagelijks op de dunne scheidslijn tussen overleven en vervallen in een circuit van totale afhankelijkheid. Elke persoonlijke of collectieve tegenslag volstond om hen over de rand te duwen. Plotse loonsdalingen, ontslag, werkloosheid, ziekte, ongeval, ouderdom, overlijden, misoogst of woningbrand konden hele gezinnen in de grootste armoede storten. De armenzorg was sinds de Franse periode toegewezen aan de weldadigheidsbureaus van de gemeentebesturen. Met uiterst beperkte middelen ondersteunden ze de armen en droegen ze de kosten van de verzorging van inwoners die elders waren opgenomen. De bureaus gingen zeer inventief te werk om de allergrootste nood te lenigen. Geregeld richtten zij smeekbedes aan de rijkere inwoners en soms zelfs aan de koning.

Het grootste deel van de bevolking stond in normale tijden werkelijk het water aan de lippen. Dat bewijst de enorme toename van het aantal ondersteunden in de fameuze hongerjaren, zoals de periode 1846-1855, toen de aardappeloogst verschillende jaren na elkaar mislukte. Veel behoeftigen konden alleen overleven door bedelarij.

Private liefdadigheid stond gelijk aan totale afhankelijkheid. Wie voor bijstand in aanmerking wou komen, diende zich volledig te schikken naar de bepalingen van de gulle schenkers en zich volgzaam, gehoorzaam en dankbaar op te stellen. Een kritische houding, vrijpostigheid en onzedelijk gedrag waren redenen om geen steun te ontvangen. De instituten die behoeftige zieken, ouderen, bedelaars en landlopers opvingen, waren haast onmenselijke plaatsen. Er heerste een strikt gereglementeerd tijdsregime. Partners en kinderen werden gescheiden. Velen gruwden van het idee daar terecht te komen.

Om de uitzichtloosheid draaglijk te houden, zochten sommigen hun heil in illegale praktijken zoals diefstal of stroperij. De repressie was echter meedogenloos. Betrapt worden op het stelen van een brood of het vangen van een konijn, leverde een zware gevangenisstraf op. Voldoende inkomen vergaren bleef voor de meeste gewone mensen een dagelijkse beproeving. Meerdere werkboekjes aanvragen, zodat men ongestraft zijn werkgever kon verlaten, bracht soms wat verlichting. De dappersten verzwaarden de geweven stoffen door ze ’s morgens in de bedauwde velden te leggen, zodat ze meer ‘loon’ voor hun werk kregen.

Vele horden mensen verlieten hun geboortestreek om zich in de textielnijverheid of de steenkoolmijnen aan te bieden als ongeschoolde arbeider. Vooral in tijden van economische crisis of na een persoonlijke tegenslag zoals een woningbrand pakten velen het weinige have en goed en trokken naar Gent, Noord-Frankrijk of de Waalse industriegebieden. Het inwonersaantal van de textielstad Gent bijvoorbeeld steeg van 55.161 in 1801 naar 115.354 in 1866. Sommige families, zoals die van Leona Lalonde, migreerden naar het verre Amerika.

Leuven, 1902: één man, één stem

Bij haar oprichting in 1830 opteerde België voor de representatieve parlementaire democratie als staatsvorm. Maar alleen een bijzonder selectieve groep van superrijken, die een zeker bedrag aan belasting betaalden, mochten zich laten vertegenwoordigen in het parlement. Door dit cijnskiesrecht waren bij de eerste parlementaire verkiezing in 1831 slechts 46.000 mannen of elf procent van de totale bevolking stemgerechtigd. 89 procent van de mannen, de vrouwen, de werklozen, de gewone arbeiders en de kleinere burgers werden niet vertegenwoordigd in het parlement. Soms richtten arbeiders petities aan het parlement waarin zij onderdanig en beleefd hun zaak bepleitten. De volksvertegenwoordigers gaven amper gehoor aan hun verzuchtingen.

Onder druk van de slechte omstandigheden negeerden arbeiders steeds vaker het verbod op vereniging of coalitie. Hun ‘illegale’ woordvoerders probeerden gezamenlijke eisen over werkomstandigheden of lonen bespreekbaar te maken. Soms werd collectief het werk gestaakt. Bij totaal uitzichtloze situaties verliep het protest dikwijls spontaan en gewelddadig. Arbeiders en hun familieleden brachten in blinde woede vernielingen aan of bedreigden patroons.

Een aantal wettelijke maatregelen poogde dit alles te regulariseren en de woede enigszins te kanaliseren. Na jarenlange discussies en onder druk van de vele illegale organisaties en stakingen, werd in 1866 eindelijk het coalitieverbod opgeheven. Arbeiders konden zich openlijk verenigen om hun eisen kracht bij te zetten. Dit betekende helemaal niet dat arbeidersorganisaties over volledige actievrijheid beschikten. Gelijktijdig met de afschaffing van het coalitieverbod legde het nieuwe artikel 310 van het strafrecht het stakingsrecht aan banden. Men mocht op geen enkele manier werkwilligen beletten aan het werk te gaan. Een lied zingen of een boze blik naar werkwilligen werpen, was in sommige gevallen genoeg om een veroordeling op te lopen. Maar de organisaties zelf liet men ongemoeid.

Ook de economische samenwerking via coöperaties bood de kleine man steeds vaker een oplossing voor alledaagse problemen. Gezamenlijke aankoop en verkoop mét winstdeling zorgden voor goedkopere levensmiddelen. Aanvankelijk beperkt tot het allernoodzakelijkste, zoals de verkoop van brood, vond de coöperatieve idee langzaam ook ingang in andere domeinen. In Gent groeide de coöperatieve bakkerij Vooruit uit tot een industrieel imperium met eigen winkels, fabrieken en zelfs een eigen bank.

Het getalm van de wetgever om verplichtingen en verboden op te leggen, bleef een doorn in het oog. Een wetsvoorstel van 1872 dat de leeftijd voor ondergrondse mijnarbeid voor jongens en meisjes beperkte, was na maanden gepalaver nog steeds dode letter. Voor almaar meer arbeiders werd het duidelijk: enkel wanneer zijzelf in het parlement zouden vertegenwoordigd zijn, zouden echte veranderingen mogelijk worden. Net zoals in het middeleeuwse Damme hoopten handarbeiders door politieke vertegenwoordiging hun werkomstandigheden te verbeteren.

Stemrecht, ook voor de arbeiders, kon het verschil maken. Daar wou men de nodige inspanningen voor leveren. In 1883 bood de wetgever de mogelijkheid om na het afleggen van een bekwaamheidsexamen één stem uit te brengen. Wie geen belastingen betaalde en toch wilde stemmen, moest bewijzen dat hij over de nodige algemene kennis beschikte. Arbeiders studeerden na hun vermoeiende dagtaak de voorbereidende lijst met 962 vragen in verschillende categorieën minutieus in:

– ‘Wanneer mag van iemand gezegd worden dat hij persoonlijke waardigheid heeft, dat hij zichzelven eerbiedigt?’ (Toegepaste Zedenleer)

– ‘In welke provincie en aan welken waterloop is elk der volgende steden gelegen: Aalst, Leuven, Charleroi, Verviers, Dinant?’ (Aardrijkskunde België)

– ‘Over welke landstreek heerschte de gravin Ermesinde? Door welke daden verwierf zij de genegenheid harer onderdanen?’ (Geschiedenis België)

Het resultaat was laag, zoals verwacht. Er raakten geen arbeidersvertegenwoordigers verkozen. Wellicht was het een bewuste strategie van de burgerij om algemeen stemrecht tegen te houden. In 1883 werd wel het als onrechtvaardig ervaren wetsartikel afgeschaft dat stelde dat bij een discussie over de lonen de werkgever altijd op zijn woord werd geloofd. Ook werd het werkboekje facultatief.

Wettelijke regelingen over arbeidsduur, verloning of minimumleeftijd bleven onmogelijk. Aan die besluiteloosheid kwam in 1886 een einde. Arbeiders en hun familie kwamen spontaan in opstand, vooral in de industriële centra in Wallonië. Onder de slogan ‘Mourir pour mourir, nous aimons mieux mourir par le plomb que mourir par la faim’ (Sterven om te sterven, we sterven liever door lood dan van honger’) trokken zij de straat op. Vierentwintig doden, talrijke gewonden, massale arrestaties en veel vernielingen waren het gevolg. Aanvankelijk werd bijzonder repressief gereageerd tegen de onruststokers, maar stilaan werd het voor iedereen duidelijk dat ingrijpen noodzakelijk was geworden. Enkele weken na de opstanden onderzocht een parlementaire Commissie van de Arbeid de situatie van de arbeiders. Eindelijk werd er werk gemaakt van de nodige beschermingsmaatregelen. In 1887 werd het truck system verboden: het was niet meer mogelijk het loon in natura uit te betalen of uitbetalingen te organiseren in cafés of winkels. In 1889 werd de vrouwen- en kinderarbeid gereglementeerd. Kinderen onder de twaalf mochten niet langer tewerkgesteld worden. Voor jongens onder de zestien en meisjes onder de eenentwintig gold arbeidsduurvermindering en een verbod op nachtwerk. Vrouwen mochten pas vier weken na hun bevalling weer aan het werk. Eindelijk werden er grenzen aan de ‘vrijheid’ gesteld.

De Belgische Werklieden Partij (BWP), in 1885 opgericht, ijverde voor een nieuw, rechtvaardiger kiessysteem. Na een nationale werkstaking werd in 1893 als compromis het algemeen meervoudig stemrecht ingevoerd. Iedere mannelijke(!) Belg van 25 jaar mocht een stem uitbrengen. Gezinshoofden die een bepaald bedrag aan belastingen betaalden of over een diploma beschikten, kregen echter één of twee stemmen extra. De kleine man was duidelijk minder waard dan de rijke of de gediplomeerde. 517.000 kiezers met minimum twee stemmen beschikten in totaal over 1.200.000 stemmen en vormden op die manier voldoende tegengewicht voor de 850.000 kiezers met slechts één stem. Er was duidelijk vooruitgang geboekt, maar de resultaten bleven onder de verwachtingen. Het algemeen enkelvoudig stemrecht moest de oplossing bieden: één man, één stem. Een grote campagne werd opgezet om dat ideaal te bereiken.

In 1902 zou het parlement stemmen over de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht. Een grote landelijke campagne probeerde de stemming te beïnvloeden. Betogingen en manifestaties ondersteunden de eis. De gevestigde orde trad bijzonder krachtdadig op tegen deze agitatiegolf. Er vielen twee doden in Houdeng-Aimeries en drie doden in Brussel. In Leuven verbood de burgemeester na anonieme bedreigingen en op vraag van verschillende notabelen op het allerlaatste moment een voor 18 april toegelaten betoging. De opgekomen groep trok geagiteerd toch door de stad. Op twee plaatsen opende de burgerwacht het vuur. Er vielen zes doden.

Emmanuel Nickx, een zestienjarige betoger, kwam de gebeurtenissen voor de rechtbank toelichten. Zijn getuigenis, opgetekend in het Frans, werd volledig genegeerd. Vijf van de veertien verdachte betogers werden veroordeeld voor daden van opstand. De bevelvoerders van de burgerwacht die aanvoerden dat zij zich bedreigd hadden gevoeld, werden zelfs onderscheiden.

‘Rue de Marais on a cessé de chanter et on a éteint les lanternes. Nous arrivions devant les gardes civiques. ls étaient debout. Les manifestants ont crié: “Vive l’armée. Vive la garde civique!” Les gardes ont pointé leurs fusils, ils ont tiré deux fois. (...) Six ou sept victimes sont tombées. (...) Les manifestants n’ont pas jeté de pierres. De cela je suis certain. D’abord il avait été recommandé par les grands aux petits de ne pas jeter de projectiles sur les gardes. Si on avait jeté des pierres, je l’aurais vu. Les gardes civiques ont tiré dans le groupe comme dans un tas. Impossible de nous baisser ou de fuir.’

(‘In de Maraisstraat [nu Janseniusstraat, nvda] hielden we op met zingen en werden de lantaarns gedoofd. We kwamen aan bij de burgerwachten. Die stonden rechtop. De betogers riepen: “Leve het leger. Leve de burgerwacht!” De burgerwacht richtte hun geweren en schoot tweemaal. (...) Er vielen zes of zeven slachtoffers. (...) De betogers gooiden geen stenen. Daar ben ik zeker van. De jongeren was trouwens uitdrukkelijk gevraagd geen projectielen naar de burgerwacht te gooien. Indien er stenen waren gegooid had ik het zeker gemerkt. De burgerwacht schoot in de groep als in een kudde. Onmogelijk voor ons om de kogels te ontwijken of te vluchten.’)

Het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen werd pas na de Eerste Wereldoorlog ingevoerd. Om verschillende redenen was de invoering niet langer te vermijden. Om te beginnen was er de houding van de BWP, die tijdens de oorlog tot de Belgische regering toegetreden was. Maar ook de inspanningen en offers die vooral de kleine man en vrouw tijdens de oorlogsjaren hadden gebracht en de internationaal revolutionaire situatie op het einde van de oorlog, met arbeidersopstanden in Rusland en Duitsland, speelden mee.

De eerste naoorlogse verkiezingen in 1919 herschikten grondig de politieke krachten in het land en maakten een einde aan het absolute overwicht van de burgerij. Onderwerpen die de gewone man aanbelangden, zoals sociale aangelegenheden en de taalproblematiek, raakten via eigen vertegenwoordigers eindelijk op de politieke agenda.

De invoering van het parlementaire stemrecht voor vrouwen raakte voorlopig in de verdrukking. Uit schrik voor onwetendheid bij vrouwen, mogelijke manipulatie door tegenstrevers of machtsverlies, verzuimden de mannelijke machtsbastions werk te maken van deze uitbreiding van het stemrecht. Het duurde tot 1948 vooraleer vrouwen het parlementair stemrecht verwierven. Dan pas was er sprake van het algemeen enkelvoudig stemrecht voor alle Belgen: één mens, één stem. Dankzij nog enkele andere ingrepen, zoals een verlaging van de stemgerechtigde leeftijd naar 21 jaar in 1919 en naar 18 jaar in 1981, steeg het aantal kiesgerechtigden tot 72 procent van de totale bevolking in 2003. Daarna is er op federaal niveau geen uitbreiding van het stemrecht meer geweest. Dat was wel nog het geval voor de gemeenteraadsverkiezingen, waarvoor niet-EU-burgers in 2004 stemrecht kregen.

Gent, 1970: de prijs van overleg

De invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen in 1919 had de politieke krachtsverhoudingen gewijzigd en zorgde geleidelijk aan voor minder sociale spanningen. In 1921 werd de achturendag ingevoerd en werd het gehate artikel 310 (dat het stakingsrecht aan banden legde) afgeschaft, met daaraan gekoppeld de vrijheid van vereniging. Sociale beschermingsmaatregelen die voordien vrijwillig en uiterst beperkt voorkwamen, werden uitgebreid of verplicht. Het Nationaal Crisisfonds (1920) voorzag in bijkomende steun voor werklozen die door hun arbeidersorganisatie gesteund werden. Er kwam een verplichte ouderdomsverzekering (1924), een wet op de beroepsziekten (1927) en een wettelijke regeling van de kinderbijslag (1930).

Ook het overleg raakte langzaam ingeburgerd. Grote stakingen in de belangrijkste industriële sectoren hadden na de oorlog het heropstarten van de economische activiteit bemoeilijkt. Arbeiders weigerden het werk te hervatten zolang er geen afspraken werden gemaakt over de loon- en arbeidsvoorwaarden. Op die manier dwongen zij de werkgevers aan de onderhandelingstafel en werden de eerste sectorale paritaire overlegorganen geïnstalleerd. Daar werden in de loop van de jaren 1920 de afspraken gemaakt over de aanpassing van de lonen aan de levensduurte door middel van loonindexering.

Tijdens de economische crisis van de jaren 1930 beriepen de werkgevers zich steeds vaker op de notie ‘algemeen belang’ om via de overlegorganen de lonen te laten dalen of bepaalde verworvenheden terug te schroeven. Bij de heropleving van de economie in 1936, na zes jaar van besparen en inleveren, ontstond een spontane staking onder de Antwerpse havenarbeiders. Ze groeide uit tot een van de grootste algemene stakingsbewegingen in het land. Op het hoogtepunt in juni hadden ongeveer 600.000 mensen het werk neergelegd. De arbeidersorganisaties werden gedwongen de leiding van de staking op zich te nemen en de eisen van de arbeiders te verdedigen. Regering, werkgevers en arbeidersorganisaties beslisten uiteindelijk om de eisen te bespreken in een nieuw intersectoraal overlegorgaan, de Nationale Arbeidsconferentie (NAC). Ronkende verklaringen van de drie onderhandelende partijen maakten uiteindelijk een einde aan de stakingsbeweging. Het verplicht minimumloon werd ingevoerd en een wettelijke regeling garandeerde de vakbondsvrijheid in de bedrijven. Voor de rest waren de resultaten van het overleg eerder beperkt. Een van de belangrijkste eisen was de veertigurenweek, maar die werd enkel in ongezonde en gevaarlijke bedrijven ingevoerd. Belangrijk waren wel de zes dagen betaald verlof waarop alle werknemers in 1936 recht kregen. De invoering was voor veel gewone mensen een onvoorstelbare luxe. Niet moeten werken en toch betaald worden, was voordien ondenkbaar.

Het eerste interprofessioneel overleg via de Nationale Arbeidsconferentie had alleszins haar nut bewezen, al was het maar door het ongenoegen te kanaliseren. De regering riep de conferentie na 1936 nog een aantal keren samen ter voorbereiding van belangrijke beslissingen.

De verplichte pauze door de Duitse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog bood woordvoerders van patronale en syndicale organisaties de kans in het geheim gesprekken te voeren. Ze spraken af om na de oorlog de sociale bescherming en de relatie tussen werknemers en werkgevers definitief te regelen. Het clandestien goedgekeurde ‘Ontwerpakkoord van sociale solidariteit’ of ‘Sociaal Pact’ legde in april 1944 de basis van het sociaal zekerheidstelsel en de overlegeconomie. In december 1944 zorgde een besluitwet voor twee belangrijke vernieuwingen op het vlak van sociale bescherming. Ziekte-, invaliditeits-, pensioen- en werkloosheidsverzekering, kinderbijslag en jaarlijkse vakantieregelingen werden veralgemeend én verplicht. De inning van de werkgevers- en werknemersbijdragen om het stelsel te financieren, werd toevertrouwd aan de op te richten Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ). Tussen 1945 en 1952 werd ook het sociaal overleg op bedrijfs-, sectoraal- en interprofessioneel niveau wettelijk uitgewerkt. De vakbondsafvaardiging, Comités voor Veiligheid, Gezondheid en Verfraaiing van de Werkplaatsen, Ondernemingsraden, Paritaire Comités en de Nationale Arbeidsraad (NAR) zorgden op de verschillende niveaus voor informatie, advies, inspraak en/of akkoorden.

De regeling verbeterde de levenskwaliteit van de arbeiders. Ze garandeerde een verzekerd inkomen bij tegenslagen zoals ziekte, ongeval en werkloosheid of op hoge leeftijd, naast de jaarlijkse vakantieregeling én de kinderbijslag. Syndicale organisaties onderhandelden over loon, werktijdverkorting, betaalde feestdagen, veiligheid en arbeidsvoorwaarden.

Langzaamaan werd duidelijk dat de arbeider voor al deze verworvenheden een prijs diende te betalen. De werkgevers probeerden de bijkomende kosten te compenseren door almaar ingrijpendere productiviteitsstijgingen. Aanvankelijk volstonden in de meeste sectoren de relatief lage lonen, een strengere discipline, meer controle en een hoger arbeidsritme om de productiviteit te doen toenemen. Later werd ‘rationalisatie’ het toverwoord: elk facet van de productie werd wetenschappelijk bestudeerd en geanalyseerd. Verspilling van tijd en ruimte was uit den boze. Efficiëntie was het ordewoord. Er werd geteld en gemeten. Tellers op de machines kregen zicht op de tijdsbesteding van de arbeiders tijdens het productieproces. Het was een middel om de werkdruk langzaam te verhogen. Het verouderde machinepark werd almaar sneller vernieuwd. De bedrijven investeerden in nieuwe, dure, hoogtechnologische en snellere machines die meer produceerden, beter afgesteld werden en de arbeiders verwittigden bij moeilijkheden. Om de investeringen op korte tijd te laten renderen, draaiden de machines zo continu mogelijk, het liefst dag en nacht. Dit resulteerde bijvoorbeeld in de textielnijverheid in het algemeen gebruik van het ‘volcontinustelsel’ (1982). In combinatie met de weekendploegen, waarbij arbeiders tijdens het weekend elf uur presteerden voor een volwaardig weekloon, zorgde dat voor permanente activiteit.

Ook de plaatsing van het machinepark zelf werd minutieus bestudeerd. Op die manier kon men ideale bewegingsschema’s voor de arbeiders maken en de aanvoer van grondstoffen optimaal organiseren. De bedrijfsruimtes werden aangepast of vernieuwd. Oudere, niet aangepaste gebouwen werden verlaten of heringericht. Het maximaal gebruik van verlichting werd bestudeerd. Er verschenen prikklokken op de werkvloer en geperfectioneerde uurwerkcentrales.

De doorgedreven rationalisatie zorgde echter voor moeilijkheden op de werkvloer. Reeds in 1951 schreef de Gentse textielbond in het dagblad Vooruit:

‘Daarbij heeft men een leger van “techniekers” verspreid over de verschillende fabrieken, op de arbeiders losgelaten ... De mechanieken worden tot het uiterste versneld. De meerproductie is voor de patroon; de moeilijkheden en eventueel verlies voor de arbeiders.’

In een gelegenheidstoespraak ter ere van de gedecoreerden van Fabelta in 1961 klonk het bij Marcel Plasschaert, de secretaris van de Gentse textielvakbond, als volgt:

‘De arbeidende gemeenschap van vandaag is bezig een generatie van zenuwen- en hartlijders te worden. Het is een wedloop, een ongezonde competitie, geleid door wetenschapsmensen geholpen door studieburelen, met de enige bedoeling, steeds meer voort te brengen in steeds minder en minder tijd. In deze betrachting wil men de grens van het menselijk weerstandsvermogen zo dicht mogelijk benaderen.’

De kwestie confronteerde de syndicale organisaties met de beperkingen van het overleg. Een gemeenschappelijke (interprofessionele) verklaring van werkgevers en werknemersorganisaties via de Nationale Arbeidsraad in 1954 stelde over de productiviteit onder meer het volgende: ‘Om te bekomen dat de werknemers sommige nieuwe procedés of methoden gewillig en in vertrouwen toepassen, is het mogelijk dat sommige ondernemingshoofden beroep doen op de bijstand van syndicale deskundigen.’ Wel lieten de vakbonden er uitdrukkelijk aan toevoegen dat àlle betrokkenen, dus ook de arbeiders, baat moesten hebben bij de productiviteitsstijgingen. De syndicale organisaties drongen in de sectorale akkoorden aan op een aantal looncompensaties: arbeiders ontvingen premies afhankelijk van de productiviteitsstijging en de daaraan gekoppelde winsten.

In de praktijk stond het overleg duidelijk veraf van een economische democratie die arbeiders op elk niveau dichter bij het economisch beleid zou betrekken. De teleurstelling over het failliet van de medezeggenschap was een van de bijkomende redenen voor de grimmige algemene staking tegen de Eenheidswet in de winter van 1960-1961. Die wet was eenzijdig en zonder betrokkenheid van de syndicale organisaties tot stand gekomen. Ze moest de overheidsfinanciën saneren. Ze voorzag onder meer in een verhoging van een aantal indirecte belastingen, een scherpere controle op de werkloosheidsuitkeringen en lagere pensioenen. De staking groeide uit tot een van de belangrijkste van de twintigste eeuw. Ze bracht onder meer het idee van federalisme en de economische terugval van het oude, industriële Wallonië pijnlijk aan de oppervlakte. Daarom was de stakingsbereidheid in het Waalse landsgedeelte veel groter én grimmiger dan in Vlaanderen. Die verdeeldheid zorgde er mee voor dat er geen directe resultaten bereikt werden. De Eenheidswet werd uitgevoerd.

Tijdens de golden sixties werden de productiviteitsstijgingen steeds verder geperfectioneerd.

De groeiende werkdruk kon maar moeilijk worden afgeremd. Een gepensioneerde textielbewerker getuigde erover in 1970 in een brief aan de verantwoordelijke van de textielvakbond:

‘Zij maken in zijn geheel van den UCO supermensen (de kroeten vliegen buiten als onbekwaam). Ik ben nu in vervroegd pensioen maar toch kan ik u verzekeren dat het nu de beurt is aan Loutex om er schoon schip te maken. De kostprijs is daar veel te hoog en moet en zal dalen. Ik weet bij ondervinding dat de werknemers nu dagelijks zullen gecontroleerd worden: ofwel afdanking oftewel uitbreiding van mechanieken en dat komt op hetzelfde neer. En zoo gaat de reeks verder tot zij alleen supermensen bekomen. En daar tegenover staat onzen vakbond machteloos.’

Wilde stakingen, hoog absenteïsme en een hoog personeelsverloop wezen op de moeilijkheden op de werkvloer. In bepaalde traditionele sectoren zoals de textielnijverheid en de mijnsector zorgde de internationale concurrentie voor bijkomende druk. Veel arbeiders wilden er niet langer werken. Migratiestromen trokken in de periode 1930-1974 een half miljoen ‘goedkope’ arbeidskrachten uit het buitenland aan, eerst vanuit Zuid-Europa, vervolgens vanuit Marokko en Turkije.

De economische crisis in de jaren 1970 en de verdere globalisering zorgden later voor nieuwe problemen. Nog meer rationalisatie, saneringen en uiteindelijk de delokalisatie van vele ondernemingen lieten velen schijnbaar machteloos achter. De abrupte sluiting van de Renaultfabrieken in Vilvoorde in 1997 was illustratief. Managers bleken enkel nog rekening te houden met economische wetmatigheden en de belangen van aandeelhouders. Tegen die achtergrond klinkt een frase uit het lied ‘Jan met de pet’ van Miek en Roel uit 1968 wrang: ‘Uw fabriek is niet dood, maar leeft verder in andere landen.’

Voor de arbeidersorganisaties is het een uitdaging om hun internationale werking te intensifiëren. Politieke vertegenwoordiging in eigen stad en land, een recht waarvoor handarbeiders eeuwenlang hebben gestreden, volstaat voor de kleine man niet meer om zijn levensomstandigheden te verbeteren. Collectieve samenwerking in eigen land, maar ook daarbuiten, lijkt de enige uitweg ...

Literatuurlijst
Bertrand L., Histoire de la démocratie et du socialisme en Belgique depuis 1830, Dechenne & Co, Brussel, 1906.
Blockmans W. & Prevenier W., De Bourgondiërs. De Nederlanden op weg naar eenheid (1384-1530), Meulenhoff, Amsterdam, 1997.
Boone M., A la recherche d’une modernité civique. La société urbaine des anciens Pays-Bas au bas Moyen Age, Editions de l’université de Bruxelles, Brussel, 2010.
De Wilde B., Witte boorden, blauwe kielen. Patroons en arbeiders in de Belgische textielnijverheid in de 19e en 2Oe eeuw, AMSAB, Gent, 1997.
De Smet A., De klacht van de ‘Ghemeente’ van Damme in 1280, Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis, nr.115, 1950.
P. Heyrman e.a., Leve het Algemeen Stemrecht! Vive la Garde Civique! De strijd voor Algemeen Stemrecht, Leuven 1902, AMSAB, Leuven, 2002.
Morelli A., Belgische Emigranten. Oorlogsvluchtelingen, economische emigranten en politieke vluchtelingen uit onze streken van de 16e eeuw tot vandaag, EPO, Berchem, 1999.
Musschoot D., Wij gaan naar Amerika. Vlaamse landverhuizers naar de Nieuwe Wereld 1850-1930, Lannoo, Tielt, 2002.
Peiren L., Messiaen J.-J., Een eeuw solidariteit 1898-1998. Geschiedenis van de socialistische vakbeweging, ABVV, Brussel, 1998.
Verbruggen R., Geweld in Vlaanderen. Macht en onderdrukking in de Vlaamse steden tijdens de veertiende eeuw, Van de Wiele, Brugge, 2005.




7. ‘In de hoogste nood is het geloof het meest levendig’

Geloof en vrijzinnigheid

Hendrik Callewier, Jan Dumolyn en Tjen Mampaey

Al sinds zijn prille ontstaan werd de mens geconfronteerd met voor hem onverklaarbare fenomenen zoals onweer, een plotse storm op zee, vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid. Om daar grip op te krijgen, wendde hij zich tot degenen die ongetwijfeld deze fenomenen veroorzaakten: de goden. Een offer aan de god van de zee vrijwaarde een schip van storm. Andere offers zorgden voor de terugkeer van de zon na de winter, voor een geslaagde jacht, een goede oogst, een prima gezondheid of een rijk nageslacht.

De kerstening

Aan het einde van de Romeinse overheersing (derde-vijfde eeuw na Christus) bestonden er in wat we nu België noemen meerdere religieuze strekkingen. Het heidendom was een allegaartje van Romeinse, Oosterse, Keltische en Germaanse elementen. Het christendom deed aarzelend zijn intrede in gebieden waar de Romeinse invloed het sterkst was, zoals de steden en de landbouwbedrijven langs de heerweg Keulen-Boulogne. De eerste bisschop wordt vermeld in de vierde eeuw: Servacius van Tongeren, volgens de legende geboren in Armenië. Iets later waren er ook bisschoppen of missionarissen actief in steden als Bavay, Doornik en Maastricht. In deze steden veegden de Germaanse volksverhuizingen het christendom niet volledig van de kaart.

Toch bleef de invloed van dit nieuwe geloof in de beginperiode beperkt, zeker onder de Germanen. Wanneer de Frankische koning Chlodewech of Clovis zich omstreeks 496 tot het christendom bekeerde, was dit vooral een politieke keuze. Zijn onderdanen aanvaardden de christelijke leer niet zomaar. Enkele eeuwen later stonden Karolingische vorsten zoals Karel de Grote sterk onder de invloed van hun kerkelijke raadgevers. Maar van een doorgedreven kerstening en bekering van de kleine man was nog geen sprake.

De kerstening was voornamelijk het werk van monniken, vaak van Engelse en Ierse afkomst. De lokale bevolking apprecieerde hun inspanningen niet altijd, zoals de gewelddadige dood van enkele missionarissen bewijst. Eleutherius werd in 531 te Doornik vermoord, Lambertus omstreeks 706 in Luik en Bonifatius in 754 te Dokkum. Livinus, de ‘apostel van het land van Aalst’, werd in 657 in Esse (tussen Geraardsbergen en Zottegem) aangevallen door heidenen. Ze rukten eerst zijn tong uit en maakten hem daarna zonder pardon een kopje kleiner.

De levenslopen van deze missionarissen zijn gedocumenteerd in heiligenlevens of ‘vitae’, een mengeling van legende en geschiedenis. Een mooi voorbeeld: in 648 voeren de monniken Bertinus, Mommelinus en Bertram de rivier de Aa in Frans-Vlaanderen af. Hun bootje had riemen noch zeilen, want de goddelijke voorzienigheid leidde de zendelingen. Enkele eeuwen daarvoor (omstreeks 286) zou de heilige Piatus als eerste bisschop van Doornik persoonlijk dertigduizend heidenen uit de streken van Doornik en Brugge bekeerd hebben. Dat deze figuur echt bestaan heeft, wordt sterk betwijfeld, laat staan dat hij ook als missionaris actief was. Ook de hierboven vermelde Livinus blijkt een fictief personage te zijn.

In de Scheldevallei waren vooral de Zuid-Franse figuren Amandus (geboren rond 675) en Eligius (geboren in 660) van belang. Veel dorpen of kerken in deze streek zijn naar hen genoemd. Zij en hun volgelingen stichtten talrijke abdijen, zoals Saint-Amand-les-Eaux (Elnone) in Noord-Frankrijk en de Gentse abdijen van Sint-Pieters en Sint-Baafs, voorposten voor de verspreiding van het christendom. De zendelingen vielen op verschillende manieren het oude geloof aan. Ze vernielden ‘afgodenbeelden’ of bouwden kerken op heidense cultusplaatsen. Merovingische begraafplaatsen genoten de voorkeur voor de oprichting van nieuwe kerken. Maar de bekeerde Franken hielden dikwijls heidense gebruiken in stand. Eligius moest de christenen er geregeld aan herinneren dat niet donderdag (de dag van de Germaanse god Donar), maar wel zondag de wekelijkse rustdag was. Voor de Franken was het een ‘vreemde’ godsdienst. Waarschijnlijk ligt daar de oorzaak van de moeizame verspreiding van het christendom.

De eerste bisschoppen waren zonder uitzondering Gallo-Romeinen, terwijl de zendelingen afkomstig waren uit Engeland, Ierland of Zuid-Frankrijk.

Vooral op het platteland hield het heidendom lang stand (wat een verklaring zou kunnen zijn voor het mogelijke etymologische verband met het woord ‘heiden’, afgeleid van ‘heide’, wat afgelegen gebied betekende). De laatste expliciete vermelding van heidenen in het traditionele Frankische gebied dateert uit het begin van de achtste eeuw, maar nog lang daarna kwamen heidense praktijken of riten voor.

Na de eerste oppervlakkige kerstening verdiepte het geloof. Karolingische verordeningen bestreden overblijfselen van het heidendom, zoals waarzeggerij of de verering van bomen en bronnen. Omstreeks het jaar 1000 was de kerstening van het huidige Vlaanderen in grote mate voltooid. Een aaneengesloten net van parochies en kerken was uitgebouwd. Of de christianisatie van het Frankische rijk synoniem was met een diepgaande bekering is een andere zaak. De praktijk van de notfyr – door wrijving vuur opwekken om epidemieën bij mens en vee te bestrijden – bleef bestaan. Nog in de negende eeuw waren er opstanden van de Friezen en de Saksen met als inzet het behoud van het heidendom. De Kerk was voor haar religieuze en morele invloed sterk afhankelijk van de steun van de heersende elite.

Tijdens deze ‘duistere middeleeuwen’ waren de kustvlakten van onze streken nog woest en onherbergzaam. De bevolking liet zich niet zomaar vertellen wat te doen. Friesland grensde toen aan het Zwin en omvatte dus een stuk van het huidige Vlaanderen. Het was een machtig koninkrijk van trotse boeren en handelaars. In 716 verzetten de Friezen zich sterk tegen de bekeringsijver van missionarissen zoals Sint-Bonifatius. Willibald, een priester uit de achtste eeuw, beschreef het heiligenleven van die Bonifatius:

‘Een woeste twist die uitbrak tussen de glorieuze vorst en hertog van de Franken Karel en Radbod, de koning van de Friezen, ten gevolge van een vijandige inval van de heidenen, veroorzaakte grote onrust onder het volk aan beide zijden, en door de verstrooiing van de priesters en de vervolging door Radbod werd het grootste deel van de christelijke kerken, die voorheen onderworpen waren geweest aan het Frankische rijk, verwoest en tot instorting gebracht. Bovendien werden de heidense heiligdommen herbouwd en, wat nog erger is, de afgodsdienst werd hersteld.’

(Bron: M. Mostert, 754: Bonifatius bij Dokkum vermoord, 1999).

Een eeuw later kreeg de overheid het door de invallen van de Noormannen hard te verduren. Clerici sloegen bij naderend gevaar met hun relieken op de vlucht en lieten de volksmassa onbeschermd achter. Net op die relieken rekende de kleine man voor bescherming.

De reliekencultus bleef bijzonder populair. Dit aspect van het christendom was voor de bevolking veel tastbaarder dan de toediening van sacramenten. Als een vorm van compromis verzetten de missionarissen zich niet actief tegen deze vorm van heidens bijgeloof. Ze vonden het zinvoller de heidense tempels en heilige bomen om te vormen tot bedevaartplaatsen, waar men voortaan de macht van de christelijke god zou kunnen ervaren.

Laatmiddeleeuwse volksdevotie

Tijdens de late middeleeuwen was het lidmaatschap van de Kerk vanzelfsprekend. Iedereen werd lid door het doopsel, dat beschouwd werd als een afweer tegen het altijd dreigende kwaad. Alleen wie geëxcommuniceerd werd, bijvoorbeeld voor het onteren van een maagd, verloor (tijdelijk) dit lidmaatschap.

In de voorgaande eeuwen monopoliseerde de geestelijkheid het geloof. Nu drong de geloofsbeleving steeds meer door tot de leken en alle lagen van de bevolking. De kleine man had een grote behoefte om het goddelijke dichter te benaderen. De theorie van het vagevuur was een belangrijk aspect van dit volksgeloof. Het vagevuur was de plaats in het hiernamaals waar men gestraft of gelouterd werd voor zonden tijdens het leven. Aflaten maakten het verblijf in het vagevuur korter. Al gauw ontstond er een bloeiende aflaathandel. De opbrengsten uit de verkoop van aflaten financierden kerkelijke bouwprojecten. Ook het bezoek aan een bedevaartplaats leverde een aflaat op. Wilsnack, een bedevaartsoord in Duitsland, lokte bijvoorbeeld veel gelovigen uit de Nederlanden. Op het altaar van de uitgebrande kerk had men in 1383 drie ongeschonden hosties met een bloeddruppel in het midden van elke hostie gevonden.

De meeste bedevaartsplaatsen ontstonden rondom een relikwie van een heilige. De heiligenverering floreerde, omdat gelovigen in deze vorm van devotie een zekere bescherming en goddelijke aanwezigheid voelden. Voor elke kwaal aanriepen ze een specifieke heilige. Bij kiespijn was dat de Heilige Apollonia, die volgens de legende gemarteld werd door haar tanden te trekken. Een van de merkwaardigste heiligen is Sint-Ontkommer. Ze is gebaseerd op de figuur van Christus aan het kruis. De oosterse iconografie beeldt haar af met een kleed, het westen interpreteert haar als een vrouw met een baard. Volgens de legende ontsnapte Sint-Ontkommer dankzij een goddelijke tussenkomst aan een gedwongen huwelijk. De plotse groei van een zwarte baard deed haar verloofde afzien van de trouwplannen.

De eucharistie was voor een laatmiddeleeuwse gelovige een bijzondere gebeurtenis. De meeste mensen gingen slechts eenmaal per jaar ter communie: op Pasen. Vandaar de uitdrukking ‘zijn Pasen houden’. In schril contrast daarmee stonden de talrijke missen die priesters opdroegen. De basis hiervan was de herinneringscultus van de overledenen. Elk vooraanstaand persoon streefde ernaar om na zijn overlijden een herinneringsmis te laten opdragen, liefst zo veel en zo lang mogelijk. Het middeleeuwse katholicisme wordt daarom vaak omschreven als een cultus van de levenden voor de doden. De jaarlijkse, wekelijkse of dagelijkse missen boden een grote groep geestelijken werkgelegenheid.

De devotie waarbij het optellen van missen, bedevaarten en andere religieuze handelingen centraal staat, noemt men ‘optelvroomheid’.

Kritiek op de Kerk

In de late middeleeuwen groeide de kritiek op de Kerk. Gelovigen stoorden zich in toenemende mate aan de luxueuze levensstijl van de geestelijkheid, niet in het minst aan die van de paus. Aflatenhandel en andere wanpraktijken gaven de indruk dat de Kerk vooral op het geld van de gelovigen belust was. De geestelijken verkondigden het woord van God bij de kleine man, maar hielden zich zelf niet aan de voorschriften. De clerus respecteerde het celibaat niet en ging zich te buiten aan allerlei excessen.

De literatuur van die periode typeert de pastoor als een geile, op geld beluste man. Een bekend voorbeeld is de pastoor in Van den vos Reinaerde. De Brugse priester Romboud de Doppere uit in zijn kroniek op het einde van de vijftiende eeuw scherpe kritiek:

‘O veelvraten van de hebzucht! Wanneer worden jullie simonie en winstbejag en die duivelse eerzucht in toom gehouden, en naar de onderwereld, waar ze vandaan komen, teruggezonden? ... O ellendige tijden, ellendige toestand en bestuur van de Kerk, de hebzucht overheerst alles.’

De veertiende-eeuwse Antwerpse schepenklerk en dichter Jan van Boendale beschouwde de kleine man zelfs als moreel superieur:

‘Gij voller, wever, koopman, schoenmaker, kleermaker, stuurman, en allen die moeten werken en die hier [op aarde] het minst geacht worden. Gij die hier met zware inspanning uw brood wint, ginder [in de Hemel] zult ge een betere plaats hebben. Ge zult een hogere plaats bekleden, dat ben ik wel zeker, dan de deken, de prelaat of de kerkelijke rechter die u hier minachten en onderdrukken.’

(Bron: P. van Moerkerken, De satire der Nederlandsche kunst der middeleeuwen, 1904)

Zowel binnen als buiten de Kerk waren er pogingen tot hervormingen. Allerlei sekten zagen het levenslicht, zoals de Katharen in Zuid-Frankrijk en de Hussieten in Bohemen. In de Nederlanden doken tijdens de pestperiode van 1349 grote groepen flagellanten op. Ze trokken door het land, van stad naar stad, terwijl ze zichzelf geselden en klaagzangen zongen. Ze riepen de mensen op tot berouw en boetedoening. De sekte was bijzonder populair. Abt Gilles Li Muisis vertelt hoe tientallen groepen van flagellanten van overal uit de Nederlanden naar Doornik kwamen en er hun rituelen uitvoerden:

‘Ze kwamen barrevoets, het bovenlichaam ontbloot, het hoofd bedekt met een kap en daarop een hoed ... Hun geselriemen hielden ze in de hand ... Ze vormden een cirkel en zongen een lied ... ze wierpen zich allemaal tegelijk plat op de grond en vormden met hun lichaam en armen een kruis. Dan richtten ze zich geknield op en deden verschillende kastijdingen. De toeschouwers stonden er verstomd bij. Ze weenden en voelden mee met hun pijn.’

De rituelen maakten indruk op de bevolking: ‘Ik ben verstomd, en het is trouwens ook moeilijk te geloven, hoe ontelbaar veel wereldse mannen en vrouwen er in die tijd weer vroom zijn geworden’, schrijft Li Muisis verder.

Ook spirituele hervormingsbewegingen boden een antwoord op de bestaande wantoestanden. De Moderne Devotie, met als grondlegger Geert Grote (Deventer, 1340-1384), streefde naar persoonlijke levensheiliging. Volgens de Moderne Devoten was de mens zelf verantwoordelijk voor zijn zielenheil. Ze was tegen de ‘optelvroomheid’ en bedevaarten. Centraal stond de zorg voor de studerende jeugd en betere leefomstandigheden voor de bevolking. De Moderne Devotie was in zekere zin de wegbereider voor het protestantisme. Vanuit de Noordelijke Nederlanden breidde de beweging haar invloed naar het zuiden uit.

De Reformatie

Voor de kleine man bood de Kerk als instituut te weinig antwoorden op zijn spirituele noden. De talrijke hervormingspogingen hadden aanvankelijk weinig resultaat. Dat veranderde toen de katholieke monnik Maarten Luther in 1517 aan de poort van de slotkerk van Wittenberg zijn 95 stellingen bekendmaakte. Hij nam onder meer de aflatenhandel van de Kerk op de korrel. Luther had niet de intentie om een nieuwe godsdienst te stichten, maar kende al gauw talrijke volgelingen. Op de Grote Markt van Brussel belandden in 1523 twee van zijn ordegenoten op de brandstapel. De geest was uit de fles. Door de opkomst van de boekdrukkunst kenden de ideeën van Luther een gretige verspreiding onder de bevolking. Karel V nam steeds strengere maatregelen om de opkomst van het protestantisme tegen te gaan. Het Bloedplakkaat van 1550 bestrafte elke vorm van ketterij met de dood. Filips II, de zoon van keizer Karel, paste de geloofswetgeving streng toe, geholpen door de inquisitie. De meest beruchte inquisiteur Pieter Titelmans doorkruiste Vlaanderen tussen 1545 en 1565, op zoek naar afvalligen. Hij vervolgde tussen de 1500 en 1600 personen, voornamelijk predikanten, boekhandelaren, liedjeszangers en rederijkers. 127 werden ter dood veroordeeld.

Op 9 juli 1551 werd de anabaptist of wederdoper Hans van Overdamme in Gent terechtgesteld. In een brief aan de broeders en zusters van zijn congregatie, vlak voor zijn executie, richt hij zich op een bepaald moment tot zijn geliefde:

‘En jij, mijn liefste, wees om mij niet bekommerd, maar loof de Heer omdat hij zo’n goede Vader is, dat ik om de Getuigenis van Christus ketenen en gevangenschap mag ondergaan. En ook hoop ik om in het vuur om te komen. Moge de Heer mij kracht geven door zijn Heilige Geest. En wandel jij dan in de vreze Gods, zoals je plicht is. En al zullen wij elkaar hier op aarde niet meer zien, binnenkort zullen we elkaar weer ontmoeten in het Rijk van onze Vader, waar ik binnenkort hoop aan te komen. De vrede Gods zij met jou, Amen.’

(Bron: fragment uit Het Offer des Heeren, 1570 (eerste editie 1562), moderne editie: S. Cramer (red.), Het Offer des Heeren, 1904.)

Door de repressie ging het protestantisme in de Lage Landen ondergronds. In verschillende Vlaamse en Brabantse steden ontstonden geheime protestantse kerkgemeenten. Op veel plaatsen hielden predikanten hagenpreken. In het Westkwartier, ongeveer het huidige Frans-Vlaanderen en de Westhoek, beïnvloedde ook het calvinisme het nieuwe geloof. Het gaf er een radicale en revolutionaire dimensie aan. De sociaaleconomische malaise in de streek was daar niet vreemd aan. In die streek, meer bepaald in Hondschoote, begon in 1566 de Beeldenstorm. De Beeldenstormers vernielden op enkele weken tijd op grote schaal de inboedel van kerken in de Nederlanden. Ze lieten zich niet alleen leiden door hun afkeer van de heiligenverering, maar ook door de exuberante rijkdom in de kerken.

In de praktijk bestond er na de Beeldenstorm korte tijd godsdienstvrijheid. Op sommige plaatsen werd de katholieke eredienst tijdelijk gestaakt. Maar vanaf 1567 herbegon de bloedige repressie onder Alva.

Desondanks ontstonden in veel grote steden calvinistische republieken, met die van Gent (1577-1584) als meest radicale. Ze voerden een antikatholiek beleid, sloten kerken en haalden kloosters leeg. Maar er was ook een sociaal-politieke dimensie: de calvinistische republieken tastten het traditionele gezag aan en stonden voor een democratisering van de samenleving.

De katholieke contrareformatie

In 1585 hadden de Spanjaarden de militaire reconquista van de Zuidelijke Nederlanden min of meer voltooid. Daarna maakten ze werk van de religieuze herovering. Ze wilden het protestantisme met de wortel uitroeien en de katholieke godsdienst zijn geloofwaardigheid terugbezorgen. Her bewind van de aartshertogen Albrecht en Isabella (1598-1621) was cruciaal. De aspecten van het katholicisme die de protestanten aan de kaak hadden gesteld, gingen ze des te meer promoten: de verering van Maria en de heiligen, de reliekencultus, de pracht en de praal van de kerken en de processies. De publieke ruimte moest opnieuw katholiek worden. Talrijke kerken, kruiswegen, kapellen en standbeelden werden opgericht. De kampioenen van de contrareformatie waren de jezuïeten. In enkele decennia bouwden ze een indrukwekkend netwerk in de Zuidelijke Nederlanden uit. Voor hun hoofdzetel in Antwerpen lieten ze de prestigieuze Carolus Borromeuskerk optrekken, een parel van barokke kunst. De kerk kostte een fortuin en bracht de orde op de rand van het bankroet. De geestelijkheid moedigde gewone gelovigen sterk aan om deel te nemen aan religieuze manifestaties naar aanleiding van de inwijding van de nieuwe kerken of de herdenking van mirakelen. De processies verbonden de religieuze macht aan de politieke door de obligate aanwezigheid van gezagsdragers en de deelname van talrijke gelovigen.

De bisschoppen organiseerden ‘visitaties’. Ze inspecteerden elke parochie om toe te zien op de levenswandel van de priesters. Op die manier pareerden ze de kritiek van de protestanten en hoopten ze te vermijden dat de gewone parochianen nog ketterse ideeën zouden opnemen.

M. Cloet citeert enkele fragmenten uit de visitatieverslagen van Antoon Triest, bisschop van Gent in de eerste helft van de zeventiende eeuw.

Over de pastoor van Kruishoutem in 1625:

‘Hij woont samen met een jong en mooi dienstmeisje en hoewel ik niets kwaads over hun omgang heb gehoord, heb ik hem toch vriendelijk gewaarschuwd dat hij er over waken zou dat de bekoring niet te sterk zou worden.’

Later, in de marge: ‘Korte tijd daarna werd ze zwanger. De pastoor werd verdacht en weggestuurd.’

Over Astene in 1642:

‘In de goedafgewerkte pastorie trof ik een jong, mooi en opgesmukt dienstmeisje aan. De pastoor, die ik daarover vermaand heb, zei me dat ook zijn zuster bij hem woont en dat hij bereid is het dienstmeisje weg te sturen. Ik heb dat echter niet durven vragen, omdat ze beiden een goede naam hebben en omdat er eigenlijk geen andere kritiek is dan dat het meisje te mooi is voor de pastoor, zoals ook zijn zuster.’

Over Overmere in 1631:

Er is hier iemand niet weinig verdacht van ketterij, alhoewel hij regelmatig in de kerk te zien is: hij spreekt immers vrijmoedig over religieuze zaken en hij wordt verondersteld de bijbel te lezen.’

De geloofsbeleving van de kleine man in deze periode is niet te vatten in het keurslijf van de contrareformatie. Het magische wereldbeeld overheerste nog steeds. Zowel analfabeten als hooggeschoolden schreven ziekten en tegenslagen toe aan betovering door heksen of tovenaars. De heksenvervolging vierde hoogtij.

Op 19 september 1603 veroordeelde een rechtbank in Wortegem de 61-jarige Joanna de Rijcke uit Anzegem tot de brandstapel. Ze verkocht zeven jaar eerder haar ziel aan de duivel. Het contract ondertekende ze met haar eigen bloed door in haar vinger te snijden. De duivel was aan haar verschenen ‘in de ghedaente van eenen heer te peerde’. Haar persoonlijke demon Margobur verscheen steeds ‘gansch mismaekt van lichaem met peerdevoeten en eenen aepenkop’.

De duivel gaf dagelijks een som geld aan Joanna. In ruil beloofde ze ‘beesten ende menschen te doen sterven bij middel van zeker rostachtin poeder’, bereid met varkensvet; wie ermee bestreken werd, was ongeneeslijk ziek. In oktober 1597 brak ze ‘in een onstuijmig weder van donder ende wind’ samen met andere heksen drie lokale molens af. In 1599 betoverde ze de twee kinderen van Pieter van de Wiele uit Anzegem door hen witte en bruine suiker te geven. Slechts door middel van ‘geestelijke remedien’ waren de arme kindjes uit hun betovering gewekt. Het kind van Pieter de Bleekere uit Wortegem had minder geluk. De heks diende hem het duivels poeder op een stukje brood toe. Het kind zwol zodanig op ‘dat het naer eenige daegen is overleden’. Ook deed ze paarden, varkens en koeien omkomen en maakte ze nog meer menselijke slachtoffers met haar poeder, gemengd in een ‘duijvelsche zalve’.

Joanna de Rijcke was een van de vele slachtoffers van de massapsychose in die tijd. De lokale gemeenschap projecteerde haar collectieve angsten vooral op geïsoleerde vrouwen als zij, met de zegen van de kerkelijke en politieke autoriteiten. In zeer veel heksenprocessen komen vergelijkbare verklaringen over contracten met de duivel voor. Zoveel gelijklopende, waanzinnige bekentenissen zijn duidelijk het gevolg van de suggestieve vragen van de rechters.

Ook verhalen over wonderbaarlijke genezingen deden de ronde. In Kortrijk ontstond een grote devotie rond het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Groeninge. In het midden van de zeventiende eeuw vonden er volgens getuigenverklaringen tientallen genezingen plaats. Een legerkapitein verklaarde dat de problemen met zijn blaas als bij wonder ophielden na een bezoek aan het beeld. Plots had hij ‘gheheel lichtelick ende sonder eenighe pyne gheurineert als hy in 13 jaeren te vooren ghedaen hadde.’ Een begijntje getuigde hoe zij in de kerk, in aanwezigheid van talrijke gelovigen, van een boze duivel werd verlost, ‘zynen clau inde vynster ... ghestelt tot een teecken van zynen uutgaenck.’ Lokale chirurgijns bevestigden deze getuigenissen.

De kerkelijke hiërarchie bekeek de duiveluitdrijvingen en andere vormen van bijgeloof met argusogen. Een zwangere vrouw kon haar toevlucht nemen tot Maria om een goede bevalling te verzekeren, maar even goed vertrouwde ze op een amulet dat ze op haar buik droeg. De contrareformatie liet bepaalde devotiepraktijken niet toe. Ze trad bijvoorbeeld streng op tegen het ‘opwegen’: op een grote weegschaal bij het beeld van een heilige werd een ziek persoon uit evenwicht gebracht met een hoeveelheid graan, die vervolgens aan de heilige geofferd werd.

Religieuze minderheden

Tot het einde van de achttiende eeuw was officieel geen andere godsdienst dan de rooms-katholieke toegelaten. Het tolerantie-edict (1781) van keizer Jozef II kondigde voor het eerst godsdienstvrijheid in onze gebieden af. De geestelijkheid juichte het edict niet toe. Het tastte het monopolie van de katholieke Kerk aan.

De Brabantse Omwenteling (1789-1790), aangevuurd door de katholieke behoudsgezindheid, verdreef tijdelijk het Oostenrijks bewind en schroefde de talrijke hervormingen terug. Maar onder de Franse overheersing (vanaf 1794) en het Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) kwamen de verschillende godsdiensten op gelijke voet te staan.

Religieuze minderheden zijn er altijd geweest. Vanaf de twaalfde of de dertiende eeuw waren er joodse gemeenschappen in Henegouwen en Brabant. In 1348-1349 brak de pest uit. Men beschuldigde de joden ervan het water te hebben vergiftigd. Zoals elders in Europa vonden pogroms plaats en werden groepen joden uitgemoord. In 1370 werden in Brussel enkele joden verbrand op beschuldiging van de diefstal van hosties. Ze zouden de hosties met een dolk gestoken hebben, waarna deze begonnen te bloeden. De joden werden verdreven uit Brabant, maar in de zestiende eeuw vonden Spaanse joden opnieuw een onderkomen in Antwerpen.

In 1585 veroverde de Spaanse hertog Farnese de stad Antwerpen op de geuzen. De val van Antwerpen riep de verspreiding van het protestantisme bruusk een halt toe. De Zuidelijke Nederlanden hoorden voortaan uitsluitend katholiek te zijn. Meer dan honderdduizend protestanten weken de daaropvolgende jaren uit naar Engeland en vooral de Republiek der Nederlanden. Toch bestonden er tot in de zeventiende eeuw protestantse gemeenschappen in de Zuidelijke Nederlanden. In de grensstreek met Frankrijk vond het protestantisme een tweede adem nabij vestingsteden zoals Ieper en Menen. Daar waren na het Barrièretraktaat van 1715 protestantse soldaten en hun aalmoezeniers gelegerd. De protestantse Verenigde Provinciën mochten in de katholieke Oostenrijkse Nederlanden namelijk acht grensvestingen oprichten tegen Frankrijk. In de omgeving van die vestingsteden kende het protestantisme hierdoor een heropflakkering. In de achttiende eeuw ontstonden in de grote steden de eerste vrijmetselaarsloges onder invloed van de Verlichting.

Een antiklerikale revolutie

Tegelijk met de conservatieve Brabantse Omwenteling brak in Luik een revolutie met een duidelijk antireligieus karakter uit. Het kleine prinsbisdom behoorde tot het Heilige Roomse Rijk. Kerk en Staat waren er sterk verstrengeld, de prins-bisschop was er zowel de wereldlijke als de geestelijke soeverein. De feitelijke macht lag evenwel in handen van de kanunniken van de Sint-Lambertuskathedraal en de aristocratie.

In 1784 besteeg de autoritaire en reactionaire Caesar van Hoensbroeck de Luikse prinsbisschoppelijke troon. De ‘tiran van Seraing’, zoals zijn bijnaam was, had het niet onder de markt. Hij probeerde het hoofd te bieden aan de opkomst van de ideeën van de Verlichting in zijn prinsdom, terwijl de onrustige bevolking net schreeuwde om politieke verandering en meer sociale rechtvaardigheid.

De Franse Revolutie protesteerde vrij hevig tegen de machtspositie van de Kerk. Vanaf 1794 bezetten de Fransen de Zuidelijke Nederlanden. Ze voerden hun antigodsdienstige politiek ook hier door. Ze sloten heel wat kerken en kloosters. Priesters moesten een eed van trouw aan de republiek en ‘haat aan het koningschap’ afleggen. Een vierde van de pastoors in de bisdommen Gent en Brugge deed dat effectief, maar de meeste weigerden. Wie weigerde, werd vervolgd of verbannen naar een strafkolonie in Guyana in Zuid-Amerika. Velen doken onder bij particulieren. In het geheim droegen ze de mis op en oefenden ze hun andere pastorale taken uit. De gesloten kerken veranderden ondertussen in ‘tempels van de rede’.

Er werd een atheïstische cultus beleden, losjes geïnspireerd op de Verlichting en de ideeën van Voltaire.

De veranderingen konden echter op weinig sympathie van de kleine man rekenen. In 1798 brak een opstand tegen de Franse bezetter uit, de zogenaamde ‘Boerenkrijg’. De concrete aanleiding was de invoering van de algemene diensplicht. Ook de antigodsdienstige politiek van de Fransen was een van de motieven, net als het invoeren van de ‘assignaten’ (het eerste, maar weinig waardevaste papiergeld), het vorderen van zware belastingen en het opeisen van graanvoorraden en paarden. De opstandelingen, meestal geleid door lokale notabelen, hanteerden ‘voor outer (altaar) en heerd’ als slogan. Ze bevestigden ook hun trouw aan het verdreven Oostenrijkse gezag.

Pas met het concordaat tussen de paus en Napoleon (1801) kon de katholieke godsdienst weer vrij beleden worden.

De Kerk in het midden van het dorp

Eind negentiende eeuw vierde het klerikalisme op het platteland opnieuw hoogtij. Minstens tot in de helft van de twintigste eeuw heerste de geestelijkheid over het platteland. Ze bepaalde het ritme van de dagen, de jaren en het leven van de mensen.

Het symbool van de klerikale almacht was de klokkentoren van de dorpskerk, alsof stilzwijgend was afgesproken dat er niets hogers gebouwd mocht worden. Zelfs buiten de dorpskern ontsnapte men niet aan de religieuze dominantie. Alomtegenwoordige kruisen en wegkapelletjes gaven het landschap vorm. Ze fungeerden als rustplaats tijdens de kruisdagenprocessies, toen priesters de velden indoken om het land te zegenen en een goede oogst af te smeken.

Het ritme van de kerkklokken gaf de religieuze regelmaat aan. Tot ver in de velden hoorde je de klokken het uur luiden. Elke dorpeling herkende de slagen die hoorden bij huwelijken en begrafenissen en de slagen van de noodklok in geval van alarm.

Klokkengebeier voorzag de dagen niet alleen van geluid. Het riep ook op om te bidden. Het tafelgebed voor de maaltijd en het angelus waren de twee meest courante gebeden. Driemaal per dag onderbraken de boeren hun werk voor het reciteren van het angelus. Het klokkengelui kondigde het gebed aan, zoals vandaag in de islamitische landen vanop de minaretten tot het gebed wordt opgeroepen.

Het ritme van het jaar werd dan weer aangegeven door de religieuze feestdagen. Maar ook parochiefeesten, jaarmarkten en kermissen ter ere van de plaatselijke patroonheilige waren voor de kleine man een reden om bier te drinken en zoetigheid te eten. Die dagen waren zelfs bals toegelaten, ook al vond de Kerk dat dansen toch maar leidde tot losbandigheid.

Vaak was er een kermis in de lente en een kermis in de herfst. Op maandag na de kermis waren de scholen gesloten en kon het hele dorp ‘recupereren’.

Ook het voedsel dat op tafel kwam, volgde de liturgische kalender. Vette en magere periodes wisselden elkaar af. De vastentijd voor Pasen en de adventstijd voor Kerstmis waren magere periodes. Maar op Vastenavond, Kerstmis en Pasen at men vlees of zoetigheden, zoals pannenkoeken of cougnous, een soort suikerbroodje in de vorm van een kindje Jezus.

Het leven van de mensen was een opeenvolging van door de Kerk geregelde gebeurtenissen. Op een geboorte volgde automatisch het doopsel, verplicht vermeld in het trouwboekje, dat nochtans een burgerlijk document was. De plechtige communie duidde de overgang van kindertijd naar volwassenheid aan.

Als een paar wilde trouwen, bekrachtigde de Kerk hun huwelijk. Na een bevalling volgde een kerkgang van de jonge moeder. Een nieuw huis kreeg de zegen van de pastoor.

Bij ziektes hoorden gebeden. Als de priester vergezeld van koorknapen door het dorp trok, waren ze op weg om een stervende de laatste sacramenten toe te dienen. De begrafenissen waren vrijwel altijd religieus van aard.

Religieuze ordes waren goed vertegenwoordigd. Conventen, kloosters en abdijen lagen verspreid over het platteland. Ze wierven de kinderen van de boeren aan als lekenbroeders en -zusters om de handenarbeid van de orde uit te voeren. Vaak belastten de autoriteiten de religieuze ordes ermee om de boerenkinderen een beetje elementair, vooral godsdienstig, onderwijs te geven en medische basiszorg te verlenen. De meest intelligente kinderen uit de volksklassen konden opklimmen tot pastoor of pater.

Aan het begin van de twintigste eeuw was de Kerk op het toppunt van haar macht. Ze was de grootste werkgever in Vlaanderen. Maar de eerste barsten ontstonden. Wie aandachtig de huwelijks- en geboorteregisters bestudeert, ziet dat een huwelijk vaak op een zwangerschap volgde. De kerkelijke geboden werden dus niet altijd nageleefd!

Godsdienst als oplossing voor rampspoed

De boeren leefden in schamele, overbevolkte en onwelriekende huizen. Muziek hoorden ze alleen als de kermis in het dorp was. De zondagsmis was dan ook een vredig toevluchtsoord. Tussen de glas-in-loodramen, standbeelden en schilderijen rook het in de kerk aangenaam naar wierook. Orgel en koor zorgden voor muziek. De zondagsmis bood de kerkgangers een rustpunt. Ze maakten de balans op van wat ze al bereikt hadden en dachten na over de problemen die ze nog moesten oplossen. Biddend vertrouwden ze de bescherming van hun dierbaren aan God roe. Ze vroegen Hem om een goede oogst, het herstel van een zieke koe of een goede gezondheid voor een familielid. Bidden hielp om de bliksem te verdrijven.

Nog meer dan aan God vroegen ze gunsten aan de maagd Maria of de heiligen. De geneeskunde was nog niet helemaal betrouwbaar, dus vond elk probleem zijn oplossing bij een heilige: Sint-Antonius voor verloren voorwerpen, Clara voor goed weer, Anna voor een voorspoedige bevalling. Was er een beeld van de heilige in de parochiekerk, dan wendden de gelovigen zich ter plaatse tot hem. Was dat beeld er niet, dan bezochten de gelovigen de heilige op een pelgrimstocht, een vorm van toerisme avant la lettre. Of men stelde alle hoop op een van de vele afbeeldingen die van de heilige circuleerden.

Van kindsbeen af werden beschermamuletten van de verschillende heiligen om de hals gehangen of in de kledij genaaid. Tijdens oorlogen of militaire dienst beschermden scapulieren de soldaten tegen de inslag van munitie. Het kruisbeeld en het Heilig Hart beschermden huizen en personen. Om de heilzame werking van het kruisbeeld het hele jaar door te garanderen, werd elk jaar op Palmzondag het bijbehorende gewijde palmtakje vervangen. Een klein wijwatervat aan de ingang van het huis liet toe een kruisteken te maken en aldus slechte invloeden af te wenden.

Het is niet verwonderlijk dat juist in tijden van grote rampspoed het geloof de gewone mensen een houvast bood. Een missiepredikant getuigt over zijn tocht naar Knesselare in het rampjaar 1849:

‘In dat dorp werd de cholera en de typhus op mij voorgezonden, en waren vele zielen diep geschokt, doordat velen plots waren gestorven. Het was niet moeilijk de overlevenden te vermurwen: in de hoogste nood is het geloof het meest levendig en het Godsvertrouwen der teneergeslagen mensen was wonderlijk.’

(Bron: J. Art, Kerkelijkheid als gedeeltelijke reflex op socio-economische situaties in de 19de eeuw, 1974)

Datzelfde jaar is ook de overste van het Gentse Jezuïetenklooster verheugd dat velen hun geloof hadden herwonnen:

‘Een niet klein aantal boetvaardigen kwam door de dreigende ziekte tot inkeer, ziekte die deze zomer hevig in de stad woedde: de cholera veroorzaakte dit jaar te Gent immers de dood van 3400 mensen.’

(Bron: ]. Art, Kerkelijkheid als gedeeltelijke reflex op socio-economische situaties in de 19de eeuw, 1974)

De Kerk, ook in het midden van de fabriek?

Zolang de parochie ook de basisstructuur voor de steden en hun verschillende wijken bleef, was dergelijke geloofsbeleving ook de basis van de stedelijke religieuze praktijk. Maar de industrialisering in de negentiende eeuw knabbelde aan de dominante ruimtelijke positie van de Kerk. Hele bevolkingsgroepen maakten zich los van de tradities. De nieuwe fabrieken doken soms ver van de bestaande kerken op. Men talmde om er nieuwe te bouwen. De opkomende arbeidersklasse keerde zich af van de religie. Ze beschouwde de clerus als bondgenoot van het patronaat en de grootgrondbezitters, het soort mensen dat actief haar invloed aanwendde voor de handhaving van een voor arbeiders ongunstige openbare orde.

Binnen dit arbeidersmilieu ontstonden vrijdenkende en rationalistische verenigingen, iets wat bij de boeren ondenkbaar was geweest. Aangezien de industrialisering zich eerst in Wallonië liet voelen, verschenen dergelijke verenigingen vooral daar en in Brussel. Els Witte bracht ze in kaart voor de periode rond de eeuwwisseling. Ze merkte op dat ze de industriële geografie strikt volgden. Plaatsen waar de industrie zich ontwikkelde, stonden het meest open voor nieuwe ideeën en pasten zich het makkelijkst aan veranderingen aan. Socialisme en vrijdenkerij rukten samen op in het arbeidersmilieu. Lezers van de Gentse socialistische krant Vooruit mochten in ruil voor een financiële bijdrage onder een pseudoniem hun wensen bekendmaken. Recent onderzoek toonde aan dat het vaak om sterk antiklerikale wensen ging.

– ‘Het schijnt dat Bisschop Henri Lambrecht het veel gemakkelijker vindt in weelde en rijkdom te leven, terwijl zijne priesters aan de hongerlijders de verduldigheid prediken.’ 0,10 fr

– ‘Christus deed heel anders, maar die was republikein en socialist, terwijl Lambrecht het tegenovergestelde is.’ 0,10 fr
(Bron: Strijdpenning – Vooruit, 16 november 1888)

In Wallonië was het antiklerikalisme in fabriekskringen al tien jaar vóór de oprichting van de Belgische Werkliedenpartij zeer venijnig. De krant L’Organe de Mons bekritiseerde al in 1877 fel de verdorven zeden en de rijkdom van de clerus. De geestelijken misbruikten de lichtgelovigheid van het volk ten opzichte van mirakels. De krant wees ook op de heimelijke afspraken tussen politiek en Kerk.

In Vlaanderen hield het katholicisme sterker stand doordat er minder industrie aanwezig was. Gent was een uitzondering. De bisschop van Gent stuurde in 1886 het volgende rapport naar de Heilige Stoel:

‘Buiten de stad Gent worden er weinig afvalligen gesignaleerd, maar in Gent, waar meer dan 140.000 inwoners zijn, wonen zeer veel vijanden van Christus: socialisten, vrijmetselaars, radicalen en nihilisten.’
(Bron: Art, p. 23)

In de stedelijke volksbuurten ging de kerkgang vanaf het einde van de negentiende eeuw zienderogen achteruit. Talrijke koppels leefden ongehuwd samen. Kinderen werden niet meer automatisch gedoopt. De niet-kerkelijke begrafenissen namen sterk toe. Socialistische, anarchistische en (later) communistische kringen beschouwden de priester als vijand van de klasse, vooral als hij het arbeidersmilieu trachtte binnen te dringen via christelijke vakbewegingen en liefdadigheidswerken. Er werden alternatieven voor de christelijke feesten bedacht. Het lentefeest verving de plechtige communie. Fanfares en socialistische of vrijzinnige vlaggen luisterden begrafenissen op. De eerste mei werd voor vrijzinnige gezinnen de perfecte gelegenheid om de grote schoonmaak te doen, zoals de katholieke gezinnen met Pasen deden. En ook Kerstmis kreeg een ‘wereldlijke’ tegenhanger: het ‘rode kerstfeest’ was de dag waarop de kinderen snoepgoed en geschenkjes kregen.

Een ‘volksverbonden’ katholicisme

Eind negentiende eeuw had de Kerk de controle over een gedeelte van de bevolking verloren. Industrialisering en de opkomst van het socialisme bedreigden de katholieke orde. Met de nakende invoering van het algemeen stemrecht (1893) zat de angst voor het socialisme er diep in. Hoe moest de Kerk omgaan met een samenleving in volle verandering? Een strategische wending drong zich op om de kleine man opnieuw te binden aan de Kerk.

De Kerk ontwikkelde standenorganisaties, gilden en andere verenigingen met een sociaal-caritatief doel. Met de encycliek Rerum Novarum in 1891 legitimeerde paus Leo XIII al deze acties. De paus vond dat de arbeidersklasse recht had op een meer menswaardig bestaan en een rechtvaardig loon. Hij wees zowel het ongebreidelde kapitalisme als het marxistisch socialisme af. Samenwerking tussen kapitaal en arbeid was volgens de encycliek het ideaal. De oprichting van vakbonden leek hiertoe een uitgelezen middel.

De nieuwe verenigingen functioneerden net zo goed als een belangrijk pastoraal instrument om de ziel en de stem van de kleine man blijvend te winnen. De Boerenbond ontstond om steun te verlenen aan noodlijdende boeren. Plaatselijke vakverenigingen ijverden voor betere leefomstandigheden voor arbeiders, ondanks tegenstand van katholieke patroons. In 1912 werd de koepelvereniging Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV) opgericht. Jozef Cardijn startte in de jaren 1920 de ‘katholieke actie voor de arbeidersjeugd’. Zijn initiatief zou uitmonden in de Kajotters en de nu nog bestaande KAJ.

Ook de kranten speelden een belangrijke rol. In 1890 rolde in Gent Het Volk voor het eerst van de persen. De krant was een reactie op de socialistische Vooruit. In de grootste stad van Vlaanderen verscheen de Gazet van Antwerpen.

Niet iedereen binnen de Kerk was opgezet met deze nieuwe sociale initiatieven van de katholieke beweging. De ‘provinciaal’, de overste van alle Belgische jezuïetenkloosters, schreef in 1893 aan zijn ‘generaal’, de overste van alle jezuïeten ter wereld:

‘Men bekommert zich op het ogenblik in België veel om de werken voor arbeiders, die zeer veel aan belang hebben gewonnen sinds het meervoudig stemrecht (of het verdoken algemeen stemrecht) – spijtig genoeg – in de grondwet is opgenomen. De bisschoppen en vooraanstaande leken willen syndicaten en coöperatieven oprichten om de werkliedenstand te kunnen inpalmen.’
(Bron: Art, p. 32)

De Kerk beperkte zich niet tot sociale initiatieven, maar gooide zich ook in de strijd om de ziel van de gelovige, in het bijzonder die van het kind. Paus Pius X kwam met de kindercommunie op zevenjarige leeftijd op de proppen. De patronaten en de communiebonden werden opgericht. De patronaten om werkende arbeiderskinderen op zondag godsdienstonderricht te verstrekken. Later groeide hieruit onder andere de Chiro. De communiebonden ontstonden in school- en parochieverband. Ze hadden als doel kinderen en adolescenten te stimuleren dagelijks te communie te gaan en regelmatig te biechten. Beide organisaties zetten sterk in op de Eucharistische Kruistocht. De term wijst op het strijdvaardige karakter van het initiatief, net als het lijflied van de moderne kruisvaarders, ‘In dichte drommen staat, o Heer, uw Kruisleger bereid’.

De beweging paste in een breder religieus reveil vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw. Nieuwe broederschappen ontstonden. Maria verscheen enthousiaster dan ooit tevoren, ook in België en zowaar aan meisjes uit het gewone volk. In 1933, het absolute topjaar voor de Belgische Mariaverschijningen, maakte de maagd zich in Banneux aan de twaalfjarige Mariette Beco bekend als de ‘Maagd der armen’. Bedevaarten ontpopten zich tot ware vormen van massatoerisme. In de tuin van een klooster of een pensionaat mocht een Lourdesgrot niet ontbreken. Gewone gelovigen voorzagen in hun huiskamer een plaats voor een beeld van het Heilig Hart. Deze cultus werd gepromoot in bonden van het Heilig Hart, ondersteund door de jezuïeten. In 1943 telden de bonden voor de mannen in Vlaanderen 370.000 leden. De vrouwelijke bonden hadden 270.000 aanhangers. In aanwezigheid van tienduizenden gelovigen werden Vlaamse steden toegewijd aan het Heilig Hart of Christus Koning.

Secularisatie en het Tweede Vaticaans Concilie

Tot in de jaren 1950 was de invloed van de Kerk erg groot, zeker in kleinere gemeenten. In het onderwijs en het socioculturele leven bezat de Kerk op veel plaatsen een monopoliepositie. ‘Meneer pastoor’ was een erg vooraanstaand burger. De dorpsgemeenschap zorgde telkenmale voor een feestelijk onthaal van een nieuwe zielenherder en overhandigde hem plechtig de sleutel van de kerk. Die zielenherder hield zijn parochianen vervolgens nauwlettend in de gaten en rapporteerde alles aan het bisdom.

In de visitatieverslagen van de deken van Avelgem uit de jaren 1950 lezen we:

‘Het kerkelijk en godsdienstig leven op de parochies blijft op peil ... De schoolactie wordt niet verwaarloosd. De geestelijken van iedere parochie doen al wat ze kunnen om de kinderen naar onze vrije scholen en colleges te sturen ... De kristen syndikaten werven wel geregeld leden bij, doch daarom zijn het nog geen bekeringen ... Dit jaar hadden wij twee civiele begravingen, wat zelden voorkomt ... Doch op politiek gebied, zie ik de toestand voor de aanstaande verkiezingen niet te rooskleurig in.’

De deken zag de niet-katholieke pers duidelijk als een bedreiging:

‘Onder de bladen der tegenstanders verricht “voor allen” het meeste kwaad en is ook het meest verspreid; immers al de socialistische gesyndikeerden krygen het blad. Het Laatste Nieuws wordt in het Avelgemse op ongeveer 250, Vooruit op 150, Le Soir en La Dernière Heure op ongeveer 50 (elk) geschat. Het perscomité betracht ze te doen vervangen, vooral Het Laatste Nieuws door Het Volk.’

Er waren ook andere bedreigingen:

‘In onze streken begint het ook op te komen Familie- en Vriendenfeestjes in te richten den Zaterdag avond en ze te laten doorgaan tot in de morgen, ‘t gene, benevens de gewone gevaren, ook wel geen bevordering brengt voor het Zondag vieren.’

De secularisering van het dorpsleven was even onvermijdelijk als de modernisering van de Kerk. Na het Tweede Vaticaanse Concilie veranderde er heel wat. De kerkdienst verliep voortaan in de volkstaal. De priester stond niet langer met zijn rug naar de gelovigen. De bedoeling was de Kerk op die manier ‘terug bij de tijd te brengen’. In de ‘vrije’ jaren 1960 lukte dit slechts gedeeltelijk. Steeds meer ‘gelovigen’, zeker de jongeren, keerden de Kerk de rug toe of hadden ernstige bedenkingen. Een ‘volksraadpleging’ in 1966 stelde de bevolking van Avelgem een aantal vragen over de misvieringen. Een van de respondenten, een 18-jarige studente, spaarde haar kritiek niet:

‘Ik persoonlijk vind dat de priesters zouden mogen trouwen, dan zouden ze andere vrouwen gerust laten! In plaats van een orgel in de kerk, plaats liever een juke-box! In plaats van kaalkoppen te laten rondgaan met de schaal, laat een jonge mok rondgaan, want dit zal meer succes hebben bij de mensen. De priesters houden ook een dienstmeisje in plaats van een knecht.’

Over de parochieraad was de jongedame al even duidelijk: ‘Toegang voor iedereen.’ Jeugdontspanning? ‘Dansgelegenheden inrichten’. Over het luidop meebidden en meezingen in de mis: ‘Slechte begeleiding, vraag de Beatles!’

De andere godsdiensten

In de negentiende eeuw deed het protestantisme zijn intrede in de Belgische volksbuurten.

Terwijl de katholieke priesters, enkele uitzonderingen zoals Adolf Daens daargelaten, traditioneel de belangen van de werkgevers ondersteunden, kwamen heel wat protestantse dominees uit het arbeidersmilieu. Ze leerden werknemers lezen, zodat ze hun rechten konden leren kennen.

Isabelle Blume was in 1936 een van de eerste twee rechtstreeks verkozen vrouwen in de Kamer. Ze was de socialistische (en later communistische) dochter én vrouw van een dominee uit Henegouwen. Haar vader leerde de arbeiders lezen in de Catéchisme du peuple van Alfred Defuisseaux uit 1886, een klein revolutionair boekje met vragen en antwoorden zoals in de katholieke catechismus. Enkele vragen in verband met de grondwet:

‘Wanneer is de Grondwet uitgegeven geworden?

Over 55 jaar, 25ste Februari 1831.

Is die oude grondwet heden nog goed?

Zij is niet meer waard dan een oude hoed van het jaar 31. Indien ik zulk eenen hoed opzette, die in zijnen tijd misschien zeer schoon was, dan zou men denken dat het vastenavond is, zo belachelijk zou ik zijn.

Waarom bewaart België dan die vervallen Grondwet?

Omdat zij de rekening maakt van de bestuurders. Indien zij veranderd werd bleef er niet eenen aan het bewind.’

Natuurlijk protesteerden niet alle protestantse predikanten tegen politiek en maatschappij. Er waren ook gegoede protestantse burgers. De eerste Belgische koning, de uit Duitsland afkomstige Leopold I, was protestants. Maar in de voornamelijk Waalse arbeidersbuurten en op het platteland, was protestant zijn voor de kleinburgers een vorm van protest tegen de heerschappij van door katholieke geestelijken ondersteunde grootgrondbezitters. In het milieu van de Luikse mijnwerkers werd op het einde van de negentiende eeuw zelfs een ‘Belgische’ religieuze beweging geboren. Het ‘Antoinisme’ dankte zijn naam aan ‘vader’ Louis Antoine, een voormalige mijnwerker die beweerde dat hij met de doden kon communiceren en zijn aanhangers aanraadde om socialistisch te stemmen. De beweging zou over alle mijnbekkens uitzwermen tot in Frankrijk.

Aan het begin van de twintigste eeuw verschenen de getuigen van Jehova in ons land. Zij hebben een hoofdzakelijk volkse basis. In de Limburgse mijnstreek introduceerden vooral de Poolse mijnwerkers dit geloof tijdens het interbellum. Jehova’s getuigen zijn voor de overgrote meerderheid katholieken die zich van hun vroegere overtuigingen losgemaakt hebben. Ze geloven dat ze met hun nieuwe toetreding dichter bij het oorspronkelijke christendom staan.

Sinds de jaren 1960 brachten Marokkaanse en Turkse immigranten een aanzienlijke islamitische bevolkingsgroep naar België. Onder Afrikanen en Zuid-Amerikanen zijn de evangelisten en de aanhangers van de pinksterbeweging dan weer talrijk.

De eenentwintigste eeuw

Vandaag is het godsdienstaanbod in ons land sterk gediversifieerd. Het maatschappelijk belang van de katholieke godsdienst is veel kleiner geworden.

Rond 1950 waren de mensen zo goed als verplicht, in ieder geval in de dorpen, om hun kinderen te laten dopen, huwelijken en begrafenissen kerkelijk te laten bekrachtigen en ’s zondags naar de mis te gaan. Van die katholieke religieuze praktijk blijft in ons land niet veel meer over. In 2007 trouwden in Vlaanderen en Wallonië nog slechts 28 procent van de echtparen voor de kerk, in Brussel was dat 7,2 procent.

De cijfers over het kerkelijk huwelijk geven in zekere mate een vertekend beeld. Andere sacramenten of rituelen houden zeer goed stand in tijden van ontkerkelijking. Cijfers uit 2010 van Marc Hooghe tonen aan dat in Vlaanderen 67 procent van de pasgeborenen wordt gedoopt en 71 procent van de overledenen kerkelijk wordt begraven. In de provincies Limburg en West-Vlaanderen liggen die cijfers nog hoger. Kerkelijke levensrituelen blijven voor veel mensen duidelijk erg belangrijk. Bovendien hebben binnen de Kerk enkele moderne alternatieven behoorlijk wat succes bij een kleine maar gemotiveerde groep. Jongerenkerkdagen en allerlei christelijke basisgroepen komen op voor een meer rechtvaardige samenleving.

Maar het seculiere karakter van het publieke leven is in ons land geen zaak meer. Het is in de verschillende sociale klassen aanvaard om uitgesproken ongelovig of vrijzinnig te zijn. In alle steden van het land ontmoeten we moslims of evangelisten, vooral bij de kleine man. Velen zoeken hun heil in new age-rituelen en -opvattingen. Het geloof speelt vandaag nog altijd een rol in onze maatschappij.

Literatuurlijst
Arcq E., Sägesser C., Le fonctionnement de l’Eglise catholique dans un contexte de crise, Courrier hebdomadaire du Crisp, n° 2112-2113, 2011.
Decavele J., De dageraad van de Reformatie in Vlaanderen (1520-1565) (Verhandelingen van de Koninklijke Academie voor wetenschappen, letteren en schone kunsten van België. Klasse der Letteren, 76), Brussel, 1975.
De Maeyer J. e.a., Het aartsbisdom Mechelen-Brussel. 450 jaar geschiedenis. Deel H. De volkskerk in het aartsbisdom. Een ‘vrije’ kerk in een moderne samenleving 1802-2009, Halewijn, Antwerpen, 2009.
Dierkens A. en Morelli A., Topographie du sacré. L’emprise religieuse sur l’espace, éditions de l’Université de Bruxelles, Problèmes d’histoire des religions, tome XVIII, Brussel, 2008.
Morelli A. e.a., Devotie en godsdienstbeoefening in de verzamelingen van de Koninklijke Bibliotheek, Koninklijke Bibliotheek van België/Centre interdisciplinaire d’étude des religions et de la laïcité (ULB), 2005.
Nissen P. (red.), Geloven in de Lage Landen. Scharniermomenten in de geschiedenis van het christendom, Davidsfonds Fontaine, Leuven, 2004.
Pierret P., La profanation des hosties de Bruxelles de 1370, Musée Juif de Belgique, s.l., s.d..
Therry M., De religieuze beleving bij de leken in het 17-eeuwse bisdom Brugge (1609-1706) (Verhandelingen van de Koninklijke Academie voor wetenschappen, letteren en schone kunsten van België. Klasse der Letteren, 128), Brussel, 1988.